Het ivoren aapje: Een roman van Brusselsch leven
Chapter 12
Hij heette Rupert Sörge. Hij was geen lichtmis, maar hij moest wel voor een lichtmis doorgaan, dewijl hij, in de oogen van een hoog volkje waarmede hij op verre afstanden in aanraking kwam, algelijk voor niets beters dan een lichtmis doorgaan kon. Hij had in de diplomatische wereld nog al veel betrekkingen, en het duurde niet lang eer hij in de voornaamste salons van de Leopoldswijk werd aangenomen. Hij voerde een uiterst fijne conversatie, sprak zeer vlot Fransch, Duitsch Engelsch, Italiaansch en tamelijk goed Nederlandsch. Hij deed het met een zonderlingen tongval, die, verre van zijn gesprek te ontsieren, het eene wiegende klankbevalligheid bijzette. Hij onderhield zijn vrienden genoeg om niet door hen vergeten te worden en te weinig om er eenige echte vriendschap te stichten. Hij had eigenlijk geen vrienden, en hij stelde zich overal zoo innemend aan dat men overal hoopte eens zijn vriend te worden. Zijn talent bestond hierin, dat hij door geen de minste roekeloosheid die hoop verijdelde en dat hij ze tegelijk steeds van hare verwezenlijking verwijderd hield. Men kon niet zeggen dat zijne handelingen excentrisch waren, maar zij hadden evenmin het uitzicht van eentonige bescheidenheid. Hij was niet schuchter en ook niet brutaal. Nochtans onthield men iets van hem dat, in eendere waarde, brutaal en schuchter was en dat het tegenovergestelde zoude zijn van deftigheid, ornament der middelmate. Hij was dan ook, in de meening van deftige lui, een lichtmis. Een deftig mensch wil opgemerkt worden. Dat zit in den aard zelf der deftigheid. Ondeftig, tot de allerberoerdste losbandigheid toe, heeten zij die deftigheid niet eeren. Rupert Sörge, die wel een lichtmis kon zijn, al was hij het niet, werd als een lichtmis aangezien, en, in die hoedanigheid, kon hij van veel beleefde lasten verschoond blijven, welke hij anderszins had moeten dragen--wat hij niet kon--of moeten weigeren, wat dan zooveel als een schandaal zoude wekken. De waarheid was dat men dien man niet kende (hetgeen in zekere kringen in het geheel niet aannemelijk is) en dat men op gemakkelijke wijze het vreemde gevoel wilde uitleggen van iets dat, binnen hem, ongeweten en niet te raden verborgen lag.
Na den dood van zijn vader, een Weener diplomaat, had Rupert Sörge, op twee-en-twintigjarigen leeftijd, Praag verlaten om te reizen. Zijne moeder had hij nooit gekend. Zij was, eenige dagen na zijne geboorte, gestorven, en hij wist van haar wat hem eeniglijk een ovaal medaljon-portret te kennen gaf. Hij droeg het medaljon, dat zeer klein was, met een gulden touwtje te allen tijde om zijn das gesnoerd, en hij nam het nooit zonder het even te doen openknippen. Met eene luie onverschilligheid, die bij zulke vrome gewoonte zonderling aandeed, blikte hij het schoone jeugdige gelaat van zijne moeder aan, en het scheen telkens dat, terwijl zijne trage oogen op hare beeltenis staarden, zijne gedachte verre van haar bedrijvig was.
Sörge, de vader, had een Boheemsch meisje gehuwd, dat zeer arm en vijf-en-twintig jaar jonger was dan hij. Den zoon, dien zij stervende hem schonk, leidde hij met groote zorgzaamheid op. Hij gaf hem talrijke en bekwame meesters; maar het bleek weldra dat de scherpe, zeer bijzonderlijke gevoeligheid van den jongen Rupert niet met de schranderste pedagogie te behandelen was en dat hij zich, als het ware geheel buiten het bereik van zijne opleiders, op eigen krachten ontwikkelde. Deze ontwikkeling wekte in hem vreemd-soortige vermogens en, toen zijn vader stierf, was hij alreeds de koele, ingetogen, onbegrepen "lichtmis" dien men, tien jaren later, in de clubs van de Louizalaan te Brussel aantreffen kon.
