Het leven der bijen

Part 5

Chapter 53,842 wordsPublic domain

Wat nu de persoonlijke gehechtheid betreft waarover we spraken, en om daarmede nu af te rekenen: al is de waarschijnlijkheid groot, dat ze bestaat, even zeker is het dat ze kort is van geheugen. Indien ge na verloop van eenigen tijd een verbannen koningin in haar waardigheid wilt herstellen, dan zal ze op zulk eene wijze worden ontvangen door hare verbitterde kinderen, dat ge u zult moeten haasten haar te ontrukken aan de doodelijke inkerkering, de straf van onbekende koninginnen. De reden daarvan is, dat ze tijd hebben gehad om een tiental verblijven van werkbijen in koninklijke cellen te veranderen, en dat de toekomst van het ras volstrekt geen gevaar meer loopt. Men ziet dus ook zeer dikwijls de onderdanen eener maagdelijke koningin, wanneer deze de gevaarlijke plechtigheid van de "paringsuitvlucht" volbrengt, dermate beangst haar te verliezen, dat allen haar vergezellen op dezen tragischen en verren onderzoekingstocht naar de liefde, wat ze nimmer doen indien men heeft zorg gedragen hun een stukje raat met eenige cellen jong broedsel te geven, waarin voor hen de hoop ligt opgesloten, nieuwe moeders te kweeken. Die gehechtheid kan zelfs omslaan in woede en haat, indien hunne vorstin niet al hare plichten vervult tegenover die soort abstracte godheid, die wij de maatschappij der toekomst zouden noemen en waarvoor zij veel meer schijnen te voelen dan wij. 't Is b.v. voorgekomen, dat ymkers om verschillende redenen, de koningin beletten zich bij den zwerm te voegen door haar tegen te houden met een traliewerk, waardoor de fijne, lichte werkbijen heenvlogen zonder het te bespeuren, maar waar de arme slavin der liefde, die aanmerkelijk zwaarder en corpulenter is dan hare dochters, niet doorheen kon. Bij het eerste uitvliegen kwamen de bijen, als ze bespeurden, dat ze hen niet gevolgd had weer naar den korf terug en beknorden, schudden en mishandelden op duidelijk zichtbare wijze de ongelukkige gevangene, die ze zonder twijfel van luiheid beschuldigden of voor zwak van geest hielden. Bij den tweeden uittocht, als haar onwil dus duidelijk bleek, nam de toorn toe en werden de mishandelingen nog erger. En eindelijk na den derden hielden ze haar voor onverbeterlijk trouweloos tegenover haar bestemming en de toekomst van het ras, veroordeelden haar bijna altijd en brachten haar ter dood in de koninklijke gevangenis.

XXVII.

