Het Kindeken Jezus in Vlaanderen
Part 4
Het dorp teekende er zich een wijle roos en wit tegen af. Een felle wind liep, laag over de aarde, het wolkendreigement vooruit, en stoof de sneeuw in wervelingen hoog de lucht in; de boomen piepten en bromden, het vale riet zuchtte en kreunde, en de lucht ruischte en zoefde als het kleed eener loopende vrouw; de wind rukte den mantel van Maria achteruit en klapperde in de slippen van Jozef's frak. Ze moesten naar asem scheppen en beiden gingen tegeneengedrumd tegen wind in. Het verre dorp stoof weg in de sneeuwvlaag, en daar de zon met wolken wierd bedekt, verkleurde het aanstuwende wolkgevaarte plotseling van louter loodgrijs tot fijn aschblauw, en men zag permentelijk de sneeuwmassa's uit de wolken woelen, lijk waaiende peerdestaarten, en, ineens omdwarrelden en omhulden dikke sneeuwlinten Jozef en Maria.
En ze wierden onzichtbaar in de vlakte lijk de boomen en het riet, en er was nu niets meer dan sneeuw en nog eens sneeuw, die voortjiepte op een zoevenden wind en het aangezicht der wereld omhulde.
Maar Jozef en Maria, leunend op den wind, boorden en wroetten zich door het luchtgeweld vooruit, want, wat zou er gebeuren, als Maria nu eens baren moest...
En niets ontziende stapten ze moeizaam voort over het dorre riet en de gladde bevroren plasjes; de sneeuw dikte zich van voren op hun lijf tot een dik pak.
"Ik word zoo moe!...." kloeg Maria, na lang geduld. "Ik ril, en mijn handen tintelen."
Jozef wierd somber; hij wilde rondzien over de streek om een schuilplaats te ontdekken, maar een handvol sneeuwvlokken kletste hem in de oogen.
"We zullen ondersneeuwen," zei Maria bevreesd. "Jozef, ik word zoo bang..." Ze drukte zich vaster tegen hem aan, en zocht zijn handen. Maar Jozef ging aldoor maar koppig vooruit, op den wilden boef, diep asemhalend van zenuwachtigheid, met trillende neusvleugels.
"Er moet hier toch een huis zijn!" mompelde hij wanhopig.
"Misschien verbrand," zei Maria.
De schrik sloeg in hun harte, gestadig als een oploopend water, en op Gods genade duwden ze zich vooruit door sneeuw en wind.
Doch plots liepen ze terecht op een enorm dikken, hoogen beukenboom, die, van onder, tot manshoogte was uitgehold.
"We zijn gered," zuchtte Jozef, en hij droeg Maria de holte in.
Een groote blijdschap spoelde in hun hart. Hier waren ze droog en uit den wind, en hier zouden ze gemakkelijk en gerust naar het einde van de sneeuwvlaag wachten. 't Was een groote ruimte in dien hollen boom, die waarschijnlijk nog als woonste had gediend voor een vroom eremijt, te zien aan geloovige spreuken in het hout gesneden, en aan krammen aan de wanden. Op een drie meters hoogte was een gat, waartegen langs buiten een rotte biekorf hing, die zeker als schouwpijp had gediend, toen de eenzaat hier bij winterweer een vuurken brandde. Er waren in het hout nog zwart verkoolde plekken als bewijs daarvoor.
Nu was de grond er vochtig, en er groeiden roodgevlekte paddestoelen.
Maria zette zich neer op Jozef's kist, en Jozef nevens haar; hij nam hare handekens, en voelende dat ze waren als klottekens ijs, bracht hij ze aan zijn mond, en verwarmde ze met zijn asem.
En de boom, de holle boom, bromde in den wind; 't was alsof er wondere wezens in de kruin zaten, en gilden of laag zongen als zatte vrouwlie.
