Part 6
De grond wordt zorgvuldig geveegd en alle vergane bladeren, alle takjes, alle zandkorreltjes worden één voor één verwijderd; want de zindelijkheid der bijen grenst aan eene manie, en als in het hartje van den winter de strenge kou hen belet te volbrengen wat onder bijenkenners hun "zindelijkheids-vlucht" genoemd wordt, dan sterven ze in massa als slachtoffers van hevige ingewandsziekten, liever dan den korf te bevuilen. Alleen de darren zijn onverbeterlijk onverschillig, en bedekken schaamteloos de raten die zij bezoeken met vuil, zoodat de werkbijen verplicht zijn onophoudelijk achter hen aan schoon te maken.
Na den schoonmaak beginnen de bijen van dezelfde profane groep, die zich niet bemoeit met den kegel, welke daar in een soort van extase hangt, zorgvuldig den binnensten omtrek der gemeenschappelijke woning te dichten. Dan moeten alle spleten de revue passeeren en worden gevuld en bestreken met voorwas, en dan begint het vernissen der wanden van boven tot beneden. Er wordt een wacht geplaatst bij den ingang, en weldra gaan een zeker aantal werkbijen naar de velden, om beladen met honingsap en stuifmeel terug te keeren.
II.
Vóór we de plooien opheffen van het geheimzinnig gordijn in welks beschutting de fondamenten worden gelegd van de eigenlijke woning, willen we trachten er ons rekenschap van te geven, hoeveel verstand ons volk van uitgewekenen zal moeten ontplooien, welk een juistheid van blik, wat al berekeningen en hoeveel nijverheid er van hen worden vereischt, om zich dit oord toe te eigenen, om in het ledig de plannen te schetsen van de stad, er logisch de plaats in aan te geven van de gebouwen, die zoo zuinig mogelijk en zoo snel mogelijk moeten gebouwd worden, want de koningin heeft haast met het eieren leggen, en verspreidt ze reeds over den grond.
Bovendien moeten ze in dezen doolhof van gebouwen, die nog slechts in de verbeelding bestaan en wier vorm noodwendig ongewoon is, letten op de wetten van luchtverversching, duurzaamheid en stevigheid; verder moeten ze het weerstandsvermogen der was zoowel als de natuur der levensmiddelen, die moeten worden opgedaan, de gemakkelijke toegankelijkheid, de gewoonten der souvereine, de verdeeling der entrepots, huizen, straten en stegen (die in zekeren zin reeds vaststaat, omdat ze organisch de beste is,) en nog verscheidene andere problemen, te veel om op te noemen, in aanmerking nemen.
De vorm der korven, die de mensch den bijen aanbiedt, is uiterst verschillend, van af den hollen boom of den langwerpig steenen pot, die nog in Afrika en Azië in gebruik is, tot den klassieken strooien korf, dien men tusschen een groep zonnebloemen, phloxen en malven, onder de vensters of in den moestuin van de meeste onzer boerderijen ziet staan, en verder tot aan de formeele machines van het tegenwoordig mobielstelsel, waarin somtijds meer dan honderdvijftig kilogrammen honing zijn opgehoopt in drie of vier verdiepingen van boven elkander geplaatste honingtafels, omgeven door een kastje of trommel, waardoor men ze er uit kan nemen, ze hanteeren, den oogst er uit verwijderen door de middelpuntvliedende kracht met behulp van een raderwerk, en ze weer op hun plaats zetten, precies als een boek in een goed geordende bibliotheek.
Een gril des menschen of de nijverheid brengt op zekeren dag den volgzamen zwerm in de eene of andere soort dezer verbijsterende woningen. Aan de kleine bij dan de taak zich daar op haar plaats te vinden, zich te oriënteeren, plannen te wijzigen die de macht der dingen om zoo te zeggen onveranderlijk maakte, in deze ongewone ruimte de plaatsing vast te stellen van de wintermagazijnen, die moeten blijven binnen het bereik van de warmte-zone welke door het half verdoofde volkje wordt ontwikkeld; aan haar de taak te overzien op welk punt de raten van het broedsel moeten komen, wier plaatsing op straffe van onheil bijna onveranderlijk dezelfde moet zijn, noch te hoog, noch te laag, noch te dicht bij, noch te ver van de deur. Ze komt b.v. uit den stam van een omgevallen boom, die enkel één lange, horizontale, nauwe en ineengedrongen galerij uitmaakte, en hier bevindt ze zich in een gebouw zoo hoog als een toren en welks dak zich in de duisternis verliest. Of wel om nog beter door te dringen tot hare 't meest voorkomende verbazing, sedert eeuwen was ze gewend onder den strooien koepel onzer dorps-korven te wonen, en daar brengt men haar nu in een soort van groote kast of kist, drie a vier maal grooter dan haar geboorte-huis en te midden van een warboel van raampjes boven elkaar opgehangen nu eens parallel, dan weer loodrecht op den ingang, en die een heele stellage vormen, waardoor geen der wanden harer woning meer te herkennen is.
