Het ivoren aapje: Een roman van Brusselsch leven

Chapter 18

Chapter 183,896 wordsPublic domain

De revolutionaire beweging was, na den aanval in den Muntschouwburg, een zonderlingen weg opgegaan. Met Simon Peter werden zes der belangrijkste geheime leiders aangehouden en uit een debat, hetwelk in de Kamers op buitengewoon rekwest van den Koning door het Ministerie werd ingeleid, bleek dat de Centrum-politiek van mijnheer Dissel voortaan overwegend zoude zijn. De stemming van vertrouwen, die bij deze gelegenheid werd uitgebracht, stelde alle opstokerijen der Unionisten voor lang aan de kaak en verzekerde aan de mannen van de behoudsgezindheid eene meerderheid waarvan de Regeering nu naar beliefte kon gebruik maken. Feitelijk en voorloopig althans was de oproertendenz geknakt. De aanhouding van zeven hoofden der volkspartij had de hevige bestormers van het steenen conservatisme met verbazing geslagen en tevens, bij de gegoede burgerij, het gevaar doen inzien van een roekelooze beweging, die het land in den warboel der anarchie zoude storten.

Wat echter op alle geesten den geweldigsten indruk had gemaakt, was, kort na de opsluiting van Simon Peter en zijne politieke vrienden, de plotselinge en spoorlooze verdwijning van pastoor Pezza, aanvoerder van de tegenpartij.

Vreemd, inderdaad, was de wijze waarop dit geschiedde, en de gebeurtenis dreigde, op een gegeven oogenblik van haar verloop, de zegepraal van mijnheer Dissel in opspraak te brengen. Had mijnheer Dissel zich aan de mogelijkheid van Pezza's verdwijning niet verwacht of had hij haar slecht berekend?

Reeds driemaal had hij pastoor Pezza dringend ontboden. Eindelijk kwam Lucia Pezza's zuster.

--Mijn broeder, had ze gezeid, kort en scherpsprekend en met, in hare oogen, een zwarten blik, welke haar ingetogen drift verried, mijn broeder is in geen vier dagen meer thuis geweest. Het laatst dat ik hem zag, moest hij u gaan opzoeken. Dàt heeft hij zeker gedaan. Hij had geld noodig. Hij is vertrokken en keerde niet terug. Nu baten hier leugens noch omwegen, en ik wil u wel zeggen dat Pezza, die gij een willoos tuig in uwe handen hebt gewaand, een tuig was, mijnheer, in mijne handen. Met Pezza weg te ruimen, begraaft gij niet het geheim dat hem gemaakt heeft tot uw bondgenoot, en evenmin ontwijkt gij alzoo het gevaar dat gij, in de verdere ontwikkeling van Pezza's politiek, hebt voelen aankomen. Ik ben, mijnheer, voor u, ik eeniglijk, dat geheim en dat gevaar te zamen. Zeg mij wat ge met mijn broer gedaan hebt.

Mijnheer Dissel had, van op het eerste zicht, begrepen dat hij met de grootste voorzichtigheid moest te werk gaan. Zijn onderhoud met Lucia Pezza duurde anderhalf uur en 's avonds werd, van wege de Regeering, aan alle dagbladen bericht gezonden en op alle hoeken van het land afgekondigd dat bij ministeriëel besluit eene som van vijf en twintig duizend frank zoude worden ter hand gesteld aan al wie, omtrent pastoor Pezza's schielijke verdwijning, eene belangrijke inlichting geven kon. Dadelijk werd de politie uitgezonden, en mijnheer Dissel verwaarloosde geen maatregel, die mocht bijhelpen om het spoor van den jongen volksleider op te zoeken.

Hij werd niettemin, vanwege een sociaal-demokraat, in volle zitting der Kamers beschuldigd dat hij Pezza, spijts alle parlementaire gebruiken, in een kerker opgesloten had. Toen eischte hij zelf, dat de vergadering eene kommissie aanstelde, die men met het onderzoek der feiten zoude gelasten en die verdere volmacht zoude hebben om pastoor Pezza langs alle wegen op te zoeken. De kommissie werd uit leden van de linkerzijde saamgesteld.

