Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 01: De Apen
Chapter 5
Aan de bovenstaande beschrijving van het leven van den Orang-Oetan in vrijen toestand zullen wij nog eenige berichten toevoegen over het leven van dit dier in gevangenschap: De eerste nauwkeurige waarnemingen hierover zijn gedaan door Arnout Vosmaer, die (van 1766 tot 1786) eene uitvoerige beschrijving heeft gegeven van de dieren voorkomende in de diergaarde van het aan den stadhouder toebehoorende Kleine Loo bij den Haag. Deze aan Vosmaer’s zorg toevertrouwde verzameling werd in Juli 1776 verrijkt met een van Banjermassing op Borneo afkomstigen, 78 cM. langen, jongen Orang-Oetan, misschien wel de eerste, die levend naar Europa werd gebracht. Dit dier, een wijfje, was zeer goedaardig. Men kon haar zonder schroom de hand in den bek steken. Haar uiterlijk had iets droevigs, dat zich echter in hare handelingen niet openbaarde; zij hield van het gezelschap van menschen zonder onderscheid van geslacht, gaf echter de voorkeur aan hen, die haar dagelijks verzorgden en goed behandelden. Wanneer deze haar verlieten, en zij alleen achterbleef, geraakte zij soms in vertwijfeling, ging op den grond liggen, schreeuwde erbarmelijk, en verscheurde al hare doeken. Om haar oppasser te bewegen, bij haar op den grond te gaan zitten, wat hij soms deed, nam zij een deel van het hooi, waarop zij zat, spreidde dit naast zich uit, en gaf door gebaren te kennen, met welk doel zij dit deed. Zij woonde op een zolder onder een zeer hoog dak, en lag aan een vrij langen ijzeren ketting, vastgehecht aan een met een hangslot gesloten lederen halsband. Eens had zij zich dezen over den kop geschoven, en was bij het schuinsche dak opgeklauterd. Zij bewoog zich zoo vlug, dat vier mannen meer dan een uur werk hadden om haar te vangen. Haar spierkracht was zoo groot, dat drie mannen haar ternauwernood in bedwang konden houden, terwijl de vierde haar den halsband omdeed. Van haar vrijheid had zij gebruik gemaakt om een ten deele met Malagawijn gevulde flesch te ontkurken en leeg te drinken. Haar gewone voedsel bestond uit brood, wortels, allerlei vruchten, liefst aardbeien; zeer verlekkerd was zij op aromatische planten, zooals peterselie. Met smaak at zij gekookt of gebraden vleesch en visch. Van rauw vleesch hield zij niet. Men zag haar geen jacht maken op insecten, waarnaar andere soorten van Apen zoo begeerig zijn. Eens kreeg zij van Vosmaer een dikke Spin en een groote Vlieg; beiden werden doodgebeten, als ’t ware geproefd, maar dadelijk weer uitgespuwd. Men gaf haar een Musch met een touwtje aan den poot. Zij nam het touwtje in de hand, maar werd verschrikt, toen de Vogel begon te vliegen; haar schrik vermeerderde, toen de Musch, die zij ruw had aangepakt, haar in den arm pikte. Eindelijk kneep zij den vogel dood, plukte hem eenige vederen uit, maar wierp het lichaam weg, na het vleesch geproefd te hebben door er in te bijten. Als zij een rauw ei kreeg, maakte zij met de tanden een gat in de schaal en zoog den inhoud gretig op.
Men had haar geleerd bij het eten een lepel en een vork te gebruiken. Aardig was het te zien, hoe zij met de vork de aardbeien een voor een opprikte en naar den mond bracht, terwijl zij met de andere hand het bordje met vruchten vasthield. Haar gewone drank was water; zij dronk echter graag allerlei soorten van wijn, liefst Malaga. Als zij een flesch wijn kreeg, ontkurkte zij deze met de hand, en dronk er uit zonder veel te morsen, evenzoo uit een bierglas. Na het drinken veegde zij zich met de hand of met een doekje de lippen af. Als men haar na den maaltijd een tandenstoker gaf, gebruikte zij dien naar behooren. Zeer handig haalde zij den bezoeker brood en andere zaken uit den zak.
