Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 01: De Apen
Chapter 7
Als de Apenbende zich in ’t korenveld volkomen veilig acht, veroorloven de moeders hare kinderen haar te verlaten en met de andere Apenjongen te spelen. Het strenge toezicht, waaronder alle kleinen door hunne verpleegsters gehouden worden, blijft daarom niet achterwege; elke apin houdt een waakzaam oog op haar lieveling gevestigd; niemand hunner bekommert zich echter om de veiligheid van het geheele gezelschap, maar verlaat zich, evenals ieder ander lid van de bende, geheel op de zorgvuldigheid van den aanvoerder. Deze gaat, zelfs gedurende het nuttigen van ’t smakelijkste maal, af en toe op de achterpooten staan, en kijkt, als een mensch, in opgerichte houding om zich heen. Na ieder onderzoek hoort men een geruststellend gegorgel, voor zoover hij namelijk niets verdachts heeft opgemerkt: in ’t tegenovergestelde geval waarschuwt hij zijne onderhoorigen door een onnavolgbaar, trillend of blatend geschreeuw. Oogenblikkelijk maakt de geheele schaar zich tot den aftocht gereed, iedere moeder roept haar kind tot zich, en in een oogwenk zijn allen bereid om te vluchten, hoewel zij in der haast nog zooveel voedsel oprapen, als zij meenen te kunnen meedragen. Meermalen heb ik gezien, dat een Aap vijf groote maïskolven meevoerde. Daarvan omvatte hij er twee met den rechter voorpoot, de overige hield hij in de handen en de voeten, zoodat hij bij ’t gaan met de kolven den grond aanraakte. Bij dreigend gevaar worden alle geroofde schatten, die de vlucht vertragen, achtereenvolgens met onwillige gebaren weggeworpen, de laatste kolf echter eerst dan, als de vervolgers den dief zeer na op de hielen zijn, en hij werkelijk handen en voeten voor ’t klimmen noodig heeft. Altijd nemen de Meerkatten de wijk naar den eersten den besten boom. Ik heb opgemerkt, dat zij ook in een geheel afgezonderd staanden boom klauterden, waaruit zij, om verder te kunnen vluchten, als ik ze van daar verjoeg, weer afdalen moesten: zoodra zij echter het bosch bereikt hebben, en werkelijk vluchten willen, zijn zij geborgen; want hun bekwaamheid in ’t klimmen is bijna even groot, als die der Langarmige Apen. ’t Is alsof er geen hindernissen voor hen bestaan: de vreeselijkste doornen, de dichtste heggen, ver uiteenstaande boomen—niets stuit hun vaart. Elke sprong geschiedt met een zelfvertrouwen, dat ons verbazen moet, omdat geen enkel klimmend dier, dat bij ons thuis behoort in de verste verte in dit opzicht met den Aap wedijveren kan. Ook nu gaat de Apenleidsman steeds vooraan, en spoort de kudde door een veel beteekenend gegorgel nu eens tot snellere, dan weer tot langzamere beweging aan. Angst of moedeloosheid zijn bij vluchtende Apen niet waar te nemen; bewonderenswaardig is hun tegenwoordigheid van geest, die zij nooit verliezen. Zonder overdrijving mag men zeggen, dat er voor hen, als zij willen, geen gevaar bestaat. Alleen de listige mensch met zijne verreikende wapens kan ze overmeesteren.
In Oostelijk Soedan maakt men geen eigenlijke jacht op de Meerkatten; wel vangt men ze, en dan gewoonlijk in netten, waaronder lekkernijen voor hen zijn neergelegd. De Apen, die het lokaas wegnemen willen, komen onder ’t net, en geraken er zoozeer in verward, dat zij niet in staat zijn, zich te bevrijden, hoe woedend zij ook te keer gaan. Wij Europeanen schoten deze dieren zonder eenige moeite, omdat zij eerst dan de vlucht nemen, wanneer eenigen hunner den dood gevonden hebben. Voor menschen gevoelen zij weinig of geen vrees. Dikwijls heb ik waargenomen, dat zij voetgangers of ruiters, muildieren en Kameelen onder zich door laten trekken, zonder te kikken; terwijl zij daarentegen bij ’t zien van een Hond, onmiddellijk hun angstgeschreeuw laten hooren.