Pastoor Pezza werd niet gevonden.

Men liep het land om en door, men drong in alle gevangenissen, men hing overal plakkaten met Pezza's portret, men zond brigaden uit in den vreemde .... en weken verliepen, en men vond pastoor Pezza niet. Lucia was met wilden ijver aan den gang, zonk alle avonden in schrikkelijke vertwijfeling neer en rees alle morgens op in versche, zweepende, woeste koorts.

Een enkel getuigenis van betrekkelijke waarde werd ingewonnen. Henriëtte had Pezza, twee uren nadat hij zijn huis verlaten had, in een regenvlaag en onder de kap van een automobiel over de Noordlaan zien voorbijjagen. Een man zat nevens hem in het rijtuig; maar het schemerde reeds en zoo ijlend was hunne vaart, dat zij van dezen man niets opgeven kon dan een zeer onvolledige beschrijving. Op de honderden vragen die Lucia wanhopig haar stelde, wist ze alleen te antwoorden dat Pezza zeer bleek was en dat zijn reisgezel die de koets leidde, er jong uitzag, mager, sterk, en roerloos vooruitblikte. Van de automobiel zelf wist ze geen bijzonderheid, die haar van 't zij eender welk ander automobiel kon onderscheiden.

Twee maanden gingen om. Mijnheer Dissel ondertusschen toonde zich omtrent de zaak zeer bezorgd, stelde zich gedurig met de onderzoeks-kommissie in betrekking en liet geen gelegenheid voorbijgaan om bewijzen te geven van zijn groote belangstelling in wat het lot van Pezza mocht zijn. In den grond was hij over den algemeenen toestand zeer tevreden en, al liet hij het zelfs niet bij zijn vrienden blijken, hij hoopte dat de toestand onveranderd blijven zou. Alleen Lucia meende de geheimen van den schranderen staatsman te doorgronden en wilde raden wat omging in dat wit-blauwe, gladde, voorzichtige hoofd. Ze doorgrondde en ze ried. Ze zei echter niets. Soms lag ze 's nachts in de donkerte te staren, voelde ineens de onmacht van hare inzichten tegenover de stille effenheid van Dissel's macht, rolde dan radeloos in hare sargiën thoope en beet in het kussen dat geluideloos bleef. Telkens was ze zeker dat Dissel, die Pezza vreesde, Pezza doen verdwijnen had, en telkens folterde ze zich met de zekerheid dat, nu 't zoo lang duurde, zij 't nooit bewijzen kon ....

's Morgens was ze weer te been, stijf en koppig, gestaald in hare zenuwen en gesteund door nieuwe hoop.

Met de aanhouding van Simon Peter was aanvankelijk veel in Verlat's huis veranderd.

Francine was ziek geworden. Ze moest in haar bed blijven liggen en ze ijlde dikwijls. Ze was zoo'n licht vogeltje en zoo licht geraakt. Ze eischte dat men seffens Simon uit het gevang zou laten, en dan moest Vere haar vertellen wat Simon bedreven had, wat er verder met hem zou gebeuren en hoe groot de kerker was, waar men hem--zij meende wel veertig voet diep onder de aarde--opgesloten had. Vere wilde haar bedaren:

--Wat zijt ge toch onredelijk, liefje! Eer een maand verstreken is, hebben we weer dien goeden Simon bij ons. Hij heeft immers niets misdaan, hoegenaamd niets! Hij is te goed, hij heeft zich met eene verdachte zaak laten inschepen, hij weet niet wat slecht is .... Zij nu maar rustig.

--Ho! ho! En is dat daar altijd donker waar hij is? En zijn daar ratten?

--Onzin! Waar toch haalt ge die akelige beelden? Hij is geen gewoon gevangene, hij is geen dief, geen moordenaar. Hij beschikt over eene ruime kamer, geloof me.