Zooals men ziet, wordt alles aan deze toekomst ondergeschikt gemaakt met een scherpheid van blik, een eenstemmigheid, een onbuigzaamheid, eene vaardigheid in het verklaren der omstandigheden en het partij trekken daarvan, die ons verbaasd doen staan, als men rekening houdt met al het onverwachte, al het bovennatuurlijke, dat in den laatsten tijd door onze inmenging onophoudelijk in hunne woningen binnendringt. Misschien zal men zeggen, dat ze in het laatst aangehaalde geval al een heel slechte verklaring geven van de onmacht hunner koningin hen te volgen. Zouden wij veel meer doorzicht hebben, indien een geest van een andere orde, die een lichaam tot zijn dispositie had zóó kolossaal, dat zijne bewegingen bijna even ontastbaar zouden zijn als die van een natuurverschijnsel, er behagen in schepte ons dergelijke strikken te spannen? Hebben wij niet eenige duizenden jaren noodig gehad om een eenigszins aannemelijke verklaring van den bliksem te vinden? Elk intellekt is met langzaamheid geslagen als het komt buiten zijn altijd beperkte sfeer, en zich geplaatst ziet tegenover gebeurtenissen, waartoe het niet zelf den eersten stoot heeft gegeven. Bovendien is 't niet eens zeker of de bijen, indien de proef met het traliewerk algemeen werd en eenigen tijd aanhield, niet zouden eindigen met begrijpen en aan de bezwaren zouden tegemoet komen. Ze hebben reeds vele andere proefnemingen begrepen en er op de best mogelijke wijze partij van getrokken, b.v. bij die van de "bewegelijke honingraten", of van de "secties", waardoor men hen noodzaakt hunne provisie honing op te bergen in symmetrisch op elkaar gestapelde doosjes; of ook bij de buitengewone proef met de "kunstraten voorzien van cellen-indruk," waarbij de cellen enkel zijn aangegeven door een dun omtrekje van was; dadelijk zien ze het nut daarvan in en werken ze zorgvuldig uit, zoodat ze zonder verlies van materiaal of arbeid, volmaakte celletjes daaruit vormen. Ontdekken ze niet in al die omstandigheden, die zich niet voordoen onder den vorm van een of anderen strik, gespannen door een soort van boosaardigen en geslepen godheid, de beste en de eenige menschelijke oplossing? Om maar eens een dergelijke natuurlijke maar gansch abnormale omstandigheid te noemen: laat er een slak of een muis in den korf zijn gekomen en er ter dood gebracht, wat doen ze dan om zich te ontdoen van het lijk, dat weldra de atmosfeer zou vergiftigen? Als ze het onmogelijk kunnen verwijderen of stuk maken, dan sluiten ze het methodisch en hermetisch op in een echt graf van was en maagdenwas, dat een wonderlijken indruk maakt te midden der gewone monumenten der stad. Verleden jaar vond ik in een mijner bijenkorven drie zulke graven aaneen, onderling gescheiden op de wijze der cellen van een honingraat door tusschenschotten, waardoor zoo min mogelijk was verbruikt werd. De voorzichtige lijkbezorgsters hadden ze gebouwd op de overblijfselen van drie kleine huisjesslakken, die een kind binnen hun kolonie gebracht had. Als ze met huisjesslakken te doen hebben, vergenoegen ze er zich gewoonlijk mee, de opening der schelp met was te bedekken. Maar hier vonden ze het eenvoudiger, daar de schelpen min of meer gebroken of gebarsten waren, ze in hun geheel te begraven, en om het in- en uitgaan door de poort niet te belemmeren, hadden ze in deze hinderlijke massa een zeker aantal galerijen weten te maken, geheel van de juiste afmetingen niet voor hun lichaam maar voor dat der darren, die ongeveer tweemaal dikker zijn dan zij. Geeft dit feit, en ook het volgende, ons niet het recht te meenen, dat ze ook wel eenmaal zouden weten te ontcijferen, wat de reden is waarom de koningin hen niet kan volgen door de tralies? Ze hebben een zeer juisten blik voor afmetingen en voor de ruimte, die eenig lichaam noodig heeft om zich te bewegen. In de streken, waar de afschuwelijke doodshoofdvlinder tiert, de _Acherontia Atropos_, maken ze aan den ingang van hun korf wassen pilaartjes, waar de nachtelijke roover met zijn enorm achterlijf niet tusschen door kan.

XXVIII.

