Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 01: De Apen
Chapter 4
De meening, dat de ouden den Chimpanzee gekend hebben, is gegrond op het beroemde mozaïek-werk, dat eertijds den bodem van den Fortuna-tempel te Praeneste (het tegenwoordige Palestrina) versierde, en thans deel uitmaakt van het museum-Barberini te Rome. Nevens vele andere dieren, die in ’t stroomgebied van den Nijl leven, was er ook een staartlooze Aap op afgebeeld, die voor onzen Anthropoïde wordt gehouden.
De uit Angola afkomstige, en vandaar over Engeland naar Nederland vervoerde, jonge Chimpanzee, die omstreek het jaar 1640 aan Prins Frederik Hendrik werd vertoond, was misschien het eerste dier van deze soort, dat levend Europa bereikte. De Amsterdamsche burgemeester en anatoom Nicolaas Tulp heeft het ontleed en beschreven. Later zijn herhaaldelijk levende Chimpanzees naar Europa gebracht; sedert eenigen tijd komt deze Aap zelfs vrij geregeld op de wildedierenmarkten voor.—Over het levende dier komt het volgende bericht voor in de „Beschryvinge der Afrikaensche Gewesten” (1668) van den Hollandschen arts O. Dapper. „Daer is ook een zeker dier by d’ inwoonders Quojas-Morrou of Worrou en bij de Portugeezen Salvage geheeten, dat Satyr of Bosch-Mensch gezeit is. Het heeft een groot hooft, is zwaer van lyf, vlezig van armen, sterk in ’t worstelen, geheel en al zonder steert, gaet zomwyl recht op zyn lyf, en zomtyts gelyk d’ apen met de handen op d’ aerde. Het is volgens verhael der zwarten, afkomstigh van menschen, maer zou door de verandering van ’t bosch en de woestheit half beest geworden zyn. Deze dieren erneeren zich in de bosschen met fruiten en wilden honigh, dien zij uit de boomen halen, en smyten geduurigh tegen elkandre. De zwarten verhalen wonderlyke dingen van dit dier, en bevestigen, dat het niet alleen weerlooze vrouwen en onhuuwbare dochters aanvalt en verkraght, maer ook gewapende mannen derft aentasten.” Op de bijgevoegde kaart zijn Apen afgebeeld in het koninkrijk Beenin.
Het verbreidingsgebied van den Chimpanzee is veel uitgestrekter dan dat van den Gorilla. Sints lang is het bekend, dat het de kuststreken en achterlanden van Opper- en Neder-Guinea omvat. (Cachao in Senegambië, op 12° N.B., is waarschijnlijk het noordelijkste punt ervan.) Hij bewoont er de bosschen langs de kustrivieren en in de gebergten. H. von Koppenfels heeft in de Gabon- en Ogowe-landen jacht op hem gemaakt. De leden van de Duitsche Loango-expeditie hebben hem in verder zuidwaarts gelegen gewesten tot in de nabijheid van den Kongo waargenomen, in sommige zelfs zeer overvloedig. Volgens R. Hartmann komt hij nog verder zuidwaarts voor, tot aan de oevers van den Coanza (op 10° Z.B.). Ook is het gebleken, dat een groot deel van het binnenland van Afrika den Cimpanzee als woonplaats dient. Hij werd tot in de nabijheid van de Groote Meren gevonden, ongeveer even ver als de oliepalm en de Grauwe Papegaai verbreid zijn. Men vermoedt zelfs zijn aanwezigheid in Oost-Afrika ten zuiden van Abessinië; volgens Nachtigall is hij ook in Zuidoost-Afrika, n.l. in ’t achterland van Sofala, inheemsch.
Over hun aanwezigheid in ’t stroomgebied van den Boven-Nijl zegt Heuglin: „Op de dichtbebladerde hooge boomen van het land der Niam-Niam huist bij paren en familiën de Mbam (juister Baâm), een Aap van de grootte van een man, die niet schroomt den hem vervolgenden jager aan te vallen. Zijn nest is in de kroon van een boom gebouwd, en door een dak tegen den regen beschut. Hij heeft een olijfkleurig zwartachtig, niet dicht behaard vel, een onbehaard, vleeschkleurig gelaat en een witachtig behaard zitvlak.”