--En ziet hij het licht en de wolken? Ach! mijn zoete Vere, ik geloof u niet, ik geloof u waarlijk niet .... Ge maakt het allemaal schoon om mijnentwille ... en ik ben angstig, angstig, en dat maakt mij dan nog angstiger .... Geef mij uwe hand.

Ze legde haar klein hoofdje, als in een gouden nis, in hare wondere haren. Ze sloot halvelings hare oogen, en hare lange wimpers die overeenkwamen, teekenden daar een dubbelen bronzen schaduwboog. Even trilden hare lippen.

--En, schoot ze plots weer op, zal men zijn baard niet geheel afknippen? Jawel, jawel; en men heeft zijne handen gebonden, ge zult het mij vergeefs verbergen .... En daar is zooveel, zóoveel, lieve Vere, dat hij noodig heeft! Bedenk eens .... O God! en ik heb hem zoo lief, zoo lief! ....

Vere had haar handje in hare beide handen genomen en ze boog glimlachend over haar.

--Zoo lief, Fran? Zoo echt en innig .... ja? Hij verdient het wel, en hij wacht geduldig .... Als hij 't nu wist, Fran, als hij 't nu zóo hoorde, gelijk gij het daar zegt, de zwartste nacht werd hem een hemel van zonne! ....

--Waarom? Moet ik hem dan niet liefhebben, en dacht hij dat ik hem niet liefhad? Wat wachtte hij dan? .... Ik kon 't toch maar weten nu, als men hem wegrukt, nu ja, dat ik hem liefheb boven alles .... Maar ik wist het niet.

--Dat hij u liefhad, wist ge toch?

--Hij? Doet hij dat zeker? Wat vraagt ge mij allemaal, Vere? Hoe zou ik dat weten?

--Hoe wisten wij 't dan? Het was toch zichtbaar, zou ik denken! Pastoor Doening en Ernest wisten het ook. Wij wachtten eigenlijk allen naar u, en er moest zoo iets gebeuren om u het praten te leeren .... Hoelang zouden wij anders nog gewacht hebben? Ge zijt een duikertje ....

--Neen, neen, zuchtte ze zacht, ik ben zoo ongelukkig! ....

Ze zeeg weer achterover en hare vingeren in Vere's handen werden zwak, roerloos. Twee tranen lagen een tijdje in de tipjes van hare oogen, dikten stralend op en rolden dan, met schokjes, over hare wangen om ineens, langs haren hals, in de kanten van haar wit nachtjakje weg te biggelen. Zoo overviel haar dikwijls de rust. Ze bleef lang staren naar de zoldering.

--Mijnheer Sörge, zei Vere, heeft beloofd dat hij wel een middel zou vinden om een van ons bij Simon binnen te leiden. Daar mag anders niemand bij. De politieke belangen van de Regeering laten niet toe dat een van de zeven gevangenen bezoek ontvangt .... Er zijn zeven gevangenen en Simon is het minst van allen beladen. Mijnheer Sörge heeft aanzienlijke betrekkingen in de diplomatische wereld, en beweert dat hij het wachtwoord wel breken zal. Hij is zeer invloedrijk .... Ge kunt ook eens bij Simon gaan, dan.

--Ja.

Ze sprak zeer flauw en mijmerde voort, onachtzaam luisterend. Toen richtte ze zich half overeind, leunde met haren elleboog op het hoofdkussen en streek langzaam de zware vlechten weg, die over hare slapen vielen en op hare wenkbrauwen wogen. Ze blikte lui naar het tafeltje dat niet ver van haar bed stond, en waar een heerlijke rozentuil zijn broze kronen in een frisch gedoezel van wit en geel-wit en roos-wit liet kleuren. Even schoot een luchtig leven over hare groene oogen.

--Weer bloemen? vroeg ze.

