Het "John Grier Home"

Part 12

Chapter 124,114 wordsPublic domain

Wij hebben al een week lang op een winderigen dag gewacht en nu is die eindelijk gekomen. Mijn kinders laten vliegers op en alle jongens en meisjes, die groot genoeg zijn om er aan mee te doen, zijn over het heuvelachtige landschap, waar de schapen van Mijnheer Knowltop weiden, verspreid, om de vliegers op te laten, die ze weken geleden zelf hebben gemaakt. Ik heb eerst heel veel moeite gehad om den ouden brommerigen heer, wien de grond toebehoort, te bewegen, dat hij voor het vlieger-oplaten zijn permissie gaf.

[Illustratie]

Hij beweerde dat hij vondelingen niet kon uitstaan en als hij er eens in toestemde om ze op zijn terrein te laten spelen, zou de grond voortaan steeds door hen onveilig gemaakt worden. Als je hem hoorde spreken, zou je denken, dat vondelingen een soort wilde dieren waren. Nadat ik echter een half uur erg kalm en overtuigend had geredeneerd, gaf hij al pruttelend zijn toestemming dat wij ons twee uur lang op het terrein, waar de schapen grazen, mochten vermaken. Evenwel op de strenge conditie, dat wij dien tijd niet zouden overschrijden en ons niet op den grond zouden wagen, waar de koeien weiden, en om nu dat laatste heiligdom voor ons te bewaken, heeft Mr. Knowltop zijn tuinier en chauffeur en twee grooms gestuurd om de grenzen gedurende de vliegerpartij af te loopen. De kinderen zijn dolblij en rennen met hun vliegers rond en geraken met elkaars touwen verward; als zij hijgend en vermoeid terugkomen, zal ik hen met gemberkoekjes en limonade verkwikken.

Als je toch eens denkt aan die arme, kleine schapen met hun oude, vroegwijze gezichtjes! Het is heel moeilijk om hen in jonge levenslustige kinderen te veranderen, maar ik geloof dat ik het toch gedaan zal krijgen, en het is werkelijk aardig het gevoel te hebben dat je iets goeds voor de wereld tot stand brengt. Als je je er niet erg tegen verzet, zul je je doel nog bereiken en me in een werkelijk nuttig persoontje veranderen. De mondaine genoegens van Worcester lijken mij vervelend toe bij het steeds toenemend belang, dat ik in 113 liefdevragende, hartelijke vondelingetjes stel.

In liefde, Sallie.

P.S. Ik wil waarheidslievend blijven en moet dus wel getrouw constateeren, dat ik hedenmiddag slechts 107 kinderen onder mijn hoede heb!

Lieve Judy,

Daar het heden Zondag en een zeer schoone dag was, met een zoel windje, ging ik in het raamkozijn zitten, de "Hygiënische behandeling van het zenuwstelsel" (Sandy draagt steeds zorg voor de verrijking van mijn geest) open in mijn schoot, mijn blik in de verte gericht. "Goddank", zuchtte ik, "het gesticht is tenminste zoo gebouwd, dat je nog over den ijzeren muur kunt heen kijken, die ons van de buitenwereld verwijderd houdt!"

Ik voelde me erg moe en als een gevangene, net alsof ik zelf een vondelingetje was. Ik leidde hieruit af, dat mijn zenuwstelsel naar de buitenlucht en naar eenige verandering snakte. Recht voor mij zag ik de witte lijn van den weg, die in de diepte van de vallei verdwijnt en bij de heuvels weer zichtbaar wordt. Arme Judy, ik weet haast zeker, dat datzelfde gevoel jou dikwijls genoeg in je jeugd gekweld zal hebben! Als ooit een van mijn kuikentjes bij het raam zit en naar de heuvels over de vallei kijkt en vraagt "Wat is dat aan den overkant?" zal ik onmiddellijk om een auto telefoneeren en het kind er heen rijden.