III.
Maar dat doet er alles niets toe, er is nog geen voorbeeld van, dat ooit een zwerm geweigerd heeft zich aan 't werk te zetten, of zich heeft laten ontmoedigen en uit het veld slaan door de buitengewone omstandigheden, mits de woning, die men haar aanbood, maar niet was doortrokken van leelijke luchtjes of werkelijk onbewoonbaar was. En zelfs in dat geval is er nog geen sprake van moedeloosheid, verslagenheid of plicht-verzaking. Dan verlaten ze eenvoudig het ongastvrij verblijf om iets verder hun fortuin te beproeven. En men kan evenmin zeggen, dat men er ooit in geslaagd is hen een of ander kinderachtige of onlogische bezigheid te doen verrichten. Men heeft nog nooit geconstateerd, dat de bijen het hoofd verloren, of dat ze, als ze niet wisten welke partij te kiezen, zoo maar op goed geluk woest en onregelmatig gingen bouwen. Breng ze in een bol, een kubus, een pyramide, een ovalen of veelhoekigen korf, een cylinder of een spiraal, bezoek hen, indien ze de woning hebben betrokken eenige dagen later, en ge zult zien dat deze zonderlinge massa van kleine onafhankelijke intelligenties ommiddellijk tot overeenstemming is weten te komen en zonder aarzeling, volgens een methode, welker principes onwankelbaar vast schijnen te staan, maar welker gevolgen leven bezitten, de gunstigste en dikwijls eenig bruikbare plaats van de zonderlinge woonplaats wisten te kiezen.
Heeft men ze in een dier groote boog-korven geplaatst waarvan we zooeven spraken, dan houden ze alleen rekening met die boogjes in zoover deze hun een uitgangspunt of gemakkelijke steunpunten voor hunne raten verschaffen, en 't is zeer natuurlijk, dat ze zich om de wenschen en bedoelingen des menschen niet bekommeren. Maar als de bijenhouder er voor gezorgd heeft bij enkele het bovenste plankje te voorzien van een klein randje was, dan begrijpen ze onmiddellijk welke voordeelen hun worden aangeboden door dit bij wijze van lokaas aangebracht werk; ze zullen dat randje voorzichtig wat uittrekken en door hun eigen was er aan vast te soldeeren, de raat methodisch volgens het aangegeven plan voortbouwen. Zoo zullen ze ook--en dat geval is niet zeldzaam in onze tegenwoordige bijenteelt--indien alle boogjes van den korf waarin men den zwerm heeft opgevangen van boven tot beneden zijn voorzien van kunstraat, hun tijd niet verliezen met daarnaast of daar doorheen te bouwen en onnoodigen honing te produceeren, maar nu ze het werk reeds halfweg gereed vinden, stellen ze zich er mee tevreden ieder der cellen, die in de kunstraat is aangegeven, dieper en langer te maken, indien 't noodig is de plaatsen verbeterend waar de wastafel van de streng vertikale lijn afwijkt; zoodoende komen ze in minder dan een week in 't bezit van een even weelderige en even goed gebouwde stad, als die zij hebben verlaten, terwijl ze indien ze aan zichzelf waren overgelaten twee of drie maanden hadden noodig gehad om dezelfde massa magazijnen en huizen van witte was te bouwen.
IV.
Het heeft er wel den schijn van alsof dit vermogen van zich aan te passen de grenzen van het instinkt verre te buiten gaat.