Hare lippen bleven zacht-open op het woord. Ze waren nat en kraalvervig, en eene glimmende pereling van tanden glimlachte ertusschen. Ze bewonderde kinderlijk den tuil.

--Ja, knikte Vere, verheugd dat Francine haar ongeluk bij een trossel rozen vergat; en weer heel mooie bloemen .... en weer van mijnheer Sörge ook.

--Ik dank hem zeer.

Ze vroeg om er een te houden in hare handen. Ze raakte de killige blaadjes en liet den geur lang opgaan in haar hoofd. Dan stak ze de roos op Vere's borst, werd zeer bedrijvig, koos het beste plekje om ze er vast op te spelden, en deed zoo opgeruimd, als zij ooit eenig spel in haar leventje gespeeld had. Ze kuste Vere. Ze vingerde over een knoopje van Vere's mouw.

--Hoor eens, fluisterde ze naderhand, neerblikkend en blozend, weet ge nog wat ik u gezeid heb .... van Simon ....? Ik wil niet, dat ge er met iemand over praat, ook niet met Ernest .... met niemand .... Wilt ge? Ik zal 't zelf zeggen. Beloof mij dat ....

Vere lachte en schudde haar hoofd. Ze tikte over Francine's kin, noemde haar een oolijk lieverdje en gaf haar meer andere namen, waarbij moest verstaan worden dat Francine een behaagziek, ondeugend en beminnelijk meisje was.

--Ik beloof het u, sprak ze, en ze wisselde tweevoudig den kus, dien ze om te beloven, gekregen had.

Francine lag vier weken te bed en moest dan nog drie weken in hare kamer blijven. Ze werd stilaan het spelend, wispelturig en minzaam kind van vroeger. Alle dagen liet Sörge bloemen brengen voor haar en vragen hoe zij 't stelde. Einde April kwam zij voor de eerste maal in het salon. Zij was niet veranderd.

Het gebeurde omtrent dien tijd dat Sörge de toelating verkreeg om, gedurende tien minuten en in het bijzijn van een cipier, twee personen bij Simon Peter binnen te leiden. Ernest dankte zijn vriend, en Francine deed ook haar best om hare erkentelijkheid te toonen, waarin zij slaagde met het grootste gemak. Er werd geloot om te weten wie met haar zoude medegaan. Het goede lot viel op Pastoor Doening.

Ze vertrokken vroeg in den morgen, met waaiweer. Aan alle hoeken der straten zag men rokken omvlaggelen en hoeden opgaan in de lucht, daar wentelen en cirkelen en dan loodrecht neerstekken tegen de steenen. De wind hoorde men zoo even boven de huizen, roefelen over de daken en schuifelend klagen in de telefoondraden. Hier en daar ontsloot hij een vensterluik, botste tegen een deur en deed de slotklink springen. De menschen liepen gebogen. De straatbengels hadden veel pret. Papiertjes vlogen ....

--He-wel! zei zoetjes Pastoor Doening, wat zult ge zooal vertellen, mijn kind?

--Wat? vroeg Francine verwonderd, van alles! Dat ik genezen ben. Dat wij geen rijtuig genomen hebben, omdat ik zoo dolgaarne in den wind dril. Dat hij nu maar gauw moet vrij zijn ....

--Zeker .... zeker.... dat is veel, ging dubbend de grijze pastoor, maar hebt ge hem niet zoo iets heel bijzonders .... ja, wat wil ik geven als voorbeeld? Ik weet natuurlijk niet wat ge zoudt kunnen te zeggen hebben. Dat weet gij beter. Let wel, we hebben geen minuut over de tien, geen sekonde! We moeten den tijd goed gebruiken.

Francine was ook van dezelfde meening; maar ze begreep niet recht goed wat de pastoor bedoelde met dat "iets heel bijzonders." Misschien begreep ze 't te goed, want zij dierf niet aandringen en liet aan het toeval over den tijd te schikken en hare woorden te regelen. Pastoor Doening was tevreden dat hij haar geestje aandachtig had gemaakt.