Maar de vlaag minderde niet; nieuwe wolkenmassa's bleven van ginder aantiegen, en altijd maar versche sneeuw streek plat en dol over de landen heen.
En zoo kwam de vroege avond, zoodat ze hier vernachten moesten.
Met een hollen zucht ontstak Jozef een hoornen lantaren, hing zijn frak voor de holte, en zei, naast Maria zittend: "We zullen hier vernachten."
Maria knikte gelaten; ze was gerust, want ze zou niet moeten baren vannacht; en, rillend van kou, sloot ze zich vaster tegen Jozef aan, lei haar hoofd op zijn schouder, en moe en afgemat van 't vele gaan deed ze de oogen toe, en sliep kalm als een kind.
Jozef vroeg nog: "Wilt ge niet eerst wat eten, Maria?" Maar ze was al vast en diep in slaap, en hoorde het niet meer. Jozef zat in het bruine licht van de lantaarn te peinzen aan de trage moeilijke reis, hoe ze nu in den vreemde zou baren, hoe weinig geld er was, en wat een groot geluk het hadde kunnen zijn, als het kind in hun huizeken ware geboren bij een krakend vier.
Hoog boven hem ontwaarde hij drie vleermuizen die in hun winterslaap hongen, en nog hooger begon het geroep van een uil. Om de olie te sparen, draaide Jozef het licht uit, en toen begon hij te bidden.
Voor de dag in de lucht kwam waren ze reeds op weg. De sneeuw lag vast en dik op aarde, en het was een echt hondenwerk zich daar een wegel door te banen.
De morgen stond traag op uit zijn bed met een rood koud gelaat dat lang bloosde over de sneeuw, maar ten leste wierd de hemel van een dun groen-blauw koleurken met wolkskens die niet verroerden.
't Ging een schoone dag worden, een helder weer, maar doorhangen met een koude, die 't speeksel op de lippen deed bevriezen.
Vandaag was 't de opschrijving in heel het land, en wie te laat kwam wierd terdege gestraft; eens de dag om gingen de boeken toe en liet men u staan blinken.
Dat wisten Jozef en Maria maar al te wel, en daarom haastten zij zich dan ook zoo zeer, want met de sneeuwvlaag van gisteren was er veel schoonen tijd verloren gegaan en Bethlehem was nog ver, de sneeuw lag hoog, de koude neep en 't land begon te deinen en te golven. Maar er was hoop in hunne oogen omdat het eindelijk de laatste dag van hunnen reistocht was.
Doch wat te verwachten was kwam: "Ik ben moe," zuchtte Maria en zij zette zich neer op den rand van een steenen bruggesken, en met hoop vervuld stak Jozef naar een aanbellende slede zijn mispelaar omhoog, maar volgepropt met lachende blozende kinderen en een dikke vader en moeder, reed ze snel voorbij. "Er is geen plaats meer!" riep de pachter hun goedig toe.
Jozef liet zijn arm hangen.
"Kom," zei hij na langen tijd, "we zullen maar langs de binnenwegen gaan, 't is veel korter. Heb moed, het is de laatste dag, en dat God ons zal helpen dat ligt mij zoo in lijk ik weet niet wat. Wacht, doe mijne wanten aan, dan krijgen uwe handjes geen kou."
En zij gingen langs de binnenwegen.
Verre dorpen die op zachte, witte heuvels zaten, gaven de weerklank van muziek, en er was vreugde over de landen spijts de droeve, beroerde tijden.
Zij moesten een steilen heuvel op, Jozef trok Maria achter zich aan, en zij gingen langzaam en hijgden fel.
En als zij eindelijk boven kwam schoot Maria in snikken los, en uitgeput zei ze: "Jozef... beste Jozef.... ik kan niet meer," en zij zakte op heur knieën neer in de sneeuw, en weende in heur magere handen.
Jozef schudde het hoofd en moest zich op de lippen bijten van vertwijfeling die opkwam. Hij verkende de streek niet meer, en stond op verkeerde wegen.
