Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 01: De Apen

Chapter 8

Chapter 83,822 wordsPublic domain

Tot de bekendste soorten van het geslacht behoort de Makako of Javaanaap, de Monjet van de bewoners van Java (Macacus cynomolgus). Hij bereikt een hoogte van 1.15 M., waarvan 50 à 58 c.M. op den staart komen. Het kophaar van het mannetje is plat neergedrukt, dat van het wijfje staat bij wijze van een kam overeind. De kleur is van boven bruinachtig groen, van onderen witachtig grijs, aan de handen, de voeten en den staart zwartachtig. Dit dier bewoont Oost-Azië, vooral de Soenda-eilanden (van Java tot Timor), waar hij zeer menigvuldig is; bijna ieder uit Indië komend schip heeft een aantal van deze Apen aan boord, die voor lagen prijs van de inboorlingen gekocht kunnen worden. Zij maken daarom een belangrijk deel van de bevolking van onze dierentuinen en beestenspellen uit; door gedrag en gestalte gelijken zij op de Meerkatten. In de gevangenschap kunnen zij gemakkelijk in ’t leven gehouden worden, en planten zij zich geregeld voort. Wegens zijn opgewektheid en leerzaamheid wordt de Javaan-aap dikwijls in apentheaters gebruikt; gewoonlijk heeft hij er de rol van bediende te vervullen.

Verwant aan deze soort is de Kroonaap (Macacus sinicus), de Malbroek der inboorlingen van Voor-Indië, die hem voor heilig houden, evenals den Bonder (Macacus rhesus), de Markat der Indiërs. „Een geloofwaardig man,” zegt kapitein Johnson, „verhaalde mij, dat de eerbied van de inboorlingen voor den Markat bijna even groot is, als die voor den Hanoeman (p. 20). De inboorlingen van Baka laten op den akker tienden van den oogst achter voor deze Apen, die dan ook spoedig van de bergen afdalen, om de hun aangeboden belasting te halen.”

Bereidwillig betaalt iedere Hindoe deze bijdrage, en geeft hierdoor een bewijs van milddadigheid en barmhartigheid, dat ons bijna belachelijk voorkomt, maar hem toch tot eer verstrekt, en ons in vele opzichten ten voorbeeld zou kunnen zijn. Ook de bescherming, die zij aan de door hen verzorgde dieren verleenen, vind ik in ’t geheel niet belachelijk of ongepast; integendeel het komt mij hoogst prijzenswaardig voor, dat de menschen daarginds de dieren tegen iedere mishandeling in bescherming nemen. Ik stem echter toe, dat zij hierin te ver gaan. Voor een vreemdeling is het moeilijk, met dezen Aap samen te leven, zonder met hem in vijandschap te geraken. Iedere tuin of aanplanting wordt door deze gauwdieven, die onder de bescherming staan, spoedig vernield of althans op de jammerlijkste wijze geplunderd. Door schildwachten te plaatsen om ze te verjagen bereikt men zijn doel niet, want de brutale gasten, die aan de eene zijde uit den tuin verdreven worden, komen er aan de andere zijde weer in. Om brandende vuren, Apenverschrikkers en dergelijke verweermiddelen bekommeren zij zich in ’t geheel niet, en door tegenover hen geweld te gebruiken brengt men zijn eigen leven in gevaar.