Die tien jaren, waarbinst hij zijn vaderland niet meer terugzag, bracht hij door in Rome, Parijs en een paar middellandsche badplaatsen. Overal werd hij voortreffelijk onthaald en overal liet hij den eigenaardigen indruk na van een "vriend," welke altijd zoude eene verre kennis blijven.
Hij kwam zich, na de geheimzinnige verwisselingen van eene duel-geschiedenis, die tragisch was afgeloopen, uit Nizza te Brussel vestigen, in gezelschap van eene jonge vrouw. Een kort tijdje woonde zij bij hem in en huurde naderhand, onder eigen naam, een fraai hôtel dat, nabij het park van Tervuren, uitzicht gaf op een mooien tuin. Men noemde haar Milly d'Orval.
Rupert Sörge had Milly d'Orval in een Franschen bar te Weenen ontdekt. Ik geloof niet dat hem hare jeugd en hare ongemeene schoonheid genoeg troffen om de handelwijze te verschoonen, welke hij tegenover haar waarnam. Zij was toen geen zestien jaar oud. Hij redde haar voor de zedelijke verdelging die haar in het ontbindend bar-midden te wachten stond en deed het met eene gevoelswarmte, eene onstuimigheid, die weinig strookte met zijne gewone zinnelijke koelte. Hij nam haar mede naar Parijs, dan naar Nizza, eindelijk naar Brussel. Gedurende vier jaren beproefde hij op deze vrouw de verscheidene krachten van eene wonderbare opvoeding. Hij had haar uit den kleinen Weenschen poel opgeheven om haar van veel hooger in een veel dieperen poel te storten. Milly d'Orval had Rupert, na het eerste jaar, zoo lief, dat ze buiten hem niet meer denken, niet meer zijn kon. Hij speelde met haar. Hij gaf zich aan haar over, weliswaar zonder geweld, zonder eigen-verkrachting, maar tevens met eene zelf-beheersching, die dadelijk alle willende passie uitsloot. Onderwijl ging hij met eene sluwe wellustigheid de minste teekens van hare liefde na en, zooals men al meer en meer de koorden van eene harp zoude spannen om al scherper en gevaarlijker klanken te winnen, zoo wrong hij en neep en betokkelde al de snaren van hare bloote ziel. Zij was op een einde geheel en uitsluitend zijn goed, en, beter dan zijzelve, kende hij de veêren van haar doen en de roersels van hare instinkten.
Hij speelde met haar. Het mag wel het hoofdmerk heeten van deze uitstekende menschennatuur dat hij met alles en met iedereen "speelde." Hij vorderde alzoo het gebruik van ongewone geneuchten. Nooit beoogde hij met dat spel een doel, een zelfzuchtigen uitslag, waartoe het aanleiding zoude geven, en nochtans bleef dit spel een middel, dat voerde naar een doel. Maar zijn eenig genot lag in het middel besloten, en zijn doel, dat hij dagelijks bereikte en dat zijn zekere leven was, woog hem vaak als de lading van een overweldigende wanhoop.
Milly d'Orval kon zich daarvan geen rekenschap geven. Zij was ganschelijk zijn eigendom, en, bezeten door hem, hield telkenmale op meer dan een willoos voorwerp te wezen, meer dan een deel, een lid, beroofd van eigen geweten en dat slechts bewegen zou naar het regelend inzicht van zijn eigenaar. Het was haar nauwelijks mogelijk, zelfs buiten zijn onmiddellijk bereik, hare vroegere zelfstandigheid te herwinnen.