Vandaag waren echter al mijn kinderen zeer vroom in hun zieleheil verdiept en ik was het eenig onrustig wezen in dit huis. Ik wisselde mijn zijden Zondagsjapon met een homespun mantelcostuum en dacht er over na hoe ik de toppen van de heuvels zou kunnen bereiken.

Toen liep ik naar de telefoon en vroeg kort en bondig No. 505 aan. "Goedenmiddag, juffrouw MacGurk", begon ik minzaam, "kan ik Dr. MacRae spreken?"

"Wacht dan aan de telefoon", snauwde de vriendelijke dame me toe. Sandy's stem deed zich hooren. "Goedenmiddag dokter", zeide ik tegen hem, "hebt u misschien een zwaarzieke patient aan de overzij van de heuvels?"

"Neen, die heb ik niet, Juffrouw McBride, Goddank!"

"Dat is jammer", zei ik teleurgesteld. "En wat wilt u vandaag uitvoeren?"

"Ik lees 'De oorsprong van de Sexen'".

"Legt u dan dat boek maar weg want dat is heelemaal geen Zondagslectuur. En vertelt u me eens, is uw auto geolied en klaar voor een rit?"

"Die staat tot uwe beschikking. Wilt u dat ik een paar kinderen mee naar buiten neem?"

"Neen dokter, alleen maar iemand die het met haar zenuwen te kwaad heeft. Ik heb nu eenmaal het idée fixe, dat ik de toppen van de heuvels aan gene zijde wil bereiken".

"O, mijn auto heeft een groote snelheid! In tien minuten...."

"Wacht even", zei ik. "Neem een koekepan mee, die voor twee menschen kan dienen. In mijn keuken heeft de kleinste pan nog de afmetingen van een wagenrad. En vraagt u dan ook of Juffrouw MacGurk erop rekent, dat u met het avondeten wegblijft?"

Dus pakte ik een mand vol met ham en eieren en beschuit en gemberkoekjes en gloeiende koffie in een thermosflesch en wachtte op de trap, totdat Sandy met zijn auto en koekepan voorkwam.

Wij hadden werkelijk een heerlijken dag en hij genoot even hard als ik van ons uitstapje. Geen enkele maal liet ik hem over krankzinnigheid spreken! Ik bewonderde met hem de uitgestrekte weiden en de grillige lijnen, waarmede de knotwilgen tegen de lucht afsteken, en snoof met hem de heerlijk frissche weidegeuren op en luisterde naar de kerkklokken en de koebellen en het kabbelen van de rivier. En wij spraken over een massa dingen, die alle niets met het gesticht te maken hadden. Ik bemerkte, dat hij heel en al vergat dat hij een geleerde was, en dat hij zich als een jongen voelde; je zult het haast niet gelooven maar het is toch heusch waar -- hij haalde zelfs een of twee echt ondeugende jongensstreken uit! Sandy is nog altijd in de dertig en dat is werkelijk een te jeugdige leeftijd om je al volwassen te gevoelen!

Wij kampeerden op een hoogte van waar wij alles konden overzien en staken een vuurtje aan en hadden het verrukkelijkste avondeten, dat wij ooit hadden gehad! Een stuk hout viel midden in onze koekepan tusschen de eieren met ham, maar houtskool is zuiverend en heel gezond! Toen Sandy zijn pijp had opgerookt en de zon in het westen was ondergegaan, pakten wij den boel bijeen en reden huiswaarts.

Hij zei dat dat de aardigste dag was geweest, dien hij sinds jaren heeft gehad en ik geloof werkelijk, dat het waar is wat die arme man van de wetenschap verkondigde. Zijn olijfgroene huis is zoo ongezellig en somber en zoo weinig noodend, dat ik heel goed begrijp, dat hij zijn troost bij zijn boeken moet zoeken. Zoo gauw ik maar een aardige lieve dame vind met moederlijke bewegingen, zal ik het op haren en snaren zetten om er die McGurk uit te gooien hoewel ik voorzie, dat zij nog moeilijker dan Sterry haar voeten buiten de deur zal zetten.