Maar genoeg over dit punt; indien ik alle voorbeelden moest aanhalen, zou ik niet uitgepraat raken. Om te resumeeren welke de rol en de positie zijn der koningin, kan men zeggen, dat zij het hart doch tevens de slavin is der stad, wier intellekt haar overal omgeeft. Zij is de eenige souvereine, maar ook de koninklijke dienstmaagd, de gevangen schatbewaarster der liefde en de verantwoordelijke afgevaardigde daarvan. Haar volk dient en eerbiedigt haar, doch vergeet nimmer dat het zich niet onderwerpt aan haar persoon, maar aan de zending, die ze vervult en de levens, die zij vertegenwoordigt. Het zou moeite kosten een menschelijke republiek te vinden, wier ontwerpen zulk een aanmerkelijk deel der wenschen onzer planeet verwezenlijkten, een democratie, waarbij de onafhankelijkheid tegelijkertijd volkomener en redelijker was, en de onderwerping vollediger en meer beredeneerd. Maar men zou er evenmin een vinden, waarin zwaardere en meer algeheele offers werden gebracht. Meent niet, dat ik voor deze offers evenveel bewondering koester als voor hun gevolgen. Zeer zeker ware het wenschelijk, dat deze resultaten met minder lijden, minders offers konden verkregen worden. Maar eenmaal dat beginsel aangenomen--en misschien is het noodzakelijk in de gedachte die onzen aardbol beheerscht--is de organisatie daarvan bewonderenswaardig. Hoeveel of hoe weinig waarheid er moge schuilen in de menschelijke opvatting, in den bijenkorf wordt het leven niet beschouwd als een rij min of meer aangename uren, waarvan men verstandig doet er zoo min mogelijk te verdonkeren of te verbitteren behalve de minuten die onvermijdelijk zijn om het te onderhouden: doch als een groote gemeenschappelijke plicht tegenover een toekomst, die al maar verder wijkt sedert den aanvang der wereld. Ieder doet er afstand van de grootste helft van zijn geluk en zijne rechten. De koningin zegt vaarwel aan 't zonlicht, de bloemkelken en de vrijheid, de werkbijen aan de liefde, aan vier of vijf levensjaren en de moederweelde. De koningin ziet hare hersenen gereduceerd tot niets ten behoeve van de organen der voortplanting, en de werkbijen zien deze zelfde organen afsterven ten bate van hun verstand. 't Zou onbillijk zijn te beweren, dat de wil in 't geheel geen aandeel heeft aan deze offers. We hebben gezien, dat elke larve eener werkbij, als ze gevoed en gehuisvest werd op koninklijke wijze, koningin zou kunnen worden; en evenzoo zou iedere koninklijke larve, als men haar voedsel veranderde en hare cel verkleinde, in een werkbij veranderd worden. Zulk eene merkwaardige keuze vindt dagelijks plaats in de gouden schaduw van den bijenkorf. Ze is niet de vrucht van het toeval; maar een wijsheid, wier diepe ernst en eerlijkheid alleen de mensch kan miskennen, een wijsheid, die altijd waakzaam is, doet of vernietigt die keuze, in verband met al wat buiten de stad zoowel als binnen hare muren plaats grijpt. Als er zich plotseling een ongedachte menigte bloemen voordoet, als de koningin oud is of minder vruchtbaar, als de bevolking zich ophoopt en geen ruimte genoeg heeft, dan zult ge koninklijke cellen zien ontstaan. Deze zelfde cellen kunnen weer vernietigd worden, indien de oogst mislukt of de korf wordt vergroot. Dikwijls worden ze in wezen gehouden zoolang de jeugdige koningin haar parings-vlucht nog niet of nog zonder succes heeft volbracht, om vernietigd te worden zoodra ze in den korf terugkeert met het onbedriegelijk teeken harer bevruchting als een trophee achter zich aan.

Waar is nu deze wijsheid te vinden, die aldus heden en toekomst in de weegschaal legt en voor welke het nog niet zichtbare zwaarder weegt dan al wat men aanschouwt? Waar zetelt die anonyme voorzichtigheid, die verwerpt en verkiest, verheft en vernedert, die van zoovele werkbijen evenveel koninginnen zou kunnen maken en van zoovele moeders een volk van maagden vormt? Elders hebben we gezegd, dat ze te vinden is in "den geest van den bijenkorf"; maar waar hebben we dan dien "geest van den korf" te zoeken, zoo niet in de vereeniging der werkbijen? Om er zich van te overtuigen, dat hij daar thuis behoort, was het misschien niet noodig geweest zoo nauwkeurig de gewoonten der koninklijke republiek na te gaan. Het ware voldoende geweest, even als Dujardin, Brandt, Girard, Vogel en andere insectenkenners gedaan hebben, het kleine, onoogelijke kopje vol zorgen van de maagdelijke werkbij onder het microscoop te plaatsen naast den eenigszins leegen schedel der koningin en den prachtigen kop van een dar, waarin zesentwintig duizend oogen schitteren. We hadden dan kunnen zien, dat in dat kleine kopje de kronkelingen van de grootste en volmaakste hersenen van den ganschen bijenkorf opgesloten liggen. 't Zijn zelfs na die van den mensch, in een andere orde en met verschillende organisatie, de schoonste, ingewikkeldste, teederste en volmaaktste hersenen, die in de natuur voorkomen[1].

Ook hier, zoo goed als overal elders in de ons bekende wereld, is het gezag, de ware kracht, de wijsheid en de zegepraal daar te vinden, waar de hersenen zijn. Ook hier is het een bijna onzichtbaar atoom van deze geheimzinnige stof, dat de materie aan zich onderwerpt en organiseert en dat zich een duurzame en zegevierende plaats weet te scheppen te midden van de enorme en inerte machten van dood en niet-zijn.