De Engelsche zendeling Savage zegt van den in Neder-Guinea levenden Chimpanzee: „Hoewel deze dieren gewoonlijk geen groote gezelschappen vormen, en men er zelden meer dan vijf à tien bijeenziet, kan ik toch op grond van betrouwbare getuigenissen mededeelen, dat zij zich van tijd tot tijd in grooten getale verzamelen om te spelen. Een mijner zegslieden verzekert, dat hij er eens een vijftigtal bijeengevonden heeft, die zich met jubelen, schreeuwen en het trommelen op oude boomstammen vermaakten.—Zij mijden zooveel mogelijk de woonplaatsen der menschen. Hunne woningen, eer nesten dan hutten, zijn op boomen gebouwd, in den regel niet hoog boven den grond. Zij buigen of knikken groote en kleine takken, zoodat deze naar beneden hangen, leggen ze kruiselings over elkander en plaatsen er tot steun een al of niet gevorkten tak onder. Soms vindt men een nest dicht bij het einde van een dikken, dicht bebladerden tak op 8 à 10 M. hoogte boven den grond; eenmaal heb ik er een gezien, dat minstens 13 M. hoog was. De Chimpanzees worden niet zelden door gebrek aan voedsel of dergelijke redenen tot verandering van woonplaats gedwongen. Meestal zagen wij ze op hoog gelegen gronden, waarschijnlijk omdat de lage landen, waar de inboorlingen ten behoeve van den landbouw dikwijls boomen omhakken, geen voldoende keuze aanbieden van plaatsen, die voor den nestbouw geschikt zijn. De nesten zijn gewoonlijk op eenigen afstand van elkander gelegen; zelden ziet men er twee of meer op denzelfden boom. Toch heeft men er eens vijf bijeen gevonden.” Van nesten, die uit kunstig saamgevlochten takken bestaan, zooals Du Chaillu ze beschrijft, wordt door geen anderen reiziger melding gemaakt.
Waarschijnlijk is het voedsel van den Chimpanzee van soortgelijken aard, als dat van den Gorilla. Vruchten, blad- en bloemknoppen, misschien ook wortels, zullen wel de voornaamste bestanddeelen van zijn maal uitmaken.
Van alle Anthropomorphe Apen komt de Chimpanzee tegenwoordig het veelvuldigst in de Europeesche diergaarden voor; ongelukkig kan men hem hier slechts bij uitzondering twee of drie jaar in ’t leven houden; terwijl hij, naar men verhaalt, in West-Afrika soms wel twintig jaar in gevangen staat geleefd heeft, en er groot en sterk geworden is. Tot dusver heeft men steeds opgemerkt, dat de gevangenen zachtaardig, verstandig en lieftallig waren. De Grandpré zag op een schip een wijfje van deze soort, dat buitengewoon leerzaam was, en allerlei werkzaamheden verrichtte. Buffon bezat in 1740 een Chimpanzee van ongeveer twee jaar oud. Deze had een droefgeestige en ernstige gelaatsuitdrukking; zijne bewegingen waren afgemeten en doordacht. Hij toonde geen enkele van de leelijke eigenschappen der Bavianen, maar was ook niet speelsch gelijk de Meerkatten. Hij gehoorzaamde dadelijk, als hem door woorden of gebaren iets bevolen werd, bood den bezoekers een arm aan, wandelde met hen rond, ging als een mensch aan tafel zitten, vouwde zijn servet open, wischte zich er de lippen mede af, at met lepel en vork, schonk zichzelf in, klonk met de dischgenooten, haalde een kopje en schoteltje, deed suiker in het kopje, goot er thee op, en liet dezen drank bekoelen, voordat hij er gebruik van maakte. Hij deed niemand kwaad, maar ging op bescheiden wijze met allen om, en was zeer blijde, als men hem liefkoosde.
Van het groot aantal berichten uit den lateren en allerlaatsten tijd over de levenswijze van den Chimpanzee moge de volgende mededeeling van den dierenschilder Friedrich Specht hier nog een plaats vinden: „De Chimpanzee in Nill’s diergaarde te Stuttgart kon echt lachen als een mensch. Dit komt mij zeer opmerkelijk voor, daar geen enkel ander dier in staat is om zijne vreugde door luid gelach te kennen te geven. Als ik dit aardige ventje onder de armen opnam, omhoog wierp en weder opving, scheen zijn pret geen einde te nemen, wat hij door luid gelach toonde. Hetzelfde gebeurde, als men hem onder de armen of aan de voetzolen kietelde. Eens had ik een stuk wit krijt bij mij, toen ik in zijn hok ging, en op zijn stoel ging zitten; dadelijk wipte hij op mijn knie, om hier af te wachten, wat er gebeuren zou. Ik gaf hem nu het krijt en teekende, terwijl ik zijn hand bestuurde, een Maraboe enz. op den wand van zijn hok; hij liet mij rustig begaan en keek oplettend naar ’t geen ik deed. Toen ik zijn hand losliet, sprong hij bliksemsnel op den grond, ging bij den wand staan, en schaduwde de figuren, tot groot vermaak van de toeschouwers, zoo snel, dat er weldra niets meer van te zien was. Hij had mijne handeling dus dadelijk begrepen.
