Het Kindeken Jezus in Vlaanderen

Part 3

Chapter 34,121 wordsPublic domain

Ze knikte eens allen vriendelijk toe, sloot dan de oogen en begon knielend op haar stoel te bidden.

Maar pas had ieder zich neergezet, en nog geen tijd gehad om zijn kerkboek te nemen, of de sacristijdeur wierd geniepig op een kier gezet en de dunne kosteresse kwam er eens door loeren, snoot eens haar neusje, en ging dan met open hand naar de lieden om een cent.

't Was een mager pinnekennauw met feemachtig, wasbleek, scheef koppeken en smalle schoudertjes. Als zij van allemaal het stoelgeld had ontvangen, en gezien dat ze niemand overgeslagen had, ging ze tot Jozef en zei van nog te wachten daar de pastoor een zieke was gaan bezoeken.

De twee muzikanten waren ook eens komen zien, maar als zij het venijnig kosteresken zagen naderen om een cent, slenterden ze buiten en gingen liever in een herberg een pint gersten drinken.

In afwachting zaten de menschen te bidden, naar schrale kerksieraden te zien, of de vergane opschriften der blauwe plaveien te ontcijferen waaronder menschen lagen begraven.

Eene deur wierd hevig toegeslagen dat heel de kapel er van galmde, en achter den altaar kwam er een misdienaar te voorschijn, met rooden rok, wit koorhemd en witte kousen aan. Hij hield een langen stok vast waaraan een brandend wieksken, waarmede hij de twee lange, rilde kaarsen aanstak, die in koperen kandelaars op den altaar stonden.

De kleine misdienaar moest zich rekken om er aan te kunnen, en dan schoof zijn roode rok omhoog, en waren twee heel scheeve beenen zichtbaar.

Iemand van de familieden schoot achter zijn zakdoek in een lach. Als er op elken wassen stengel een vlammeken bloemde, knielde de misdiener met de gauwte en spoedde zich haastig weg in de sacristij waarvan de deur terug openviel.

En nu liet het schrale licht der twee keersen vergulde krollen van den altaar zien, engelenkoppekens en eene onduidelijke schilderij.

De pastoor ging nu weldra komen, en de lieden staken hunne koppen bezijds om in de sacristij te kunnen zien. Maar in de lange witte gang zagen zij niemand dan het kosteresken dat onder een groen processievlag haar geld aan 't tellen was.

Alleen Zachaar bleef bewonderend het orgeltje bezien, en bestreek, zonder te duwen, de uitgesleten toetsen; het jeukte hem in de vingers om het te bespelen, want sedert zijn kind Janneken was geboren was hem plotseling de spraak en het gehoor teruggegeven; en de schoone muziek had hij negen maanden moeten derven.

Wat was die tijd droef geweest! Een doove hoort niet, en dan baatte het immers niets de schoone kantieken die in zijn hoofd wemelden op het klavier te leggen. Maar nu hij weer hoorde! wat had hij sedert dien niet in de kerk zijn hart opgehaald, tot laat in den avond als de zon al lang weg was en de maan op zijn vingeren scheen.

En nu stond daar voor hem dit lenig orgeltje, 't zag er zoo fijn en heerlijk uit, wat een teeder zieltje moest het niet bezitten, en er was geen trapper noodig om het asem te geven, daar de blaasbalgen met de voeten werkten.

Mocht hij daar nu eens op spelen, nu zijn hart barstte van muziek, nu zijne nicht, zijne van God begenadigde nicht het huwelijk intrad met Jozef zijnen vriend!

Mocht hij het nu eens uit jubelen, en al de vreugde van zijn wondere genezing en al de dankbaarheid om de kunstige mirakelen die hem en zijne familie gegeven waren!

Maar een belgerinkel joeg hem uit zijn bezieling, en de pastoor en de misdienaar kwamen uit de sacristij.

De kosteresse wenkte Jozef. Hij wekte Maria op uit haar gebed, en beiden gingen naar den altaar, gevolgd van twee getuigen; de petere van Maria die een manke herder was, en de kozijn van Jozef die het beroep van mandenmaker deed.

Jozef en Maria knielden vóór den bleeken pastoor, die nam het witte handeken van Maria, lei het in de groote, bruine hand van Jozef, en zegende hen in den naam van den Hemel en van God.

En toen wierd ineens de kapel gevuld met een zwellende muziek, die van de engelen scheen te komen. 't Was Zachaar die zijn vreugde niet in zich kon houden, en in begeestering zijn handen op het klavier had gelegd, en het weelderig hart der orgel opende.