Zij sliep niet graag in het hiervoor bestemde hok, misschien vreesde zij, er in opgesloten te worden. Voordat zij slapen ging, schudde zij het hooi op, waar zij gewoonlijk op zat, en taste dit daar, waar het hoofd moest liggen, hooger op. Soms maakte zij zich een hoofdkussen van een doek, dien zij met hooi vulde, en waarvan zij vervolgens de vier slippen bijeenvoegde. Meestal lag zij op de zijde te slapen; steeds dekte zij zich met een kleed goed toe, daar zij zeer kouwelijk was. Nu en dan sliep zij overdag, maar nooit lang achtereen. Terwijl zij op den grond zat, omhing zij zich gewoonlijk (uit kouwelijkheid, hoewel het zeer warm weder was) met een dekkleed, dat soms over het hoofd werd geworpen, soms alleen om den hals of om het lijf werd geslagen, hetwelk een aardig schouwspel opleverde.
Eens stak zij, na gezien te hebben, hoe men met een sleutel het hangslot van haar halsband opende en weer sloot, in het sleutelgat een houtje, en onderzocht, na dit in alle richtingen rondgedraaid te hebben, of het slot open ging.—Toen men eens een van de ringen van haren ketting met een kram aan den vloer had vastgemaakt, om haar het hoog klimmen te beletten, trachtte zij den kram los te wrikken, door als hefboom een dikken, 12 cM. langen spijker te gebruiken, dien zij, men weet niet hoe, uit een zijplank van haar hok had getrokken.—Met de vingers of tanden maakte zij netjes allerlei knoopen uit een touw.—Vaak vermaakte zij zich met het schoonmaken van de laarzen of het losgespen van de schoenen harer bezoekers; zij deed dit zeer behendig.—Als zij door haar ketting verhinderd werd een op den grond liggend voorwerp met de voorhanden te grijpen, ging zij lang uit op den rug liggen, en bereikte haar doel niet zelden met de achterhanden (of voeten). Ook maakte zij soms voor dit doel gebruik van een langen doek, waarmede zij het begeerde voorwerp sloeg, totdat het binnen haar bereik lag.
Nooit hoorde men haar schreeuwen, behalve als zij alleen gelaten werd; zij begon dan met een geluid te maken, dat op het getjenk van een jongen Hond geleek, maar dat, als zij niet bevredigd werd, grof en schor werd, en nu het best te vergelijken was met het geknars van een groote houtzaag.
Dit merkwaardige dier, dat veel belangstelling wekte, werd ziek in November 1766 en bezweek den 22en Januari 1777 aan een uitterende ziekte.—
Dat de Orang-Oetan, wanneer hij zich iets in ’t hoofd gezet heeft, bewijzen geeft van groot overleg bij de keuze van de middelen om zijn doel te bereiken, blijkt uit eenige van de zoo even vermelde waarnemingen en ook uit tal van andere, waarvan wij alleen nog maar de volgende vermelden: F. Cuvier verhaalt, dat de Orang-Oetan van den Jardin des Plantes een knoop wist los te maken, waardoor een touw, waaraan hij slingerde, was ingekort, ten einde hem hierdoor het bereiken van den grendel eener deur te beletten. Hij had zulks eerst beproefd, door onder den knoop aan het touw te trekken; maar toen hij merkte, dat zijne lichaamszwaarte daartegen een beletsel was, klom hij boven den knoop om hem aldus los te maken. Vrolik teekent hierbij aan: „Iets dergelijks heb ik ook opgemerkt bij een der Orang-Oetans van den Zoölogischen tuin te Amsterdam. Men had een openstaande deur vastgebonden met een touw dubbel toegeknoopt. Hetzij nu, dat de luchtstroom, door deze deur heengaande, hem hinderde, hetzij dat hij zich verveelde, hij wilde de deur sluiten; toen hij in zijne pogingen daartoe bemerkte, van welken aard de hinderpaal was, begon hij met één knoop los te maken, en voorts met de deur zoodanig te slingeren, dat ook de tweede knoop van zelf losliet.”