Dat het welslagen van een feest in Indië nog van geheel andere omstandigheden afhankelijk is dan in Europa, blijkt duidelijk uit de geschiedenis van Lady Barker’s eerste groote diner te Simla. Lady Barker had in haar huis alles in orde laten maken voor het ontvangen van een groot gezelschap; eigenhandig had zij de tafel met bloemen versierd en met de uitgezochtste Europeesche en Indische lekkernijen voorzien. Toen het uur, waarop de gasten zouden verschijnen, naderde, ging zij heen, om zich aan te kleeden. De bedienden, in plaats van de wacht te houden in de eetzaal, vermaakten zich elders. Toen de gastvrouw terugkeerde, om hare gasten te ontvangen, en nog een laatsten onderzoekenden blik op haar kunstwerk wilde werpen, vond zij haar feestzaal vol met gasten, maar niet die, welke zij verwachtte. Een groote troep Apen uit de naastbijgelegene boomen was over het balkon in het vertrek doorgedrongen, en banketteerde nu aan en op de kostelijk aangerechte tafel. Men stelle zich de gewaarwordingen van de gastvrouw voor, toen zij hare juist binnentredende gasten niets anders kon aanbieden dan het schouwspel van bevuilde en vernielde heerlijkheden.—Misschien waren het wel dezelfde Apen, die aan Lady Barker een andere leelijke poets speelden. Haar schoothondje „Fury” leefde in voortdurenden oorlog met de Apen, en verzuimde geen enkele gelegenheid om ze weg te jagen. Op een goeden dag echter pakte een der ongenoode gasten den onverzoenlijken vijand van zijn geslacht bij de lurven, en nam hem met zich mede naar den top van een boom. Daar ging het jammerlijk huilende hondje van hand tot hand, en werd onder veel geschreeuw heen en weer geschud en geplaagd door zijne ontvoerders, die hem eindelijk lieten vallen, zoodat hij van een overhangenden tak in een afgrond stortte. Zoo vond de arme „Fury” door de wraak der Apen een vroegtijdigen dood.

De Markat bereikt een lengte van 50 à 60 cM., en heeft een staart van ongeveer 25 cM. Zijne gestalte is krachtig en gedrongen. Zijn vacht is van boven groenachtig of vaal grijs, met een geelachtigen weerschijn aan de dijen en het zitvlak; de buikzijde is wit, de staart van boven groenachtig van onderen grijsachtig. Het aangezicht, de ooren en de handen zijn licht koperkleurig, de eeltplekken helder rood van kleur. Het wijfje laat den staart gewoonlijk hangen, het mannetje draagt hem boogvormig naar beneden en naar binnen gekromd.

Nauw verwant aan den Markat, maar met een nog korteren staart voorzien, is de Bangoer (Macacus erythraeus) die op de Oost-Indische eilanden leeft. Een nog korteren staart heeft de eveneens daar voorkomende Laponder-aap (Macacus nemestrinus), die door de Maleiers wel voor het plukken van kokosnooten wordt afgericht.

In zekeren zin is de Magot of Staartlooze Aap (Inuus ecaudatus), ook wel Turksche, Barbarijnsche en Gewone Aap genoemd, de belangrijkste van alle Makaken. Hij is de eenige Aap, die in Europa in ’t wild levend aangetroffen wordt. Op grond van ’t ontbreken van den staart heeft men hem als vertegenwoordiger van een afzonderlijk geslacht beschouwd. Bovendien is hij gekenmerkt door een schralen lichaamsbouw en de slankheid van zijne lange ledematen, als ook door een vrij overvloedige beharing, die aan de onderzijde van het lichaam minder dicht is, en door een dichten wangbaard. Het gerimpelde gelaat is vleeschkleurig, evenals de ooren, handen en voeten; de eeltplekken zijn lichtrood; de vacht is roodachtig olijfkleurig. De ledematen hebben aan de onder- en binnenzijde een lichtere, meer grijs-geelachtige of witachtige kleur. Bij een lichaamslengte van omstreeks 75 cM. is de schouderhoogte 45 à 60 cM.

Zonder eenigen twijfel hebben reeds de oude Grieken dezen Aap gekend en hem Pithecus genoemd; hij was de eerste Aap, die in Europa vertoond werd. Plinius zegt van hem, dat hij alles nabootst, het bordspel leert, een met was geschilderd beeld onderscheiden kan, graag heeft, dat men zich met hem bemoeit, zich in de gevangenschap voortplant enz.