Overigens is niets zoo willekeurig als deze onderscheiding tusschen het instinkt en het eigenlijk gezegd verstand. Sir John Lubbock, die zulke persoonlijke en zoo merkwaardige waarnemingen heeft gedaan met de mieren, wespen en bijen, is zeer geneigd, misschien door een onbewuste en eenigszins onrechtvaardige voorliefde voor de mieren, die hij meer speciaal heeft waargenomen,--want ieder waarnemer wil, dat het insekt hetwelk hij bestudeert verstandiger of merkwaardiger is dan de overige, en 't is goed op zijne hoede te zijn tegen dit kleine zwak van onze eigenliefde,--sir John Lubbock, zeg ik, is zeer geneigd aan de bij alle onderscheidingsvermogen en alle overleg te ontzeggen, zoodra ze komt buiten de routine van haar gewone werk. Als bewijs geeft hij een proef, die ieder gemakkelijk kan nadoen. Breng in een karaf een half dozijn vliegen en een half dozijn bijen en keer dan de karaf, als ze horizontaal ligt, met den onderkant naar het raam van de kamer. De bijen zullen uren lang, tot ze van vermoeienis en uitputting sterven, voortgaan met een uitgang te zoeken door den bodem van het glas, terwijl de vliegen binnen de twee minuten alle aan den tegenovergestelden kant door den hals er uit zijn gekomen. Daaruit besluit sir John Lubbock, dat het verstand der bij uiterst beperkt is en dat de vlieg veel meer handigheid heeft om zich uit een moeielijkheid te redden en haar weg terug te vinden. Deze gevolgtrekking komt me echter niet geheel onberispelijk voor. Keer twintigmaal zoo ge wilt beurtelings den bodem en den hals van den doorschijnenden bol naar het licht en twintigmalen achtereen zullen de bijen zich tegelijk daarmee omkeeren naar het licht toe. Wat bij de proef van den Engelschen geleerde hun ongeluk is, dat is hun liefde voor het licht, en dat is hun verstand tevens. Klaarblijkelijk verbeelden ze zich, dat in iedere gevangenis de bevrijding moet komen van den kant waar het 't lichtst is, ze handelen in overeenstemming daarmee en volharden in het al te logisch handelen. Ze hebben nog nooit kennis genomen van dat bovennatuurlijk mysterie, dat het glas voor hen is, van deze plotseling ondoordringbaar geworden atmosfeer, die in de natuur niet voorkomt; en deze hinderpaal en dit mysterie moeten hun des te ongeoorloofder en des te onbegrijpelijker voorkomen, hoe verstandiger ze zijn. De domme vliegen daarentegen, die zich niet om logica, om den drang naar het licht en het raadsel van het kristal bekommeren, wentelen op goed geluk in den bol rond en, hier genietende van het gunstig gesternte der onnoozelen, die somtijds een uitweg vinden waar de wijzeren ondergaan, komen ze ten slotte noodzakelijk bij den goeden hals terecht, die hen bevrijdt.
V.
Dezelfde natuuronderzoeker geeft een ander bewijs van hun gebrek aan verstand en vindt dat in de volgende bladzijde van den grooten Amerikaanschen bijenkenner, den eerwaardigen en vaderlijken Langstroth. "Daar de vlieg", zegt Langstroth, "niet bestemd is te leven van bloemen maar van stoffen, waarin ze gemakkelijk zou kunnen verdrinken, gaat ze omzichtig op den rand van de voorwerpen zitten, die een vloeibaar voedsel bevatten en zoo put ze voorzichtig daaruit; terwijl de arme bij er zich hals over kop inwerpt en er weldra in sterft. Het rampzalig lot hunner zusteren houdt de anderen ook geen oogenblik terug, wanneer zij op hunne beurt in de nabijheid van het lokaas komen, want ze gaan als onzinnigen op de lijken en de stervenden zitten, om hun treurig lot te deelen. Niemand kan zich een voorstelling maken van den omvang hunner dwaasheid, die niet den winkel van een banketbakker heeft belegerd gezien door myriaden hongerige bijen. Ik heb er duizenden uit de stropen zien halen, waarin ze waren verdronken, duizenden op de kokende suiker zien vliegen, terwijl de grond was bedekt en de ramen verduisterd door bijen, sommigen zich voortsleepend, andere vliegend, en nog andere zoo totaal vastgekleefd, dat ze konden kruipen noch vliegen; er was er niet één op de tien in staat de moeielijk verworven buit huiswaarts te dragen, en toch was de lucht vol van nieuwe legioenen aankomenden, die even onverstandig waren."