Ze werden seffens binnen de gevangenis toegelaten. Een heer leidde hen in eene spreekkamer, en daar wachtten ze een tijdje. Simon kwam. De heer bleef staan in het deurgat.

--Dag, Simon! klonk seffens het blijde stemmetje van Francine.

Hij deed een stap, en men zag dat een groot pak lijden oplichtte boven zijne borst, omhoog wegdampte en zijn lichaam bevrijdde. Hij werd rood en zijne oogen glinsterden. Zwijgend stak hij zijne beide handen uit.

--Dag, Simon! klonk lager de heesche stem van Doening.

Simon lachte gul, zenuwachtig, schudde rap zijn kop om in zijne keel iets los te krijgen, dat hem hinderlijk was en zijn stem smoorde. Hij drukte de kleine hand van Doening en het heel kleine handje van Francine. Die vier handen beefden daar.

--Ik dierf, stamelde Simon, het niet hopen dat ik u zien zou ....

Pastoor Doening vertelde dat mijnheer Sörge voor de toelating gezorgd had, en dat hij er nog een zou bekomen voor Donaat en Cordule, de ouders van Simon. Het trof Simon zeer dat hij dit geluk aan Sörge te danken had.

Hij keek Francine aan. Nooit had hij haar zoo aangekeken, nooit had hij het gewaagd, en nu nog meende hij dat hij het niet wagen zou; maar hij was bedwelmd en al wat hij sinds jaren in het diepste van zijn hart heimlijk had vastgekerkerd, 't sprong nu met één vuurwip op in de glansen van zijne oogen. Pastoor Doening wendde zich even af, om, met een vreemde en onverwachtsche aandacht, het bronzen vatsel van het vensterraam te bewonderen.

--Beste Simon, zuchtte Francine geroerd, wat beklaag ik u, wat ben ik bang voor u!

--Doe dat niet. Ik zie u. Hoe rustig zal ik nu dat zicht bewaren!

--Zeker? Ik ben er waarlijk blij om. Wij spreken gedurig over u. Sörge zegt dat hij u vrij zal krijgen.

--Zegt Sörge dat? .... Waarom zegt hij dat? ....

--Hij heeft veel invloed. Wilt ge een bloempje hebben van me? Dit ....

Het bleek roosje dat ze op de kraag van haar mantel had gestoken, reikte ze hem. Onderwijl vertelde ze hoe het huis, van na zijn vertrek, in rep en roer stond, hoe zij zoo langen tijd was ziek geweest, en hoe zij nooit opgehouden had aan hem te denken. Simon fluisterde:

--Aan mij? Aan mij? .... Weet gij, Fran, de waarde van uwe woorden?

--Zwijg stil, malle jongen! .... (ze bloosde, hare vingeren trilden vlug). Hoe zoude ik dat niet weten?

Toen boog hij zich en bracht lang die vingertjes aan zijne bevende lippen.

Daar de grauwe heer die roerloos op den drempel wachtte, nu teeken deed op het ronde plaatje van zijn horloge, namen pastoor Doening en Francine afscheid van Simon Peter. Zij lieten hem in het spreekkamertje, waar hij, recht-op en strakkijkend, hen met eene wilde en te gelijk aandoenlijke gretigheid nalachte. Daar was in dien lach een wereld van liefde, van hoop, van onmacht en vertwijfeling ....

Francine kwam opgeruimd thuis.

--Goede pastoor, had ze onderwege gevraagd, docht het u dat, gelijk gij 't vroegt, ik iets bijzonders heb weten te zeggen?

--Het dunkt mij, het dunkt mij! knikte pastoor Doening fluks en dankbaar.

--Ho! .... En wat was het?

Pastoor Doening keek schielijk op, schrikte. Ze sprak zoo kinderlijk-verwonderd, liet den vollen daghemel klaren in hare groene oogen, pink-wimperde geheel verbaasd. En pastoor Doening:

--Wat het was? Vraagt ge wat het was? deed hij.