De nu volgende mededeelingen zijn te danken aan een scheepskapitein, Smit, die drie maanden lang een Orang-Oetan op zijn schip heeft gehad. Zoolang het schip zich in de Aziatische zeeën bevond, huisde de Aap op het dek, dat hij in ’t geheel niet verliet; alleen ’s nachts had hij behoefte aan een beschutte plaats om te slapen. Overdag was de Orang-Oetan buitengewoon vroolijk; hij speelde met andere, kleinere Apen, die zich aan boord bevonden, of maakte luchtreizen in het touwwerk. Hij scheen een bijzonder vermaak te vinden in het klimmen en gymnastiseeren; meermalen per dag hield hij zich er mede bezig, nu eens aan het eene, dan weer aan het andere touw. De behendigheid en spierkracht, welke hij bij deze bewegingen toonde, waren verbazingwekkend. De kapitein had eenige honderden kokosnoten medegenomen; de Aap kreeg er dagelijksch twee van. De buitengemeen taaie, ongeveer 5 cM. dikke bolster van de vrucht, die zelfs met een bijl moeilijk stuk gemaakt kan worden, wist onze Aap met zijn krachtig gebit behendig te verwijderen. Hij greep de noot bij het dunste einde, daar waar zich kleine verhevenheden bevinden, pakte het andere einde met de rechter achterhand en scheurde nu zonder fout den vezeligen bolster vaneen. Daarna boorde hij den vinger door een van de drie dunnere gedeelten, die op de binnenste laag van den bolster zichtbaar zijn, en door het daaronder liggend deel van de kern, dronk de melk uit, sloeg den noot vervolgens tegen een hard voorwerp stuk, en at de kern op.
Ook was hij een liefhebber van zout, vleesch, meel, sago enz.; allerlei listen wendde hij aan, om gedurende den maaltijd een zekere hoeveelheid vleesch meester te worden. Wat hij eenmaal gegrepen had, gaf hij nooit weer terug, zelfs niet, als men hem sloeg. 3 à 4 pond vleesch at hij met gemak bij een maaltijd op. Het meel haalde hij zich iederen dag uit de keuken; altijd wist hij gebruik te maken van een tijdelijke afwezigheid van den kok om de meelton te openen, een flinke handvol meel er uit te nemen, en dit in den mond te stoppen, waarna hij de hand aan zijn kop afveegde, zoodat hij steeds gepoederd van zijn rooftocht terugkeerde. Des Dinsdags en Vrijdags bracht hij, zoodra de etensbel geluid werd, geregeld een bezoek aan de matrozen, omdat deze dan voor hun middagmaal sago met suiker en kaneel kregen. Even geregeld begaf hij zich om 2 uur naar de kajuit om aan den maaltijd deel te nemen. Gedurende het eten hield hij zich zeer bedaard, en was, wat van de andere Apen niet gezegd kan worden, netjes. Nooit heeft hij echter een lepel goed leeren gebruiken. Hij zette het bord eenvoudig aan den mond, en dronk de soep uit, zonder een droppel te morsen. Hij hield veel van alcoholische dranken, en kreeg daarom geregeld des middags een glas wijn. Hij ledigde dit op een zeer eigenaardige wijze. Van zijne onderlip kon hij, door haar vooruit te steken, een meer dan 7 cM. langen en bijna even breeden lepel vormen, ruim genoeg om een geheel glas water te bevatten. In dezen lepel goot hij den wijn, na er vooraf zorgvuldig aan geroken te hebben; nooit dronk hij, zonder den onderlip op de genoemde wijze vooruit te steken. Den wijn liet hij vervolgens zeer voorzichtig en langzaam tusschen de tanden door naar binnen vloeien, alsof hij het genot er van zoo lang mogelijk wilde doen duren. Daarna hield hij zijn glas opnieuw bij, om zich nogmaals te laten inschenken. Nooit brak hij iets, altijd zette hij breekbare voorwerpen voorzichtig neder, juist het tegendeel van hetgeen men in den regel bij de Apen opmerkt.
Men hoorde slechts tweeërlei stemgeluiden van hem: een zwak, fluitend keelgeluid, dat opgewondenheid te kennen gaf, en een verschrikkelijk gebrul, dat eenigszins geleek op het loeien van een in ’t nauw gebrachte koe, en vrees uitdrukte. Eens werd dit gebrul te voorschijn geroepen door eenige Potvisschen, die dicht bij het schip langs zwommen, een andere maal door het zien van de Waterslangen, die zijn meester van Java medegenomen had. De uitdrukking van zijn gelaat bleef steeds hetzelfde. Een ongelukkig toeval maakte een einde aan het leven van dit dier, voordat het Duitschland bereikte. Het wist een flesch rum machtig te worden, dronk deze bijna schoon leeg, werd hierdoor ziek en stierf veertien dagen later. [1]
Bij geen enkel apengeslacht zijn de voorste ledematen zoo sterk ontwikkeld als bij de Gibbons of Langarm-apen (Hylobates). Zij dragen hun naam met het volste recht, want de boven alle gewone afmetingen verlengde armen bereiken, wanneer het dier rechtop staat, den bodem. Dit eene kenmerk zou voldoende zijn om de Langarm-apen van alle overige leden der orde te onderscheiden.