„In den Zoölogischen tuin te Stuttgart zijn thans twee Chimpanzees, die zeer goed met elkander overweg kunnen; aan het wijfje, dat er reeds vroeger was, werd n.l. een mannetje tot gezelschap toegevoegd. De kist, waarin de pas aangekomen Aap zich bevond, werd gedurende den nacht geborgen in het warme en ruime hok van het wijfje; den volgenden dag zouden beiden aan elkander voorgesteld worden. Toen het mannetje uit zijn met watten gevoerde slaapstede trad, stonden de beide dieren een kort tijdje stom van verbazing op de achterpooten tegenover elkander, waarop een hartelijke omarming en een verscheidene malen herhaald gekus volgden. Nu haalde het wijfje haar deken, breidde deze op den bodem uit, ging er op zitten, en noodigde door gebaren het mannetje uit, om zijn gemak te nemen. Een aardig schouwspel leveren zij op, als zij gedurende den maaltijd tegenover elkander aan tafel zitten. Beide eten hunne brei met den lepel, en toonen niet den minsten broodnijd. Als de drinkbekers op tafel gezet worden, heeft het wijfje de gewoonte, den beker van het mannetje behoedzaam naar zich toe te halen, er uit te drinken, en hem daarna rustig weer op zijn plaats te zetten:—„mijn man moet zooveel niet drinken”, denkt zij misschien. Ook deze dieren geven, als zij spelen, hunne vreugde door gelach te kennen.”
De Orang-Oetan (Boschmensch, Pithecus satyrus), op Borneo Meias of Majas genoemd, is de merkwaardigste van de Aziatische Mensch-apen. Van zijne Afrikaansche verwanten onderscheidt hij zich door de veel langere armen, die tot aan de enkels reiken, en door den vorm van den kop, welks schedel naar boven kegel- of piramide-vormig uitloopt, terwijl het aangezicht in een sterk vooruitstekenden snuit eindigt. Hij heeft, evenals wij, 12 ribbendragende wervels (rugwervels), terwijl de Gorilla en de Chimpanzee er 13 hebben. De schedel van den jongen Orang-Oetan gelijkt zeer veel op dien van een kind; naarmate hij ouder wordt, treden bij hem de dierlijke eigenaardigheden hoe langer hoe meer op den voorgrond, zoodat zijn schedel dan nog maar weinig op dien van den jongen Aap gelijkt.
De groote mannelijke Orang-Oetan, die door Wallace gedood werd, had rechtopstaand een hoogte van 1.35 M.; wanneer de armen zijwaarts gestrekt werden, bedroeg de afstand tusschen de vingertoppen 2.4 M.; het aangezicht was 35 cM. breed, de omvang van het lichaam bedroeg 1.35 M. De romp heeft een sterk vooruitstekenden buik, en is, over de heupen gemeten, zeer breed. De hals is kort, en vertoont aan de voorzijde breede plooien, omdat het dier een grooten keelzak heeft, die met het strottenhoofd in gemeenschap staat en opgeblazen kan worden. De lange ledematen hebben lange handen en vingers. De platte nagel ontbreekt dikwijls aan den duim van de achterhand. De lippen zijn leelijk, daar zij niet slechts gerimpeld, maar bovendien sterk gezwollen zijn, en bol uitstaan. De neus is geheel plat gedrukt, en het neusmiddelschot steekt voorbij de neusvleugels uit; de ooren zijn klein, maar gelijken in vorm op die van den mensch. De hoektanden komen aan het gebit sterk uit; de onderkaak is langer dan de bovenkaak. De rug is weinig, de borst zeer dun behaard; des te langer en overvloediger is de beharing echter aan de zijden van den romp, van waar zij ver afhangt. Aan de wangen en de kin verlengen de haren zich dikwijls bij wijze van een baard. Aan de voorarmen zijn de haren naar boven, overal elders naar onderen gericht. Het gelaat en de handpalmen (voetzolen) zijn geheel, de borst en de rugzijde van de vingers bijna geheel onbehaard. Gewoonlijk is de beharing donker-roestrood, zeldzamer bruinachtig rood; de haren van rug en borst zijn donkerder, die van den baard echter lichter van kleur. De onbehaarde lichaamsdeelen zijn blauwachtig grijs, leikleurig of zwartachtig. De oude mannetjes verschillen van de wijfjes door meerdere grootte, dichtere beharing, langer haar en sterker ontwikkelden baard. Bovendien hebben zij eigenaardige opzwellingen of huidplooien aan de wangen, die zich halvemaanswijs van de oogen naar de ooren en naar de bovenkaak uitstrekken, en het aangezicht in ’t oogloopend leelijk maken. De jongere dieren zijn baardeloos, voor ’t overige echter sterker behaard en donkerder van kleur.