--Ik vrees dat ik het zelf wel weet .... maar zegt gij 't algelijk ....

--Heeft hij u niet naar de waarde van uwe woorden gevraagd? En hebt gij de beteekenis ervan niet nader bepaald? Laat ons voorzichtig zijn, kind, laat ons uitermate voorzichtig zijn.

--Ja .... voorzichtig .... Vertel er dan niets van aan Ernest, noch aan Vere .... Mag ik dat hopen?

Pastoor Doening, meteen gerustgesteld, schuddebolde goedig, wenkte met zijne slimme oogjes een opvallend gedacht toe, dat hij jegens een grillig en hartelijk meisje niet uitdrukken wilde, en beloofde dat hij zwijgen zou als een graf.

Francine bleef, de dagen die daarop volgden, blijgeestig en toonde zich jegens iedereen ongemeen vriendelijk. Met Mariëtte, haar kamenier, deed ze alle ochtends een voetwandelingetje in de stedelijke warande of reed in de open kales door de lanen van het Terkamerbosch. Ze vond een soms uitbundige pret in 't naloeren der oplevende natuur. Ze wist, achter den kiosk van 't Park, een naakten lilasstruik, waar ze telkens den groei van vette botten ging bespeuren. Ze telde ze, ried de kleine blaadjes, die allengerhand zichtbaar werden, hun tipjes lieten uitpunten en geleidelijk hun best deden om buiten de bruin-glimmende sluts te springen.

Ze zag, in het woud, hoe eene lichte kleur in het fijne getwijg der breede boomkruinen begon te spelen en hoe de schuinsche en tusschenpoozende zon erlangs zilveren kwam. Eens stapte ze uit het rijtuig om, in het jonge groen van een barm, een eenzaam madeliefje te plukken. Andermaal deed ze de paarden hard loopen en voelde wellustig de waaiing van de frissche lucht over haar voorhoofd strijken.

Toevallig, op een morgen, ontmoette ze een ruiter die, niet verre van den vijver, naar haar toe zijn paard de sporen gaf. Ze zag hem naderen. Hij reed sierlijk, als vastgeregen aan den zadel. Het water dat achter zijn bruin-schaduwende gestalte vlak uitklaarde, rilde zijig, staalstippelend onder het rusteloos koeltje en over de violette glansen van het waterdiep.

Het was mijnheer Sörge. Hij groette op afstand en hield even zijn paard stil. Ze boog langzaam haar hoofd en reed door. Een lange pooze bleef ze in mijmering verzonken, niet luisterend naar wat Mariëtte haar vertelde onderwijl; toen vroeg ze plots:

--Hoe was weer de kleur van dat dasje?

--Wiens dasje, juffrouw?

--Om den Hemel, Mariëtte! viel ze uit, met éen blik lastig en lachend, waar zijn toch uwe gedachten?

Mariëtte wilde wel medelachen en ze deed het ook, terwijl op hare lippen lag de vraag "waar eigenlijk de gedachten van de juffrouw verwijlden." Het oogenblik daarna:

--Me dunkt, sprak Francine zeer ernstig, dat mijnheer Sörge wel een anderen weg kon kiezen. Hadt gij hem van verre herkend?

--Neen, juffrouw.

--Ik .... ook niet .... Mariëtte .... Ko! nu weer wat hollen, alsjeblieft!

En ze kreeg, met een zonneklets, te gelijk den wind vlak in het aangezicht.

Francine had, gelijk vroeger, haar leventje ingericht. Haar beste vriend, meende ze, was mijnheer du Bessy. Met hem kon ze de winkels afloopen, een uurtje in den tuin van het Vauxhall zitten, en tateren, iets waarnaar hij niet luisterde, of niet luisteren naar iets wat hij zei. Ze vonden zich allebei goed te zaam en ze handelden allebei elk op zijn eentje. Mijnheer du Bessy was nooit verwonderd als zij, bij een concert, ineens voor den afloop van een muziekstuk opstond en weg wilde. Zij, van haar kant, kon seffens vergeten dat hij een verlangen uitdrukte, hetwelk hij na een kort wijlken zeer goedkoop met een andere begeerte verwisselde. Zij praatte over een lintje en hij, als antwoord, over een manchetspeld. Ze verstonden malkander vrij goed.