Het vaderland van den Magot is het noordwesten van Afrika, Marokko, Algerië en Tunis. Voorzoover wij weten, leeft hij daar in groote gezelschappen, die onder de leiding van een oud ervaren mannetje staan. Hij is zeer verstandig, listig en schrander, vlug, behendig en krachtig; in geval van nood weet hij zich met zijn voortreffelijk gebit uitmuntend te verdedigen. Bij elke hartstochtelijke aandoening vertrekt hij het gelaat erger dan eenige andere Aap, beweegt intusschen de lippen in alle richtingen en klappert ook wel met de tanden. Slechts wanneer hij bevreesd is, laat hij een luid, kort geschreeuw hooren. Verlangen, vreugde, afschuw, ontevredenheid en toorn geeft hij door grimassen en tandengeklapper te kennen. Als hij toornig is, beweegt hij zijn met diepe rimpels doorploegde voorhoofdshuid schielijk op en neer, steekt den snuit vooruit en trekt de lippen samen, zoodat de mond een kleine, cirkelronde opening vormt. In vrijen toestand leeft hij in bergachtige streken, op rotsen; hij weet zich echter ook op boomen te redden. Naar men zegt, eet hij, evenals de Bavianen, vele Insecten en Wormen; daarom wentelt hij gedurig steenen om, en laat ze wel eens van de hellingen afrollen. Op steile rotswanden wordt hij hierdoor niet zelden gevaarlijk. Men beweert, dat Scorpioenen zijn lievelingsvoedsel vormen; hij weet hun den vergiftigen angel behendig uit te rukken, en eet ze met grooten smaak op. Hij is echter ook tevreden met kleine Insecten en Wormen; hoe kleiner zijn buit is, des te ijveriger moet hij jagen, en des te gulziger verslindt hij de gevangene dieren. Het door hem opgespoord Insect wordt zorgvuldig aangevat, voor de oogen gehouden, met een gezichtsverdraaiing die tevredenheid verraadt, verwelkomd en dadelijk opgevreten.

De Magot is de eenige Aap, die tegenwoordig nog wild in Europa gevonden wordt. Ongelukkig kon ik gedurende mijn verblijf in het zuiden van Spanje (in 1856) over de Apenbende, die de rotsen van Gibraltar bewoont, geen nauwkeurige en uitvoerige berichten verkrijgen: Men verhaalde mij, dat dit gezelschap nog altijd vrij talrijk is, maar niet zeer vaak gezien wordt. Van de vesting keek men dikwijls met verrekijkers naar de dieren; men zag ze, om voedsel te zoeken, steenen omwentelen, zoodat deze van den berg afrolden. In de tuinen kwamen zij, naar mij gezegd werd, zelden. Ook de Spanjaarden konden mij niet mededeelen, of deze dieren werkelijk als Europeanen beschouwd moeten worden, of uit Afrika overgebracht waren. Volgens A. G. Smith, die op de plaats zelf gegevens verzamelde, werd het aanwezig zijn van deze dieren in Europa dikwijls in twijfel getrokken, door sommigen zelfs als een dwaas sprookje beschouwd, o.a. door een scheepskapitein, die dikwijls te Gibraltar kwam. Smith verzekert dan ook, dat hij bijna alle geloof er aan verloren had. Hij kwam echter tot andere denkbeelden, toen hij den vlaggestok op den top van den berg bezocht, om zich te verlustigen in het heerlijke uitzicht, dat men vandaar in alle richtingen heeft. Toevallig vernam hij van den vlaggewachter, dat „de Apen bezig waren rond te trekken”. Nu begon onze zegsman met zorg berichten te verzamelen, en een verslag op te maken, waaraan het volgende ontleend is:

„Op deze rots hebben de Apen sedert onheuglijke tijden post gevat; wanneer, en hoe zij over de zee gekomen zijn, is echter niet gemakkelijk uit te maken; de Moorsche sage, dat zij ook nu nog door een onderaardschen gang, onder de zeeëngte door, heen en weergaan tusschen Gibraltar en Marokko, luidt toch wel wat al te onwaarschijnlijk. Met zekerheid kan men alleen dit zeggen, dat zij er zijn, hoewel hun aantal aanmerkelijk verminderd is, zoodat gedurende eenige jaren het geheele gezelschap uit vier exemplaren bestond. Men ziet ze zelden; zoodra echter de wind omdraait, veranderen ook zij gewoonlijk van verblijfplaats. Weekelijk en gevoelig als zij zijn, schuwen zij elke plotselinge weersverandering, vooral het omslaan van den wind van het westen naar het oosten, of omgekeerd; zij trachten zich daartegen te beveiligen, door achter de rotsen weg te kruipen. Zij zijn zeer bewegelijk, en kiezen tot woningen het liefst steile afgronden, waar zij in ’t ongestoorde bezit zijn van vele holen en gaten in de losse steenmassa. Het kost hun, naar ’t schijnt, niet veel moeite, voedsel te vinden; want zij zien er zeer welgedaan uit. Men houdt ze gewoonlijk voor buitengewoon schuw, en zegt, dat zij bij het geringste gedruisch vluchten; mijn berichtgever ontkent dit echter, en toonde mij tot bewijs voor zijn bewering eenige rotsen, van waar zij hem op dienzelfden morgen hadden aangestaard, zonder vrees te toonen voor zijn kleurigen Engelschen uniform of voor zijn onderofficiersblik. Vrij langen tijd bleven zij staan op een afstand van 30 à 40 M. van de borstwering, waartegen hij leunde, en trokken zich ten slotte dood op hun gemak terug. Dat men ze zoo zelden ziet, bijna alleen gedurende hun „omtocht” naar de tegenovergestelde zijde van de rots, schijnt te wijzen op een zeer schuwen, ongezelligen aard: want niemand vervolgt ze; veeleer behoedt men ze angstvallig voor alles wat hun lastig kan zijn.”

Een jaar later meldt Posselt van dezelfde Apen: „Gedurende de overvaart van Cadiz naar Gibraltar, had een te Gibraltar wonende Engelschman mij op mijne vragen naar de Apen geantwoord, dat er geen meer waren. In de stad verzekerde men mij het tegendeel; hun aantal werd echter verschillend aangegeven (3 à 15); de reden van deze onzekerheid is waarschijnlijk te zoeken in de levenswijze dezer dieren; zij houden zich in de steilste en ontoegankelijkste gedeelten van de rotsen op, en zijn zeer schuw. Zonder gids begaf ik mij op weg, ging langzaam langs het gemakkelijkste pad omhoog, doch week op ongeveer twee derde van de hoogte naar links af van den hoofdweg, die naar het signaalstation leidt, en begaf mij naar den hoogsten, noordelijken top van de rots. Het heerlijke panorama, dat zich onder mij uitbreidde, boeide mij zoozeer, dat ik de Apen reeds geheel vergeten had, toen plotseling bij de laatste bocht van den weg mijn aandacht getrokken werd door een eigenaardig schel geluid, dat ik in ’t eerst voor ’t blaffen van een Hond in de verte hield. Op ongeveer 200 schreden afstand voor mij, lag de eerste batterij met hare dreigend naar Spanje gerichte, ijzeren kanonnen. Op de gemetselde borstwering van deze batterij liep een dier van de grootte van een Schotschen Dashond, dat zich langzaam van mij verwijderde, en van dit dier kwam het gehoorde geluid. Ik bleef staan, en zag nu, dat het een van de Apen was, waarschijnlijk die, welke de wacht moest houden. Aan het einde van den muur, nader bij de Middellandsche zee, lagen twee andere Apen behaaglijk in den zonneschijn uitgestrekt. Langzaam, voetje voor voetje, naderde ik het merkwaardig gezelschap, welks leden nu dicht bij elkander waren gaan staan, en mij opmerkzaam aanzagen. Op een afstand van ongeveer 100 schreden stond ik stil, en keek naar de dieren, die allengs hun schroomvalligheid hadden laten varen. Op allerlei wijzen toonden zij hun welgevallen in den warmen zonneschijn; nu eens omarmden zij elkander, dan weder wentelden zij zich behaaglijk op den muur om. Dikwijls sprong een van hen al spelend op een van de kanonnen, en kwam, door de geschutpoorten sluipend, aan de andere zijde weer bij zijne hem hier afwachtende kameraads terug; kortom, zij leefden op deze plaats zeer huiselijk, en waren naar het scheen, voornemens, zoo lang mogelijk te genieten van den prachtigen zonneschijn.