't Was een stijgende zang van geluk, smiltend van extase en geloof, meeslepend en vertederend. En het steeg en het zwol altijd maar schooner en schooner tot het ineens losbrak in een geestdriftig gejuich te sterk voor een mensch en gebroken viel Zachaar met het hoofd op het klavier; hij had alles gegeven wat zijn ziel bezat. En allen die daar waren stonden verbaasd en vol bewondering, als met hunne ziel in den Hemel.

Maar toen verroerde zich, achter de pilaar, het zwart gemanteld vrouwken; het rechtte zich op en het strompelde, steunend op een stoksken, naar het huwelijkspaar. Als 't daar gekomen was meende het wat te zeggen tot Maria, maar het kon niet, het greep Maria's handeken, kuste het al bevende, en eindelijk na veel moeite kwam het er stotterend uit: "Nu heeft... God mijne zonden vergeven... nu kan ik gerust sterven..." En weer strompelde het terug achter de pilaar, waar het ineengedoken zitten bleef.

Maria was er danig van ontroerd, en haar hoofdeken viel op Jozefs breede schouders.

Maar een der muzikanten was komen zien, zag dat de plechtigheid afgeloopen was, en daarbuiten klonk opnieuw de vedel en de rommelpot.

"Kom, Maria, kom," zei Jozef, die op zijn lippen moest bijten om de tranen in zijn oogen te houden, want het oude hart van dezen man brak bijna onder het groote voorrecht, Maria aan zijn borst te voelen weenen... En zij gingen buiten, arm aan arm, gevolgd van de anderen.

De instrumenten die een lustig deuntjen afgaven, brachten de familie in een feestelijke stemming, en opgewekt, paarsgewijze, ging de stoet door den vuilen mist onder de hooge muren der gothieke kerk.

't Was aardig om te zien al die kleuren hunner bonte kleeren, die maar eens per jaar uit de kas kwamen.

't Waren helle pompadouren sjaals; koffiebruine, gele, zwarte en purpele zijden vrouwenkleeren en hagelwitte kanten mutsen; olijfgroene en gewafelde manskleeren en witte verpluisde hooge hoeden.

't Was een feestelijke noot in den grijzen mistigen morgen.

Mosselventen en kolenleurders hielden hun karren stil, en de menschen kwamen uit de huizen en uit de straatjes geloopen om de stoet te hooren en te zien, en zoo als altijd liepen er vele kinderen, dansend hand aan hand vóór de muzikanten.

Maar zie! op heel den weg dien ze begingen, lagen late witte zomerrozen kwistig uitgespreid, lijk het gebeurt als koningen hunne blijde inkomst in de steden doen.

Wie had die daar gelegd? Niemand had het gezien door den dikken mist, niemand wist er wat over te vertellen, maar ze lagen er, en menigeen die er een bloem van opraapte moest bekennen dat het waarachtig verschgeplukte waren, met al hun fijnen geur, en nog nat van de dauwdroppelen.

Niemand wist het, en ook zag niemand de hooge, reine vreugde van Jozef, die met Maria aan zijn arm rijker was dan een koning, door voortaan zijn bruid te kunnen dienen en onder den asem van Maria te mogen leven.

En de stoet ging tusschen een haag van menschen straat in, straat uit, tot hij verdween in de poort van de oude afspanning "De Zoeten Inval".

Daar gingen ze de bruiloft, volgens oude manieren, met goeden sier doormaken, en reeds hong in de smoorlucht de smakelijke reuk van ajuinsoep, gestoofd konijn en andere lekkere beetjes.

DE OPSCHRIJVING TE BETHLEHEM.

Onder een bleeke wasgele lucht lag de wereld stil in sneeuw. Dik lag de sneeuw op de kap van den houten molen, die boven op de wallen zijn trage wieken keerde; en het ingezakte leemen hutteken, van onder tegen de walhelling, zat er diep en verdoken, lijk een kieksken in de pluimen van zijn moeder.

Ginder lag het stedeken rustig en vredig onder zijn witte daken, en achter de hooge wallen, waar de velden waren, stippelden wemelende schaatsenrijders op de bevrozen wateren van de Nethe en de overstroomde beemden; er kwam blij geluid vandaan en smoutebollenreuk. 't Was op een Donderdagnamiddag, zoodat er veel kinderen waren, die op baantjes slibberden of zich in ijsstoelen amuseerden.