Dat is geen deugdelijker bewijs dan voor een bovenmenschelijken waarnemer, die de grenzen van ons verstand zou willen bepalen, het gezicht zou zijn van de verwoestingen door den alcohol of op een slagveld aangericht. Misschien nog in mindere mate. De positie van de bij is, wanneer men die met de onze vergelijkt, zeer vreemd in deze wereld. Ze is daarin geplaatst om er te leven in de onbewuste en onverschillige natuur, en niet naast een heel buitengewoon wezen, dat om haar heen de meest vaste wetten onderst boven gooit en grootsche, onbegrijpelijke natuurverschijnselen schept. In de gewone orde van zaken, in het eentonig bestaan van het geboorte-woud, zou de verdwaasdheid door Langstroth beschreven enkel mogelijk zijn indien eenig toeval een korf vol honing deed breken. Maar dan zouden daar noch doodelijke vensters, noch kokende suiker, noch al te dikke stropen zijn, en bij gevolg weinig dooden en geen andere gevaren dan die welke ieder dier loopt bij het vervolgen van zijne prooi.
Zouden wij beter dan zij onze koelbloedigheid bewaren, indien een onverwachts opduikende macht bij iedere schrede onze rede in verzoeking bracht? 't Is dus zeer moeielijk voor ons een oordeel te vellen over de bijen, die wij zelven dol maken en wier verstand er niet op is ingericht onze lagen te doorzien; zoo min als het onze er op is ingericht die van een hooger maar niettemin bestaanbaar wezen te verijdelen. Daar we hier niets kennen, dat over ons heerschappij voert, trekken we daaruit het besluit, dat wij op onze aarde het hoogtepunt van het leven innemen; maar alles in alles gerekend, is dat niet onbetwistbaar. Ik eisch van niemand te gelooven, dat wij, wanneer we buitensporige of slechte dingen doen, in de strikken vallen van een hooger wezen, maar onwaarschijnlijk is het niet, dat dit eenmaal zal blijken zoo te zijn. Van een anderen kant kan men niet redelijkerwijze beweren, dat de bijen ontbloot zijn van verstand, omdat ze er nog niet in zijn geslaagd ons te onderscheiden van een grooten aap of een beer, en ons behandelen zooals ze deze trouwhartige gasten van het oer-woud zouden behandelen. Zeker is het, dat er in ons en om ons heen invloeden en machten zijn, die onderling evenzeer verschillen, en die wij evenmin van elkaar kunnen onderscheiden.
En ten slotte, om te eindigen met deze apologie, waarmee ik eenigszins in het zwak verval, waarvan ik sir John Lubbock een verwijt maakte, moet men niet verstandig zijn, om in staat te zijn tot zóó groote dwaasheid? Zoo gaat het altijd in het nog zoo onzekere domein van het verstand, dat de meest wankele en de meest wisselvallige toestand is van de materie. Onder hetzelfde licht als het verstand valt de hartstocht, waarvan men niet met zekerheid zou kunnen zeggen of het de walm of de pit is van de vlam. En hier is de hartstocht der bijen edel genoeg om het flikkeren van het verstand te verontschuldigen. Wat hen tot deze onvoorzichtigheid drijft, is niet de dierlijke begeerte zich vol te proppen met honing. Dat konden ze naar hartelust doen in de voorraadschuren hunner eigen woning.
Neem hen maar eens waar en volg hen in geheel overeenkomstige omstandigheden; zoodra ze hun honingmaag vol hebben zult ge ze naar den korf zien terugkeeren, hun buit daar afzetten, en wel dertig maal in een uur den wonderbaren oogst zien verlaten en weer opzoeken. 't Is hier dus dezelfde begeerte, die zooveel bewonderenswaardigs tot stand brengt: het verlangen zooveel als ze maar kunnen van die goede gaven mee te brengen naar het huis hunner zusters en der toekomst. Wanneer de dwaasheden der menschen zooveel belangeloosheid tot grond hebben, geven we daaraan dikwijls een gansch anderen naam.
VI.
Niettemin moeten wij de geheele waarheid zeggen. Naast alle wonderen van hunne nijverheid, staatkunde en zelfvergetelheid, zal één ding ons altijd verbazen en onze bewondering in toom houden: namelijk hunne onverschilligheid voor den dood en het lijden hunner gezellinnen.