„Hun aantal, dat in vroegere jaren groot was, is thans tot op slechts drie verminderd; het neemt niet meer toe, waarschijnlijk omdat zij van één sekse, òf allen mannetjes, òf allen wijfjes zijn, zoodat de kleine familie weldra geheel uitsterven zal. De eigenaars, van tuinen plachten vroeger vallen te plaatsen, om hun kweekerij te beveiligen tegen de strooptochten van deze gasten, die door hun vraatzucht groote verwoestingen aanrichten. De bescherming van het machtige Engeland was dus niet voldoende geweest om de vroegste bewoners van zijn sterkste vesting voor den ondergang te behoeden; na weinige jaren zal de fauna van Europa een dierengeslacht minder bevatten.”

Tot geruststelling van alle dierenvrienden kan ik mededeelen, dat Posselt’s vrees niet bewaarheid is geworden, en dat daaraan integendeel alle grond ontnomen is. Door tusschenkomst van mijn broeder, die zich tot den bevelhebber van de vesting had gewend met een verzoek om inlichtingen, ontving ik n.l. het volgende bericht:

„Het getal van de Apen, die tegenwoordig onze rotsen bewonen, bedraagt elf. Daar het gebleken is, dat zij op de rotsen zonder moeite voldoende voedsel vinden, worden zij niet gevoederd, maar geheel aan zich zelf overgelaten. De signaalwachter en de politiebeambten waken over hun veiligheid, en verhinderen, dat zij gejaagd, of op een andere wijze verontrust worden. De eerstgenoemde houdt boek over hen, en is, daar zij steeds bijeenblijven, altijd goed op de hoogte van de verandering of vermeerdering van hun aantal.

„Wanneer en hoe zij op de rotsen gekomen zijn, weet niemand te zeggen; men hoort hierover de meest verschillende meeningen. Voor ongeveer 6 of 7 jaren was hun aantal tot op drie stuks verminderd. Sir William Codrington heeft, vreezend dat zij geheel zouden uitsterven, drie of vier dieren van dezelfde soort van Tanger ingevoerd, en sedert dien tijd hebben zij zich vermenigvuldigd tot het bovengenoemde getal.”

Uit een bericht van den allerlaatsten tijd blijkt, dat dit getal thans meer dan verdubbeld is. Een op goed geluk aan een officier van de Engelsche bezetting van Gibraltar gerichte brief werd door Kapitein C. S. Shephard op de meest welwillende wijze beantwoord. „Het is moeielijk”, schrijft Shephard den 12en Maart 1889, „het aantal aanwezige Apen nauwkeurig te bepalen. Eergisteren nog zag ik er twaalf; in den vorigen zomer heb ik er echter wel 25 bijeengezien, en ik denk, dat men veilig aannemen kan, dat er in ’t geheel omstreeks 30 zijn. In den tegenwoordigen tijd van het jaar ziet men ze niet zoo dikwijls, omdat er op de hoogere gedeelten van de rots voedsel en water in overvloed te vinden zijn. Maar gedurende den heeten zomertijd worden zij door gebrek aan voedsel gedwongen, zich naar lager gelegen plaatsen te begeven; dan richten zij een niet onbelangrijke schade in de tuinen aan. Ongeveer in Juni of Juli van het vorige jaar hadden de Apen minstens zes jongen. Het volwassene mannetje is van aanzienlijke grootte, volle 3 voet hoog; de grootste, wijfjes zijn ook zeer goed ontwikkeld, maar slanker en niet zoo krachtig en gedrongen van gestalte. Het sterkste mannetje houdt zich gewoonlijk alleen, op eenigen afstand van de bende op.”