[1] De hersenen der bijen vormen naar de berekening van Dujardin het 174ste deel van het totale gewicht van 't insect; die van de mieren het 296ste. Daarentegen zijn de _peduncidi cerebri_ (een bundel zenuw-vezelen), die zich schijnen te ontwikkelen naar evenredigheid der overwinningen van het intellekt over het instinkt, van minder beteekenis bij de bij dan bij de mier. Daar het een tegen het ander opweegt, schijnt men uit deze berekeningen te kunnen opmaken, (als men maar niet vergeet dat het voor een deel slechts een hypothese is, en als men rekening houdt met de onbekendheid der materie,) dat de intellektueele beteekenis der mieren en die der bijen ongeveer gelijk moet zijn.

XXIX.

Laat ons nu terugkeeren tot onze bijen, die willen gaan zwermen en niet hebben gewacht op het einde onzer overpeinzingen om het teeken van vertrek te geven. Op het oogenblik, dat dit gegeven wordt, zou men kunnen meenen, dat alle poorten der stad precies te gelijk door een plotselingen en onverstandigen duw werden geopend, en de zwarte massa komt er uit of liever borrelt er uit op, al naar het aantal openingen, in een dubbelen, drievoudigen of viervoudigen straal, eerst recht, trillend, gespannen, onafgebroken, maar in de ruimte dadelijk uiteenvloeiend en zich uitbreidend tot een gonzend net, geweven uit honderd duizenden van zenuwachtig trillende, doorschijnende vleugeltjes. Gedurende enkele minuten zweeft dat net aldus boven den bijenkorf onder een wonderbaar geruisch, alsof het doorschijnende zijde ware, door duizenden en duizenden geëlectriseerde vingeren onophoudelijk gescheurd en weer aaneengehecht. Het golft op en neer, aarzelt nog en trilt als een feest-sluier door onzichtbare handen ten hemel geheven, waar 't is alsof ze hem samenvouwen en weer ontplooien van af de bloemen tot aan het azuur, in afwachting van de aankomst of 't vertrek van een verheven persoonlijkheid. Eindelijk slaat één der kanten neer, een andere wordt opgeheven, de vier zonnige hoeken van den blinkenden mantel worden bijeengevoegd, en gelijk één dier met verstand bedeelde tafellakens[1], die in de feeënsprookjes door de lucht vliegen om een of anderen wensch te vervullen, richt hij zich, ten einde op nieuw de gewijde vertegenwoordigster van de toekomst te omgeven, in zijn geheel en reeds weer saamgevouwen naar de linde, den pereboom of den wilg, waarop de koningin zich zoo juist heeft neergelaten, als een gouden spijker, waaraan hij één voor één zijn muzikale golvingen bevestigt en waar hij zijn paarlkleurige stof, verlicht door die tallooze vleugeltjes, om heen rolt.

Eindelijk treed weder stilte in; al dat rumoer en die vreeselijke sluier, die scheen gemaakt van louter bedreigingen, louter woede, die oorverdoovende gouden hagel, die, maar steeds daar boven blijvende hangen, onophoudelijk weerklonk over alle voorwerpen in de rondte, dat alles wordt een oogenblik later omgezet in een grooten tros, onschadelijk en vreedzaam hangend aan een boomtak en gevormd door duizenden levende maar onbewegelijke besjes, die geduldig de terugkomst afwachten van de verkenners, welke er op uit zijn om een toevluchtsoord te zoeken.

[1] Waarschijnlijk een toespeling op het "Tafeltje dek u." VERT.

XXX.

Dit is de eerste pleisterplaats van den zwerm, die de "primaire zwerm" wordt genoemd, aan welks spits zich nog altijd de oude koningin bevindt. Gewoonlijk zet hij zich neer op een boom of struik in de onmiddellijke nabijheid van den korf, want de koningin, die zich bezwaard voelt door hare eieren en het daglicht niet weer heeft aanschouwd sedert hare paring of sedert het zwermen van het vorig jaar, durft zich nog niet in de ruimte te wagen en schijnt het gebruik harer vleugels verloren te hebben.

