Het "John Grier Home"

Part 11

Chapter 114,095 wordsPublic domain

Gistermorgen verscheen, zonder dat wij in het minst van te voren gewaarschuwd waren, een stationsrijtuig voor ons hek, ontlaadde twee mannen, twee kleine jongens, een klein meisje, een hobbelpaard en een teddybeer en reed weer weg.

De twee mannen waren artisten en de kleintjes waren de kinderen van een kunstbroeder, die drie weken geleden gestorven was. Ze hadden die schapen bij ons gebracht, omdat ze vonden, dat John Grier Home heel solide en respectabel klonk en niets heeft, naar den naam te oordeelen, van een liefdadigheidsinstelling. Nooit was in hun artistenbrein de gedachte gerezen, dat er eenige formaliteiten noodig zijn om een kind in een gesticht te plaatsen.

Ik legde hun uit, dat het heele huis stampvol was, maar ze schenen zoo verward en verdrietig, dat ik hen uitnoodigde even te gaan zitten, terwijl ik trachten zou hun een goeden raad te geven. Dus werden de kinderen zoolang naar de speelkamer gestuurd, terwijl ik naar hun verhaal luisterde. Deze artisten hadden een fatale welsprekendheid. Wellicht ook heeft het kleine meisje, met een zeldzaam mooi kinderlachje, het gedaan -- in elk geval het eind van het lied was, dat de kinderen bij ons bleven.

Ik heb nog nooit zoo'n zonnig schepseltje gezien als de kleine Allegra. (Wij krijgen hier niet vaak zulke elfenwezentjes te zien en zulke elfennamen te hooren). Ze is drie jaar en spreekt een alleraardigst kindertaaltje, waarbij zij het telkens uitschatert van de pret. De tragedie, die ze zoo pas heeft meegemaakt, heeft haar niet in het minst aangegrepen. Maar Don en Clifford, ernstige, flinke jongens van vijf en zeven, hebben al een vroeg-wijze uitdrukking op hun gezichtjes en zijn gehard in het wreede leven.

Hun moeder was kinderjuffrouw en trouwde met een schilder met een kapitaal aan geestdrift en een paar tubes verf. Zijn vrienden zeggen dat hij talent had, maar natuurlijk kon hij daarmee den melkboer niet betalen. Ze leefden op artistenmanier in een ouderwetsch atelier, kookten achter ezels, terwijl de babies op een paar planken sliepen.

Maar toch schijnt dat leven mooi geweest te zijn, want ze hadden een schat van liefde en heel veel vrienden, allen min of meer arm, maar artistiek en broederlijk en vol hooge idealen. En de kinderen met hun lieve fijne maniertjes, zijn nog het bewijs van de omgeving waarin ze zijn opgegroeid. Ze hebben iets over zich dat vele van mijn kinderen, ondanks alle goede manieren die ik hun aanleer, zich nooit eigen zullen maken.

De moeder stierf een paar dagen na Allegra's geboorte in het ziekenhuis en de vader worstelde nog twee jaar door, zwoegend voor het dagelijksch brood en er maar op los schilderend wat hij opkreeg, advertenties, reclames, alles, wat er maar was, om voor zijn kinderen dak en eten te hebben.

Drie weken geleden stierf hij in het St. Vincent gesticht, overwerkt, ondervoed, doodop. Longontsteking. Zijn vrienden namen de babies tot zich, verkochten de schilderstukken die nog niet beleend waren, betaalden de schulden en keken naar het beste gesticht uit, dat ze konden krijgen. En, hoe toevallig, hun oog viel op het onze!

Welnu, ik hield die twee artisten hier gedurende de lunch. Aardige menschen waren het met slappe hoeden, en zwarte, los gestrikte dassen, aan wien je het moeilijke leven toch kon aanzien. En toen stuurde ik ze naar New-York terug met de belofte, dat ik voor de drie kleintjes met veel liefde en toewijding zou zorgen.

Zoo zijn ze dus hier aangeland! Een in de baby-afdeeling en twee bij de grootere kleintjes. Vier groote kisten vol schilderijen in den kelder, een koffer met de brieven van hun vader en moeder op zolder en een zeker onbeschrijfelijk iets, gekenmerkt door de uitdrukking in hun gezicht, hun woordenkeuze en gedachtengang, dat is hun erfenis.

Ik moet telkens en telkens weer aan hen denken. Den geheelen langen nacht heb ik al over hun toekomst nagedacht. Niet wat de jongens betreft: die gaan later naar de Universiteit met de hulp van Mr. Pendleton en zullen beroemde burgers worden -- maar ik weet niet wat er uit Allegra moet groeien. Heusch, ik zou niet weten wat ik voor dit kind zou wenschen. Natuurlijk is de normale wensch voor elk lief meisje, dat twee vriendelijke pleegouders de plaats van de werkelijke ouders, waarvan het noodlot haar heeft beroofd, zullen innemen. Maar in dit geval zou het wreed zijn dat kindje van haar broertjes te scheiden. Hun liefde voor de baby is ontroerend. Zie je, ze hebben haar groot gebracht en de eenige keer, dat ik hen hoorde lachen, was, toen zij iets leuks zeide. Die arme jongens missen hun vader vreeselijk. Gisteren vond ik Don, de kleine van vijf, hartstochtelijke snikkend in zijn bedje liggen "omdat hij vader geen goedennacht kon zeggen".

Maar Allegra doet haar naam eer aan en is werkelijk de vroolijkste jonge dame, die ik ooit heb gezien. Dat ondankbare kindje heeft nu al haar ongelukkigen vader vergeten, die zoo goed voor haar heeft gezorgd.

Wat kan ik met deze drie kleintjes doen? Ik peins en peins en peins maar ik kan de oplossing van het vraagstuk niet vinden en het schijnt mij zoo vreeselijk om die schaapjes hier groot te brengen. Want, hoe goed het er ook bij ons zal uitzien, als wij den heelen boel verbeterd hebben, toch is en blijft het een gesticht en onze kinderen blijven toch het product van een kunstmatig broedsel. Ze krijgen niet die zorgvuldige individueele warmte, die van een oude moederhen uitgaat.

Het kan zijn, dat ik je nog veel interessante nieuwtjes had te vertellen, maar mijn nieuw drietal heeft alle andere gedachten uit mijn hersens verdreven.

Kinderen geven een zekere vreugde maar ook niet weinig zorg.

Als altijd, Je Sallie.

P.S. Vergeet niet, dat je me de volgende week wilde bezoeken.

P.S. 2. De dokter, die gewoonlijk zoo droog-wetenschappelijk is en ongevoelig is op de kleine Allegra dol verliefd. Hij keek niet alleen of ze geen gezwollen amandelen had, neen, hij nam haar in zijn armen, tilde haar hoog op en knuffelde haar. O, het is zoo'n heerlijk diertje! Wat zal er uit die kleine groeien?

22 Juni.

Lieve Judy,

Ik kan je berichten, dat je niet langer bevreesd hoeft te zijn over de weinige hulp, die ons wacht als er hier een brand zou uitbreken. De dokter en Mr. Witherspoon hebben deze zaak hun volledige aandacht geschonken en tot nu toe is hier nog geen spel bedacht, dat zoo insloeg als onze brandweeroefening.

De kinderen gingen allen hun bedjes opzoeken en vielen in lichten sluimer. Plotseling weerklinkt brandalarm! Ze springen op, trekken hun pantoffels aan, nemen een deken van hun bed, wikkelen die om hun imaginaire nachtjaponnen, en gaan dan, netjes op een rij door de gang en de trap af.

Onze zeventien dreumesjes in de babykamer waren allen aan de hoede van een Indiaan toevertrouwd en werden jubelend van plezier weggedragen. De overige Indianen belastten zich met het reddingswerk, zoolang er geen gevaar dreigde, dat het dak zou instorten. Bij onze eerste oefening werd, onder commando van Percy, de inhoud van een twaalftal kleerkasten, in lakens gewikkeld, onder geschreeuw het raam uitgeworpen. Ik zorgde er nog net voor, bijtijds het opperbevel in handen te krijgen, zoodat matrassen en kussens niet denzelfden weg op gingen. Wij hebben nog uren lang die kleeren moeten uitzoeken, terwijl de dokter en Percy, wien het pretje was gaan vervelen, met hun pijp in den mond naar het Indianenkamp opliepen.

Onze toekomstige oefeningen zullen een tintje minder realistisch zijn. Toch ben ik blij, dat ik je het gunstig rapport kan overbrengen, dat onze jongens onder leiding van den chef van den brandweerdienst, den Heer Witherspoon, het gebouw in 6 miniuten en 28 seconden absoluut ledig wisten te maken.

Onze baby Allegra heeft sprookjesbloed in haar aderen en nog nooit heeft ons huis zulk een kind geherbergd, met uitzondering van dat waarvan Jervis en ik iets afweten. Zij heeft den dokter absoluut onder haar macht. Inplaats van zijn inspectiereis door het huis als een stugge wetenschappelijke man af te leggen, doet hij dat nu aan de hand van de kleine Allegra, die hij tenslotte in mijn werkkamer brengt, waar hij een half uur met paardje rijden en stoeien met de kleine doorbrengt.

Twee dagen geleden liep hij even aan om wat met Betsy en mij te babbelen, en werkelijk, hij was frivool. Hij gaf drie grappen ten beste en ging aan de piano zitten, waar hij, zich zelf begeleidende, een paar oude Schotsche liedjes zong. "My love 's like a red, red rose" en "Come under my plaidie" en "Wha's at the window? Wha? Wha?" Wat toch niet in het minst opvoedkundig is. En daarna voerde hij zelfs een paar horlepijppassen uit.

Ik kijk stil naar mijn werk en sta paf, want werkelijk, het is alles door mijn toedoen gebeurd, door het vreeselijk frivole voorbeeld en de boeken, die ik hem te lezen heb gegeven en door het introduceeren van zulke luchthartige gezellen als Jimmy en Percy en Gordon Hallock. Als wij nog een paar maanden verder zijn, is die man werkelijk mensch geworden. Hij heeft zijn purperen das al in een hoek getrapt en zich, op mijn aanraden, in een grijs pak gestoken. Je kunt je niet voorstellen, wat een verandering deze kleinigheid teweeg bracht. Hij zal er heusch gedistingeerd gaan uitzien als ik het er door weet te krijgen, dat hij zijn zakken niet meer vol propt.

Dáág! Denk je er vooral aan, dat we je Vrijdag hier verwachten?

Sallie.

P.S. Hier heb je een kiekje, dat Mr. Witherspoon van Allegra heeft genomen. Is het geen engeltje? Haar tegenwoordige kleeding verhoogt haar schoonheid niet, maar na verloop van enkele weken zullen wij haar in een roze gesmockt jurkje steken.

Woensdag, 24 Juni 10 v.m.

Mevrouw Jervis Pendleton.

Mevrouw,

Ik ontving Uw brief waaruit ik zie, dat U ons niet, zooals afgesproken was, dezen Vrijdag komt opzoeken, omdat Uw echtgenoot door zaken verhinderd is de stad te verlaten. Maar hoe zit dat, mijn lieve dame, is het zoover met je gekomen, dat je hem geen twee dagen alleen kunt laten?

Ik liet mij door geen 113 babies terughouden om jou op te zoeken en ik begrijp werkelijk niet, hoe je je door een enkelen man zoudt kunnen laten weerhouden om je belofte te vervullen. Ik zal a.s. Vrijdag, volgens afspraak, den Berkshire-express bij het station afwachten.

S. McBride.

30 Juni.

Mijn lieve Judy,

Dat was een erg kort bezoek dat je ons bracht! Toch zijn we dankbaar voor elke kleine gunst die ons ten deel valt. Ik was dol in mijn schik, dat jij zoo blij was met den gang van zaken en ik kan Jervis en de architecten haast niet afwachten, om nu eindelijk met de grootste verandering een aanvang te maken.

Je weet niet, ik had toch zoo'n vreemd gevoel al dien tijd, dat je hier was. Ik kan haast niet gelooven dat jij, mijn eenige lieve, buitengewone Judy, vroeger hier in dit gesticht bent grootgebracht en het bittere gemis van die kleine schapen dus zoo door en door meevoelt. Soms vervult de tragedie van je jeugd mij met een wilde drift en in zulk een bui zou ik mijn mouwen willen opstroopen en de heele wereld te lijf willen gaan, om de lui te dwingen een betere plaats voor al die kleine ongelukkige kinderen in te ruimen. Die Schotsch-Iersche stamboom van mij schijnt me een goede dosis vechtlust in mijn bloed gegoten te hebben.

Als je me aan het hoofd had gesteld van een modelinrichting met aardige, heldere woninkjes en waar de heele regeling prachtig liep, dan zou die eentonigheid van dat modelwerk mij heel gauw de keel hebben uitgehangen. Juist het weten dat zooveel dingen om verbetering schreeuwen, geeft mij het gevoel dat ik hier moet blijven. Soms word ik 's morgens wakker en luister naar al die gestichtsgeluiden en snuif de gestichtslucht op en verlang dan dol naar het gelukkige zorgelooze leventje, dat mij door mijn geboorte is toegewezen.

Jij, mijn kleine lieve heks, hebt me betooverd en mij hierheen gebracht, maar dikwijls breekt die ban in den nacht en ik verlang naar den komenden ochtend, met het vaste besluit, dan er van door te gaan. Maar dat vertrek stel ik altijd tot na het ontbijt uit en als ik dan door de gang loop, komt een van die kleine wezentjes op me toe en laat schuchter zijn warm knuistje in mijn hand glijden en kijkt naar me op met zijn groote kinderoogen, schuchter vragend naar een kleine liefkoozing, en ik pak hem en knuffel hem fijn in mijn armen en als ik dan over mijn schouder naar al die andere kleintjes kijk, verlang ik er naar om al die 113 kinderen in mijn armen te kunnen nemen en tegen me aan te drukken, tot hun gezichtjes vroolijk staan, zooals kindergezichtjes moeten zijn. Er gaat iets hypnotiseerends van het werk met kinderen uit, stribbel zooveel tegen als je maar wilt, je legt het er tòch bij af.

Het schijnt dat je bezoek mij in een zeer philosophische stemming heeft gebracht, maar ik heb werkelijk een of twee nieuwtjes, die ik je vertellen moet. De nieuwe jurken schieten al mooi op en o, ze zijn zoo aardig! Mrs. Livermore was dolblij met die balen gekleurd katoen, die je ons zond. Je moest onze werkkamer zien, waar alles in 't rond ligt. En als ik bedenk, hoe heerlijk onze zestig meisjes in het geel en blauw en roze en groen eruit zullen zien, als ze op ons grasveld spelen, dan denk ik er hard over een paar verrekijkers voor onze bezoekers aan te schaffen.

Natuurlijk begrijp je ook wel, dat sommige van onze jurken gauw zullen verkleuren en dus onbruikbaar zullen worden, maar Mrs. Livermore heeft hierover dezelfde slechte principes als wij beiden -- ze geeft er geen steek om! Ze zal voor elk kind een tweede en derde pak maken als het noodig is. In elk geval: WEG MET HET BLAUW GERUIT KATOEN!

Ik ben blij dat je onzen dokter graag mag lijden. Natuurlijk behouden we ons het recht voor, om over hem te zeggen, dat we maar willen, maar toch zouden we ons pijnlijk beleedigd voelen als iemand zich in spottende bewoordingen over hem zou uitlaten.

Wij twee houden nog steeds contrôle over elkaars boeken. De vorige week kwam hij met Spencer's "Systeem van Synthetische Philosophie" aanzetten om het door te bladeren en in ruil hiervoor gaf ik hem het "Dagboek van Marie Bashkirtseff". Weet je nog wel, hoe wij op College onze gesprekken met aanhalingen uit Marie's dagboek wisten te doorspekken? Welnu, Sandy nam het boek mee en las het pijnlijk nauwkeurig door.

"Ja", vertelt hij een paar dagen daarna, "het is een getrouwe beschrijving van een koud, egoïstisch slag menschen, dat nu eenmaal op onze aarde rondzwerft.

[Illustratie]

Maar ik begrijp niet, waarom U het mij hebt aangeraden. Lieve hemel, Sallie Lunn, u en Bash hebben nu letterlijk niets gemeen".

Dat is de liefste opmerking, die hij ooit tegenover mij heeft geuit en ik gevoel mij zeer gevleid. Wat die arme Marie betreft, die noemt hij maar "Bash", omdat hij haar naam toch niet kan uitspreken en haar te verachtelijk vindt om het zelfs maar te probeeren.

Wij hebben hier een kind, het dochtertje van een figurante, een vreeselijk zelfzuchtig, aanstellerig, koud en leugenachtig schepseltje. Maar oogwimpers dat ze heeft, verrukkelijk! Sandy heeft nu eenmaal het land aan dat kind en sinds hij het dagboek van de arme Marie heeft gelezen, heeft hij een nieuwe uitdrukking gevonden om al zijn afschuw tegenover dat kind uit te drukken. Hij noemt haar "bash-achtig" en daarmee is alles gezegd.

Dag Judy! Kom gauw terug. Sallie.

P.S. Mijn kinderen leggen een wanhopende geneigdheid aan den dag, om hun heele vermogen aan kandijklontjes uit te geven.

Dinsdagnacht.

Mijn lieve Judy,

Wat denk je wel dat Sandy nu heeft uitgevoerd? Hij maakt een pleizierreisje naar het zenuwgesticht, waarvan de directeur-geneesheer ons een paar maanden geleden heeft bezocht. Heb je ooit zoo'n man gezien? Hij is gewoonweg dol op krankzinnigen en op idioten en kán die menschen niet met rust laten.

Toen ik hem bij zijn vertrek om eenige raadgevingen vroeg, antwoordde hij:

"Voed de kinderen goed als ze honger hebben en laat ze zonder eten als ze een maagkoliek krijgen en vertrouw nooit op een dokter".

Met dezen wenk en een paar flesschen levertraan zijn wij aan ons zelf overgelaten. Het is nu een heel geschikte tijd om even aan te loopen, want je weet niet hoe vroolijk ik ben, nu ik niet meer onder Sandy's beangstigenden invloed sta.

John Grier Home. Vrijdag.

Waarde vijand,

Hier sta ik aan den mast gebonden, terwijl U er van door gaat en Uw heil bij krankzinnigen zoekt. En ik dacht nog wel, dat ik U zoo netjes had genezen van Uw naargeestige belangstelling in zenuwzieken. Het is vreeselijk ontmoedigend. U leek mij in den laatsten tijd nog wel zoo gewoon.

Mag ik U vragen hoe lang U daar denkt te blijven? U hadt verlof voor twee dagen en nu bent U er al vier weggebleven. Gistermiddag is Charlie Martin uit een kerseboom gevallen, waarbij hij een wond aan zijn hoofd heeft opgedaan. Dus was hij gedwongen om de hulp van een vreemden dokter voor lief te nemen. Vijf steken. Patiënt tamelijk goed. Maar wij houden er hier niet van om op vreemdelingen te zijn aangewezen. Ik zou niet durven kikken als U werkelijk voor een begrijpelijke zaak er van door was, maar U weet ook heel goed, dat U, na een week met Uwe droefgeestigheid te hebben gestreden, in een allerverdrietigste bui terug zult keeren, er vast van overtuigd, dat het menschdom geen knip voor den neus waard is. En mij zal de zware taak te beurt vallen om U weer tot een gemoedelijke bui op te werken.

Kom, Iaat die krankzinnigen aan hun lot over en keer naar het John Grier Home terug! Wij hebben U noodig!

I am most fervent,

Your friend and servant, S. McB.

P.S. Bewondert U dit dichterlijk slot niet? Ik ontleen het aan Robert Burns, wiens werken ik, in gedachtenis aan een Schotschen vriend, met veel liefde lees.

6 Juli.

Lieve Judy,

De dokter is nog altijd weg. Geen woord van hem.

Het lijkt wel of de schoot der aarde hem tot zich heeft genomen zonder een enkel spoor achter te laten. Ik weet niet eens of hij nog ooit terugkomt, maar hier gaat alles uitstekend zonder hem. Ik lunchte gisteren bij de twee lieve dames, die Punch bij zich in huis hebben genomen. De jonge man schijnt zich daar al volkomen thuis te gevoelen. Hij nam mij bij de hand en nam de honneurs van het huis waar, door mij in den tuin alle bezienswaardigheden te toonen. Bij de lunch tilde een Engelsche bottelier hem in een stoel en deed hem zijn servet voor met een eerbied en een gebaar, alsof hij een prins van den bloede bediende. De bottelier is pas van het landgoed van den graaf van Durham gekomen, Punch uit een stoep van de Houston Street. Het was een zeer interessant geval.

Mijn gastvrouwen onderhielden mij naderhand met anecdotes van hun tafelgesprekken gedurende de laatste twee weken (het verwondert mij, dat de bottelier nog niet zijn dienst heeft opgezegd, hij zag er toch zeer respectabel uit). In elk geval heeft Punch er voor gezorgd, dat zij voor de rest van haar leven voorzien zijn van grappige historietjes; de eene denkt er zelfs over om een boek te schrijven. "Nu leven wij tenminste", zei ze ontroerd en veegde een paar traantjes van haar maagdelijke wangen weg.

De WelEd. Gestr. viel gisteravond om 6.30 hier binnen en trof mij in een avondjapon aan, op het punt om naar een diner bij de Livermores te gaan. Hij maakte een milde opmerking, dat Juffrouw Lippett nooit getracht had zich in gezelschapskringen te bewegen maar al haar energie voor haar werk had opgespaard. Je weet dat ik niet kwaadaardig van aard ben, maar ik kijk nooit naar dien man zonder den stillen wensch te koesteren, dat hij zich onder in een schip bevindt, als dat tegen een rots te pletter loopt. (Als hij zich niet onder in het ruim zou bevinden, zou hij er nog uitspringen en op zijn vet blijven drijven).

Sing groet je zeer eerbiedig en is heel blij, dat je niet kunt zien, hoe hij er uitziet. Tengevolge van een zeer slechte daad is het arme dier van zijn schoonheid beroofd. Het een of ander stout kind (ik geloof nooit, dat we hier met een jongen te doen hebben), heeft dat arme beest bij blokjes geschoren, zoodat hij er nu als een armzalige, door de motten verwoeste hond uitziet. Niemand weet wie het gedaan heeft. Sadie Kate gaat heel handig met de schaar om maar o, ze is ook zoo handig in het vinden van een alibi! Op het oogenblik dat het scheren gebeurd moet zijn, zat ze op een stoel in de schoolkamer met haar gezicht naar den muur gekeerd, wat 28 kinderen kunnen getuigen. Niettemin behoort het tot Sadie Kate's dagelijksche bezigheden om die weggeschoren plekjes met zalf in te smeren.

Je Sallie.

P.S. Hierbij het laatste portret van den WelEd. Gestr. Heer, naar het leven genomen. De man is in sommige opzichten een zeer goed spreker. Zoo maakt hij b.v. ook bewegingen met zijn neus!

[Illustratie]

Donderdagavond.

Lieve Judy,

Sandy is na een afwezigheid van 10 dagen teruggekeerd -- geen enkele uitleg! Volslagen stilzwijgen hierover! Hij wijst al onze vriendschappelijke pogingen om hem op te wekken af, en wil met geen van ons iets te doen hebben, met uitzondering van de baby Allegra. Hij nam haar vanmiddag met zich mee naar huis om met hem te eten en bracht haar pas tegen half zeven terug. Een schandalig uur voor een jonge dame van drie! Ik weet niet, wat ik van onzen dokter denken moet: hij wordt werkelijk met iederen dag onbegrijpelijker!

Percy daarentegen is een ronde vertrouwelijke jongen. Hij heeft zoo juist een bedankvisite voor een diner gemaakt (hij is zeer stipt in dergelijke plichten) en nu hebben wij den heelen avond over niets anders dan zijn meisje in Detroit gesproken. Hij voelt zich erg eenzaam en spreekt graag over haar. En o Judy, hij spreekt op zoo'n fijne, teere wijze over haar! Ik hoop dat Juffrouw Detroit die heerlijke liefde waard is, maar ik ben er hard bang voor. Hij haalde uit het binnenste zakje van zijn vest een leeren portefeuille te voorschijn en nadat hij twee vloeitjes had weggeschoven, toonde hij mij het portret van een dom klein meisje -- niets dan gekroesd haar en oorbellen en een paar oogen! Ik deed mijn best om hem hartelijk geluk te wenschen, maar mijn hart kromp ineen van medelijden toen ik aan de toekomst van dien armen jongen dacht. Is het niet vreemd, dat de beste mannen dikwijls zulke onbeduidende zelfzuchtig-oppervlakkige vrouwen kiezen, terwijl de kloekste vrouwen zoo vaak met afschrikwekkende mannen trouwen? Het schijnt dat hun eigen mooi karakter hen blind maakt voor de slechte hoedanigheden van den ander.

Je weet dat voor mij een der interessantste dingen van het leven het bestudeeren van vreemde karakters is. Ik geloof dat ik eigenlijk schrijfster had moeten worden! De menschen trekken mij aan totdat ik hen heb doorzien en absoluut ken. Percy en onze dokter vormen een opvallend contrast. Je kunt altijd zien waarover die aardige rondborstige jonge man denkt -- zijn karakter is met hoofdletters en eenlettergrepige woorden geschreven. De dokter daarentegen zou wel een karakter kunnen hebben geschreven met Chineesche letters, wat de duidelijkheid betreft. Je hoort wel eens van menschen die er een dubbel karakter op na houden. Welnu, Sandy heeft beslist een drievoudig karakter. Gewoonlijk is hij door en door geleerd en koud als steen, maar soms verdenk ik hem er van, heel gevoelig en teerhartig te zijn, wat hij onder het een of andere mom verborgen houdt. Dagen lang is hij soms heel geduldig en vriendelijk en behulpzaam en dan begin ik echt van hem te houden, maar dan opeens, zonder een enkele waarschuwing, bruischt het in het diepst van zijn ziel en een ontembare wildeman springt te voorschijn en, lieve deugd, dan is er geen huis mee te houden.

Ik denk wel eens dat hij vroeger een vreeselijk verdriet heeft gehad en dat hij nog steeds door de herinnering daaraan geplaagd wordt. Als hij met je spreekt, heb ik soms het onbehagelijke gevoel, dat hij intusschen aan heel iets anders denkt, maar het kan ook wel zijn dat mijn romantische aanleg me parten speelt en ik zijn slecht humeur wil vergoelijken. In elk geval is hij zeer veranderlijk.

* * * * *