En menig schaatsenrijder, die met zijn lief naar de Begijnenbeemden liep, en achter het opzijgetrokken gordijntje, tusschen gulden winterflieren, het fijne bleeke hoofd van Maria ontwaarde, voelde medelijden met haar, die te schoon was en in zoo'n rooversholleken baren moest...

In blijde angstige verwachting, waaroverheen zich weefde met het vallen van den avond een onbestemd verdriet, zat Maria een hemdeken te maken voor het kind dat ging geboren worden.

En terwijl ze een zoomken lei in 't van stessel nog stijve linnen, luisterde ze naar een regelmatigen bijlslag en kraken van hout; dat was Jozef die hout kapte in het achterkot. De geluiden vielen vredig in de stilte. Maar ineens schoot er iets naar haar keel, en ze had kunnen weenen omdat ze zoo hulpeloos tegenover het aanstaande geluk harer bevalling stond. En ze dacht aan Jozef, hoe hij achter zijn goedige woorden een zwaren kommer verborgen hield.--Eenige dagen na hun huwelijk waren ze uit het dorp op den heuvel vertrokken, omdat er nood was in het land, en er geen werk kwam. Jozef meende het in de stad beter te treffen, maar zijn gerief lag in de werkplaats bestoft, en het kantkussen stond ievers te vermemelen in een hoek. Nu kapte hij maar hout, daar hij met ledige handen geen verblijf wist.

En Maria wierd bang om het kindeke dat zijn armkens ging uitsteken om te leven, en tusschen de wapperingen van haar geluk voelde ze als een vrouw, als een moeder, het mysterie van den tijd: hoe de eene dag achter den andere zat, en achter dien weer een andere, en zoo altijd voort tot in der eeuwigheid. En, in die eindeloosheid van tijdruimte, voelde ze zich ineens zoo klein en onzichtbaar worden, dat ze bijna om hulp had kunnen roepen.

Daarbij, en dat onderging ze als ieder sterfelijk hert, was het in die dagen ellendig te leven. De armoede was groot, de patatten waren tegengeslagen, en op straat, in de herbergen, en op de boter- en vischmijn, overal, hoorde men van niets anders spreken dan van een grooten oorlog, die over het land ging komen en alles kort en klein ging slaan. Nachten achtereen had er een enorme staartster in den hemel gestaan. Ouden van jaren, geleerden en profeten, zeiden daaruit verschrikkelijke voorspellingen, die de menschen deden rillen op hun beenen. Het volk was angstig, er waren groote gebeurtenissen op til, waar men na honderdduizend jaar nog zou over klappen.

De woekeraars, joden en kruidenieren, en de boeren niet minder, vonden in heel dien harrewar een kolfken naar hun hand, en verkochten hunne waren aan schandaligen prijs, zoodat er menige kater den stoofpot inging, en velen reeds spraken van beenhouwer in ratten te worden.

Tot overmaat van ongeluk regeerde er toen over Vlaanderen een booze koning, die zooals altijd, een vreemde was. Herodes heette hij; zijn hart was nog zwarter dan inkt, hij zoog en perste het volk uit, liet zijne soldeniers maar brassen en tempeesten, rooven en plunderen, en wie daar wat hardop over nadacht, wierd gestraft met klein vuur tot de dood er op volgde, terwijl hij zelf, de tiran, waggelde van het vet, en alle dagen zat was als een zwijn. Ach! wat ging er allemaal niet gebeuren; wat zat daarachter niet te loeren en te dreigen!

Stil viel de naald, en hare groote kinderoogen zagen bekommerd de onmeetbare geweldige toekomst in. Een grijze sluier weefde zich rond de gulden blijdschap van haar hart.

Maar daar kwam, in zijn handen blazend, Jozef binnen. Toen hij zijn stille vrouw bemerkte, glimlachte hij. Hij ging naar den haard, koterde het smeulend vuurken uit de assche op, en terwijl hij, neergezeten op een boomstronk, zijn handen warmde en naar de vlammen lachte, vertelde hij, over het weer, en dat hij nog nooit zooveel wilde zwanen in de lucht had zien wegtrekken.

Maar Maria hoorde het niet, en als er, na Jozef's vraag: "Willen we maar koffie drinken?" stilte bleef, zag hij toen maar hoe Maria ver voor zich uitstaarde en Jozef niet gewaar wierd.

Verwonderd naderde hij haar, lei zijn zware hand op haar schoudertje en vroeg pijnlijk: "Maria, wat beroert u 't hart?"