De ymker wacht tot de massa een dichte klomp is geworden, en dan gaat hij, met een grooten stroohoed op (want de kalmste bij trekt zonder feil haren angel, wanneer ze in de haren verward raakt, waar ze meent in een val gevangen te zijn) maar zonder masker en zonder sluier als hij eenige ervaring heeft, en nadat hij zijne bloote armen tot aan den elleboog in koud water heeft gedompeld, aan het overbrengen van den zwerm, door den tak, die dezen draagt, flink te schudden boven een omgekeerden korf. Zwaar valt de tros er in neer, als een rijpe vrucht. Of wel als de tak te sterk is, schept hij met een lepel wat van den hoop af en verspreidt die lepels vol levend goedje waar hij wil, precies alsof het koren was. Hij heeft niets te vreezen van de bijen, die om hem heen gonzen en in menigte zijn handen en gezicht bedekken. Hij luistert naar hun vreugdezang, die in 't geheel niet lijkt op het lied van hunnen toorn. Hij behoeft niet te duchten, dat de zwerm zich zal verdeelen, boos worden of ontvluchten. Ik zeide het reeds, op dien dag zijn de geheimzinnige arbeidsters bezield met een geest van feestelijkheid en goed vertrouwen, die door niets wordt verstoord. Ze hebben zich losgemaakt van de goederen, die zij te verdedigen hadden en kennen hun vijanden niet meer. Ze zijn onschadelijk krachtens dat gevoel van geluk, en ze zijn gelukkig zonder dat we weten waarom: ze vervullen de wet. Alle wezens kennen zulke oogenblikken van blind geluk, die de natuur voor hen heeft weggelegd, als ze haar doel wil bereiken. Laten we er niet verbaasd over zijn, dat de bijen er zich door laten beet nemen; wij zelven, die haar nu reeds zoo vele eeuwen waarnemen met behulp van hersenen, welke veel volmaakter zijn dan de hunne, wij zijn er ook nog dupe van en weten nog altijd niet of ze welwillend, onverschillig of laaghartig wreed is.

De zwerm blijft waar de koningin is neergevallen, en al was ze alleen in den korf gevallen, dan zouden toch alle bijen, zoodra ze hare aanwezigheid opmerkten, zich in lange zwarte rijen naar de moederlijke verblijfplaats begeven; terwijl de meesten daar haast mee maken, blijven er een massa andere een oogenblik voor den ingang der onbekende poorten staan en vormen daar in statige vreugde een kring, zooals zij gewoon zijn bij alle blijde gebeurtenissen te doen. Zij "slaan den roffel" zeggen de boeren. Onmiddellijk wordt het niet verwachte toevluchtsoord aanvaard en in zijn minste schuilhoeken doorzocht; zijn plaats in den bijenstand, zijn vorm en kleur worden verkend en in duizenden voorzichtige en trouwe geheugentjes weggelegd. De kenmerkende punten van de omgeving worden met zorg opgenomen, de nieuwe stad is gesticht en hare plaats opgeteekend in den geest en het hart van al hare bewoners; men hoort binnen hare muren den liefde-zang van de koninklijke presentie weerklinken en de arbeid begint.

XXXI.

Indien de mensch hem niet opvangt, eindigt de geschiedenis van den zwerm hier niet. Hij blijft aan den boom hangen tot aan de terugkomst der werkbijen, die dienst doen als gevleugelde verkenners of kwartiermeesters en die zich dadelijk bij het begin van het zwermen in alle richtingen hebben verspreid om een woonplaats op te zoeken. Een voor een komen ze terug en geven verslag van hunne zending, en daar het ons onmogelijk is de gedachten der bijen te doorgronden, moeten we het schouwspel, dat we bijwonen, wel op menschelijke wijze verklaren. Waarschijnlijk dan luistert men aandachtig naar hun verslag. Klaarblijkelijk hemelt de een een hollen boom op, een ander roemt de voortreffelijkheid van een spleet in een ouden muur, een holte in een grot of een verlaten kuil. 't Komt dikwijls voor, dat de vergadering tot den volgenden morgen overweegt en besluiteloos blijft. Eindelijk echter is de keuze gedaan en de overeenkomst gesloten. Op een gegeven oogenblik raakt de heele tros in beweging, wriemelt dooreen, maakt zich los van elkaar, verstrooit zich en de trillende wolk richt zich met een onstuimige en ongestoorde vlucht, die ditmaal geen hinderpalen meer kent, over heggen, korenvelden, vlasakkers, hooimijten, vijvers, dorpen en rivieren heen, in rechte lijn naar een vast en altijd ver verwijderd doel. Zelden kan de mensch hen bij dezen tweeden uittocht volgen. Ze keeren terug tot de natuur en wij raken het spoor van hunne verdere lotgevallen bijster.