De Orang-Oetan is sedert overouden tijd bekend. Reeds bij Plinius kan men lezen, dat er op de Indische bergen „saters” zijn, „zeer boosaardige dieren met een menschengezicht, die soms rechtop, soms op alle vier gaan, en die, wegens hun vlugheid, alleen als zij oud of ziek zijn, gevangen kunnen worden.” Eeuwen achtereen werd de mededeeling van Plinius oververteld en telkens weer met bijvoegsels voorzien, die er allengs de beteekenis, van veranderden. In dit geval, en in vele andere, werd de kern van waarheid, die het oorspronkelijke bericht bevat, door tal van overdrijvingen nagenoeg onkenbaar. De naschrijvers verloren uit het oog, dat er van dieren sprake was; zij maakten er wilde menschen van. Hun invloed is nog duidelijk merkbaar in de, gedeeltelijk op eigen ervaringen berustende, mededeelingen van Bontius, die omstreeks het midden der 17e eeuw op Java als arts werkzaam was.
Hij zegt, dat hij eenige malen „boschmenschen” gezien heeft, zoowel mannetjes, als wijfjes; dat zij dikwijls rechtop loopen, en geheel dezelfde bewegingen maken als andere menschen. Van een der wijfjes verhaalt hij, dat zij zich schaamde, toen onbekende menschen haar aankeken; dat zij haar gelaat met de handen bedekte, zuchtte, weende, kortom allerlei menschelijke handelingen zoo verrichtte, dat haar alleen de spraak ontbrak, om geheel een mensch te zijn. De Javanen zeggen trouwens, dat de Apen wel degelijk spreken kunnen, maar zich houden, alsof zij stom zijn, omdat zij vreezen, dat men hen zal laten werken. Het spreekt wel van zelf, dat de Orang-Oetans in al deze verhalen rechtop gaan, hoewel er bijgevoegd wordt, „dat zij ook op vier pooten kunnen loopen.” Blijkbaar zijn de overdrijvingen, die in deze beschrijvingen voorkomen, een gevolg van de lichtgeloovigheid der reizigers, die alles navertellen, wat zij van de inboorlingen hooren.
Door de voortreffelijke onderzoekingen van Wallace is de levenswijze van den Orang-Oetan in den natuurstaat thans beter bekend, dan die van eenigen anderen Anthropoïden Aap.
„Men weet,” zegt hij, „dat de Orang-Oetan Sumatra en Borneo bewoont, en heeft goede redenen om te gelooven, dat hij tot deze beide groote eilanden beperkt is. Evenwel is hij, naar het schijnt, veel zeldzamer op het eerste, dan op het laatstgenoemde eiland. Op Borneo is hij zeer verbreid. Hij bewoont hier uitgestrekte landstreken van de Zuidwest-, Zuidoost-, Noordoost- en Noordwestlanden, maar houdt zich uitsluitend in laag gelegene en moerassige bosschen op. In Sadong vindt men hem niet anders dan in vlakke, waterrijke, met hoog-opgaand oerwoud bedekte gewesten. Uit deze moerassen rijzen vele op zich zelf staande bergen omhoog. Sommige daarvan, die door Dajaks bewoond en met plantsoenen van vruchtboomen bedekt zijn, hebben voor de Meias groote aantrekkelijkheid. Zij bezoeken ze, wegens de vruchten, die zij daar vinden, maar keeren des nachts naar hunne moerassige wouden terug. In de gewesten waar de bodem zich meer algemeen verheft en droog is, wordt de Orang-Oetan niet gevonden. Een groote uitgestrektheid van aaneengeschakeld en gelijkmatig hoog oerwoud is voor het wel gedijen van dezen Aap volstrekt noodig. Zulke wouden zijn voor hem als ’t ware een open land, waarin hij in alle richtingen ronddolen kan, met hetzelfde gemak als de Indiaan in de prairie en de Arabier in de woestijn. Hij gaat van boomtop tot boomtop, zonder ooit in de noodzakelijkheid te verkeeren op den bodem af te dalen. De hooge en droge gewesten, waar meer boomlooze en met laag houtgewas van jongeren oorsprong bedekte plekken gevonden worden, zijn wel voor menschen geschikt, maar niet voor de eigenaardige wijze waarop de Majas zich voortbeweegt, die hier bovendien aan meer gevaren blootgesteld zou zijn.
