Het kaatsspel handleiding met historische aanteekeningen en kaatszangen
Part 4
In het half spel, stellen we, staat de partij Rood 4 p., Wit 2 p. en twee kaatsen. Er wordt dus gewisseld. Er wordt nu eerst gestreden om die beide kaatsen. Rood (in het perk) moet de ballen _voorbij_ die kaatsen slaan, om de slagen te winnen. Gelukt dit niet, dan wint Wit (op den opslag) telkens 2 punten. Wit heeft dan 6 punten en Rood staat nog op 4 punten.
De strijd wordt voortgezet met de opslagballen van Wit. Krijgt Wit nu ook den volgenden slag, dan heeft het 8 punten, en daarmee het eerste _halfspel_ gewonnen. Rood _verliest_ nu de behaalde 4 punten en de strijd om het _tweede_ halfspel vangt aan. Deze strijd geschiedt volgens dezelfde regels, maar de wisselingen van het spel kunnen natuurlijk nu weer geheel anders zijn, doch de spelers, die het eerst 4 × [0-0] hebben bemachtigd, winnen steeds het gespeelde halfspel. Had de tegenpartij daarbij 3 × [0-0] gewonnen, ze moest deze wederom missen, daar de winstpunten der tegenstanders altijd daarbij vervallen.
Hoewel het spel dus zeer eenvoudig is, kunnen tal van onderscheidene slagen zich hierbij voordoen, wat het spel zeer _afwisselend_ maakt.
Het partuur, dat het eerst 3 spellen veroverd heeft, is winnaar.
* * * * *
~Opmerking~: De lezers zullen hebben opgemerkt dat de slagen op „gelijk zes” (Rood en Wit hebben beide 3 × [0-0]) _veege_ slagen zijn, omdat het eene partuur de gewonnen punten moet verliezen. Bij zulke veege slagen is de belangstelling onder de toeschouwers op 't hoogst gespannen en de kaatsers zelf zijn natuurlijk op hun qui vive. Sommige spelers, vooral de jongere, zijn bij zulke gewichtige slagen een weinig zenuwachtig. De ervaren kaatser haalt er bij zoo'n veegen slag alles uit, wat hij kan. Oppervlakkig schijnt het onbillijk, de eenmaal gewonnen punten weer te verliezen, doch dit vervallen dier punten verhoogt juist de belangwekkendheid van het spel, de belangstelling van de toeschouwers en de ambitie der spelers.
_Maximum- en minimumpunten der winnende partij._
_a_. Elk half spel bestaat uit 4 × 2 p. = 8 punten; de geheele partij uit 3 spellen (6 halve spellen = 6 × 8 p. = 48 punten). Winnen nu bijv. de _Rooden_ achtereenvolgens de 6 halve spellen, zonder dat de Witten één halfspel kunnen veroveren, dan heeft Rood met 48 punten gewonnen. (Minimum).
_b_. Winnen b.v. de Rooden de partij, dan hebben zij vast behaald 6 × 8 p. = 48 punten. Nu kan het zijn, dat ze 5 halve spellen aan _Wit_ verloren, waarbij zij echter telkens 6 punten verwierven. De Rooden hebben dan in 't geheel 6 × 8 p. met 5 × 6 p. = 78 p. gemaakt. (Maximum).
Tusschen deze cijfers varieert dus het behaalde aantal punten der winnende partij.
Bij de gebruikelijke telwijze kan het nu voorkomen, dat het _verliezende_ partuur _meer_ punten heeft gemaakt dan het _winnende_.
_c_. Stel b.v. dat Rood achtereenvolgens 5 halve spellen wint van Wit, zonder dat Wit één slag wint. Rood heeft nu 5 × 8 p. = 40 punten en Wit 0 punten. Daarop keert de kans ten gunste van Wit. Het bemachtigt achtereenvolgens alle 6 halve spellen en wint dus met 6 × 8 p. = 48 punten. Nemen we aan, dat Rood hierbij telkens op „gelijk 6” verloor, dan had Rood in de geheele partij gemaakt 5 × 8 p. met 6 × 6 p. = 76 punten. Wit won nu met 48 tegen Rood 76.
Dit is nu wel het ongunstigste geval; vele gevallen liggen tusschen deze getallen.
Toen Rood reeds 5 halve spellen had, had Wit nog _niets_, omdat de gewonnen punten in deze vijf halve spellen voor zijn partuur vervielen; (het kon ook telkens op „gelijk 6” verloren hebben). Maar Wit houdt den moed er in, (een goed speler laat vóór den laatsten slag nooit den moed zakken) wint nu een half spel, strijdt met vuur en.... zegeviert ten slotte nog. Dergelijke partijen zijn spannend, en de emotie bij de toeschouwers stijgt bij elk volgend halfspel.
Ze bereikt haar toppunt, wanneer de partij den eindstand heeft van 5 halve spellen gelijk en 6 punten gelijk. Is er dan ook nog eene kaats, dan moet nu de volgende slag de _beslissende_ zijn.
* * * * *
Deze emotie is het grootst bij de partij van den Nederlandschen kaatsbond, waar de afdeelingen met hare sterkste parturen elkander den _Mulierprijs_ betwisten. De leden der betrokken vereenigingen en hun stad- of dorpsgenooten scharen zich om de strijdende parturen hunner plaatsen Ze leven geheel mede in het spel en schieten bij de overwinning op hun vrienden toe, om ze geluk te wenschen met de zege. Terwijl de partijen elkander bekampen, is het onder die duizenden toeschouwers geen luidruchtig geschreeuw, maar een stille en kalme aanschouwing van den kamp, soms eene uiting van geestdriftige toejuiching bij een spannenden of meesterlijken slag. Hier wordt gestreden niet om de geldprijzen, maar om de _eer_, vandaar dat de partij van den Ned. Kaatsbond de meest geziene is in de Ned. kaatssport en het talrijkst bezoek haar ten deel valt. Het is een stukje poëzie te midden van een fellen kamp—hier wordt meegevoeld, meegeleefd, meegestreden door al die duizenden.
_Het speelveld van Frieslands jeugd._
Geeft de terreinteekening hiervoor een afbeelding van het speelveld bij een wedstrijd, de jeugd behelpt zich met een terrein, dat zeer primitief is ingericht, en in weinige oogenblikken zonder kosten gereed is. (Zie de teekening hiernaast).
Vol levenslust en moed trekken de knapen naar het groene speelveld. In een oogenblik zijn de jassen en vesten, de schoenen of klompen uitgetrokken, de hoeden of petten afgezet. Netjes naast elkaar in het gelid worden deze kleedingstukken gelegd, om de voorlijn en de buitenlijnen van het perk te vormen; het perk is gereed.
Ook worden wel eenige steenen opgezocht, op korten afstand naast elkaar geplaatst om het perk te vormen, terwijl ook pollen gras daarvoor dienst doen. De opslag en de bovenlijn worden mede aldus gevormd en het spel kan een aanvang nemen. Bij dit vrije spel zijn geen kwaadlijnen gelegd. Voor kaatsblokjes fungeeren een paar steenen.
[Illustratie: HET SPEELVELD VAN FRIESLANDS JEUGD.]
| | | | | | | | | | | Perk. | |-·········-|
-···········- Opslag.
-···········- Opslag.
-·············- Bovenslag.
Gaan de jongens zich op een ongeplaveid plein in stad of dorp vermaken met den kaatsbal, zoo worden eenige lijnen met een mes getrokken of met een stuk krijt en in een ommezien is het terrein gereed. Bij een klinkerplaveisel zijn de spellijnen door roode klinkers aangeduid, zoodat dit terrein steeds voor het spel gereed ligt.
Jong Friesland viert jaarlijks onder het patronaat van het hoofdbestuur van den Ned. Kaatsbond een mooi kaatsfeest in het vriendelijk dorp Wommels, gelegen tusschen Franeker en Bolsward.
De prijzen van deze partij bestaan uit 3 gouden en 3 zilveren horloges, welke telken jare worden vereerd door jonkvrouwe C. J. de Vos van Steenwijk, voor enkele jaren inwoonster van Wommels. De leeftijd der jongens is bepaald van 13–16 jaar, terwijl de parturen uit dezelfde plaats afkomstig moeten zijn. Zoo is deze partij van Jong Friesland een Bondspartij in het klein, de kweekschool tevens voor den grooten Bondswedstrijd.
Groote emotie onder de dorps- en stadgenooten als de beslissende partijen gespeeld moeten worden. Het geheele publiek leeft mede, gaat op in de partij, een hoera stijgt op uit de rijen der kaatsmakkers, als _hun_ dorps- of stadgenooten de schoone Freuleprijzen hebben gewonnen.
Met welk een aandacht volgen de vaders der knapen elken op- of uitgeslagen bal, tevreden glimlachend als ze vooruitschieten, bedremmeld kijkende als ze achterop geraken, ze aanmoedigende tot den einde toe, wetende dat de kans spoedig keeren kan. En wie ze zoo ziet strijden met moed en volharding, loyaal elkaar straks de hand drukkende, krijgt eerbied voor de Friesche Spes Patria, voor het schoone ongekunstelde spel op Frieschen bodem.
_Het Belgisch kaatsen._
Zooals wij in onze historische aanteekeningen reeds opmerkten, werd ook in België en in Frankrijk sinds overoude tijden gekaatst. De Romeinsche soldaten zouden het ook daar ingevoerd hebben. De adel beoefende vooral het spel en in Parijs waren in de 18de eeuw nog vele meesterkaatsers. Men speelde er voorheen met de bloote hand als bij ons. Later is de handschoen in gebruik genomen, ook bij de Belgen.
[Illustratie: Kaatsspel te Braine-le-Comte.]
De Fransche revolutie gaf den genadeslag aan het eens zoo bloeiende kaatsspel. In Parijs werden de kaatsbanen gesloten en in 1825 verdween daar de laatste. Met het tweede Keizerrijk beproefde men in 1861 het spel weder te verheffen en werd het in den tuin der Tuilerieën gespeeld op het prachtig terras der Feuillantijnen. Een tweede poging werd in 1866 gedaan, doch het mocht niet baten. Parijs verloor de ambitie in het spel der voorouders. In Noord-Frankrijk en in België wordt het echter nog druk beoefend; het jeu au tamis verdwijnt meer en meer, om het veld alleen over te laten aan het „Jeu de pelote”.
[Illustratie: HET JEU DE PELOTE (BELGIË).]
Outre ·-----------------------------------------------------· \ •4 3 5• / \-----------------------•-----------------------/ \ Opslager / C \ (Livreur) / e o \ / d r \ 1 2 / r d \ • • / o e \ / C \ Courte / ·-----------------· | | / \ | | / \ * Expert | Cordier Cordier | * Expert / 1× 2× \ | gauche droit | / \ | | / \ | Petit milieu | / × \ * Expert | 3 | e / \ C d | | o r / \ r o | | d C / Grand milieu \ e | × | / 4 \ * Expert | | / \ | | / \ | Fond | * Expert / × \ | 5 | / \ | | / \ ·-------------------------------------------------· Fond
De teekening, die hierbij gaat, geeft de Belgische benamingen aan. De Belgen onderscheiden 2 perken, het perk van den opslag en het perk van den uitslag; het kleine en het groote perk. Een partuur bestaat uit 5 spelers, die zich in de beide perken ongeveer opstellen, als de teekening aangeeft.
(De plaats der kaatsers hangt ook hier af van de plaats der kaatsen en van den slag). De zwaarste plaats in het uitslagperk is het „grand milieu”, waar de sterkste speler staat. Ook hier heeft men bij 't perk de benaming vóór—buiten—kwaad.
• 1, 2, 3, 4 en 5 zijn in het opslagperk; × 1, 2, 3, 4 en 5 in het uitslagperk.
Aan elke zijde van de bovenlijn (outre) zijn seinpalen (vlaggetjes) geplaatst, om aan te geven of de ballen àl of niet tellen. De perkspelers zijn voorzien van een leeren handschoen; de livreurs spelen met de bloote hand.
Aan weerszijden van het perk neemt een marqueur plaats, die de punten telt. Elke slag is 15 punten. 4 slagen maken 60 punten: dit heet een _spel_.
De partij wordt gewoonlijk in 13 spellen gespeeld met een rust na het zevende spel. De kaatsen ontstaan evenals bij het Friesche spel bij onbesliste ballen; bij het Belgische spel wordt een _kaats_ ook aangemerkt in het _uitslagperk_. Om die kaats te winnen moet de tegenpartij den bal verder slaan dan het kaatsblokje. Is deze kaats achter in het perk, dan stellen alle vijf spelers zich op achter in het perk bij die _kaats_. Deze plaats der kaatsen is het meest kenmerkende verschil tusschen het Friesche en het Belgische spel.
Bij het Jeu de Pelote moeten alle uitslagballen en ook de terugslagballen blijven binnen de afgelijnde perken. Worden ze in de _vlucht_ er over geslagen, dan zijn het verloren slagen voor 't partuur, dat den slag doet; de tegenpartij maakt daarmee winstpunten. Bij het Friesche spel is de _terugslag_ over de zijlijnen niet kwaad.
Elk der livreurs slaat een _spel_ op, zoodat alle 5 spelers den opslag om beurten hebben. Overigens komen de beide spelwijzen veel met elkaar overeen, zoodat een internationale kamp op beide manieren mogelijk is. De Belg gebruikt bij den opslag slechts één hand. Zijn opslag is daardoor bij lange na niet zoo krachtig als die van den Fries. Daarentegen is zijn uitslag zeer schoon en maakt hij dikwijls Herculesslagen. Met de krachtige, snelle en _stijve_ ballen der Friezen is hierop de kans geringer.
Waar _vijf_ tegen _vijf_ spelen is de actie grooter, het veld meer bezet, wat aan 't oog der toeschouwers meer levendigheid oplevert. Hier staat tegenover, dat het spel over 't geheel minder krachtig is ten opzichte van den speler persoonlijk.
Dit is duidelijk merkbaar, als de Friezen en de Belgen tegen elkaar spelen in parturen van _drie_ tegen _drie_, op Friesche wijze dus. In plaats van vijf, zooals bij hen, moeten er nu slechts drie het veld beslaan en het werk in perk en opslag verrichten.
Waar het spel zich daarbij over verscheiden parturen uitstrekt, hebben de Friezen meer ausdauer, wat natuurlijk een gevolg is van hun spelwijze.
Elegant in zijn houding, vlug in zijn beweging over het veld, bewegelijk van aard in het spel, opgewekt in den kamp, wordt de Belgische speler gaarne op de Friesche kaatsvelden gezien.
In den uitslag over 't geheel sterker dan de Friesche kaatser, is hij in den opslag verre de mindere, wat hem de partijen tegen de Friezen gewoonlijk doet verliezen. Ook het verschil in grootte tusschen den Frieschen en den Belgischen bal is hierbij voorzeker niet zonder invloed. De ontmoetingen leerden steeds, dat de Friezen in _hun_ spel, de Belgen in het _Jeu de Pelote_ de sterksten zijn.
#Kaatsbaan (1780).#
Het kaatsen, eene der oudste en der natie eigen lichaamsoefeningen, was in vroegeren tijd zoo algemeen, dat men in de steden overdekte en gepriviligeerde kaatsbanen had. In zijn „Historie van Holland” beschrijft Francq van Berckey zulk eene kaatsbaan en geeft daarbij eene verklaring van het spel, zooals het omstreeks 1780 in Holland gespeeld werd.
De kaatsbanen besloegen altoos een vrij groot plein en waren des te beter, naarmate ze grooter en ruimer waren. De bal, die er _buiten_ geslagen werd, rekende men voor _kwaad_. Als nu nog telde zulk een slag 2 punten voor de tegenpartij.
De lengte en de breedte der baan werd bij afspraak tusschen de partijen bepaald en hing af van de krachten der spelers. De baan lag steeds voor het spel gereed, op de wijze dus als bij ons nog op sommige kaatspleinen.
In de teekening zijn de lijnen AB en CD rollagen op de geplaveide baan. Men onderscheidde toen 2 perken, uitslag- en opslagperk, zooals nog heden bij het Belgische Pelotespel en het Fransche „Au tamis”. Een partuur heette toen een _cabel_. Soms werd gespeeld 6 tegen 6, of ook wel 4 tegen 4. Het meest echter bestond een cabel uit 3 spelers, wat het sterkste spel geacht werd, zooals nog thans bij het Friesche spel het geval is.
+---------------------------------------------------+ | Dirk | | • | | | | Uitslagperk + _d_ | | | | | | | | | | A B | | ------------------------------------------- | | · •Kees · | | · _b_ • · | | · + Jaap · | | · · | | · · | | · · | | · + _a_ · | | · Piet Leen · | | · × × · | | ------------------------------------------- | | D C | | | | | | | | | | | | + _c_ | | Opslagperk | | | | ## | | × ## | | Arie | | | | | | | +---------------------------------------------------+
Veelal geschiedde een partij bij uitdaging. De uitdagers sneden daartoe een bal in zooveel kerven, of bijhangende lappen als er uitdagers waren, legden den gesneden bal bij de baan of staken hem in een beugel bij de baan vast. Dit heette „balopsteken”. Andere spelers informeerden naar de opstekers. Vertrouwden ze zich, zoo namen ze den bal af en de partij begon.
(Deze gewoonte was in mijne jeugd nog in den kaatshoek in zwang, en naar ik meen, geschiedt zulks op onze kaatspleinen van het platteland nog wel. De bal wordt bevestigd in een ijzeren beugel aan den voormuur eener herberg op het kaatsplein. Zij, die de uitdaging aanvaardden, namen den bal uit den beugel, en maakten te voren een afspraak, om hoeveel geld of „gelag” de partij gespeeld zou worden).
In het opslagperk der teekening ziet men een zeef afgebeeld, een rond net van gevlochten snaren, trommelsgewijze gespannen, rustende op 3 pootjes en een weinig schuin van den grond verheven. Aan de zijde der baan stonden de toeschouwers. Hieruit koos elke cabel een _aanteekenaar_.
Tot beter begrip van den loop eener partij zullen we de makkers van den eenen cabel Dirk, Jaap en Kees noemen, die van den tegencabel Arie, Leen en Piet. Ze staan 3 bij 3 recht tegenover elkaar. Op onze teekening staat Dirk in het uitslagperk tegenover Arie bij de zeef. Jaap en Kees staan tegenover Leen en Piet in het middenperk tusschen de rollagen AB–CD.
* * * * *
De partij neemt een aanvang. Arie slaat op, hij steekt de hand met den bal omhoog en geeft daarmee aan Dirk het sein. Eerst werpt hij den bal 2 à 3 maal op de zeef, om goed te mikken, terwijl de bal op de hoogte van den bedoelden slag rijst. Hij drijft nu den bal op Dirk aan. Indien nu Arie, wat bazenwerk is, den bal ver over Dirk heen kan slaan, zoodat deze hem niet kan inloopen of treffen, dan telt cabel-Arie 2 punten. De bal is _vrij_, heette het destijds. Kan Arie dit telkens doen, dan zal hij het spel winnen door zijn _opslag_. (Er was dus toen een vrije opslag; thans zijn zulke slagen over de achterlijn _kwaadslagen_; het spel is nu dus meer begrensd).
Doch treft Dirk den bal en drijft hij hem met kracht weer naar Arie, zoo telt cabel-Dirk 2 punten, indien de tegenpartij den bal niet terugslaat. Gebeurt het echter, dat Arie den uitslagbal terugkaatst, dan schieten Jaap en Kees toe om hem terug te drijven, of ook Piet en Leen snellen toe om den door Dirk geslagen bal terug te kaatsen over lijn AB.