DERDE BOEK.

DE STICHTING DER STAD.

I.

Laat ons liever eens zien wat de zwerm, dien de ymker in den korf heeft opgevangen, daarin uitvoert. En laten we dan allereerst een gedachte wijden aan het offer, dat er gebracht is door de vijftig duizend maagden, die naar het woord van Ronsard "een teeder hart in een klein lichaam omdragen", en nogmaals den moed bewonderen, die er toe vereischt wordt om een nieuw leven te beginnen in de woestijn, waarin ze zijn neergevallen. Ze vergeten dus de weelderige, prachtige stad, waarin ze geboren zijn, waar het leven zoo veilig voor hen was en zoo prachtig geregeld, waar het sap van alle bloemen, die een herinnering bewaren van de zon, hen kon doen lachen om de dreigementen des winters. Ze hebben er duizenden en duizenden kleintjes slapend in hun wieg achtergelaten, die ze niet zullen weerzien. Behalve den enormen voorraad aan was, voorwas en stuifmeel, die door hen was bijeengebracht, hebben ze meer dan honderdtwintig pond honing in den steek gelaten, dat wil zeggen twaalf maal het gewicht van het gansche volkje, bijna zes honderd duizend maal het gewicht van iedere bij, wat voor den mensch zou gelijkstaan met twee en veertig duizend vaten levensmiddelen, een gansche vloot van groote vaartuigen beladen met kostbaarder en volmaakter spijzen dan alle, die wij kennen; want de honing is voor de bijen een soort van vloeibaar leven, een soort van chyl, die onmiddellijk en bijna zonder verlies wordt geassimileerd.

Hier in de nieuwe woning vinden ze niets, geen druppel honig, geen enkele wastafel, geen kenmerkend teeken, geen steunpunt. Een troostelooze naaktheid als van een geweldig gebouw met niets dan een dak en muren. De ronde, gladde wanden houden niets dan schaduw in zich besloten en daarboven welft zich de monsterachtige koepel over het ledig. Doch de bij kent geen ijdel geklaag, in ieder geval blijft ze er niet bij stilstaan. Haar ijver, wel verre van te worden uitgedoofd door een beproeving, die ieder ander wezen den moed zou doen verliezen, is grooter dan ooit. Nauwelijks is de korf opgericht en op zijn plaats gezet, nauwelijks begint de wanorde door dien geweldigen val veroorzaakt eenigszins te bekomen, of men ziet in de verwarde menigte een duidelijk afgescheiden en geheel onverwachte indeeling tot stand komen, Het grootste deel der bijen begint als een leger, dat aan een duidelijk geformuleerd bevel gehoorzaamt, in dichte rijen langs de vertikale wanden te klimmen. Tot aan den koepel genaderd klampen de eerst aangekomenen zich met de nagels hunner voorpooten daaraan vast; zij, die daarna komen, haken zich vast aam de eersten en zoo voort, totdat er lange ketenen gevormd zijn, die als brug dienen voor de aldoor maar opstijgende menigte.

Langzamerhand als deze ketens tot in het oneindige zijn vermeerderd, versterkt en in elkaar vastgemaakt, worden ze tot guirlandes, die op hunne beurt onder het onafgebroken opklimmen van ontelbare bijen in een dik en driehoekig gordijn veranderen, of veeleer in een soort van stevigen, omgekeerden kegel, waarvan de punt aan den top van den koepel is vastgehecht en welks basis al breeder wordend afdaalt tot op de helft of twee derde van de totale hoogte van den korf. En dan, als de laatste bij die zich door een inwendige stem geroepen voelt deel uit te maken van dezen greep, het gordijn heeft bereikt, dat daar hangt in de duisternis, komt er een einde aan het opklimmen; langzamerhand komt alle beweging in den koepel tot rust, en de zonderlinge omgekeerde kegel wacht uren lang, onder een stilte, die men voor gewijd zou kunnen houden en in een onbewegelijkheid, die ons vrees zou kunnen aanjagen, op het wonder van de was.

De rest der bijen, dat wil zeggen alle die onder in den korf zijn gebleven, zijn, zonder zich te bekommeren om de vorming van het wonderbaar gordijn, tusschen welks plooien een heerlijke gave zal neerdalen, onderwijl bezig met onderzoeken van het gebouw, en slaan de hand aan allen noodzakelijken arbeid.