Maak nu alsjeblieft niet de gevolgtrekking, dat ik gloeiend veel belang stel in onzen slecht-gehumeurden dokter, want dat is absoluut niet het geval. Het komt alleen doordat hij zoo'n treurig jonggezellen leven leidt, dat ik er af en toe naar verlang hem te vertroetelen en mijn hand op zijn hoofd te leggen en hem te zeggen, dat hij vroolijk moet zijn. De wereld is immers vol zonneschijn en een deel daarvan is ook voor hem bestemd. Ik heb tegenover hem hetzelfde gevoel als tegenover mijn 107 vondelingetjes. Niets meer en niets minder.

Ik was er stellig van overtuigd, dat ik je ook werkelijk nieuws had te berichten maar het wil me nu niet te binnen schieten. De frissche lucht heeft me slaperig gemaakt. Het is net half negen. Goeden nacht!

S.

P.S. Gordon Hallock schijnt niet langer voor mij te bestaan. In drie weken geen enkel woord, geen kandijklontjes en ook geen speelgoedbeestjes! Geen enkel levensteeken! Wat ter wereld mag er met dezen vriendelijken jongen man gebeurd zijn?

13 Juli.

Liefste Judy,

Aanhoort de goede tijding!

Daar dit de 31ste dag van Punch's afwezigheid is, telefoneerde ik zijn twee weldoensters op, om, zooals was afgesproken, over zijn vertrek te confereeren. Maar ik stuitte op een verontwaardigde weigering. Hun lief klein vulkaantje teruggeven, nu hij er juist aan begon te wennen de menschheid niet regelmatig op vulkanische uitbarstingen te vergasten! Ze konden er gewoonweg niet over uit, dat ik zulk een ondankbaar voorstel doen kon. Punch heeft de uitnoodiging al aangenomen om er den heelen zomer door te brengen.

Nog steeds zijn we hier aan het kleeren naaien. Je moest de machines hooren snorren en eens luisteren naar het vroolijk gebabbel in de naaikamer. Ons meest lusteloos, versuft vondelingetje wordt wakker en stelt weer belang in het leven, als ze hoort, dat ze drie jurken zal krijgen, die aan haar en niemand anders zullen toebehooren en elk van een andere kleur zal zijn, die ze zelf mag uitzoeken. En je moest eens zien hoe dat hen bij het naaien aanspoort; zelfs de kleintjes van tien jaar zijn dapper aan het zoomen. Ik wilde wel dat ik net zoo'n goed middel kon bedenken om de belangstelling voor het koken op te wekken, maar onze keuken helpt ons absoluut niet om die opleiding wat aangenaam te maken. Je weet niet welk een domper het is voor iemands geestdrift als hij een H.L. aardappelen moet schillen.

Ik geloof dat ik je al verteld heb, dat ik mijn kinderen in tien aardige kleine families zal verdeelen met een lief huismoedertje, dat aan het hoofd van de tien staat. Als ik nu tien aardige cottage-woninkjes had om hen daarin te stoppen, met bloemen voor het huis en hondjes en katjes en konijntjes, zouden we een werkelijk presentabel gesticht kunnen vormen en behoefden wij ons niet te schamen als deze of gene ons kwam opzoeken.

Donderdag.

Ik begon dezen brief drie dagen geleden maar werd daarbij overvallen door een zeer welwillenden breedsprakerigen philantroop (met dat gevolg, dat ik vijftig kaartjes voor het circus kreeg) en ik had sedert dien geen vrij oogenblik om weer verder te schrijven. Betsy is drie dagen in Philadelphia geweest omdat ze voor het een of ander nichtje bruidsmeisje moest zijn. Ik hoop dat haar overige familie voorloopig niet aan trouwen denkt want zoo'n evenement is zeer storend voor de rust en orde van het John Grier Home.