„Het is een vreemd en belangwekkend gezicht, den Majas gade te slaan, terwijl hij op zijn gemak door de bosschen voortschrijdt. Hij wandelt gerust op een dikken, tak in de half opgerichte houding, die hij, wegens de groote lengte zijner armen en de kortheid zijner beenen, genoodzaakt is aan te nemen; evenals de reeds genoemde Antropoïden, loopt hij op de knokkels en niet op de zool, zooals wij. Hij kiest, naar het schijnt, altijd die boomen uit, welker takken zich uitstrekken tot aan die van de naastbij staande boomen. Als hij het punt bereikt heeft, dat voor den overgang het meest geschikt is, strekt hij zijne lange armen uit, grijpt met beide handen de twijgen die hij voor zich ziet, beproeft, naar het schijnt, hunne stevigheid, en gaat nu met een behoedzamen zwaai op een tak van den anderen boom over, waarlangs hij als op den vorigen voortschrijdt. Nooit doet hij hierbij een sprong; het schijnt, dat hij zich nooit haast, en toch weet hij zich bijna even snel voort te bewegen, als een mensch op den grond beneden hem loopen kan.”—Op een andere plaats van Wallace’s werk vindt men de verzekering, dat een Orang-Oetan in den tijd van een uur gemakkelijk 8 à 10 KM. kan afleggen.—„De lange, krachtige armen zijn voor het dier van ’t grootste nut, daar zij het in staat stellen, de hoogste boomen met gemak te beklimmen, vruchten en jonge bladen af te plukken van jonge twijgen, die zijn gewicht niet zouden kunnen dragen, en takken en gebladerte te verzamelen voor de vervaardiging van zijn nest.” Een door Wallace gewonde Orang-Oetan toonde aan zijn vervolger, op welke wijze het nest gebouwd wordt. „Toen ik geschoten had,” verhaalt Wallace, „klom de Majas hooger den boom op, en had weldra den hoogsten top bereikt. Hier begon hij dadelijk rondom zich de takken af te breken en ze in allerlei richtingen over elkander te leggen, ten einde zich een nest te bouwen. De plaats was hiervoor uitnemend geschikt. Merkwaardig snel strekte hij zijn eenigen, nog niet gewonden arm in alle richtingen uit, brak met het grootste gemak dikke takken af, en legde ze achter zich kruiselings over elkander, zoodat hij in weinige minuten een dichte massa van bladen en takken had bijeengebracht, die hem geheel aan mijne blikken onttrok. Een dergelijk nest gebruikt de Majas bijna iederen nacht om er in te slapen; dit wordt echter meestal lager op een kleinen boom gebouwd, in den regel niet hooger dan 8 à 15 M. boven den grond, waarschijnlijk omdat hij hier minder aan de werking van den wind is blootgesteld, dan boven in een hoogen boom. Men zegt, dat elke Majas iederen nacht een nieuw nest voor zich vervaardigt; dit komt mij echter zeer onwaarschijnlijk voor, daar dan de overblijfselen van die nesten veelvuldiger te vinden zouden zijn, dan werkelijk het geval is. De Dajaks beweren, dat de Aap zich, als het zeer nat weer is, met pandanus-bladen of zeer groote varens bedekt. Misschien heeft dit verhaal aanleiding gegeven tot het sprookje, dat hij in de boomen een hut bouwt.