Maria verschoot even, zag hem hopeloos aan, en zei, in een zucht, heel openhartig: "Ik heb verdriet."

"Verdriet?" herhaalde Jozef, en hij rilde van verbazing: "Hebt gij verdriet? Maar hoe kunt gij verdriet hebben?"

"Ach, Jozef, 'k weet het niet," en haar handekens zochten de zijne. "Wat zou een arm jong meisje als ik ook weten. Ik voel me kalm als olie; maar als ik bedenk, dat het kindeken zoo klein zal zijn, zoo heel, héél klein, dat het zal schreeuwen, en zijn armkens uitsteken, dat het daar naakt zal liggen en kou hebben, en dat ik niet zal weten wat ik moet doen, om het te doen zwijgen, en te laten leven,--o, dan wordt het donker in mij, dan voel ik me zoo klein en nietig, zoo jong en onervaren.... O Jozef! als ik maar van dit kindeken goed de moeder kan zijn; ik ben zoo bang. Ik weet het niet, ik versta het niet, waarom men aan zoo'n broos schelpken den last gegeven heeft zulken hoogen vrucht te dragen....

Ik smilt van geluk het te mogen doen, maar nu de tijd nadert, beef ik bij 't gedacht dat ik het niet zal kunnen.... Ik weet toch zoo weinig, zóó weinig...." En tranen blonken in haar oogen.

Maar Jozef liet het niet koud worden, begon in haar handekens te kloppen en troostte gemoedelijk: "Kom kom, ge maakt verdriet om een ijlen niet. Mijn moeder zaliger zei altijd: moeder-zijn moet men niet leeren. En al zijn de tijden beroerd, al is er geen werk in mijn handen, ik en beve voor de komende dagen niet. Als de hemel wil dat dit kindeke bij ons komt, dan zal er de hemel voor zorgen. Daarbij, binnen enkele dagen ga ik naar nicht Elizabeth zeggen dat de tijd daar is; ik zal ze meebrengen, en zij zal u hebben lijk een goede moeder. Kou zal het kind niet hebben, want de zolder ligt vol droog hout, we hebben patatten, en savooien in ons hofken; ons geitje geeft alle dagen melk; en voor de bevalling moogt ge niet schrikken; ge hebt tot hiertoe uw vrucht met gemak en zonder last gedragen, en dat belooft. De wieg staat achter klaar, en van wat oude doeken, zullen we tamelijke windsellappen kunnen maken.... En"--hier schudde Jozef zegevierend met zijn vinger,--"ge weet toch wie het kindeken zal zijn, niet-waar, dat te naaste week dit hutteken met zijn klein wezentje zal verheugen?"

En toen kleerde stilaan weer op het gelaat van Maria. Als luisterend aan een kinkhoren, hoorde ze, van heel ver en heel diep, de echo van de muziekwoorden die de engel dien Zondagavond, toen de boomen botten, haar had toegesproken.

Een plotse fontein van liefde en geluk schoot in haar ziel omhoog, en met dankende oogen Jozef opnemend, liet ze een blijden zucht, en zei:

"Jozef, ik geloof dat het zoo'n lief kindeken zal zijn; ik zal het zoo gaarne zien!" En ze streelde over zijn harden korten baard en de vent wist van aandoening geen verblijf, en vond niets anders te zeggen dan: "Kom, we zullen koffie drinken! Zie, 't is al over tijd," en hij zag naar het begijnhoftorenken, dat onder een witte lenige spits vier uren wees.

"Blijf maar wat rusten," zei Maria, en opgewekt haalde ze het brood uit de kast, zette den koffiepot in het vuur, langde twee geblomde kommen, en, terwijl ze daar overendweer liep over den leemen vloer, aanzag Jozef haar met welgevallen, en bemerkte duidelijk hoe ze, spijts haar groote zwangerschap, haar lang dik kleed en den witten hoofddoek rond haar gezicht, een kind bleef; en medeen voelde hij den grooten plicht dien hij voor haar had opgenomen.

Opgefrischt zag hij naar buiten, en stond kinderlijk blij naar de blauwende sneeuw te zien; een rave wiekte in het kleine hoveken neer, peuterde met haren bek in een besneeuwden kool, en vloog met scherp gekras terug in den ouden notenboom.

Maar opeens verbleekte Jozef; ginder in het straatje zag hij een wild over-en-weer-geloop van volk, en er kwam een kort tromgeroffel en de versmachtende stem van een koperen horen.

Maria kwam voor het venster geloopen, bevreesd bezagen ze malkander, en als uit eenen mond zeiden ze tot elkaar:

"Wat mag de koning nu weer willen?"