Was het nu door al die sneeuw en al dit wit. Hij kon er geen kop aan krijgen.... Was er dan zoo niemand in heel de wereld, die een handeken wilde uitsteken om hunnen nijpenden nood te lenigen? Waren zij dan van God en van de menschen verstooten? Neen, het was niet mogelijk! Jozef kon het uit zijn vroom gedacht niet wegcijferen, dat er ievers iets bereid was hen geren te helpen. Maar waar zat het?
En in zijn groot Godsbetrouwen zag hij zoekend over het land. Onder hen, tusschen twee heuvels, stond een bosch, hij zag over de kruinen heen, en op den anderen heuvel nevens een stilstaande molen, blankte een proper molenaarshuizeken met smorende schouw.
Over Jozef kwam een kinderlijke blijdschap. Daar woonden menschen, die menschen moesten hen helpen.
"Maria," zei Jozef opgebeurd, "wacht hier wat, ginder staat een huis, en daar ga ik hulp vragen. Ik kom seffens terug, zet u wat op het kofferken," en als Maria neergezeten was, en hij daarbij nog zijn sjerp rond haar hals had gewikkeld, daalde hij in den bosch.
Het was er koud en stil, en een roode vos met een vogel in den snuit sloop achter struikgewas.
Maria kon Jozef lang van daarboven nazien, en als hij ginder omhoog was, en het bosch weêrom in de diepte lag, zag hij om, en zwaaide met zijn stok naar Maria, die op den anderen heuvel in haren blauwen mantel een klein stipje was in de sneeuw.
Toen ging hij recht naar het muldershuis, maar alvorens hij kon kloppen, deed een klein, grijs vinnig ventje de deur open, en vroeg naar Maria wijzend: "Eh man is dat ginder uwe vrouw?"
Jozef vertelde hem zijn droeve reis en de toestand van Maria. De grijze, witbestoven mulder klopte zijn baardbranderken uit, en zei met zingende stem: "Ten eerste, beste vriend, ben je rats een verkeerden weg ingeslagen, 't is ten zuiden dat Bethlehem ligt, ginder, en nu moet ge terug naar de groote baan, en ten tweede zal het u verwonderen, dat ik hier nog ben, wijl iedereen naar de optelling is, maar ik ben Hollander, en sta niet onder de wetten van uw koning. God zij geloofd! Maar geren zal ik u helpen! Zie, ik heb in mijn stal nog een ezeltje staan, dat zoo goed zal zijn uwe vrouw naar Bethlehem te dragen, en als ge weer komt, en dat zou lang kunnen duren, daar naar uw zeggen, de bevalling uwer vrouw aanstaande is, en als ge weerkomt, zeg ik, dan geeft ge hem mij terug. Ik heb tijd en ik kan wachten. Roep nu uwe vrouw, en kom binnen." De vreugde en dankbaarheid rolde in gebroken woorden van Jozef's lippen, en hij schudde de warme hand van den goeden mulder. En nadat Jozef Maria had gehaald en nadat ze zich gewarmd hadden bij de Mechelse stoof, en een borreltje franschen hadden gedronken (Maria een kommeken heete koffie) haalde de mulder den ezel uit den stal. Het dom-goede dier liet Maria op zijn rug zetten, en nadat Jozef en Maria den mulder nog herhaaldelijk hadden bedankt en begroet, trokken zij den heuvel af.
"Altijd recht vooruit! en dan de groote baan!" riep het ventje hun nog toe. "Ge kunt niet missen. Goede reis en den Baas van hierboven met u!"
De ezel was gewillig, en trippelde heuvel af en heuvel op, en Jozef liep er voren met een lach in zijn rood gelaat.
"Ziet ge wel, Maria, dat ik het geraden heb!" zei hij fier, en Maria van op haar ezeltje knikte hem dankend toe.