--Het leven, placht mijnheer du Bessy te zeggen, is eene opvolging van oogenblikken, waarvan men het eene niet kan loslaten eer het andere gekomen is, maar waarvan men het eene ook niet volhouden kan als het andere reeds aan de beurt is.

Hij bedoelde daarmede dat zijn leven, juist door de verscheidenheid van al zijne oogenblikken, zoo wonderbaar kon aandoen. Hij gaf dit uit als een orakel en allerminst als eene verontschuldiging voor zijne lichtzinnigheid. Francine, die binstdien haar hoofdje met wat anders bezig hield, gaf hem volkomen gelijk.

Mijnheer du Bessy had het ook bijtijden over de liefde en, al merkte hij het niet, hier trof hij bij zijn nichtje een dankbaarder gehoor en een vluggere aandacht. Hij zei dikwijls:

--De liefde, beste Fran, is sterker dan de jeugd. Zij is de dwingeland van de jeugd en, let wel op! zij maakt een oud man tot een jongeling.

--Zou zij u tot een jongeling kunnen maken? vroeg nuchter en lichtelijk Francine.

--Dat zou ik denken! riep mijnheer du Bessy, dat kan ze, geloof me!

--En wat zal ze maken van mij, Oomken?

--Van u? Wel, dat ben ik eens erg benieuwd te zien .... wat zij van u maken zal! Misschien, gelijk bij al de andere, een ding waar men niet wijs uit raakt, een ding vol logentjes, vol listen, vol wreedheid, vol tranen .... een onmenschelijk ding.

--Waarlijk? .... Een òn-menschelijk ding--zeg maar een foltering!

--Nee. Mis!.... Een speelgoed, waar men zich aan zal bezeeren.

Francine moest telkens met Oomkens zottigheden hartelijk lachen, doch Mariëtte vond haar dan 's avonds, op hare kamer, schreiend van onbegrepen wee.

In den beginne van Mei kwam Rupert Sörge met de goede tijding dat ook de ouders van Simon Peter bij hun zoon zouden toegelaten worden. Hij bleef dien dag mee soepeeren en was aan tafel zeer opwekkend en zeer kiesch. Francine, integendeel, kon eene groote verslagenheid niet bergen. Na het eetmaal wilde ze over Simon praten. Hare stem faalde en tranen schoten haar in de oogen. Sörge merkte het dadelijk op en ging met Ernest in de veranda eene sigaar opsteken.

--Vere! Vere! kloeg Francine, terwijl ze over de leuning van haar stoel hare handen op Vere's schouder lei, ik word weer zoo angstig! Ik denk weer aan zulke akelige dingen--weer aan die donkerheid in Simon's kerker, en aan die tralievensters .... Ach! we moeten hem allemaal zoo innig, innig liefhebben .... we mogen hem toch nooit verlaten, niet waar?

--Maar, beste kind, wie spreekt van verlaten?

--Ik voel dat .... soms .... Het is zoo pijnlijk ....

Die weeke aanval was gauw over, en Francine was naderhand weer goed geluimd, haast vroolijk. Op een voorstel van Sörge, welk hij zeer beleefd met inzicht op Francine's teergevoeligheid motiveerde, werd besloten dat hij zelf met haar, 's anderen daags in den morgen, de ouders van Simon Peter zou gaan verwittigen. Francine had, in een rappen bloedsoploop willen weigeren. Ze bedwong die ongemanierde beweging, die echter aan Sörge niet ontsnapte, en stemde gaarne toe. Een blosje gloeide onder hare oogen. Zij ging met koorts naar bed.