Het ivoren aapje: Een roman van Brusselsch leven

Chapter 37

Chapter 37578 wordsPublic domain

Hij zag het hoopje menschen, welke het hooger inzicht der Voorzienigheid had bijeengezameld om zich naar het rustige graf te ontwikkelen. Hij zag ze, Ernest, Vere, Francine, Simon, vechtend in blinden nacht om saam te komen, gestuwd door golven van driften en telkens vervallend in hunne menschelijke onmacht. Hij zag ze, en de anderen daaronder zag hij--en hij zag hoe ze eindelijk, hun hartstochtelijke begeerten getrouw, haast bijeen, haast in kampe bijeen waren geraakt, éen trossel harten met heimelijke schakels gebonden. Dan voer door hen een duistere macht, men weet niet van waar; en ze voer, schoon als de gevallen Engel, en ze verhaastte noch vertraagde haren gang. Ze kwam waar men haar niet verwachtte en ze vertrok, toen men haar niet meer missen kon. Ze had niets gegeven en alles genomen, en ze liet, achter zich, de woestijn ....

En dat alzoo het leven was, dat de wereld niet instortte om zulk leven te dragen, Pastoor Doening begreep het.

Dan, zich overgevend aan de stijgende aandoening die hem beklemmen kwam, keek hij zonder schaamte in de schaduwen van zijne eigen ziel. Met eene scherpe nauwkeurigheid zag hij het nauwe jakje van Reinildeken, gelijk zij het placht aan te doen. Hij bekeek Reinildeken zooals zij placht te staan, heel nietig en profijtig, tegen den grooten rooden avondhemel. En, blikkend op het roerlooze gelaat van de doode Mevrouw Verlat, herkende hij dat, in Vere, Reinildeken was groot geworden, dat zij, in Vere, had geleefd en geleden, dat hij haar, in Vere, met zwijgende liefde had ontvangen, en dat zij nu een tweede maal, in Vere, gestorven was.

Zijne oogen werden warm.

Even zag hij de lange schim der gasthuisnon voorbij glijden.

Hij knielde. Hij wenschte, uit al de krachten van zijn hart, dat God hem zou laten bidden. Hij boog zijn wonderbaar hoofd, dat wanhopig was geworden--maar bidden kon hij niet.

Hij weende.

EINDE VAN HET VIERDE EN LAATSTE GEDEELTE.

INHOUD.

Eerste deel: Pag.

Hoofdstuk I. De dood van Mevr. Chanteraine 1

Hoofdstuk II. Idem (Vervolg) 15

Hoofdstuk III. Idem (Slot) 32

Hoofdstuk IV. Pastoor Emanuel Doening 59

Hoofdstuk V. Mijnheer Lieven Lazare, Pamfletschrijver, en Mijnheer Johan Doxa, Gothieker 81

Hoofdstuk VI. Het ontstaan en de ontwikkeling der Volkspartij 107

Hoofdstuk VII. Mijnheer du Bessy aan den gang 127

Hoofdstuk VIII. De geboorte van Pip 141

Tweede deel:

Hoofdstuk I. Het Ivoren Aapje 159

Hoofdstuk II. Pastoor Pezza 181

Hoofdstuk III. Het schrijn met het gouden hartje 194

Hoofdstuk IV. Een Nieuwjaarsnacht te Brussel 211

Hoofdstuk V. Pezza's Politiek 222

Hoofdstuk VI. Het Blindemannetje 248

Hoofdstuk VII. Nog het Blindemannetje 275

Derde deel:

Hoofdstuk I. Wittebroodsweken 289

Hoofdstuk II. Iemand uit zijn schik 313

Hoofdstuk III. Aftocht 336

Hoofdstuk IV. Aphrodite, Godin der Liefde, en Here, Patrones van het Huwelijk 354

Hoofdstuk V. De Roode Garve 368

Hoofdstuk VI. Het Ankertje van Hoop 386

Hoofdstuk VII. Vervolg op de Roode Symfonie 401

Vierde deel:

Hoofdstuk I. Donaat en Cordule 421

Hoofdstuk II. Het Ivoren Aapje 436

Hoofdstuk III. Pastoor Doening overrompeld 452

Hoofdstuk IV. Morgenbezoekjes bij Florjan Pacôme 470

Hoofdstuk V. Een gewaande Sörge 484

Hoofdstuk VI. De echte Sörge 503

Hoofdstuk VII. De dood van Mevr. Verlat 521

AANTEEKENINGEN

[1] Zie over den aard van die relatie mijn klein verhaal: "Johan Doxa, Gothieker."

[2] "Ploerten," blz. 79.

[3] Blz. 130 van Lazare's "Het boek van Job" waar het geval incidenteel verhaald wordt.--De cursiveering is van mij.

[4] Voorstander der "Unie."

[5] Mevrouw Chanteraine werd in die maand begraven.