En tegen drie uur, als de zon glansloos, zwaargeel, in een mauven nevel achter de boomen zakte, zagen zij ginder in den heuvelkom, diep in het dal, het kleine Bethlehem in sneeuw, en hoorden zij muziek en gezang.
"Wij zijn er!" juichte Jozef.
"Vandaag zal ik baren," zei Maria.
Tegeneengeplakt, wroetend en dringend met knieën en ellebogen, stonden de menschen op de trappen van het grijs gemeentehuizeken waar men ook bier en hesp verkocht. De opschrijving ging traag vooruit, en er was soms gemor en gemompel dat ineens stil viel als er een soldenier zijn hoofd door 't venster stak.
Jozef en Maria bleven, geduldig als zij waren, opzij staan wachten tot het volk minderde, en warmden ondertusschen hunne handen boven een flakkerend vuurken, waarrond nog andere lieden die over de roerige tijden spraken.
De ezel, aan een knotwilg bij den houten bronput vastgebonden, zocht onder sneeuw naar mos en groen, en kiekens en musschen pikten in hetgene hij laten vallen had.
Terwijl Maria en Jozef luisterden, zagen ze met leede oogen naar het gewoel der menigte die kleurig vlekte tegen de witte sneeuw. Het was een bonte wemeling van Zondagskleeren, heldere indische sjaals van verschillige verven, en frakken en broeken van allerlei snee en maat.
Er was gedrang rond de blauwe smoutebollen en warmerekkraamkens, die aan de kerk en aan den berg van de windmolen hunnen lauwen geur verspreidden, en in de stampvolle boerenhutten ter gelegenheid in herbergen herschapen, ging er gezang en getier. Het verkeer was boven een ieders verwachting, en nog altijd toe kwamen er sleden met tonnen bier en eetwaren de heuvelen afgereden. Men kon er uit opmaken dat Bethleëm de wieg was van veel geslachten, en vroeger een gemeente van aanzien moest geweest zijn, maar door vernielende oorlogen van Spanjaard en Fransoos, geworden was een vlek van geener weerde. Het in puin liggend kasteel bezijds de dorpskom getuigde daarvan.
Maar daar zwijmelden dringende zatlappen arm aan arm over het plein, achtervolgd van jonge snaken die hen behendig met sneeuwballen wisten te treffen. Toen er per abuis een sneeuwbal in een der ruiten van het gemeentehuizeken vloog stoven de jong uiteen lijk de musschen, en was er in de wachtende menigte op de trap een aangenaam gelach met een hevig gedrang.
Omtrent Maria zat een ruige bedelaar met vele schapulieren om, toonde een naakt verwrongen been en rammelde een luide litanie van jeremiaden uit.
Wat verder tegen een boom stond een blinde, en aan de poorten der kerk, waar het volk in en uit stroomde, zaten de bedelaars en gebrekkelijken bijeengekoekt met scheeve smoelen en uitgestoken handen.
Voor de jeugd waren er hobbelewitjesmolekens, een Janklaassenspel en een paardjesmolen, een eenarmige vent draaide, om den rit wat op te vroolijken, op een orgeltje, maar altijd ring aaneen hetzelfde liedje:
"Keere weerom reuzke, reuzke Keere weerom Reuzegom!"
En er was een wijfken dat met toeë oogen riep: "nog altijd drij appelsine voor vijf cente," en er waren mannen aan de tafeltjes van anker, zon en maan, en bewonderende gezichten bij een dansenden beer, een steltenlooper en andere konstenmakers. Maar het meeste volk stond getroppeld rond een liedjeszanger, die met een doedelzakspeler aan zijn zijde, de moord op den pastoor van Nijlen bezong, en met een stok, op een door hem zelf geschilderd doek, bloed en moordenaren wees--tot ineens al het volk wegliep naar "het Pruimken", waaruit twee vechters kwamen buitengetuimeld, en tot veler genoegen en vrouwenschrik malkander blauwe oogen en bloedende neuzen sloegen.