Als hij haar, voor een tijdje, aan haarzelve overliet, bleef zij lange poozen uitgeput in volkomen levenloosheid lang-uit liggen, en zij kwam maar bij om op te branden in een versch verlangen naar nieuwe levenloosheid. Zij leefde niet door eigen leven. Zij was als een geplukte bloem, die bloeit in een kristallen vaas en zich niet den stam herinnert waarop zij wies, noch den grond waar hare wortels schoten. Zij was in haar minnaar vergroeid, en zij trilde of juichte of weende op een golving van zijn adem en een wenk van zijn gedachten.
Sörge wist wel dat dit een phase was van zijne zonderlinge betrekkingen tot haar, en dat zij zich zoude bewust worden, zoodra er maar een van de gespannen snaren brak. Hij vreesde het keerpunt niet. Hij wilde het mooi en geleidelijk aanbrengen, wilde haar rijp maken voor de mogelijke verandering en bereidde zich om er, met eene harmonische zinnelijkheid, van te genieten. Hij behandelde zeer omzichtig deze eigenaardige evolutie en trachtte haar voor alle ontsierende schokken, aanvallen en aarzelingen te vrijwaren.
Hij bracht haar dus van Nizza mede over naar Brussel en, kort na hare instelling nabij het park van Tervuren, begon zij blijken te geven van haren nieuwen ontwikkelingsstand. Haar drift, hare liefelijke passie was niet verminderd, maar zij ging nu bang worden dat daar een einde aan komen moest. Zulke zorgen waren de oorzaak dat zij uit den tooverigen dompeldroom allengerhand ontwaakte en stilaan het verloren geweten veroverde, waarmede zij de duurzaamheid van hare liefde in gebeurlijke omstandigheden handhaven zou.
Ze was het eigendom van Rupert. Thans beeldde zij zich in dat ook Rupert haar eigendom was en dat het geluk van bezeten te worden niet ging zonder het geluk van zelf eenderlijk te bezitten. Niemand, niets, geen toeval dreef haar er toe zich dit in te beelden. Het werd langzaam klaar in haar geest. Het was eene helderheid die uit de gronden van een rijpgeworden gevoel ontstond. Zoo doet de lente, op haar juisten tijd, de gerspijlen en de overige kruiden schieten.
Nu had Milly iets te verdedigen. Zij zoude het doen met al de schranderheid van het vrouwelijk vermogen, en zij had vertrouwen in de listen van haar geest even ganschelijk als in de standvastigheid van hare liefde. Zij nam zonder overgang en schijnbaar zonder uitzicht geheel andere levensmanieren aan. Hierin werd zij niet door Rupert gestoord, die haar gemeenlijk alle vrijheid gunde en zich, in deze nieuwe gelegenheid, wel houden zou haar in den weg te staan. Nauwkeurig beloerde hij haar, aandachtig volgde hij de duistere gangen van die menschelijke omwenteling op, en hij opende lui zijne armen over haar, ze geheel loslatende en wel wetende dat ze niet wegloopen zou.
Op een morgen boog zij over het bleek-bronzen aangezicht van Rupert, en het was alsof zij, langs zijne slapende oogen, wilde luisteren naar de gedachten, die nu zonder toezicht onder dat vlakke voorhoofd ommevoeren. Haar naakte arm raakte even, op zijne borst, de kanten frommeling van zijne hemdlobben. Ze blies ineens hard over zijne wangen en liet zich op zijnen schouder nedervallen.
--Ha! kreet ze smartelijk, Rup, ik sterf ....
Rupert opende zijne oogen. Zijn lichaam verroerde niet. Een korte trilling had rijzekens zijne lippen bewogen en nu kwam eene stilte, waarbinst hij de zachte roering van haren adem hoorde. Hij glimlachte en sloot zijne oogen opnieuw.
Nu kuste Milly hem gulzig, gebaarde dat er niets gebeurd was en, al vorderende, verwonderde zich dat hij niet weten wilde wat haar overvallen had. Toen vroeg ze:
--Zijt ge niet bezorgd om mij, Rup?
--Ik heb geen andere zorgen dan om onzentwil, om ons beiden, en de gansche wereld is ons.