Tijdens haar afwezigheid bezocht zij een familie die naar een kind had gevraagd. Natuurlijk hadden wij niet bepaald een kuikentje, dat van onder Moeders vleugels uit moest vliegen, maar nu die familie ons zoo toevallig tegen het lijf liep, wilden we toch van de gelegenheid profiteeren. Gewoonlijk werken wij met de State Charities' Aid Association, welke een menigte agenten heeft die het land bereizen en zoo dus voortdurend in aanraking blijft met families, die kinderen wenschen aan te nemen en met gestichten, die die kinderen op deze wijze een goed tehuis willen verschaffen. Sedert deze instelling zich bereid heeft verklaard ook voor ons te werken, kunnen we haast alle kleine babies, die wij hebben, plaatsen. Ik wil er ook zooveel mogelijk op heel jeugdigen leeftijd een eigen thuis bezorgen, want ik geloof zeker dat een eigen thuis het beste is wat een kind zich wenschen kan. Natuurlijk moeten wij eerst heel zeker zijn van het milieu waarin het schaapje terecht komt. Ik verlang geen rijke pleegouders, maar in elk geval vriendelijke liefhebbende en verstandige ouders. Deze keer heeft Betsy naar het schijnt een juweel van een familie aangetroffen. Het kind is nog niet geleverd, de papieren zijn ook nog niet geteekend en dus verkeer ik nog steeds in angst dat plotseling al onze mooie plannen in duigen zullen vallen.

Vraag eens aan Jervis, of hij wel eens gehoord heeft van J. F. Bretland in Philadelphia. Hij schijnt zich veel in financieele kringen te bewegen. Het eerste, wat ik van hem onder mijn oogen kreeg, was een brief aan den "Directeur van het John Grier Home", een kort zakenbriefje in machineschrift, van een afschuwelijk zakelijken advocaat, meldend dat zijn vrouw besloten had een meisje van goede gezondheid en met lief voorkomen tusschen twee en drie jaar aan te nemen. Het kind moest een vondelinge van Amerikaansche afkomst zijn, zonder erfelijke belasting en zonder familieleden, die nog eenig recht kunnen laten gelden. Zou ik hem zulk een kind kunnen verschaffen?

Bij wijze van referentie noemt hij "Bradstreets". Heb je ooit zoo iets grappigs gehoord?

Wij begonnen ons onderzoek door aan een dominee in Germantown, de stad, waarin J. F. Bretland woont, inlichtingen te vragen.

"Is hij bemiddeld?

Betaalt hij zijn rekeningen?

Is hij vriendelijk tegen dieren?

Bezoekt hij de kerk?

Leeft hij in goede verstandhouding met zijn vrouw?" en nog een dozijn andere impertinente vragen.

Wij schenen een dominee met gevoel voor humor te hebben aangetroffen want in plaats van hierop breedvoerig in te gaan, schreef hij met groote letters dwars over het vel papier: "Ik wou dat zij mij wilden aannemen!"

Dit klonk veelbelovend, daarom ging Betsy dadelijk naar Germantown, zoodra de bruiloftsplechtigheid afgeloopen was, Betsy schijnt een geboren detective te zijn. Nadat zij ergens een kort bezoek heeft afgelegd, kan ze ons alleen door het zien van tafels en stoelen op een heel familiedrama vergasten.

En ze keerde vol van enthousiaste bijzonderheden bij ons terug.

Mijnheer J. F. B. is een rijk en zeer invloedrijk burger, die door zijn vrinden hartelijk bemind en door zijn vijanden diep gehaat wordt (ontslagen bedienden, die niet nalaten van hem te vertellen dat hij een hardvochtig man is). Hij bezoekt ook de kerk, niet geregeld, maar zijn vrouw haalt de schade voor hem in en hij geeft er geregeld geld voor.