Bij de Apenjacht is het mij gegaan, als tal van andere jagers vóór mij: ik kreeg er op eens een onweerstaanbaren afkeer van. Ik vuurde op een Meerkat, die mij juist het gelaat toewendde; zij werd getroffen en viel van den boom naar beneden, bleef rustig zitten, en wischte zich, zonder een klaagtoon te laten hooren, met de eene hand op zulk een menschachtige wijze, zoo verheven bedaard, het bloed af, dat uit vele wonden van ’t aangezicht vloeide, dat ik ten hoogste ontroerd toesnelde, en, daar beide loopen van mijn geweer afgeschoten waren, mijn jachtmes herhaaldelijk door de borst van het dier stiet, om een einde te maken aan zijn lijden. Ik heb sinds dien dag nooit weer op kleine Apen gevuurd, en ik raad dit iedereen af, die niet in het belang van zijne wetenschappelijke onderzoekingen op de Apenjacht moet gaan. Het was mij te moede, alsof ik een mensch vermoord had, en het beeld van den stervenden Aap heeft mij in den letterlijken zin van ’t woord nog lang daarna vervolgd.
Van roofdieren hebben de in vrijheid levende Apen niet veel te lijden. Voor de viervoetige Roofdieren zijn zij te vlug; hoogstens zal de Luipaard nu en dan een onvoorzichtig aapje door list buit maken. Den Roofvogel weerstaan zij met vereende krachten. Zeer bang zijn zij voor Kruipende Dieren en Amphibiën, vooral voor Slangen, hetwelk vooral blijkt, wanneer zij vogelnestjes uithalen. Zij doen dit dikwijls, omdat zij niet alleen eieren, maar ook jonge Vogels als een buitengewone lekkernij beschouwen. Als zij nu een vogelnest willen plunderen, dat in een holte van een boom gebouwd is, nemen zij uit vrees voor de Slangen, die graag in zulke nesten kruipen, allerlei voorzorgen in acht. Meer dan eens heb ik gezien, hoe zorgvuldig zij een pas door hen gevonden gat in een boom onderzochten, om te weten te komen, of daarin ook een Slang verborgen lag. Eerst keek de Aap er zoo diep mogelijk in, vervolgens hield hij het oor bij den ingang, en als ook dit zintuig hem niets verdachts openbaarde, stak hij aarzelend een arm in de holte. Nooit bepaalde hij zich tot een moedigen greep, steeds ging hij schoksgewijs al dieper en dieper, en gluurde bovendien van tijd tot tijd in de donkere opening, of luisterde er aan, om zeker te zijn, dat het gevreesde kruipend gedierte zich daarin niet bevond.
De voortplanting van de in vrijheid levende Meerkatten schijnt aan geen bepaald jaargetijde gebonden te zijn. Bij iedere kudde ziet men zuigelingen, kinderen en halfwassen dieren, die de zorg van de moeder niet meer noodig hebben. In de dierentuinen en menagerieën van Europa planten de meeste soorten zich bij goede verzorging eveneens voort, ofschoon dit zeldzamer wordt waargenomen bij hen, dan bij de Makaken en Bavianen.
Gedurende mijn veeljarig verblijf in Afrika heb ik steeds vele Apen (en hierbij waren geregeld ook Meerkatten) in gevangenschap gehouden. Ik kan verzekeren, dat elk van deze merkwaardige dieren eigenaardigheden had, die bij de andere niet, of niet in die mate, voorkwamen, en mij voortdurend de gelegenheid gaf tot even aantrekkelijke, als onderhoudende waarnemingen. De eene Aap was twistziek en bijtlustig, de andere vreedzaam en mak, een derde brommig, een vierde altijd vroolijk, deze rustig en eenvoudig, gene geslepen, sluw en aanhoudend bezig met het beramen van booze plannen en streken; alle kwamen echter in dit opzicht met elkander overeen, dat zij grootere dieren graag een poets wilden spelen, kleinere echter beschermden, koesterden en verzorgden. Zij wisten zich in iederen toestand te schikken en zich het leven dragelijk te maken. Dagelijks leverden zij bewijzen van een helder verstand, van wezenlijk berekenende sluwheid en echt schrander overleg; bovendien zag men hen voortdurend aan andere dieren de grootste hartelijkheid en offerwilligheid betoonen; wegens al deze eigenschappen hield ik bijzonder veel van eenige dezer dieren.