--Ja .... deed ze aarzelend, maar vreest ge nooit dat ik u minder mocht liefhebben?
--Neen. Uw vraag is slecht gesteld, Milly.
--Zeker, ik voel het wel. Ik zoude ze moeten omkeeren .... en het oogenblik is voorbij, nu.
Ze spraken dan van wat anders. Rupert proefde, met een gretig genot, de nieuwigheid van dergelijke voorvalletjes. Hij woonde oplettend de angstige opstanding van deze moutere vrouw bij en hij had, tenden zijne fijne nagels, soms het gevoel van iemand die een gulden perzik openbreekt, den natten steen doet opspringen en tusschen zijne vingeren voorzichtig het kostelijke sap opvangt. Hij beroerde nooit de toestanden. Hij bewerkte ze niet met oolijke verwikkelingen. Hij liet ze worden en gebeuren.
De vervorming van Milly d'Orval was inderdaad verwonderlijk. Sinds haar vertrek uit Weenen had ze zich gauw ontlast van de al te vrije handelingen, waarnaar zij zich in de barkabinetjes had moeten schikken. Zij was eene beleefde dame geworden, en haar verblijf in Parijs en Nizza had ze doorgemaakt met eene hoofsche voornaamheid, eene stijve, onverschillige zielskoelte, waarnaast dan de driftige kreten harer passie voor Rupert er des te inniger uitzagen.
Nu dreef eene vreemde koorts haar naar de bars terug. Zij durfde de bars niet bezoeken als vroeger--uit kuischheid, maar zij wilde de barluchten inademen, om in de rookwalmen en de harde kleuren de onrust te bedwelmen die voortdurig door hare hersens joeg. Misschien hoopte zij dat Rupert er haar uithalen zou. Zij wilde, in elk geval, een daad begaan, die in haar huidige betrekkingen tot Rupert zou uitspatten als een steen op een effen vijvervlakte.
Eens dat zij met hem dineerde in het priëeltje van eene Tervurensche restauratie:
--Nieuws, Rup, zeide zij; ik heb mij een paar vriendinnetjes gemaakt.
--Zoo. Ge kunt me voorstellen.
--Als ze nu heel vertrouwbaar waren ....
--Pardon. Laat dan maar zijn.
Ze sprak er niet verder meer over. Maar daags nadien deelde ze hem in een stootenden vloed van korte woorden mede, dat er iets ondraaglijks in haar verhoudingen tot hem was binnengeslopen, dat ze zich zoo zielsalleen voelde en ze besloten had al die leegte te vullen.
--Ik moet mijne gedachten bijhouden, Rup, joeg ze voort; als ge van mij weggaat, als ik hier eenzaam zit en aldoor denk aan u, is mij dat denken eene angstigheid, die gansch de kamer doet spreken. Dan wordt ik moedeloos lui. Het is me, alsof ik niet meer recht staan kan. Dan wil ik recht staan, ik wil weer, als vroeger, lange uren vóor den spiegel staan en mij opschikken, mij mooi maken voor u .... En toch blijf ik maar zitten, en het foltert mij.
Hij keek haar aan met een nauwkeurigen blik, die geleidelijk de ontwikkeling opspeurde van hare bangheid. Haar hart lag bloot voor hem, en hij merkte er de onregelmatige aderslagen. Ze kuste hem koortsig en hijgde even.
--Ge moet mij helpen. Ik heb iets gedaan buiten u en gij moet mij zeggen of ik goeddeed. Zeg iets, Rup, verbied mij iets. Ge weet, ik heb mij ineens dat leven in Weenen herinnerd. Ik ben verleden week dat roode ding in de Bisschopstraat binnengeloopen en ik heb er gesoepeerd met twee van die halve wereld. Zij heeten Bella en Marjolene. Eergisteren heb ik ze bij me thuis ontvangen. Vertel mij wat dat allemaal beteekenen moet, Rup.
Hij lachte nu luid, fleerde met zijne vingeren in de lichte haarkrulletjes op haren hals en staarde wild in hare oogen. Ze bloosde en lachte mee.