In het karakter der bij ligt een zonderlinge tegenstrijdigheid. In den korf hebben allen elkaar lief en verleenen elkander hulp. Dan zijn ze één als de goede gedachten eener zelfde ziel. Kwetst ge er ééne, duizenden zullen zich opofferen om die beleediging te wreken. Buiten den korf echter kennen ze elkaar niet. Vermink, verpletter--of liever doe het vooral niet, 't zou noodelooze wreedheid zijn, want het feit staat vast,--maar enfin laten we eens aannemen, dat ge op een raat, die een paar schreden van hunne woning verwijderd is, tien, twintig of dertig bijen verplettert, die uit denzelfden korf zijn gekomen; en de anderen, die ge niet hebt aangeraakt, kijken er niet naar om en gaan kalm voort door middel van hun tong, even fantastisch gevormd als een Chineesch wapen, de vloeistof te putten, die hun meer waard is dan het leven, onbekommerd om dien doodstrijd, aan welks laatste stuiptrekkingen ze rakelings voorbijgaan, en om de wanhoopskreten, die rondom hen worden geuit. En als de raat leeg is zullen ze kalm, om vooral niets verloren te laten gaan en ook nog den honing te verzamelen, die aan de slachtoffers kleeft, op de dooden en gewonden gaan zitten, zonder geroerd te worden door de tegenwoordigheid der eersten, of er over te denken, de laatsten te helpen. In dit geval hebben ze dus noch eenige notie van het gevaar dat ze loopen, de dood toch die rondom hen woedt verontrust hen niet, noch ook maar het geringste gevoel van solidariteit of medelijden. Wat het gevaar betreft is dit zeer verklaarbaar, de bij kent geen vrees en niets ter wereld jaagt haar vrees aan, behalve rook. Als ze den korf verlaat ademt ze met de lucht tevens lankmoedigheid en toegevendheid in. Ze gaat wie haar hindert uit den weg en neemt den schijn aan zelfs het bestaan te ignoreeren van allen, die haar niet te na komen. 't Is alsof ze zich bewust is in een heelal te verkeeren, dat allen toebehoort, waar ieder recht heeft op zijne plaats, waar men bescheiden en vreedzaam behoort te zijn. Maar onder deze toegevendheid verbergt zich een moed, die zoo zeker is van zichzelf, dat hij er niet aan denkt zich naar buiten te openbaren. Ze maakt een omweg als iemand haar bedreigt, maar neemt nooit de vlucht. In den korf echter bepaalt ze zich niet tot dat lijdelijk ignoreeren van het gevaar. Met ongehoorde woestheid werpt ze zich op elk levend wezen: mier, leeuw of mensch, die de heilige ark durft aan te tasten. Dat kunnen we al naar de gesteldheid onzes geestes, drift, domme woede of heldenmoed noemen.
Maar over dat gebrek aan solidariteit buiten den korf en zelfs aan sympathie in den korf valt er niets te zeggen. Moet men gelooven, dat er zulke onvermoede grenzen bestaan voor ieder soort van verstand en dat het vlammetje, dat met groote moeite uit een schedel opstijgt, door de moeizame verbranding van zooveel levenlooze materie heen, altijd zóó iets onzekers is, dat het alleen ten koste van veel andere dingen één enkel ding eenigszins beter kan verlichten? Men mag aannemen, dat de bij, of de natuur in de bij, op volmaakter wijze dan ergens elders, den gemeenschappelijken arbeid, de vereering en liefde voor de toekomst heeft georganiseerd. Is dit de reden waarom ze al het overige uit het oog verliezen? Zij hebben lief vóór zich uit, en wij vooral om ons heen. Misschien is 't voldoende hier lief te hebben, om geen liefde meer over te houden voor ginds. Niets is wisselender dan de voorwerpen, waarop onze liefde of ons medelijden zich richt. Wij zelven zouden in vroeger tijd ons minder gekwetst hebben gevoeld dan tegenwoordig door deze onverschilligheid der bijen, en velen uit den ouden tijd zouden er niet over gedacht hebben, er hun eenig verwijt van te maken. En verder, kunnen wij inzien, wat al reden tot verbazing een wezen hebben zou, dat ons kon waarnemen, zooals wij de bijen?
VII.