Volgens deze nieuwste waarnemingen is het dus volstrekt niet te vreezen, dat Europa’s laatste, in ’t wild levende Apen uitsterven zullen.

„De Talapoin-Aap (Myiopithecus)”, zegt Wallace, „verschilt van de overige Afrikaansche Apen door den bouw van de laatste kies, door de groote ooren, het kort aangezicht en het breede neusmiddelschot. In dit opzicht en ook door zijn lief uiterlijk en de gratie zijner bewegingen gelijkt hij eenigszins op de Amerikaansche Apen.”—Dr. J. E. Rombouts zegt in „Artis, Kijkjes in den Dierentuin” het volgende: „Deze lieve diertjes zijn veel schuwer dan de andere in de apenkooi aanwezige Apen. Bij het minste vreemde geluid zoeken ze bij elkaar hun troost, dan zitten ze op een boomstam lijf aan lijf ineengehurkt, als om elkander te beschermen, en hunne geestige kopjes zijn alleen naar den toeschouwer gericht. De lange staarten hangen bij zulk een gelegenheid lijnrecht naar beneden, wat een eigenaardig effect teweegbrengt. Deze aapjes zijn afkomstig uit westelijk Afrika, waar ze gezellig leven; hun kleur is geelachtig groen; de haren van den kop staan als een kuif overeind, en, wat hun vooral een aardig voorkomen geeft, is de lange knevelbaard, die bij den neus begint en over de wangen voortloopt tot onder de ooren. De kleur van dezen baard is geelachtig, behalve op zij van den neus, waar hij eenigszins zwart is en een soort van knevel vormt. De neus is zwart en de lippen zijn vleeschkleurig.”

Het geslacht der Bavianen (Cynocephalus), hoewel een der merkwaardigste van de geheele orde, is echter volstrekt niet het aantrekkelijkste en aangenaamste. Het omvat de leelijkste, goorste vlegelachtigste en daarom afkeerwekkendste van alle Apen; deze zien wij hier op den laagsten trap, waarop zij staan kunnen. Van edele vormen is hier niets meer te bespeuren; alle meer verhevene begaafdheden van den geest zijn in de bandeloosheid der hartstochten te gronde gegaan.

In navolging van Aristoteles, worden de Bavianen ook wel Hondskop-apen genoemd, omdat de bouw van hun kop in eenige opzichten meer gelijkt op dien van een groven, ruwen Hond dan op het hoofd van den mensch, waaraan de overige Apen in de verte herinneren. Toch is de overeenstemming, waaraan de bedoelde naam haar oorsprong ontleent, slechts zeer oppervlakkig. De vergelijking waarop zij berust, bevredigt ons niet, omdat de kop van den Baviaan evenzeer een misvorming is van dien van den Hond, als de kop van den Gorilla dit is van het hoofd van den mensch. Het Bavianengezicht verschilt echter door zijn vooruitstekenden snoet zoozeer van dat van andere Apen, dat de door Aristoteles gegeven naam behouden kan blijven.