Zij is een allerliefste zachte vrouw en zeer beschaafd. Nadat zij een jaar zenuwziek in een sanatorium heeft doorgebracht, heeft de dokter gezegd dat zij iets moest hebben wat haar aan het leven bond en hij raadde haar ten zeerste aan om een kind te adopteeren. Zij heeft daarnaar altijd verlangd. Eindelijk, zoo als altijd, heeft ook in dit geval de lieve zachte echtgenoote getriomfeerd en de strenge man is gedwongen om toe te geven.

Terwijl hij nu zijn voorkeur voor een jongen voorbijzag, schreef hij, zooals ik je reeds vertelde, het gewone verzoek van een vrouw, een meisje te willen aannemen.

Mevrouw Bretland heeft, met het steeds levendig verlangen een kind aan te nemen, al jaren lang over niets dan over kinderen gelezen en er bestaat geen kinderziekte of zij is er volkomen van op de hoogte. Zij heeft een heerlijk zonnige kinderkamer en een kast vol poppen, die zij vol liefde heeft uitgezocht. Zij toonde Betsy alles vol trots. Je begrijpt hoe hard die arme vrouw een kindje noodig heeft!

Zij heeft ook juist gehoord van een uitstekende Engelsche nurse, die ze zou kunnen krijgen, maar misschien zou het wel beter zijn om met een Fransche kindermeid te beginnen, zoodat het oor van het kind dadelijk aan die vreemde klanken zou kunnen wennen. En het interesseerde haar ook erg toen zij hoorde, dat Betsy de Universiteit had bezocht. Ze wist nog niet of ze haar baby later daarheen zou sturen, ja of neen. Wat dacht Betsy ervan? Als het kind nu Betsy's eigen dochter was, zou zij haar dan de Universiteit laten bezoeken?

En dit alles zou vermakelijk zijn als het niet tevens zoo aandoenlijk was. Werkelijk, ik kan me niet los maken van het beeld van die arme eenzame vrouw, die daar poppenkleertjes jaren achtereen naaide voor het kleine onbekende meisje, waarvan ze zelfs nog niet eens zeker wist of ze het zou mogen aannemen ja of neen. Ze verloor jaren geleden haar eigen twee babies, of liever gezegd, ze heeft ze nooit gehad, de kindertjes van dat arme moedertje hebben nooit geleefd.

Je ziet dus wat een prachtig thuis dat zou zijn. Een schat van liefde wacht op het kleine meisje en dat is meer waard dan alle weelde, die toch ook niet kwaad is als ze met liefde gaat gepaard.

Maar nu is het groote probleem een kind te kunnen vinden en dat is niet gemakkelijk. De J. F. B.'s zijn zoo afgrijselijk veeleischend. Ik heb juist het baby-jongetje dat voor hen zou passen, maar wat zou er dan met al die poppen moeten gebeuren! Kleine Florence is ook niet goed want haar moeder leeft nog steeds, en dan heb ik een verzameling van buitenlanders met groote, bruine oogen, maar dat is heelemaal niets, want Mevrouw Bretland is blond en heeft blauwe oogen en haar dochter moet op haar lijken. Ik heb ook verschillende kleine snoesjes, die niet het minst van erfelijke belasting te lijden hebben, maar de Bretlands verlangen een afstammeling van een geslacht, waarvan zes generaties minstens de kerk trouw hebben bezocht terwijl aan het hoofd een groote persoonlijkheid moet prijken. Ook heb ik een schat van een kindje met blonde krullen (en krullend haar wordt hoe langer hoe zeldzamer), maar, lieve deugd, het kind is onwettig en dat schijnt een onoverkomelijk bezwaar in het oog van pleegouders, hoewel het aan het kind zelf niet de minste afbreuk doet. Toch zal het niet gaan want de Bretlands eischen een boterbriefje.