Om ons nog een juister denkbeeld te vormen van hun verstand, blijft nog te onderzoeken op welke wijze ze met elkander gemeenschap oefenen. Klaarblijkelijk verstaan ze elkaar, en zou een republiek, die zooveel leden telt, en wier arbeid zoo verschillend is en zoo wonderbaarlijk in overeenstemming met elkaar, niet kunnen bestaan, indien zooveel duizenden weezens in stilzwijgen en geestelijke afzondering naast elkander leefden. Ze moeten dus het vermogen bezitten, hunne gedachten of gevoelens te uiten, hetzij door middel van een woordenschat in klanken, hetzij en dat is waarschijnlijker door middel van een voelbare taal of magnetische intuïtie, die misschien in verband staat met zintuigen of met eigenschappen der stof, die ons totaal onbekend zijn; een intuïtie, die misschien zetelt in die geheimzinnige sprieten, die de duisternis voelen en begrijpen, en die volgens de schatting van Cheshire bij de werkbijen bestaan uit twaalf duizend voel-haren en vijf duizend reukholten. Een bewijs, dat ze niet alleen overleg plegen met elkaar omtrent hun gewonen arbeid, maar dat het buitengewone even goed een naam en een plaats heeft in hun taal, is de wijze waarop een of ander bericht, goed of ongunstig, gewoon of bovennatuurlijk, in den korf wordt verbreid; het verlies of de terugkomst hunner moeder, de val van een raat, de komst van een vijand, het indringen van een vreemde koningin, de nadering van een bende roovers, de ontdekking van een schat, enz. Bij ieder dezer gebeurtenissen zijn de houding en de geluiden der bijen zóó verschillend en zóó karakteristiek, dat een ervaren bijenhouder vrij gemakkelijk raadt, wat daar in de duisternis bij de verontruste menigte voorvalt.
Wilt ge een duidelijk bewijs, neem dan eens eene bij waar, die op het kozijn van uw raam of een hoekje van uw tafel eenige droppels honing vindt, welke daar gemorst zijn. Dadelijk zal ze zich zóó begeerig daarmee volproppen, dat ge op uw gemak en zonder gevaar haar af te leiden, haar lijfje door een klein vlekje verf kunt merken. Maar deze gulzigheid is slechts schijnbaar. Die honing komt niet in de eigenlijke maag, in wat men haar persoonlijke maag zou kunnen noemen; hij blijft in de honingblaas, de voormaag, die om zoo te zeggen de maag is van de gemeenschap. Zoodra dit vaatje is gevuld, verwijdert zich de bij, maar niet in eens en niet woest, zooals een vlinder of een vlieg doen zou. Ge ziet haar integendeel eenige oogenblikken achteruit vliegen en met alle attentie in het vensterkozijn of rondom uwe tafel heen en weer gaan met het gelaat naar uw kamer gekeerd.
Ze verkent de plaats en neemt opmerkzaam de juiste ligging van den schat in haar geheugen op. Dan begeeft ze zich naar den korf, zet daar haar buit af in een der cellen van de voorraadschuur, om drie of vier minuten later terug te keeren en een nieuw vrachtje te halen van dat goedgunstige venster. Alle vijf minuten zoolang er nog honing is, tot aan den avond toe als het moet, doet ze geregeld deze reisjes van het raam naar den korf en van den korf naar het raam.
VIII.
Ik wil de waarheid niet opsieren, zooals veel schrijvers over de bijen wèl deden. Opmerkingen van dezen aard zijn slechts dan belangrijk als ze volkomen waar zijn. Indien ik had waargenomen, dat de bijen niet in staat zijn elkaar een uitwendige gebeurtenis mee te deelen, dan zou ik dunkt me tegenover deze kleine teleurstelling met eenig genoegen weer op nieuw constateeren, dat ten slotte de mensch toch het eenige waarlijk intelligente wezen is, dat onzen aardbol bewoont. En dan nog, als men op een zeker punt van zijn leven gekomen is, gevoelt men meer voor het meedeelen van dingen die waar, dan die frappant zijn. Ook hier zoo goed als in andere gevallen behoort men zich te houden aan het principe, dat zoo de naakte waarheid voor het oogenblik minder grootsch, minder edel of minder interessant lijkt dan de opsiering, welke onze verbeelding daaraan kon toevoegen, de schuld daarvan ligt aan ons, die nog niet weten te onderscheiden in welk een altijd opmerkelijk verband ze moet staan tot ons ware wezen, dat we nog niet kennen, en tot de wetten van het heelal; en in dit geval is het niet de waarheid, maar ons verstand, dat behoefte heeft aan vergrooting en veredeling.