Soldeniers te paard maakten er een eind aan, en opnieuw begon het orgeltje te draaien, het wijfken te roepen en de bedelaars te klagen. Maar de avond die aschgrauw neerkwam ontstak de lampen in de herbergen, kraaien vlogen krassend rond den kapotten toren van 't kasteel, een ster pinkelde in de donkere lucht, en vóór 't gemeentehuis wierd er een fakkel aangestoken, die ros licht verspreidde, en lange schaduwen aan de menschen voegde. De janklaassenspeler rolde zijn matten op, de paardjesmolen ook, en het volk trok over de heuvelen huiswaarts, maar de liedjeszanger bleef in smokend fakkellicht zijn stem verkoopen, en de hooge boomen waarrond paarden en sleden stonden, droegen geheimzinnig de dansende klaarten in hunne besneeuwde takken.
Het lof was uit, en de parochiepaap, een boom van een vent, die zich naar zijne woning spoedde met twee bruine paters, knikte vriendelijk naar Maria als een goede oude kennis.
Toen begon het volk aan 't gemeentehuis te minderen. Het vuurken was al lang uitgedoofd, en Jozef en Maria stonden er nog alleen. Zij gingen ook de trappen op, en na een oud ventje dat zijn naam niet schrijven kon, en daarom een kruisken zette, waren Jozef en Maria de laatsten.
Een vleezige, in pelsen gewikkeld klerk met een stoop bier voor zich, wreef voldaan in zijn vette pollekens omdat het werk nu eindelijk afgeloopen was; hij kwam daardoor in goed humeur, en nu zou hij ook eens zijn pintje op zijn zeven gemakken kunnen genieten in "De Duif." Als Jozef zijn papieren toonde, en de klerk zag dat beiden voortstamden uit het edel geslacht van David stond hij verbluft, fleemde en vleide hen, en wierp met klottekens om wat te krijgen, maar als hij zag dat zij de handen in den zak hielden, en hij geware wierd dat het povere lieden waren, wist hij tegen een anderen klerk, een Jodenneus, een schuine aardigheid te zeggen op de zwangerschap van Maria.
Als Jozef geteekend had, namen ze den ezel en gingen op zoek voor slapen. Zij gingen eerst naar de afspanning "De Gulden Kemel", men had het hun aangeraden en 't was er goedkoop. Maar een boerenpummel met een groote pruim in den mond, hield den ingang versperd en zei: "Niemand mag er nog in, 't is allemaal vol lijk een benneken haring, de zolder en de kelders," en venijnig voegde hij er bij: "Daar hebt ge toch geen geld genoeg voor bij, ga maar naar "De Drie Gapers", daar is toch niemand, terwille van de beestjes."
Als zij maar slapen hadden, dan was het goed genoeg, want Jozef hoorde bezorgd hoe Maria hijgde en kreunde, en raadde dat de bevalling heel nabij was. In "De Drie Gapers" zag men bijna niet van de pijpesmoor, en terwijl Maria buiten met den ezel wachtte, schoof Jozef zich tusschen de zuipende, tierende verteerders. Als hij vroeg aan een verlepte bazin, die met zware bierpotten uit den kelder kwam, of er geen beddeke meer over was voor een vrouw, die alle minuten baren kon, schoot ze barsch uit of men wel peinsde dat het bij haar een ziekenhuis was. "Ga naar "De Gulden Kemel", daar leggen ze wel honden in bed!" en zij liep weg en liet Jozef daar verbouwereerd staan kijken.
In een andere herberg, die men noemde "In De Paradijsappel", zaten meisjes van plezier met soldeniers en slechte lieden, vuile liedjes te zingen, en toen zij in de geopende deur, achter Jozef, de barensreede Maria zagen, riepen zij leelijke dingen, zoodat Jozef zonder iets te vragen buitenging.