Van alle 107 blijft er maar één over, die er voor geschikt zou zijn De vader en moeder van onze kleine Sophie werden bij een spoorwegongeluk van het leven beroofd en alleen doordat hun kindje juist in een hospitaal lag om voor een abces in de keel behandeld te worden, bleef het kind gespaard. Ze is van een goede, Amerikaansche familie en van vervelend-onberispelijk gedrag. Zij heeft ook veel van een uitgewrongen vaatdoek -- een dreinerig, vervelend klein ding! De dokter heeft haar met zijn geliefkoosde levertraan en spinazie volgepropt, maar kon er ondanks dat alles toch niet in slagen, om er een beetje aardigheid in te pompen.

Toch kunnen liefde en goede zorg soms wonderen bij gestichtskinderen uitrichten en het kan zijn, dat zelfs zij zich nog eens tot een zeldzame, schoone bloem ontplooit. Dus zond ik een ontroerend verslag over haar familie-geschiedenis aan J. F. Bretland, vergezeld van het aanbod om haar in Germantown uit te leveren.

Vanmorgen kreeg ik echter een telegram van J. F. B. Hij is niet van plan een dochter ongezien te koopen, maar hij zal hierheen komen om het kind persoonlijk den volgenden Woensdag om drie uur in oogenschouw te nemen.

Lieve deugd, als hij haar nu eens niet kan uitstaan! Wij zetten nu ons beste beentje voor om het kind schoonheid bij te brengen, evenals ook een jonge hond geprepareerd wordt alvorens hij naar de tentoonstelling verhuist. Zou je het heel erg vinden, als ik een tikje rouge op haar wangen smeerde? Ze is nog te klein om die gewoonte over te nemen.

Nu, je kunt je niet beklagen, dat ik je weinig schrijf, -- ik heb aan een stuk door achter elkaar gepend. Je ziet nu wel waar mijn hart en gedachten zijn. O Judy, ik ben toch zoo bezorgd voor de toekomst van die kleine Sophie! Het lijkt wel of het mijn toekomst betreft of die van mijn bloed-eigen kleine dochter!

Eerbiedige groeten aan onzen President,

Sallie McBride.

Beste Gordon,

Ik vind het heel leelijk en onaardig om me vier weken lang zonder een enkel woord te laten, alleen maar omdat ik in een abnormale herrie en drukte je drie weken lang niet schreef. Ik maakte me al ongerust over de vraag of je nog tot de levenden behoorde en ook mijn kinderen missen Oom Gordon op een vreeselijke wijze, want ze houden dol veel van dien Oom. Denk er alsjeblieft aan, dat je ons beloofd hebt een ezel te sturen en vergeet ook niet, dat ik het zwaarder heb te verantwoorden dan jij. Het is heel wat harder werk om in het John Grier Home te ploeteren dan in het Capitool en daarbij komt nog, dat jij veel betere hulp hebt dan ik.

Dit is geen brief, alleen maar een verontwaardigd protest. Misschien schrijf ik je morgen of op een andere keer.

S.

P.S. Nu ik je brief overlees, verteeder ik wel een beetje, maar toch geloof ik je lieve woordjes geen van alle. Ik weet heel goed dat je me vleit, als je zoo mooi praat, en daarvoor heb je dan een reden, vriendje!

17 Juli.

Lieve Judy,

Ik moet je een heele historie vertellen.

Zooals je weet, zou Woensdag de belangrijke samenkomst tusschen J. F. Bretland en de kleine Sophie plaats vinden; dus werd die kleine om half twee gebaad en geborsteld en in schoone kleertjes gestoken en aan een vertrouwenswaardig vondelingetje afgeleverd met het nadrukkelijk verzoek er voor te waken, dat het kind schoon bleef.