„De Orang-Oetan verlaat zijn leger eerst, als de zon vrij hoog aan den hemel staat en den dauw op de bladen geheel heeft opgedroogd. Hij besteedt het geheele middeldeel van den dag aan zijn maaltijd, maar bezoekt zelden twee dagen achtereen denzelfden boom. Voor zoover mijn ervaring reikt, voedt hij zich bijna uitsluitend met vruchten, soms echter eet hij ook knoppen, bladen en jonge loten. Uiterst zelden daalt hij naar den grond af, waarschijnlijk alleen dan, als hij, door den honger gedreven, sappige loten zoekt bij den oever der rivier, of, bij zeer droog weder, water opspoort om zijn dorst te lesschen, dat hij in gewone omstandigheden, in voldoende hoeveelheid in de holten der bladen vindt. Slechts éénmaal zag ik twee halfvolwassen Orangs op den bodem, in een drogen kuil. Zij speelden met elkander, stonden rechtop en vatten elkander bij de armen aan. Nooit gaat deze Aap rechtop, tenzij wanneer hij zijne voorhanden gebruikt om zich aan hooger geplaatste takken vast te houden, of wanneer hij aangevallen wordt. Voorstellingen van Orangs, die steunend op een stok wandelen, zijn geheel denkbeeldig.
„Voor den mensch schijnen de Majas niet zeer bevreesd te zijn. Die, welke ik te zien kreeg, keken mij dikwijls eenige minuten lang aan, en schreden dan langzaam voort naar een naburigen boom. Menigmaal gebeurde het, dat ik, na er een gezien te hebben, duizend schreden of nog wel verder te loopen had om mijn geweer te halen; toch vond ik bijna altijd bij mijn terugkomst het dier op denzelfden boom of hoogstens honderd meter er van af. Ik zag nooit twee volwassen Orangs bij elkander, maar zoowel mannetjes als wijfjes worden soms vergezeld door half-volwassen jongen.
„De Dajaks zeggen, dat de Majas nooit door eenig dier in het woud wordt aangevallen. Zij maken echter melding van twee zelden voorkomende uitzonderingen op dezen regel. Een Dajaksch hoofd, die zijn geheele leven had doorgebracht in streken waar de Majas veelvuldig voorkomt, zeide mij: „Geen dier is sterk genoeg om den Majas kwaad te doen, het eenige, waarmede hij ooit in strijd geraakt, is de Krokodil. Als er geen vruchten zijn in het bosch, gaat hij voedsel zoeken op den oever der rivier, waar hij een menigte jonge loten vindt, waarvan hij houdt, en vruchten die aan den waterkant groeien. Dan beproeft soms een Krokodil hem beet te pakken, maar de Majas weet op zijn rug te komen, beukt hem met handen en voeten, scheurt hem vaneen en doodt hem.” Een ander opperhoofd vertelde mij: „De Majas heeft geen vijanden; geen dier durft hem aanvallen, behalve de Krokodil en de Python. De Krokodil bezwijkt altijd in dezen strijd. Als een Python een Majas aanvalt, grijpt deze hem met zijne handen, bijt hem en maakt hem spoedig van kant.”
„Bij uitzondering gebeurt het wel eens, dat een Orang-Oetan met menschen strijdt. Eens kwamen eenige Dajaks mij vertellen, dat een Majas den vorigen dag een van hunne kameraads bijna gedood had. Eenige mijlen stroomafwaarts staat aan den oever het huis van een Dajak; de bewoners zagen een grooten Orang-Oetan, die zich aan de jonge spruiten van een palm aan den waterkant te goed deed. Toen hij opgeschrikt werd, keerde hij naar het lage houtgewas terug; een aantal met speren en bijlen gewapende mannen beijverden zich hem den terugweg af te snijden. De voorste van hen beproefde het dier met zijn speer te doorboren, maar werd door de handen van den Majas gegrepen, die in ’t zelfde oogenblik den arm van dezen man in den bek nam en de tanden in de spieren boven den elleboog sloeg, deze op vreeselijke wijze verwondend en verscheurend. Indien de andere mannen hem niet te hulp gekomen waren, zou hij nog veel ernstiger gekwetst en misschien wel gedood zijn. Het moedige dier werd echter weldra met speren en bijlen afgemaakt. De gewonde bleef nog lang ziek en kon zijn arm nooit meer goed gebruiken.”—Van de waarheid van dit verhaal kon Wallace zich persoonlijk overtuigen, daar hij den volgenden dag de plaats waar het gevecht voorviel, bezocht, en den gedooden Orang-Oetan den kop afsneed, om dezen aan zijn verzameling toe te voegen.