De Gibbons vormen het soortenrijkste geslacht van de Mensch-apen; men kent er niet minder dan zeven soorten van. Allen zijn bewoners van Azië, en behooren uitsluitend thuis in Voor- en Achter-Indië en op de Groote Soenda-eilanden: Sumatra, Java en Borneo. Deze Apen bereiken een vrij aanzienlijke grootte, ofschoon geen enkele van hen meer dan 1 M. hoog wordt. Hun lichaam heeft, ondanks de sterke, gewelfde borst, een zeer slank voorkomen, omdat het in de lendenstreek, evenals bij de Windhonden, verschraald is. De achterste ledematen zijn aanmerkelijk korter dan de voorste; de lange achterhanden onderscheiden zich bij één soort (de Siamang) bovendien, door het onderling vergroeid zijn van de onderste helften der op een na binnenste en middelste teenen. De kop is klein en eivormig, het aangezicht menschachtig. De eeltplekken op het zitvlak zijn klein; de staart is uitwendig niet zichtbaar. Een dichte, dikwijls zijdeachtig zachte vacht bedekt hun lichaam; zijne hoofdkleuren zijn zwart, bruin, bruinachtig grijs en stroogeel. Alle Gibbons hebben een buitengewoon luide stem; vooral in de morgenuren schreeuwen zij veel.
Van de tot dusver bekende soorten van Langarm-apen zijn vooral merkwaardig: De Siamang (Hylobates syndactylus), de Hulock (H. hulock), de Lar of Withandige Gibbon (H. lar), de Oengko (H. rafflesii) en de Wouwou of Oa (H. variegatus). De grootste van deze is de Siamang, die een donkerzwart, zacht haarkleed heeft, en een keelzak, die bij het schreeuwen opzwelt en het geluid versterkt. Sumatra is zijn vaderland. De iets kleinere Hulock is, met uitzondering van een witte streep over het voorhoofd, meestal zwart; van deze soort komen echter lichter gekleurde verscheidenheden voor. Hij heeft geen keelzak en bewoont Voor- en Achter-Indië. Nog veranderlijker van kleur is de zeldzamere, op Sumatra inheemsche Oengko, die tot op 1000 M. hoogte in de bosschen van het gebergte (nevens den Siamang) voorkomt. De Wouwou eindelijk heeft een blauwachtig zwart gelaat, de kop, de buik en de binnenzijde van de armen en beenen zijn donkerbruin, de overige lichaamsdeelen lichter van kleur; hij leeft evenals de Lar op het Maleische schiereiland, en wordt ook op Sumatra gevonden. De geheele lichaamsbouw van de Langarm-apen maakt hen voor ’t klimmen geschikt. Zij hebben iedere eigenschap, die voor snelle, langdurige klim- en sprongbewegingen vereischt wordt. De breede en diepe borst bevat de noodige ruimte voor de groote longen, die niet vermoeid worden, den arbeid niet staken, als de snelle voortbeweging den kringloop van het bloed bespoedigt; de krachtige achterste ledematen ontwikkelen de veerkracht, welke voor verre sprongen vereischt wordt; de lange armen verschaffen de zekerheid, dat de afgelegen tak, die zoo aanstonds de taak van het tegenwoordige steunpunt zal overnemen, bereikt zal worden; kortere armen zouden het doel licht missen. Hoe lang deze armen in verhouding tot het overige lichaam zijn, blijkt vooral, wanneer men ze met die van den mensch vergelijkt. Bij ons komt, zooals bekend is, de afstand tusschen de middelvingertoppen der zoover mogelijk zijwaarts gestrekte armen met de lichaamslengte overeen; bij den Gibbon is zij het dubbele daarvan. Een rechtopstaand mensch bereikt met zijne slap afhangende armen niet eens de knieën, de Gibbon reikt er mede voorbij de enkels. Dat zulke voorste ledematen nagenoeg ongeschikt zijn om er op te loopen, is even licht in te zien, als hunne uitstekende geschiktheid voor ’t klimmen. De gang van den Gibbon is dan ook een hoogst gebrekkig waggelen op de achterpooten, een onbeholpen voortschuiven van het lichaam, dat slechts door de uitgestrekte armen in evenwicht kan worden gehouden. Hun klimmen en huppelen in de boomen echter is een prachtige, vervroolijkende beweging; ’t is alsof haar geen grenzen gesteld zijn, alsof de zwaartekracht haar geen belemmeringen in den weg legt. De Gibbons op den grond zijn langzaam, onbeholpen, onbehagelijk—kortom stumperachtig; tusschen de takken zijn zij juist het tegendeel van dit alles; men zou ze vogels in apengedaante kunnen noemen. De kunstverrichtingen van de Langarm-apen in de boomen worden door allen, die er getuige van geweest zijn, eenstemmig bewonderd.