Naast de Anthropomorphen zijn de Hondskop-apen de grootste vertegenwoordigers van de orde der Apen. Hun lichaamsbouw is gedrongen, hun spierkracht verbazend groot. De zware kop verlengt zich tot een sterken en langen, van voren afgeknotten, dikwijls gezwollen of gegroefden snuit met vooruitstekenden neus; het gebit ziet er roofdierachtig uit door de sterke ontwikkeling der hoektanden, die aan de achterzijde met een scherpen kant voorzien zijn. De lippen zijn zeer beweeglijk, de ooren klein. De uitdrukking van de oogen, die door vooruitstekende wenkbrauwbogen overschaduwd zijn, is een getrouwe weerspiegeling van het gemoed van hun eigenaar—listig en valsch in de hoogste mate. Alle ledematen zijn kort en sterk, de handen hebben vijf teenen; de soms korte, soms lange staart is gelijkmatig behaard of aan ’t einde kwastvormig; de wangzakken zijn groot; de eeltplekken aan ’t zitvlak bereiken een waarlijk afkeerwekkende grootte, en vertoonen gewoonlijk merkwaardig sprekende kleuren. Bij eenige soorten verlengt de lange en losse beharing zich aan kop, hals en schouders tot goed gevulde manen; het haar heeft een moeielijk te omschrijven kleur, niet zelden overeenkomende met die van den bodem of van de rotsen, waarop zij leven, zooals grijs, grijs-groenachtig geel, bruinachtig groen.

Het verbreidingsgebied van de Bavianen strekt zich uit over Afrika, Arabië en Indië. In eenige streken treft men soorten aan, die alleen daar gevonden worden; de overige zijn verder verbreid en daarom aan verscheidene landen gemeen.

Hoewel de Bavianen bij voorkeur rotsen bewonen, houden sommige soorten zich toch ongetwijfeld ook in de bosschen op, en zijn bekwamer in ’t beklimmen van de boomen, dan men op grond van waarnemingen aan verwante dieren in boomlooze oorden wel eens beweerd heeft. In ’t gebergte komen zij tot op een hoogte van 3000 à 4000 M. boven de oppervlakte der zee, ja zelfs tot aan de sneeuwgrens; toch geven zij, naar het schijnt, de voorkeur aan de landstreken van 1000 à 2000 M. hoogte boven het hoogere bergland. Dat bergachtige gewesten hun eigenlijk vaderland zijn, wordt reeds door de oudste reizigers vermeld.

Het voedsel van de Bavianen bestaat hoofdzakelijk uit bollen, knollen, grassen, kruiden, vruchten van laaggroeiende planten, eieren en kleine dieren van allerlei soorten. Waarschijnlijk echter zijn deze goed gewapende en vlugge wezens niet altijd tevreden met een kleine prooi, hun verlangen naar dierlijk voedsel zal hen ook wel nopen, om als echte roovers grootere dieren te overvallen. Volgens de mededeelingen van Fischer maken de Oost-Afrikaansche Bavianen niet slechts op Hoenderen jacht, maar trachten zij ook Dwerg-Antilopen en zelfs de vrij groote Bosch-Bokken te overmeesteren. In de aanplantingen, vooral in de wijngaarden, richten de Bavianen buitengewoon groote verwoestingen aan; men beweert zelfs, dat zij hunne rooftochten op een geregelde wijze naar een vooraf beraamd plan ondernemen.

Meer dan de overige Apen toonen de Bavianen door hun houding, dat zij eigenlijk op den grond thuis behooren. Hun geheele lichaamsbouw bindt hen aan den bodem. Hun gang gelijkt op dien van een plompen Hond; ook wanneer zij zich oprichten, steunen zij het lichaam liefst met een van de handen. Zoolang zij zich kalm gedragen en den tijd hebben, zijn hunne schreden langzaam en log: zoodra zij zien, dat zij vervolgd worden, gaat deze gang in een merkwaardigen galop over, die met de allerzonderlingste bewegingen gepaard gaat. Hun gang onderscheidt zich door een zekere lichtzinnige onbeschaamdheid, die men gezien moet hebben om er een voorstelling van te verkrijgen.

De eigenschappen van hun geest zijn volstrekt niet in strijd met hun uitwendig voorkomen. Om ze te beschrijven beginnen wij met een aanhaling van Scheitlin’s woorden: