Het kaatsspel handleiding met historische aanteekeningen en kaatszangen
Part 3
OMHEINING. +---------------------------------------------------+ | kwaad | | D.---------------.C | | | | | | | | | | | 1• | | | | | | | buiten . Perk . buiten | | | | | | | 2• | | | | | | | | | | | E A. .B G | |-----.---------------------------------------.-----| | · vóór · | | · · · | | · •3 · · | O | · · · | O M | · · · | M H | · Meetlijn · · | H E | ····················+···················· | E I | · · · | I N | k · · · k | N I | w · · · w | I N | a · · kaats · a | N G | a · · @ · a | G . | d · Meetlijn · · d | . | l ····················+···················· l | | i · · 2× · i | | j · · · j | | n · · · n | | · · · | | · .-------------------------. · | | · 2e opslag · · | | · .-------------------------. · | | · 1e opslag · · | | · · · | | · ×3 · · | | · · · | | · boven · | | 1M. .---------------------------------------. 1M. | | F · H | | · | | · ×1 | | · | | · | +---------------------------------------------------+ OMHEINING.
ABCD = perk.
BC en AD = buitenlijnen.
AB = voorlijn.
DC = kwaad (perk)
EF en GH = zijkwaad.
Van vóór tot boven = 40 M.
Vóór tot 1e opslag = 32 M.
Tot 2e opslag = 30 M.
Omheining achter boven nog pl. m. 7 M.
Lengte van het perk = 18 M. (speelveld) te zamen pl. m. 65 M. lang en breed 25 M. à 30 M.
Perkbreedte = 4½ M.
• 1, 2 en 3 zijn de perkspelers.
× 1, 2 en 3 zijn de opslagspelers.]
Bij een wedstrijd zijn nog kwaadlijnen ter zijde van 't speelveld, welke loopen van de perkvoorlijn tot de bovenslaglijn. Het geheele speelveld is afgesloten door een omheining, waarachter de toeschouwers zich opstellen.
Zulks geschiedt om vrij spel te houden. Achter de bovenslaglijn is nog ± 7 M. ruimte, opdat de spelers op den opslag gelegenheid hebben den uitgeslagen bal terug te slaan.
Het rechthoekig perk heeft vier lijnen (voorlijn—twee buitenlijnen en de achterkwaadlijn).
Ten einde bij het ontstaan van geschillen over de lengte van den slag (over het àl of niet voorbijslaan der kaatsen) zoo spoedig mogelijk te beslissen, worden op het speelveld twee meetlijnen gelegd, resp. 10 M. afstand van perk en opslag.
Alle lijnen voor het spel noodig moeten op het speelveld _liggen_.
De kwaadlijnen (perk- en zijkwaad) liggen 1 M. van de omheining, opdat de toeschouwers op behoorlijken afstand van deze lijnen blijven, ter voorkoming van geschillen.
De drie spelers in het perk vormen het perkpartuur; er staan 2 van de drie spelers in het perk, de derde maat staat er buiten.
De drie tegenstanders staan bij opslag en bovenslag; ze heeten dan het opslagpartuur.
Gedurende den strijd wisselen beide parturen bij een bepaalden stand der partij van perk en opslag.
Een samenstelling der speelmakkers heet een partuur; meestal 3 tegen 3.
* * * * *
#Algemeen doel van het spel.# Het opslagpartuur heeft in de eerste plaats tot taak den bal door _opslaan_ in het _perk_ te drijven en moet zich verder beijveren om den eventueel _uitgeslagen_ bal door _terugslaan_ en _keeren_ achter of zoover mogelijk in de richting van de voorlijn te brengen of te houden.
Het perkpartuur tracht den bal zoover mogelijk in de tegengestelde richting (naar de bovenlijn) te brengen of te houder en wel door _uitslaan_, _terugslaan_ en _keeren_.
De spelers van beide parturen mogen elkaar in den kamp niet hinderen. (Strafpunt Bondsreglement).
* * * * *
#Slaan.# Het slaan geschiedt met de flauw gestrekte hand, de vingers niet gespreid; bij voorkeur bovenhands, daarbij den betrokken arm zooveel mogelijk gestrekt, opdat de slag krachtig zij en de bal daardoor een grooten afstand doorloope.
Ofschoon het slaan van den bal na een enkelen stuit geoorloofd is, verdient het aanbeveling—als men in de gelegenheid is den bal in de vlucht te bereiken—dien stuit niet af te wachten, aangezien men dan niet zeker is van de richting, in welke de bal opspringt.
Niet als slaan wordt aangemerkt als het geschiedt:
_a_. met beide handen tegelijk.
_b_. na den tweeden stuit.
_c_. indien tegelijkertijd de hand den grond aanraakt (of het gras).
_d_. indien de bal in aanraking is geweest met de kleeding of met een ander lichaamsdeel dan de hand.
_e_. indien de bal reeds door een der partuurmakkers is geraakt, gedurende dezelfde vlucht.
In al deze gevallen wordt zulks als _keeren_ aangemerkt en wordt de bal beschouwd zich te bevinden op dàt punt, waar de hierboven bedoelde handeling plaats vond.
* * * * *
#Opslaan.# Nadat de spelers hunne plaatsen hebben ingenomen, wordt het spel geopend met _opslaan_. Hij, die hiermee is belast, de opslager, plaatst zich, front makende naar het perk, achter de opslaglijn, den kaatsbal in de linkerhand houdende. (De linksche opslager natuurlijk houdt den bal in de rechterhand).
Terwijl de bal wordt losgelaten, wordt hij met de rechterhand (of linker) geslagen (bestemming: perk), zóódat de bal de hand verlaat, als de opslager op de opslaglijn staat. Deze aanloop, snel en kort (b.v. 3 à 6 passen) heeft tot doel den bal een grootere snelheid te geven. Hoofddoel is nl. den bal ver en krachtig voort te drijven, opdat hij zoolang mogelijk zijn levende kracht behoude en het uitslaan bemoeilijkt wordt.
Hoe gestrekter de baan, welke de bal volgt, des te beter de opslager. Het opslaan moet geschieden in de lengteas van het speelveld, aangegeven door twee witte ballen op de opslaglijn.
De opgeslagen bal moet binnen het afgelijnde perk gebracht worden. Is hij er vóór, of over, of buiten (ook op de lijnen), dan is het een foutieve slag.
(De bal is vóór, of kwaad, of buiten.)
* * * * *
#Uitslaan.# Indien de bal binnen het afgelijnde perk gebracht wordt, moet de perkbezetting hem _uitslaan_. Zij sla niet, als de bal kwaad, vóór of buiten is of komt (te roepen: „kwaad”, „vóór”, „buiten”!) Ingeval zulks wel geschiedt, wordt de bal beschouwd _in_ te zijn. Slaan de perkmaats den bal niet uit, als hij _in_ is, dan zegt men: „de bal zit”.
* * * * *
#Terugslaan.# Heeft het perkpartuur den opgeslagen bal _uitgeslagen_, dan tracht het opslagpartuur hem terug te drijven achter de voorlijn van het perk (EG in de teekening). Gelukt dit, dan zal het perkpartuur op zijn beurt zich beijveren den bal nogmaals terug te slaan, enz.
* * * * *
#Triktrakslag.# Op deze wijze kan een bal zich herhaaldelijk heen en weer bewegen tusschen perk- en opslagpartuur. Zulke slagen dragen den naam van triktrakslagen en worden door de toeschouwers uitbundig toegejuicht, wegens de wisselende kans van den slag.
(Men trekke hieruit niet het besluit, dat zulks het doel is der spelers; dezen beoogen juist het tegendeel, nl. den bal steeds zooveel mogelijk _buiten het bereik_ der tegenpartij te brengen).
* * * * *
#Keeren.# Is de kaatser niet in staat den bal door terugslaan een tegengestelde richting te doen volgen, dan tracht men hem althans in zijn gang te stuiten, door hem te _keeren_, d. i. tegen te houden, hetgeen met elk lichaamsdeel mag geschieden.
Goed keeren is veel waard en behoort tot de bekwaamheden van den speler, even goed als het opslaan en het uitslaan.
Het opvangen van den bal in één of beide handen is intusschen niet geoorloofd, tenzij men hem onmiddellijk op den grond werpt of laat vallen.