Met ongeloofelijke snelheid en behendigheid beklimt de Wouwou, volgens Duvaucel, een bamboesstengel, een boomtop of een tak, slingert hiermede eenige malen op en neer of heen en weer, en overspringt nu, geholpen door de veerkracht van den terug zwaaienden tak, tusschenruimten van 12 of 13 meter, drie, vier malen achtereen, met zooveel gemak dat men geneigd zou zijn deze beweging te vergelijken met die van een pijl, of van een in schuinsche richting naar beneden schietenden vogel. ’t Is, alsof men het hem kan aanzien, dat het bewustzijn van zijne onnavolgbare vlugheid, hem een groot genoegen verschaft. Zonder noodzakelijkheid springt hij over tusschenruimten, die hij door een kleinen omweg gemakkelijk zou kunnen vermijden, verandert van richting gedurende den sprong, en blijft, zoodra hij dit wenscht, aan den eersten den besten tak hangen, schommelt en wiegelt er aan, beklimt hem schielijk, laat hem op en neer veeren, en stort er zich weer van af in de lucht, met nooit missende gewisheid naar een nieuw doel strevend. Het is, alsof dit dier tooverkrachten bezit, en zonder vleugels te hebben, toch vliegen kan; hij leeft meer in de lucht dan op de takken. Waartoe zou een met zulke begaafdheden uitgerust wezen de aarde noodig hebben? De aarde blijft dezen luchtbewoner vreemd, hoogstens biedt zij hem een lavenden dronk, voor ’t overige stoot zij hem terug in het rijk der lucht. Hier vindt hij zijn woning, hier geniet hij rust, vrede en veiligheid; hier is het hem mogelijk, iederen vijand te trotseeren en te ontvluchten; hier kan hij leven, zich opwindend door snelle beweging.
Aan het nagaan van de levenswijze dezer dieren in de vrije natuur zijn groote bezwaren verbonden, omdat bijna alle soorten den mensch schuwen en slechts zelden de open plaatsen in het bosch naderen. Alleen een goede verrekijker—een onmisbaar hulpmiddel bij het waarnemen van het leven in vrijen toestand van alle schuwe dieren—kan den voorzichtigen onderzoeker de gelegenheid verschaffen, eenige van hunne handelingen te bespieden. Zoo zag men, dat de moeders hare jongen naar den rivieroever droegen, om ze in weerwil van hun schreeuwen te wasschen, dat zij ze daarna afwischten en droogden, kortom zooveel werk van hun reiniging maakten, als slechts in gunstige gevallen aan menschenkinderen wordt besteed.
Bij zonsop- en zonsondergang vereenigen zij gewoonlijk hunne luidklinkende stemmen tot zulk een vreeselijk geschreeuw, dat men er door verdoofd zou worden, als men zich in hun nabijheid bevond, en dat iemand, die aan deze zonderlinge muziek niet gewoon is, er waarlijk van schrikt. Zij zijn de Brulapen van de Oude Wereld, de morgenwekkers van de Maleische bergbewoners en tevens een bron van ergernis voor de stedelingen, wie zij het verblijf in hunne villa’s verbitteren. Het heet, dat men hun geschreeuw op een afstand van een Engelsche mijl hooren kan. Ook van gevangene Langarm-apen heeft men het dikwijls gehoord: van hen die keelzakken hebben, even goed als van die, welke deze trommels tot versterking van de stem missen. Een goede opmerker, Bennett, bezat een levenden Siamang, en zag, dat deze, als hij door de een of andere oorzaak opgewonden was, telkens de lippen bij wijze van een trechter vooruitstak, daarna lucht in de keelzakken blies, en nu er op loskraaide, ongeveer als een Kalkoen. Hij schreeuwde zoowel als hij in vroolijke, als wanneer hij in toornige stemming verkeerde. Ook het Oengko-wijfje te Londen maakte een druk gebruik van hare stemorganen; zij deed dit echter op een hoogst eigenaardige, muzikale wijze. Men zou haar geschreeuw zeer goed op noten kunnen zetten. Het begon met den grondtoon E, en steeg daarna bij halve tonen een volle octaaf hooger, langs de chromatische toonladder. De grondtoon bleef steeds hoorbaar en diende als voorslag voor elke volgende noot. Bij het opklimmen van de toonladder, volgden de afzonderlijke tonen al langzamer en langzamer op elkander, bij het afdalen echter sneller en ten slotte buitengewoon snel. Steeds was het slot een gillend geluid, dat met groote kracht uitgestooten werd. De regelmatigheid, snelheid en toonvastheid, waarmede het dier de toonladder uitschreeuwde, wekte algemeene bewondering.