En zij doolden herberg in, herberg uit; zij vroegen wat simpel slapen bij nederige lieden, burger en overheid, maar overal wist men hun vriendelijk of onverschillig te zeggen dat alle plaats genomen was.
Groot wierd hun beider verdriet, hun angst en hun bezorgdheid. Moest haar kindeken, dat haar zoo heerlijk was aangekondigd, dan in de sneeuw en onder den blooten hemel geboren worden?
Ach! al hare hoop, als de maand Mei zoo blank en belovend, als een Paaschdag zoo jong, waaide weg door de slechtheid en de onverschilligheid der menschen. En ze bad zoo innig en weggetrokken tot den engel, die het haar was komen zeggen, dat hij nu ook voor haar kindeken een plaatsken zou willen zoeken.
Het kermisvolk in fakkelschijn wierd rumoerig en uitgelaten, en het laag plezier vergrootte in de duisternis.
Eene hoop bleef hun nog over: de parochiepaap, die haar daarstraks zoo vriendelijk had toegeknikt. Zijn huis stond achter een hofken van scheeve appelaren, en na geklopt te hebben, kwam er een smalle maarte met een wipneuzengezicht en een brandende kaars in de hand, voor het judas-vensterken. Met loerende oogen aanhoorde ze de vraag van Jozef en ging toen den pastoor roepen. De groote vent deed de deur vertrouwelijk open, blies wat rook uit zijn Hollandsche pijp, en gaf hun goedig te verstaan dat er absoluut geen plaats was, dat hij hen anders geren uit den nood zou helpen. "Filmene," gebood hij de meid, "geef hun elk een dikke boterham." Hij wenschte hun nog een goeden avond en gelukkigen afloop, en ging toen weg. Jozef had den moed niet de aalmoes te weigeren, en de meid stopte hun elk een dun boterhammeken, waar de boter op gepeinsd was, in de hand.
"Kom," zei Jozef daarna langmoedig, "laat ons naar de puinen van 't kasteel gaan, daar zal wel een plaatsken zijn, als wij maar onder dak zitten, ik zal er een vuurken maken, er is toch niets anders aan te doen...."
Maar in 't kasteel zaten de bedelaars, blinden en gebrekkelijken bij een olielicht bier en brandewijn te drinken, en die met zijn verwrongen been en schapulieren, danste luchtig op 't muziek van een klarinet.
En buiten gekomen zagen ze smeekend naar de sterren in de lucht.
Maar een kind dat daar voorbijkwam met een houten emmer aan den arm, zag dat, en omdat de menschen hen verlieten en wegstootten, en Jozef toch geen moed verloor, vroeg hij tot het mager meisken dat even poover was als zij, maar toch dom lachte onder haren witten hoofddoek: "Manneken weet gij geen plaatsken waar wij zouden kunnen slapen? Al was het maar een voorschoot groot. Deze vrouw is ziek en...."
"Ja ik," zei het kind, "ginder over het water is een verlaten stalleken, waar bieënkorven staan, het is er droog en er is warm hooi. Kom, ik zal 't u wijzen." Het kind ging voorop en Jozef en Maria volgden met den ezel. Zij gingen over het bevrozen water en ver het veld in, waar ze in het licht van de lantaren een ineengezonken leemen stalleken vonden, diep verdoken in de sneeuw.
Jozef bedankte het kind, dat hen dom goed bleef aanzien met lachende oogen, en dan ineens op een loopken naar het dorp toe verdween. Zij gingen het stalleken binnen en vonden er twaalf bieënkorven staan, wat hooi op de schelft en stroo op den grond, en tegen den muur verbruikt gerief als een manke kribbe, een stukken ploeg, kuipen, leege zakken, een molensteen enz., en waar vroeger drie koeien hadden gestaan lag nu rijsthout en dorre bladeren.