* * * * *
#Zitten-boven-kaats.# De tot rust gekomen bal zal zich ten slotte bevinden:
zitten _a_. achter de voorlijn van 't perk: hij _zit_.
boven _b_. voorbij de bovenlijn: hij is _boven_.
kaats _c_. tusschen voor- en bovenlijn: Er is een _kaats_ (tenzij de slag diende om een reeds bestaande kaats te beslissen), welke op bedoeld rustpunt wordt aangeduid door een merkteeken (blokje of steen).
* * * * *
~Aanmerken~. Aangezien herhaaldelijk twee kaatsen moeten worden _aangemerkt_, is het wenschelijk twee verschillende merkteekens, resp. voor de 1ste en de 2de kaats beschikbaar te hebben.
(1ste kaats: wit blokje; 2de kaats: rood blokje).
#Tellen.# Het tellen geschiedt bij 2 punten tegelijk voor elken winstslag en wel ten gunste van:
~het perkpartuur~:
_a_. Als de opgeslagen bal is _voor_, _buiten_, _kwaad_.
_b_. Als de uitgeslagen bal is _boven_.
_c_. Als de uitgeslagen bal is _voorbij_ de kaats.
~het opslagpartuur~:
_a_. Als de opgeslagen bal _zit_.
_b_. Als de uitgeslagen bal achter of op de perkvoorlijn teruggedreven wordt.
_c_. Als de uitgeslagen bal _niet_ is voorbij de kaats.
_d_. Als de uitgeslagen bal kwaad is. (Dat is, als hij over de zijkwaadlijnen is geslagen of er op).
* * * * *
#Vervallen van de punten.# Acht punten = (4 × 2 p. of 4 winstslagen) vormen een half spel.
Twee halve spellen maken één spel.
De eenmaal gewonnen halve spellen en spellen blijven bestaan.
Wanneer echter een der parturen een half spel „vol” maakt, vervallen de „losse” punten der tegenpartij.
Het partuur, dat 3 spel heeft, is winnaar. Soms ook wordt 2 spel gespeeld. Bij een wedstrijd steeds 3 spel; in bijzondere gevallen kan daarvan worden afgeweken.
* * * * *
#Wisselen.# Bij den aanvang van het spel wordt door het lot bepaald, welk partuur het eerst den opslag heeft. Daarvoor geldt steeds, dat het laagste nummer den opslag heeft. Bij een vrije partij wordt daarom door beide parturen geraden (met on of even b.v.)
Herhaaldelijk wordt echter van perk en opslag gewisseld. Zulks geschiedt:
_a_. Als een der parturen (of beide) 6 punten _heeft_ (hebben) en er _ontstaat_ een kaats.
_b_. Als een der parturen 6 punten _krijgt_ en er _is_ een kaats.
_c_. Als geen der parturen 6 punten heeft en er ontstaat een _tweede_ kaats.
* * * * *
#Beslissing der kaatsen.# Bij wisseling dient de eerste bal om over de _eerste_ (c. q. de eenige) kaats te beslissen. Met den tweeden bal moet op gelijke wijze in zake de tweede kaats—zoo deze bestaat—worden beslist.
Het perkpartuur, dat pas in het perk is gekomen, tracht den bal voorbij het merkteeken te slaan. Na de gevallen beslissing der kaatsen wordt onmiddellijk het betrokken merkteeken weggenomen.
* * * * *
#Rolverdeeling der spelers.# _A_. Bij het opslagpartuur.
1ste ~opslager~. Hij, die in het opslaan de meeste bedrevenheid bezit, treedt als 1ste opslager op (voor best opslaan) en is dus normaal met bedoelde taak belast. Voor hem geldt de verste opslaglijn.
2de ~opslager~. Een ander partuurmakker is 2de opslager (voor minst opslaan) en bezigt de kortste opslaglijn.
Als zoodanig moet hij werkzaam zijn:
_a_. Zoodra het perkpartuur een kaats geslagen heeft en nog niet gewisseld wordt.
_b_. den 1sten opslagbal, direct na de wisseling, indien er nl. 2 kaatsen waren.
De _tweede_ opslager moet dus bij wisseling den bal opslaan bij de beslissing over de 1ste kaats.
Daarna geeft hij den bal over aan den 1sten opslager, bij de beslissing over de 2de kaats. Deze houdt den bal, tot weer een kaats geslagen wordt. Is er bij de wisseling van perk en opslag maar één kaats, dan heeft de 1ste opslager den bal en houdt hem, totdat er weer een kaats geslagen wordt.—Wil het opslaan met een der opslagers niet gelukken, staat hij buiten of voor, dan mag hij den bal aan den derden makker afstaan.
Overigens stellen de leden van dit partuur zich op naar verkiezing, daarbij zorgende zich min of meer over het veld te verdeelen. De praktijk leert welke punten op het speelveld de doelmatigste opstellingsplaatsen zijn. Die plaats der spelers wisselt echter met bijna elken slag. Taktiek en overleg der spelers komen hierbij zeer te stade; het bepaalt mede hun bekwaamheid of betoefdheid in het spel.
* * * * *
_B_. Bij het perkpartuur.
Bij een partuurformatie van 3 spelers nemen twee hunner plaats in het perk; de een vóór (de voorman), de andere achter in het perk (de achterinsche), daarbij zorgende, dat de voorste den achterste niet het vrije uitzicht op den opslagbal belemmert.
Wanneer zij een bal hebben uitgeslagen, zijn zij niet meer aan het perk gebonden, doch mogen zich vrij over het veld bewegen, ten einde den eventueel teruggeslagen bal te gemoet te loopen, opdat deze nogmaals door hen geslagen en anders gekeerd kan worden. In het bijzonder rust de laatstbedoelde taak op den _derden_ makker van het partuur, die buiten het perk staat en vlugger er bij kan zijn dan zijn perkmakkers. Daarom moet hij eveneens voortdurend den blik gericht houden op de handelingen en bewegingen van het opslagpartuur.
De perkmakkers mogen van plaats verwisselen, als dit voor hun spel beter blijkt; of als het met een dezer spelers niet vlotten wil, kan deze met den derden makker van rol wisselen.
Om den achterman beter slag op den opslagbal te geven, is het wenschelijk, dat de voorman ter zijde wijkt buiten het afgelijnde perk. Blijft hij staan, dan belemmert hij allicht den achterinsche in den slag. Deze voorman moet goed uit zijn oogen zien, of de snelheid en de hoogte van den opslagbal van dien aard zijn, dat hij den bal voor zich moet nemen of dien aan zijn perkmaat moet overlaten.
Een geoefend oog is voor de perkspelers noodzakelijk, om den bal op tijd te slaan. Ze moeten dit juist weten te bepalen. Slaan zij te _gauw_ of te _laat_, dan mist de slag zijn effect, wat duidelijk te zien is aan het resultaat van den slag en de richting, die de uitgeslagen bal neemt.
Bestaat een partuur uit 2 spelers, dan nemen beiden in het perk plaats; ook moeten ze beiden als opslagers fungeeren.
De sterkste en mooiste partuurformatie is die van 3 tegen 3.—Bij een formatie van 2 tegen 2, kan het speelveld niet goed bezet worden, om de uit- of teruggeslagen ballen te treffen.
* * * * *
#Onderscheidingsteeken.# Van twee tegen elkaar strijdende parturen wordt het laagste nummer door een roode sjerp om den middel, een rooden band om den arm, of een rood strikje op de borst, als het partuur der _Rooden_ aangeduid.
Het hoogste nummer wordt op dezelfde wijze door wit aangeduid en het partuur der _Witten_ geheeten.
Bij den aanvang van den strijd vangt het _roode_ partuur den kamp aan met den _opslag_.
De kleuren bij het kaatsspel zijn dus Rood en Wit. Het _rood_ ziet op het vuur van den strijd, den moed, terwijl het _wit_ op het smettelooze, op de reinheid of eerlijkheid van den kamp wijst.
* * * * *
#Telegraaf.# Ten einde den stand der partij bij elken slag te kunnen aangeven, gebruikt men bij het kaatsspel een werktuig, _telegraaf_ geheeten, in hoofdzaak bestaande uit een verticale, draaibare staak, waaraan horizontale armen, aan welke de _halfspellen_, de _spellen_ en de _punten_ worden opgehangen, terwijl aan haakjes van den stok bordjes worden bevestigd, welke de gemaakte _kaatsen_ aangeven.
[Illustratie: DE TELEGRAAF.]
(Er zijn dus drie dwarslatten aan den staak)
De eene helft der telegraaf is _rood_ geschilderd, de andere helft _wit_. Deze kleuren zijn dus in overeenstemming met het onderscheidingsteeken der spelers van beide parturen. Eveneens zijn de bordjes, welke halve spellen en spellen aangeven in deze beide kleuren geverfd, wat mede het geval is met de dubbele ballen, die de punten voorstellen.
Gedurende het spel is de witte helft steeds naar den kant der Witten, de roode helft naar de zijde der Rooden gekeerd. Zoo kunnen de toeschouwers op elk moment den stand der partij overzien, terwijl door directe aanteekening van den „telegrafist” geschillen tusschen de parturen over den stand van de partij worden vermeden.
(Zie de teekening). Aan de haakjes van de onderste lat worden de _punten_ (dubbele ballen) opgehangen; de middelste lat wijst de _halve spellen_ der beide parturen aan, terwijl aan de bovenste de gewonnen _spellen_ worden genoteerd.
De persoon, die de telegraaf bedient, heet _telegrafist_; hij, die de kaatsen aanmerkt met de blokjes, heet de _aanmerker_.
Stand: _Rood_ heeft, 2½ spel met 4 punten; insgelijks _Wit_. Er zijn 2 kaatsen. De stand der partij is dus gelijk.
* * * * *
#Benaming der slagen.#
~Bovenslag~: Een slag, waarbij de bal rollende over de bovenlijn komt, heet kortweg een _bovenslag_.
~Victoriaslag~: Komt de bal bij eersten uitslag met de vlucht over de bovenlijn, zoo heet de slag een _Victoriaslag_.
~Herculesslag~: Een slag, waarbij de bal bij eersten uitslag met de vlucht over het afgesloten speelveld geslagen wordt, heet _Herculesslag_.
~Triktrakslag~: Wordt de bal eenige keeren tusschen perk- en opslagpartuur heen en weer geslagen, zoo is het een _triktrakslag_.
~Pripper~: Indien de bal laag bij den grond, juist over de voorlijn, of voor de voeten van den voorman of in den hoek geslagen wordt, is het een _pripper_.
~Vosseslag~: Komt de bal tusschen voorman en achterman in, zoodat hij niet of slecht te slaan is, zoo heet de slag een _Vosseslag_.
* * * * *
#Bepalingen.# ~Hand~. _a_. De kaatsers mogen alleen spelen met de onbedekte hand. Indien echter een speler bij 't doorslaan van de hand zich van een handbedekking wenscht te voorzien, heeft hij deze te onderwerpen aan de goedkeuring der keurmeesters bij een wedstrijd.
_b_. De ballen mogen alleen geslagen worden met de _hand_, die geacht wordt op te houden, waar de pols begint. Raken ze den pols of den arm, zoo is de slag foutief. In het perk is het een verloren slag, op het speelveld wordt de slag als keeren aangemerkt. Hetzelfde is het geval, als de bal bij den slag de kleeding van den speler heeft geraakt, of een ander lichaamsdeel dan de hand.
* * * * *
#Kaatscostuum.# Bij de wedstrijden van den Ned. Kaatsbond en zijne afdeelingen, is het volgende costuum verplichtend:
Lange of korte bovenbroek met Eng. hemd, sportblouse of tricot.
In het kaatsreglement van den Ned. Kaatsbond zijn opgenomen de _regels_ van het spel, de _verplichtingen_ der spelers, enz. (Het is à 10 cts. verkrijgbaar bij den Bondssecretaris).
[Illustratie: Het Kaatsterrein te Leeuwarden.—Foto „Revue der Sporten”.]
V.
Beschrijving van eene partij.
_(Voorgestelde loop van het spel)._
We willen, om hierbij zoo duidelijk mogelijk te zijn, twee parturen van drie spelers tegen elkaar laten kaatsen. (Zie daarom de teekening van het speelveld). De spelers 1•, 2•, 3• begeven zich bij den aanvang van den kamp naar het perk; ze zijn de _Witten_. Hun drie tegenstanders 1×, 2×, 3× stellen zich op bij den opslag, ze zijn het partuur der Rooden. De Rooden ('t laagste nummer) hebben bij den aanvang steeds 't eerst den _opslag_. In het perk staan 2 uitslagers der Witten, de derde makker staat er buiten. Van de Rooden heeft 3× den eersten opslag. (Let tevens op de teekening van de „Telegraaf” en lees vooraf goed „De uitleg van het spel” hiervoor).
* * * * *
De strijd neemt een aanvang. De speler 3× der Rooden neemt den kaatsbal ter hand, en stelt zich als 1ste opslager achter de 1ste opslaglijn op. Hij neemt een aanloop, werpt behendig den bal met de linkerhand een weinig op en drijft hem daarna met de rechter zoo krachtig mogelijk naar het perk, waar de perkspelers zich schrap hebben gezet, het oog op den opslager en daarna op den bal gericht. (Deze opslager tracht zulke krachtige of slechte ballen te geven, dat de perkspelers ze niet of moeilijk kunnen uitslaan, terwijl dezen den bal over de bovenlijn of zoo ver mogelijk uit het bereik der tegenstanders trachten te brengen).
De opslagbal vliegt naar het perk. Nu zijn twee gevallen mogelijk.
_A_. De bal bereikt het afgelijnde perk _niet_. (Hij komt terecht vóór of òp de voorlijn (hij is vóór)—hij valt buiten of òp de zijlijnen (hij is buiten)—hij wordt óver of òp de kwaadlijn van het perk geslagen (hij is kwaad).) Het zijn misslagen.
In al deze gevallen is het een verloren slag voor de spelers op den opslag. Het perkpartuur krijgt 2 punten (dubbele bal) aan de onderste lat van de telegraaf aan zijn zijde (de Witten).
_B_. De bal bereikt het afgelijnde perk _wel_. Nu kunnen de volgende gevallen zich voordoen.
1º. De perkspelers slaan den bal _niet_ terug. Hij zit. (Het opslagpartuur wint nu 2 punten en de telegrafist hangt aan de roode helft een dubbelen bal op).
2º. Een der perkspelers slaat den bal zoo krachtig, dat het een bovenslag wordt (de bal wordt geslagen over de bovenlijn; bovenslag, Victoriaslag of Herculesslag.) Het perkpartuur wint 2 punten.
3º. De spelers in het perk slaan den bal terug, maar de opslagpartij drijft hem op haar beurt achter de perkvoorlijn terug en de perkmaats kunnen hem niet weer bemachtigen. Het opslagpartuur heeft nu 2 punten gemaakt.
4º. Een der perkmakkers slaat den opslagbal terug, maar deze spat van de hand en komt in de vlucht (vóór de bovenlijn) op of over de zijkwaadlijnen. Het is voor de tegenstanders een gewonnen slag. Het was een kwaadslag. Komt de bal _rollende_ of stuitende over de kwaadlijnen, dan is het geen kwaadslag, maar een gewone uitslagbal.
5º. Een der spelers van het perk slaat den opslagbal terug, maar niet ver genoeg. Hij wordt door de tegenpartij gekeerd vóór de bovenlijn, of door haar teruggeslagen, maar niet zoover, dat hij achter de voorperklijn gedreven wordt.
Na enkele heen- en weerslagen komt de bal tusschen perk en bovenslag tot rust. Hij _zit_ dus niet (in het perk) en hij is niet _boven_ (achter de bovenlijn). Geen der parturen heeft dezen slag gewonnen. Het is een nog onbesliste slag, een _kaats_. De aanmerker plaatst een kaatsblokje bij dit punt. Nu moet de 2de opslager den bal overnemen (2× bijv.). Dezelfde gevallen, als hierboven beschreven zijn, kunnen zich nu weer voordoen.
Na enkele slagen moeten Rood en Wit wisselen. Rood gaat naar het perk, Wit naar den opslag. Deze wisseling geschiedt: met _één_ kaats, als beide parturen (of een van beide) 6 punten aan de lat hebben (heeft). Met _twee_ kaatsen, als _geen_ der parturen 6 _punten_ heeft (b.v. Rood heeft 4 p., Wit 2 p. enz., enz.).