Precies klokslag (nog nooit heb ik iemand ontmoet, die zoo afgrijselijk businesslike is als J. F. B.) hield er een luxueuse auto voor het hek van ons ontzagwekkend chateau stil. Een breedgeschouderde, stevige man met vierkanten beslisten kop en iets over zich, dat je beweegt vooral voort te maken, stapte uit en meldde zich drie minuten later bij mijn werkkamer aan. Hij begroette mij kortaf als "Miss McKosh", wat hij na mijn vriendelijke verbetering in "Miss McKim" wijzigde. Ik wees hem mijn gemakkelijksten armstoel aan en noodigde hem uit, na de gedane reis een verfrissching te gebruiken. Hij vroeg hierop om een glas water (ik vind het prettig als een pleegvader matig is) en gaf daarna met zeker ongeduld te kennen, dat hij tot de zaak wenschte over te gaan. Dus schelde ik even en gaf order om de kleine Sophie naar beneden te brengen.

"Neen, neen, Miss McGee", stribbelde hij tegen, "ik zou haar liever in haar eigen omgeving willen zien. Weest U zoo goed en brengt U mij naar de speelkamer of naar de slaapkamer, waar die kleintjes zijn".

Ik bracht hem naar de speelkamer, waar dertien of veertien kleine dreumesjes, in flanelletjes gestoken, op matrassen op den grond rolden. Sophie, afgescheiden van de anderen, prijkte in haar schoonsten tooi en woog zwaar op den arm van een blauwgeruit katoenen vondelingetje, dat van het geval al meer dan genoeg had. Ze dreinsde en zanikte om ook op den grond te mogen spelen en bood een allesbehalve aanlokkelijker aanblik. Ik nam haar in mijn armen en suste haar en streek haar kleertjes glad en snoot haar neusje en vroeg haar vleiend dien heer eens in de oogen te kijken.

De heele toekomst van dat kind hing van één vriendelijk lachje af, en ze dreinsde!

Mr. Bretland schudde haar handje op een zeer kort aangebonden wijze en nam haar van top tot teen op alsof hij een jongen hond voor zich had. Sophie nam niet de minste notitie van hem, maar draaide hem haar rug toe en verborg haar snuitje in mijn hals. Hij haalde zijn schouders op en zeide, dat hij haar wel op proef wilde nemen, misschien voelde zijn vrouw er iets voor. Hij zelf verlangde in geen enkel opzicht naar dat kind en wij maakte aanstalten om heen te gaan. Maar wie denk je wel, dat ons daar tegemoet liep? Niemand anders dan die kleine zonnige Allegra! Vlak voor hem wankelde zij, zwaaide met haar armen als een windmolen en plofte op alle vier neer. Hij sprong met groote handigheid op zij, om te voorkomen dat hij op haar trapte, en pakte haar beet om haar weer op te helpen, maar dat lieve diertje sloeg haar armpjes vast om zijn hals en keek met een heerlijk vertrouwelijk lachje naar hem op.

"Pappie, til baby op, pappie!"

Hij is de eenige man, behalve de dokter, dien het kind sinds weken heeft gezien en waarschijnlijk lijkt hij eenigszins op haar bijna vergeten vader.

J. F. B. pakte haar beet en gooide haar zoo handig de lucht in alsof dat een dagelijksch karweitje voor hem was, terwijl zij schaterde en het uitgierde van de pret. Toen hij vervolgens te kennen gaf, dat hij haar weer op den beganen grond wilde afzetten en haar liet zakken, pakte ze hem bij zijn neus en bij zijn ooren en trommelde met haar beide voetjes een krijgsmarsch op zijn buik. Niemand kan er Allegra van beschuldigen dat zij niet genoeg spirit bezit! J. F. B. wist zich uit haar omhelzing los te werken en zette haar op den grond neer, haar knuistje hield hij echter stevig vast.

"Dàt is het kind, wat ik hebben moet", zei hij. "Ik geloof niet dat het noodig is, dat ik nog verder kijk".

Ik gaf te kennen, dat wij de kleine Allegra niet van haar broertjes konden scheiden, maar hoe meer tegenwerpingen ik maakte, des te vaster werd de lijn om zijn mond. Wij keerden naar mijn werkkamer terug en redeneerden daar samen een half uur lang.