Sommige soorten van Meerkatten hebben een zeer bevallig uiterlijk. Een daarvan, en wel een der meest bekende, die van Abessinië tot aan de westelijke bijrivieren van den Nijl veelvuldig voorkomt, is de Groene Meerkat of Groene Aap, de Aboelandsj van de Arabieren (Cercopithecus sabaeus), die een lengte van 1 M. bereikt, zonder den staart mede te rekenen, die ongeveer half zoo lang is als het lichaam. Zijn haarkleed is aan den rug grijsachtig groen, aan de buitenzijde van armen en beenen en aan den staart aschkleurig; de kortharige wangbaard is witachtig, zoo ook de onder- en binnenzijde der beenen; de neus, de bek en de wenkbrauwen zijn zwart; het gelaat is overigens lichtbruin.
Een der schoonste en sierlijkste Meerkatten is de Diana-aap (C. diana); bij de grootendeels leikleurige, aan den rug en het kruis in purperbruin overgaande vacht steken de witte buikzijde en de eveneens witte baard aan wangen en kin prachtig af. Deze soort bewoont West-Afrika, evenals de Mooraap of Mangebe (C. fuliginosus).
Men vindt daar ook de Blauwkoppige Meerkat, de Moeïdo van de negers aan de Loangokust (C. cephus), die in grootte met den Aboelandsj overeenkomt; doch vroolijker en fraaier kleuren vertoont dan deze. De rug, de bovenzijde van den hals en van den kop, alsmede de buitenzijden van de ledematen zijn vuil olijfgroen, met een zeer aangenamen goudachtigen weerschijn; de onderzijde van den romp en de binnenzijden van de ledematen zijn blauwachtig grijs. Het fraai kobaltblauwe aangezicht met een witte plek op de bovenlip is omlijst door een schel-gelen bakkebaard, die door een zwarte streep gescheiden is van het olijfkleurige kophaar; de staart is van de spits tot dicht bij den wortel roest-rood. Volkomen gezonde en krachtige Apen van deze soort, onverschillig of het mannetjes dan wel wijfjes zijn, vertoonen deze in ’t oog loopende samenvoeging van kleuren zoo duidelijk en volledig, alsof zij beschilderd waren.
In Beneden-Guinea zijn zij gemeen; vooral in de landstreek tusschen den Yumba en den Kongo zijn zij veel talrijker vertegenwoordigd dan andere soorten. Bij voorkeur houden zij zich op in de prachtige bosschen, die zich langs de rivieroevers tot aan zee uitstrekken, en meer binnenslands in de wouden van het gebergte, die aan den regen het noodige water ontleenen. Pechuel-Loesche, die de levenswijze van deze en andere soorten van Apen, zoowel in de vrije natuur als in gevangenschap heeft nagegaan, zegt, dat er waarschijnlijk geen Meerkatten bestaan, die de gevangenschap beter verdragen en geschikter zijn om getemd te worden, dan deze: „Een daarvan, een wijfje, dat naar den inheemschen naam Moeïdo luisterde, en dat ik, toen het nog zeer jong was, van den Kongo ontving, en met zorg groot bracht, heb ik bijna vijf jaar lang als huisdier gehad. Hierdoor is het mij duidelijk gebleken, dat een in de prilste jeugd beginnende, goed doordachte, zorgvuldige behandeling een uitstekenden invloed op het gemoed van den Aap heeft, en dat het daarentegen bedorven wordt door plagerijen, ruwe grappen en uit onbedachtzaamheid gepleegd onrecht. Men zou werkelijk veel minder te klagen hebben over de boosaardigheid, prikkelbaarheid en valschheid van tamme Apen, indien deze dieren van hun kindsheid af behandeld waren geworden volgens den regel, die bij iedere opvoeding op den voorgrond staat, d.w.z., indien zij voor alle slechte invloeden bewaard waren gebleven. Dat men in den regel niet veel pleizier beleeft van Apen, die men op meer gevorderden leeftijd als huisgenooten aanneemt, komt doordat zij reeds te veel hebben moeten verduren. Naar alle waarschijnlijkheid is het een dwaling, dat de Apen een van nature slecht karakter hebben, en moet men liever zeggen, dat de onophoudelijke grappen en plagerijen, die deze dieren, meer dan alle andere, van de menschen te verduren hebben, hun karakter bederven, verkeerde neigingen doen ontstaan, en de goede te verstikken. Men moet de Apen niet beoordeelen naar exemplaren, die reeds veel doorleefd, reeds vele meesters gehad hebben, maar naar zulke, welke direct, nadat zij uit de wildernis kwamen, verstandig behandeld werden; iedere andere Aap althans zal blijken ongeschikt te zijn voor pogingen om hem tot een huisdier op te voeden.