Er kwamen twee in pelsen gewikkelde soldeniers naar het huisje toe, de eene met een trommel, de andere met een trompet. Met kloppend hart zagen ze de trawanten van den boozen koning naderen; het kon weer niets goeds zijn. "'t Zal niets zijn," zei Jozef troostend tot Maria, "blijf maar gerust zitten, ik zal eens gaan zien." En daarmede liep Jozef zenuwachtig naar de deur. Als hij ze opende stonden de twee mannen er voor. Onverschillig roffelde de eene, een kleine, een echt straatkeerdersgezicht, wat op de hooge trommel; een lange vent die boven zijn pelsen kraag niets dan een rooden neus liet zien roerde de trompet niet aan, maar ontrolde een papier, en las tegen goesting, met schorre, bijtende stem:

"De koning Herodes gebiedt aan alle inwoners, gevestigd binnen de palen van zijn rijk, dat ze zich op Zondag 25 December, moeten laten opschrijven, in de gemeente waaruit het hoofd des huisgezins voortkomt, teneinde dat Zijne Doorluchtige Majesteit zal te weten komen, hoeveel zielen zijne domeinen bewonen. Wie aan dit bevel niet voldoet, verbeurt zijne goederen, of wordt gestraft naar den lijve des persoons. Zegt het voort!"

Toen de soldaten al lang weg waren, zaten Jozef en Maria nog sprakeloos in de vlammen te zien; de koffie en de boterhammen bleven onaangeroerd, en de grauwe avond kwam gauw over de wereld gezakt. Hij doezelde alles weg, de zolderbalken en de telloren op het schouwberd. Buiten bleef de sneeuw nog grijs-wit, maar binnen was niets meer zichtbaar dan het smeulende vuur, dat opglom uit de sintels en bronsrood verlichtte de twee zwaar bekommerde wezens van Maria en Jozef. Ze zaten stil, van groot verdriet om den fellen slag die hun blinkende hoop had stukgeslagen. Ze voelden dat woorden geen macht meer hadden, en ze zwegen in den avond.

Achter blaatte meewarig het geitje, en in de schoorsteenpijp, heel hoog in de donkerte, zat de wind, laag, eentonig, en zoetjes, te fluiten....

Ver achter hen lag de Schelde, en het veerhuis waar ze dien nacht geherbergd hadden. 's Avonds hadden ze er warme boekweitpap gegeten, en, daar Maria zeer moe was en ze wat geld hadden gemaakt van hun melkgeitje, liet Jozef Maria in een malsch beddeken slapen, terwijl hij zelf den nacht op een berdenen stoel had doorgebracht, en daardoor nu met een stramte en stijfte in de leden geslagen was, alsof men hem geradbraakt had.

Maar koppig en taai in zijn hoogen plicht, bleef hij kloek en gebaarde van niets; en terwijl hij gebogen ging onder de zware reiskast en steunde op zijn mispelaar, hield hij teeder en dicht tegen zich aangesloten de zeer zwangere kreunende Maria, die moe haar bleek hoofdje tegen zijn breeden schouder rusten liet.

En beiden waren er zeker van dat ze vóór barenstijd niet terug in hun huizeken zouden zijn, dat de reis hen zou overvallen. En mismoedig en onrustig gingen ze voort, de besneeuwde verte in, wenschend dat de avond hen zou brengen in het malsche hooi van een boerenschuur of rond het lamplicht bij nederige menschen.

Jozef had zijn zware botten en zijn winterfrak aan; zijn hoed zat hem diep over 't hoofd, en zijn handen warm in wollen wanten; om de bijeengetrokken schoudertjes van Maria vielen de zware plooien van haren blauwen kapmantel, waarvan de voering wit en purper gewafeld was, en bleek als de weerschijn van de sneeuw zat haar hoofd in den wijden kap verdoken.

En nadat Jozef had gezegd, de bleeke lucht inkijkend: "Er zal veel sneeuw komen vandaag," en Maria daarop pijnlijk had voorspeld: "En 't zou vóór vanavond kunnen zijn, dat ik bevallen moet," waren ze zwijgend geworden en vol kommernis en verdriet. Dichter sloten ze zich tegen elkander aan, en zoo stapten ze maar voort, altijd maar door, naar het kleine vlek van Bethlehem, dat nog achter een dag en een nacht in de verre wereld lag.

Eenzaam en eindeloos was de weg.