't Rook er dof en gesloten, en groote spinnen kropen verschrikt uit den schijn van de lantaarn.
"Hier zal het dus gebeuren," zei Maria mismoedig, en toch blij omdat heur kind nu een dak zou hebben en warm liggen in 't hooi.
"'t Is God zelf die het zoo wil," zei Jozef, en hij hing de lantaren aan den balk, maakte een bed van hooi en droge bladeren, en stopte de windgaten met leege zakken. Maar door de gaten van het dak bleven de sterren naar binnen zien.
"Hoe is 't nu?" vroeg Jozef gespannen tot Maria, als zij neergezeten was in de malschheid van het hooi, waarvan de ezel gulzig zijn bekomsten nam. Zij nam zijn hand, bezag hem liefdevol met hare schoone oogen, die groot waren in heur mager gezicht, want al hare hoop waste weer op; hare armoe en de moeielijke reis, en de onverschilligheid der menschen was vergeten. Zij voelde maar alleen weer het angstig geluk van moeder te worden, en al het andere was ver van haar; ze zou nu eindelijk haar kind gaan zien, haar eigen vleesch en bloed; 't zou nu eindelijk het hare worden, alleen het hare. En zij dankte Jozef omdat hij zoo goed en vol betrouwen was geweest, en haar zoo liefderijk had geholpen, met het eene woord van "Beste Jozef". Een zoete moeheid deed haar slapen.
Heur wasbleek hoofdeken dat op zijn knieën rustte, bestreelde hij met zijn handen, en hij was innig geroerd om de liefde van Maria, en zenuwachtig om de groote stonde die nakende was.
En buiten in den vrede van sneeuw, onder de heiligheid der sterren, lag het dorp waar in den rooden gloed der fakkels de zonde woelde, en ginder, als nog nooit gezien, ver over de slapende heuvelen en de rustige hemelen, laag aan de nachtelijke lucht, stond groot en als levend zilver, in al zijne zuiverheid de eerste sikkel van de rijpende maan.
KERSTMIS.
Als iedereen en alles sliep, en al de dingen in de nachtelijke stilte waren, als alleen de sterren werkten, hoog en helder boven de aarde in sneeuw, zaten er arme herders bij een knapperend vuur, op een der heuvelen hunne kudde te hoeden.
De vele schapen lagen rustig en warm bijeengewold onder het gezaalrugde, strooien dak, dat langs alle kanten open was, en op alle windgaten de lichten van den nacht vertoonde.
Een paar koeien zaten met domme oogen naar niets te zien, wat verder beuzelde een witte os, en een grijs melkgeitje deed alsof het sliep.
Van de herders die de waak hadden, terwijl de anderen de rust genoten tusschen de vettige, wollen schapenlijven, zaten er vier nevens het vuur, bij een pot bier met de kaarten "scherpenheuvel" te spelen; elkendeen die won, mocht een slok van den lekkeren oudenaerdsch genieten.
Tegen een stijl van 't afdak, stond de oude rechte Bienus tot over d'ooren in zijn driemanteligen frak van geitenvellen gewikkeld, naarstig als een vrouw, met houten priemen een saaien kous te breien. Op de schelft, in de duisternis zat er een te droomen op zijn viool. Verder was het goed en stil onder die eenvoudige menschen, die roken naar mest en aarde, die dag in, dag uit met hunne beesten leefden, en vergroeid waren van lijf en ziel, naar de rustige stilte der velden en de oneindigheid der hemelen.
Het vuur dat nevens hen kraakte en blijdzaam onderhouden wierd door een graatmager jongsken, (een kind op hunne tochten achter een houtmijt gevonden) lei een warme, vriendelijke klaarte op hun ruige, ongeschoren boerenwezens, maar wierp spokige schaduwen op de sneeuw, als hun arm omhoog ging om een troef in 't spel te slagen. De twee zwarte schepershonden genoten mee van 't vuur en krochten van geneuchte.