„Onze Aap, die van zijn kindsheid af zorgvuldig behoed was geworden voor verkeerde invloeden, genoot in Europa een onbeperkte vrijheid, bewoog zich ongehinderd door alle kamers, over tafels en stoelen; hij deed dit echter zoo behendig en voorzichtig, dat hij bij ons nooit iets gebroken heeft. Hij klauterde door het openstaande raam naar buiten, gymnastiseerde op het balkon, liep langs de kroonlijst om het huis heen, gleed bij de gootpijpen naar beneden en stoeide in hof en tuin. Als een gehoorzaam hondje maakte hij met ons uren lange wandelingen door bosch en veld, ving Spinnen, Vlinders, Sprinkhanen (zijn liefste voedsel) en sprong naar hartelust rond. Hierdoor nam blijkbaar zijne gezondheid zeer toe en werd zijn gestel zoo gehard, dat hij later zelfs meermalen in de pas gevallen sneeuw kon rondbuitelen, zonder er eenig nadeel van te ondervinden. Bij zulke gelegenheden bemoeide hij zich met alle menschen, die wij tegen kwamen, hoewel met sommige liever dan met andere; hij hield er van bedaarde landlieden verschrikt te maken, door plotseling uit een schuilhoek te voorschijn te komen, vaak ook, door bij hen op te springen; nooit deed hij echter iemand eenig leed. Graag speelde hij met kleine Honden, groote ging hij uit den weg; als zij hem echter bedreigden, ging hij hen zonder vrees te lijf, sprong hen op den rug, sloeg ze om den kop, trok hen aan de ooren, beet en krabde met zooveel behendigheid dat de aangevallene eindelijk, ten einde raad, zich zoo schielijk mogelijk uit de voeten maakte. Voor Kikvorschen en Hagedissen toonde hij geen vrees; hij mishandelde ze echter ook niet. Als hij zijne handen vuil gemaakt had, trachtte hij ze vlug op de een of andere wijze te reinigen; als hij hierin niet naar zijn zin slaagde, wendde hij zich smeekend tot ons.
„In huis viel hij ons slechts door één onhebbelijkheid lastig, die hem niet afgeleerd kon worden: hij bevuilde de vloer. In alle andere opzichten deed hij, wat hem gezegd was, ging in zijn slaapkorf, in zijn kooi, waarvan hij zelf het deurtje sloot; als hij kattekwaad uitvoerde, was het voldoende „St!” te roepen, om hem te doen ophouden. Hij speelde graag met zachte poppen, groote en kleine gomelastieke ballen, kurken, houtjes enz.; één daarvan genoot gedurende eenigen tijd steeds de voorkeur, en werd medegenomen in den slaapkorf; de overige werden zorgvuldig geborgen en verstopt achter of onder kasten, gordijnplooien enz.; altijd echter werden deze voorwerpen zoozeer als eigendom beschouwd, dat het aanraken of wegnemen er van steeds als een onrechtmatige inbreuk op verkregen rechten werd beschouwd. Hij was gewoon in zijne ruime wangzakken alle mogelijke voorwerpen, die hij hier en daar vond, op te bergen; deze waren hoogstens van de grootte van een walnoot, in den regel echter kleiner. Mijn vrouw begon weldra hem iederen avond de wangzakken te ledigen. In den beginne stribbelde hij tegen, later kraamde hij uit eigen beweging zijne schatten uit, als men hem op den schoot nam. Het ledigen van de wangzakken maakte hij gemakkelijker, door met den rug van de hand er van buiten over te strijken. Dan kwamen er steentjes, erwten, muntstukjes, boonen, spijkers, kurken, vingerhoeden, glazen stoppen en vele andere zaken te voorschijn; hij mocht behouden wat voor een ander doel niet meer bruikbaar was; nooit verloor hij iets. Bijzonder graag bekeek hij afbeeldingen, vooral gekleurde, in boeken, en lette zorgvuldig op het omslaan der bladen. In den beginne greep hij bliksemsnel naar afbeeldingen van Sprinkhanen en Spinnen, onverschillig of zij gekleurd waren of ongekleurd; weldra echter had hij ontdekt, dat zij niet eetbaar waren. Bij ’t zien van afbeeldingen van Slangen en Hagedissen liet hij geen vrees blijken; hij begreep echter, wat zij voorstelden, zooals uit de veranderde uitdrukking van zijn gelaat en uit zijn stem viel af te leiden.