Over de geestvermogens van de Langarmige apen zijn de meeningen der onderzoekers verdeeld. Duvaucel noemt den Siamang langzaam, dom, onbeholpen, lui, onhandig, vreesachtig en vervelend, onverschillig tegenover zijne verzorgers en onvatbaar voor welwillende, zoowel als voor wraakzuchtige gevoelens. Forbes daarentegen roemt zijne tembaarheid en aanhankelijkheid. „De aardige, liefkoozende wijze, waarop hij zijne lange armen om mijn hals, en zijn kop aan mijn borst legde, terwijl hij een tevreden gebrom liet hooren, zou iedereen bekoord hebben.” Ook Bennett oordeelt gunstiger. De Siamang, dien hij naar Europa trachtte over te brengen, verwierf zich in korten tijd de genegenheid van al zijne menschelijke reisgezellen. Tot droefheid van de bemanning stierf dit dier nog voor zijn aankomst in Engeland. Zelden ziet men de Gibbons in gevangen staat, zelfs in hun vaderland. Zij kunnen het verlies van hun vrijheid niet verdragen, verlangen steeds naar hunne bosschen en spelen terug, en worden voortdurend stiller en treuriger, totdat zij eindelijk bezwijken.
De tweede onderfamilie van de Smalneuzen wordt gevormd door de Honds-apen (Cynopithecini). Zij is gekenmerkt door het sterker vooruitsteken van den snuit, hetgeen vooral bij de lager ontwikkelde geslachten bemerkbaar is, de geringere lengte der armen, het veelvuldig aanwezig zijn van een staart en van wangzakken en het geregeld bezit van eeltplekken aan het zitvlak. Voor het overige is hun lichaamsbouw zeer ongelijk, want alle overgangen van de slanke gestalte der Slankapen tot den loggen lichaamsvorm der Hondskop-apen of Bavianen komen voor. Zij zijn verbreid over de tropische gewesten van de Oude Wereld, vooral over Indië van den Himalaja af, Achter-Indië, Cochin-China, den Maleischen Archipel, het zuiden van Arabië en geheel Afrika met uitzondering van de oostelijke gedeelten van de Sahara. Zij behooren tot de levendigste en bewegelijkste vertegenwoordigers der Apenorde, zijn schrander, doch voor ’t meerendeel ook boosaardig en onwelvoeglijk. Bijna overal waar zij voorkomen, worden zij in meerdere of mindere mate schadelijk, daar zij plantages en tuinen op de onbeschaamdste wijze plunderen. Hier en daar worden zij ook wegens hunne boosaardige hartstochten gevreesd. Bij eenige volken hebben zij zich de grootste verachting op den hals gehaald; bij andere staan sommige dezer dieren in een reuk van heiligheid.
Het eerste geslacht, dat wij behandelen zullen, omvat de Slankapen (Semnopithecus). Deze zijn, zooals hun naam aangeeft, slanke en rank gebouwde Apen met lange, fijne ledematen en zeer langen staart, kleinen, hoogen kop, onbehaard gelaat en korten snuit met kleine wangzakken. Hunne eeltplekken zijn zeer klein. Aan den achtersten waren kies hebben zij vijf knobbels; hun geraamte herinnert door zijne slanke vormen aan dat van de Gibbons. Aan de handen komen lange vingers voor, maar de duim van de voorhanden is klein, bij sommige zelfs rudimentair, voor ’t grijpen ongeschikt, geworden. Hun beharing is bewonderenswaardig fijn, hun kleur steeds bevallig, bij één soort hoogst eigenaardig; dikwijls zijn de kopharen buitengewoon lang.
Het vastland van Zuid-Azië, Ceylon en de eilanden van den Indischen archipel vormen het vaderland van de Slankapen. Hier leven zij, tot meer of minder talrijke troepen vereenigd in de bosschen, liefst in de nabijheid van rivieroevers, niet minder gaarne echter in de nabijheid van dorpen en plantages. Zij leiden, daar zij bijna overal ontzien worden, een zeer genoeglijk leven.