Dit heen- en terugslaan geschiedt zoolang tot de bal blijft liggen, bijv. bij + _d_ of + _c_. Een slag is gewonnen door cabel-Arie, als de bal achter lijn AB blijft, door cabel-Dirk, als hij teruggeslagen is achter lijn CD. Is de bal dus bij + _d_ komen liggen, dan is de slag voor cabel-Arie; doch bij + _c_ tot rust gekomen is hij voor cabel-Dirk. Dan riep de winnende partij tot zijn aanteekenaar: „Schrijf!”
Het kan echter ook zijn, dat de bal geslagen wordt of tot rust komt tusschen de twee perken in, dat is tusschen AB en CD. Dan stelt men daar ter plaatse een teeken. Dit heet een _kaats_, bijv. bij + _e_. Heeft Arie of een zijner makkers den bal gekeerd, dan komt hun aanmerker de kaats aanteekenen. Kaatsen ontstonden toen dus alleen in de ruimte tusschen de beide perken.
Even als nu werd ook toen bij één of meer kaatsen van perk en opslag gewisseld. Zou de kaats gewonnen worden, dan moest zij voorbij geslagen worden over een der lijnen AB of CD en telde de cabel daarvoor 2 punten. Dat Jaap en Kees ter eener, en Piet en Leen ter andere zijde hierbij een werkzaam aandeel nemen, spreekt vanzelf. Vele malen ging de bal tusschen de cabels heen en weer. (Triktrakslag).
Gebeurde het echter, dat onder het spelen _om eene kaats_, de bal na eenige heen- en terugslagen weer terecht kwam tusschen de lijnen AB–CD, dan was de kaats _onbeslist_ gebleven en ontstond er een _nieuwe kaats_. Zoo konden er bij den strijd om eene kaats wel eens drie andere kaatsen gemaakt worden. Om de kaats te _winnen_, moest een der cabels den bal over lijn AB of CD hebben geslagen.
Bij het slaan van de _eerste_ kaats of van meerdere kaatsen gingen de cabels wisselen. Dit geschiedde beurtelings, nadat men met de meeste kunst den opslag zijner tegenpartij afwon. Ook werd elke maat op zijn beurt opslager, bij het slaan van een kaats. Dus alle _drie_ maats werden op hun beurt opslager. Dit kon toen, omdat men dikwijls met meer dan 2 kaatsen verging, zooals hier boven is aangewezen.
Een zeer eigenaardige afwijking van ons tegenwoordig spel was het volgende. Stel, dat Arie om kaats + _b_ te winnen, den bal naar Dirk slaat. Deze drijft hem terug, maar Piet pakt hem en werpt hem op zijn beurt terug. Nu schiet echter Kees toe en deze slaat den bal schuin over, waarop zijn _eigen_ maat Jaap er op inloopt en den bal terugslaat tot + _c_ bijv. Doch Leen, die dezen slag voorziet, is achteruit geloopen en drijft hem over alles heen, zoodat hij bijv. bij + _d_ blijft liggen. Dirk had bij dezen strijd zijne plaats verlaten, en was meer vooruitgeschoten. De bal vliegt hem nu over. Cabel-Arie won dus de kaats en riep: „Schrijf”! Bij het tegenwoordige spel mag echter de bal slechts geslagen worden in _dezelfde_ vlucht door één der partuurmakkers.
Gewoonlijk bestond toen een partij uit 6 spellen, soms meer, soms minder. Een spel bevatte meestal 12, soms ook 16 punten. Zulks werd te voren vastgesteld. Voor elken gewonnen slag werden 2 punten genoteerd.
Zooals uit bovenstaande verklaring blijkt, week het spel der 18de eeuw in vele opzichten van dat van onzen tijd af, maar stemde in vele gevallen toch weer met het onze overeen. Het gold toen als een der vernuftigste en vermakelijkste spelen van dien tijd.
[Illustratie: JAN REITSMA.]