„Hij at van alle spijzen, die op tafel gebracht werden; alleen brood met boter en melk lustte hij in ’t geheel niet. Hij hield dol veel van uien en van stukken brood, die dik besmeerd waren met mosterd; wel trok hij dan onder ’t eten afschuwelijke gezichten en deed wanhopige sprongen, maar toch ging hij er mede voort. Ook lustte hij inkt: hij haalde de gouden pen van den inktpot, likte hem af, legde hem zorgvuldig neer, en likte nu zoo vaak den telkens weer in den inktpot gedoopten vinger af tot hij genoeg had. Aan tabaksrook had hij een hekel. Rooden wijn en bier dronk hij zeer gaarne, ging zich er echter niet aan te buiten; het liefst slurpte hij het schuim van ’t bier af. Vruchten van allerlei soort waren eveneens van zijn gading, het meest echter aalbessen, aardbeien en kruisbessen. Van eieren hield hij niet, hij haalde nooit een nest uit, leefde zelfs op zeer vertrouwelijken voet met een paar Vliegenvangertjes, die ieder op ons balkon hun nestje bouwden, zoo ook met andere Vogels, vooral met Meezen en een Bonten Specht, die wij gewoon waren aan het venster te voederen, en die, sommige althans, onbezorgd de kamer binnenvlogen. Zijn dagwerk begon aan de ontbijttafel. Zoodra hij uit de met warme dekkleeden voorziene slaapmand opgerezen was, ijlde hij naar de tafel, om het zien aansteken van het spirituslampje onder den koffieketel niet te verzuimen, en tevens den hiervoor gebruikten lucifer, die hem nog brandend werd overgegeven, door schudden en rollen in de handen uit te blusschen. Daarna ging hij met opgeheven handen voor den koffieketel staan, warmde zich, en keek oplettend naar de geheimzinnige spiritusvlam, die hij met evenveel belangstelling hoorde knetteren en zag opflikkeren als het sissen en borrelen van het water hem interesseerde. Vervolgens werd hij door de vrouw des huizes van den kop tot aan het puntje van den staart flink afgeborsteld; hij vond dit zoo prettig, dat hij ongevraagd alle voor deze reiniging gewenschte houdingen aannam; het dagelijks wasschen van het aangezicht beviel hem veel minder, en aan het baden en met zeep afwasschen, dat geregeld eens in de week plaats vond, had hij een innigen hekel.
„Voor bezoekers vatte hij dadelijk genegenheid of afkeer op; nooit veranderde hij in ’t vervolg zijn gedrag tegenover hen; hij herkende ze allen dadelijk weder. Die, welke hij wel mocht lijden, werden, doordat hij ze aan de kleederen trok, terwijl hij allerlei bewegingen en geluiden maakte, uitgenoodigd om met hem te spelen; hij sprong hen op den schoot, liet zich krauwen en streelen, en was zoo aanhalig en grappig, dat hij zich vele vrienden maakte. Op lieden, die hij niet lijden mocht, sloeg hij in ’t geheel geen acht; als zij zich toch met hem bemoeien wilden, ontweek hij hen, of ging op zijne achterpooten staan, en gaf door voortdurend wenken te kennen, dat zij ophouden moesten; volhardden zij ook dan nog in hunne pogingen om een toenadering te bewerken, of lachten zij luid, dan „speelde hij voor basilisk”, d.w.z. hij ging met alle vier ledematen uitgestrekt op den grond liggen, deed den bek wijd open, bewoog de tong heen en weer, knorde en maakte dreigende bewegingen. Dan was het voor ons tijd om tusschenbeide te komen anders ging hij zonder nadere uitdaging tot den aanval over. Het bleek ons, dat zijn oordeel over personen op sommige uitwendige eigenaardigheden gegrond was: een vriendelijk gezicht, een welluidende stem, voorname bedaardheid in de bewegingen stemde hem dadelijk gunstig; haastige bewegingen, hard of koel blikkende oogen, een schelle, luide stem boezemden hem afkeer in. Met alle kinderen zonder eenige uitzondering speelde hij graag; hij werd niet boos, wanneer zij hem al te wild behandelden, maar stoeide en vocht met hen, of liep eindelijk weg, als zij het hem te bont maakten. Nooit heeft hij een kind bedreigd, gekrabd of gebeten; alle kinderen beschouwde hij als goede vrienden.