En overal waar ze gegaan hadden, gaapten de sporen hunner voeten in de sneeuw.

Ze waren een kleine stip in de witte verte, en gingen onopgemerkt de landen langs.

De verre hoeven, die elk een vredige rookpluim in hun schouwpijp droegen, zaten diep en gesloten in de sneeuw. Soms kwam er over de verre landschappen, uit bruin-blauwe bosschen, 't gekrijsch van een vogel, maar zwijgend en zwert wiekten groote kladden kraaien lenig over de velden neer, en de luie zon, bleek als een hostie, volgde Jozef en Maria als een koppig dingen mee.

Een boerke, rookend als een wierookvat, reed hen in zijn bellende slede voorbij, en riep hun een helderen goeden morgen toe. Daar waar huizen bij den steenweg stonden, wierd er bij hun voorbijgaan soms een gordijntje op zij geschoven, en verbaasde medelijdende gezichten zagen de grootgaande Maria na, die nog zoo jong was en op den arm leunde van een bijna oud man.

Uit een smidse kwam hamergeklang en 't blinken van rood vuur; er kraaide een haan, er baste soms een hond, en verder was er sneeuw en stilte, en eenzaam en eindeloos was de weg....

Een beetje na noengelui kwamen ze voorbij de huizen van een klein stil dorp.

De menschen waren aan den disch, en de deuren gesloten.

Ze bleven naar het koekengetuig van den bakker zien, en, terwijl Maria wachtte, ging Jozef binnen; de winkelbel rinkelde komiek, als een cent in een kom, over de sneeuwstilte, en een reuk van gebakken haring kwam Jozef tegemoet. Een nog jonge vrouw die zwanger was, kwam al etende voor, met een kind op den arm en een kind aan den voorschoot. Ze geriefde Jozef de vijf gevraagde safraankoekskens, en, denken dat zijn kist een orgeltje was, zei ze hem: "Er zal met uw muziekske morgen hier niet veel te winnen zijn." Maar Jozef lei haar uit dat ze zich naar Bethlehem gingen laten opschrijven. En toen was de vrouw vol medelijden, ziende den toestand van Maria, waarin ook zij verkeerde, peinzende aan de lange reis en de moeielijke wegen, en er kwam nat in haar oogen. "Hier zie," zei ze, "geef dat aan uw vrouw; 't zal haar goed doen!" En uit een ijzerdraden mandeke nam ze een koppel eieren, die ze voorzichtig in Jozef's groote handen lei.

"Ik wil het betalen," zei Jozef. "We zijn geen bedelaars."

"'t Is om de liefde Gods," zei de jonge vrouw.

En lang bleef ze hen ontroerd nazien, tot ze verdwenen aan den hoek waar de kerk stond....

Voor de blinde muren der school, op oude boomen die daar lagen, zetten ze zich neer, en Jozef klopte in een der gekregen eieren een gaatje, en Maria slurpte het uit; het andere borg hij in het kofferken, en toen aten ze safraankoekskes, en dronken uit een blekken busken koude koffie.

Zij wilden de kerk binnengaan om wat te bidden, maar de poorten waren toe, en toen zijn ze maar verder gegaan, den langen rechten steenen weg op, onder hooge kanadas.

Waar een houten wegwijzer onder een sneeuwkap vooroverhelde, namen ze een anderen weg, die uitliep op een bevrozen riviertje; lang volgden ze den smallen dijk, en ze gingen achter elkaar, Jozef voorop en Maria achteraan.

Maar aan een paaltje, dat dient om schepen vast te leggen, moest Maria van vermoeidheid blijven zitten.--Jozef bleef bij haar staan, en troostte haar met zoete kinderwoorden: dat ze weldra op goede wegen zouden komen, en dat ze misschien wel een rijtuig zouden treffen dat hen mee kon voeren.

"Laat ons dan ginder over de brug gaan en den binnenwegel volgen; binnen een uurken zijn we op de groote baan." En hij wees naar verre boomen waar er een dorp lag, en op beemden wat schaatsenrijders waren. Jozef kende al die wegen op zijn duimpken, van toen hij nog jong was, en van uit de Kempen, waar hij zijn stiel deed, tweemaal 's jaars zijn ouders in de Vlaanderen bezocht. Met een zucht stond Maria op, ze gingen over de brug, en langs den binnenwegel die door kleine boschjes liep. Toen ze weer op de vlakte kwamen tusschen riet en lisch, zag Jozef niet zonder zorgen hoe, in het Noorden, een donkeren wolkenmassa ras opsteeg.