„Roerend was zijn gehechtheid aan mijn vrouw. Hij beschouwde zich als haar rechtmatigen beschermer, en wie haar aanraken, of zelfs maar de hand geven wilde, vond dadelijk het diertje tot den sprong bereid aan hare zijde, op haren schouder, op haren schoot. Toen zijn meesteres door een zware ziekte werd aangetast, werd de Aap droefgeestig en lusteloos; uren lang zat hij voor de deur van de ziekenkamer en bedelde om binnengelaten te worden. Toen dit hem eindelijk na eenige weken werd toegestaan, sprong hij dadelijk op de herstellende toe, vleide zich zacht klagend tegen haar aan, legde de armen om haar hals, en was niet weer weg te krijgen.
„Deze Aap beschikte over een zeer buigzame stem. Wij konden er dertien afzonderlijke klanken of klankverbindingen in onderscheiden. Het geluid dat wij aan het eene eind dezer reeks plaatsten, was zacht en tamelijk welluidend; het bestond uit een op vele wijzen gevarieerd gepiep, gesjirp of gespin, dat welgevallen, een verzoek of vergenoegdheid te kennen gaf. Aan het andere einde van de lijst stond het gillend gekraai en gekrijsch, dat woede beduidde. Andere tegenstellingen waren het nauwhoorbare „toek, toek,” dat men vernam, als hij, wat dikwijls geschiedde, zich niet op zijn gemak gevoelde in het niet verlicht vertrek naast het onze, en het schelle, zeer luide „tek” bij plotseling opkomenden schrik, benevens het hoog gestemde gekef en gebrul, dat, evenals het uit lage tonen bestaande grommen, gorgelen en knorren, verschillende graden van opgewondenheid verraadde. Hoogst merkwaardig waren zijne geluiden en gebaren, als hij „de zon begroette”, zooals wij het noemden. ’s Morgens als de zonnestralen in de kamer vielen, zocht hij in het venster, op de tafel of op den grond een sterk verlichte plek op, ging overeind staan, keerde zich naar de zon, hief de armen zacht wiegelend omhoog, stak de lippen vooruit, en liet nu 5 à 6 maal achtereen een reeks van geluiden hooren, die van een zeer diepen borsttoon tot een bizonder hoogen toon opklommen, en ongeveer de helft van een chromatische toonladder omvatten. Het geheel werd besloten door een diep, langgerekt „Eu”-geroep. Deze hoogst zonderlinge geluiden heb ik nooit van andere Apen gehoord.”
Met den naam Makak of Makako (Macacus) duidt men in Afrika een groep van zeer verschillende Apen aan, die tot een geslacht behooren, dat niet veel soorten omvat—volgens de beteekenis, die door de wetenschap aan dit woord wordt gehecht. De uiterste grens van het verbreidingsgebied dezer Apen is het Zuid-Oosten van Azië. Zij onderscheiden zich allen te zamen door de volgende kenmerken: Hun lichaamsbouw is ineengedrongen, de ledematen zijn sterk en tamelijk lang; de snuit steekt ongeveer even vooruit, als bij de Meerkatten; de korte duim van de voorhand en de aanmerkelijk langere duim van de achterhand dragen platte, de overige vingers en teenen bolle nagels. De staart is verschillend: bij enkele heeft hij een lengte, welke die van het lichaam nabijkomt, bij andere is hij bijna geheel verdwenen. De wangzakken en eeltplekken aan het zitvlak zijn groot. Bovendien moet nog als een eigenaardigheid van deze dieren opgemerkt worden, dat het kophaar bij eenige in ’t midden een scheiding vertoont, bij andere als een pruik bij den overigens kalen schedel naar beneden hangt, en dat de bij enkele ontbrekende wangbaard bij andere een waarlijk voorbeeldelooze ontwikkeling vertoont.
In een vroegere periode van de ontwikkelingsgeschiedenis onzer planeet waren de Makaken over een groot deel van Europa verbreid; ook thans nog begeven zij zich verder noordwaarts dan alle andere Apen. Die, welke een kort staartstompje hebben, bewonen Noord-Afrika, China en Japan; de langstaartige het vastland en de eilanden van Oost-Indië. Zij vervangen hier als ’t ware de Meerkatten, maar gelijken in vele opzichten op de Bavianen; zij leven soms, evenals gene, in de bosschen, dan weer, gelijk deze, meer op rotsen. Zij zijn, naar het schijnt, even onbeschaamd als beide groepen van Apen te zamen genomen: gedurende hunne jeugd zijn zij grappig en vroolijk als de Meerkatten, op gevorderden leeftijd boosaardig en gemeen als de Bavianen.