Toen zei hij dat hij alles voortreffelijk vond, dat hij Marjolene en Bella wilde kennen, als ze ten minste mooi waren, en dat Milly gerust haren gang moest gaan.
--Gij zijt zoo echt kostbaar, fluisterde hij, terwijl hij de rilling naging welke, onder zijn warmen adem, over hare naakte schouders sidderde.
Milly d'Orval werd een habituée van de Old-curiosity-shop, het roode ding van de Bisschopstraat. Ze maakte er zich meer vriendinnetjes en richtte ten harent smulpartijtjes in, waar het puik van de hooge plezierclubs werd aangenomen. Telkens was Rupert aanwezig, telkens zag hij dat zij nieuwe vondsten deed om, na iedere vergadering, een nieuw uitzicht van hare zinnelijke pracht te doen opstralen in zijn aandachtig aanschijn.
Dit duurde een vollen winter te Brussel en een badseizoen te Oostende.
Toen ontmoette Sörge den schilder Florjan Pacôme en, kort daarop, Ernest Verlat.
Een paar weken na mevrouw Verlat's bevalling, op een grauwen Novembermiddag, zat Takker, Sörge's knecht, vóor het raam van een klein wachtkabinet te kijken naar de naakte kastanjelaars van de Louizalaan. Het regende en sneeuwde te gelijk. Takker had zijne vierkante vingers, alle tien, op het marmeren vensterblad geleid en duwde met zijn okeren voorhoofd tegen de koude ruiten.
Een zoevende wind schuifelde door de knoestige boomarmen. De laan lag eenzaam onder een violet-blauwe lucht, waar striemde, schuins-door, het zweepende onweer. Een groene tram rinkelde voorbij.
De kleine oogjes van Takker beloerden de tokkeling van den regen of blikten hooger-op naar een vlek van den lagen hemel, waar rolde een logge wolkenjacht. Zijn bolle kop was als die van een dier, hetwelk zoude rusten en lonken, oplettend en lui terzelfder tijd. Zijn platte neus en zijn dikke lippen roerden bijwijlen, gelijk een gevoelige snuit.
Hij wendde zich eindelijk om en ging mompelend vóor een rond tafeltje zitten.
Op de tafel stond eene groote doos. Hij ontsnoerde de strikjes en hief het deksel op. Eén voor éen nam hij, tusschen duim en wijsvinger, de kanten kinderkapjes, de zilveren rotelaars, de paarlemoeren lepeltjes, de porseleinen papkommetjes, al dat snoezig wichtjesgoed, dat daar lag en zoo teer, zoo broos leek onder zijne bruine handen. Hij grommelde gelijk een blijde hond en schaterde gulzig bij elke ontdekking van een nieuw kindergerief .... Toen werd hij opeens ernstig, zijne kleine oogjes werden grooter en een wonderbare melancholie kwam over zijn ruig aangezicht. Hij droomde. Hij hield nog een hemdje op, en het zakte nu, het plooide thoope en zijn elleboog rustte zwaar op den rand van de doos. Hij tuurde strak vóor zich uit, wijd-droomend--en wie weet ooit het zonnig beeld dat daar, in dat afschuwelijk hoofd, kwam opklaren?
De rammeling van een rijtuig op straat deed Takker schrikken. Hij sprong recht en begon in haaste alles weer behoorlijk te leggen en te schikken. Hij snoerde de strikjes vast, blies op het gladde deksel een onzichtbaar stof weg en wachtte.
Het rijtuig stond vóor de deur stil. De poortier had de deur geopend en het gekloef der paarden klonk nu hol-luidelijk tegen de muren van het voorportaal.
Er werd gescheld.
Takker nam de doos in zijn armen, trok er mede een groote eetzaal door en klom, tenden de vestibule, de breede trap op. Hij liep een hooge kamer binnen, waar vier balkoenvensters een bleeken vooravond lieten deemsteren. Hij zette de doos op een stoel en ging Rupert Sörge, die vóor het open vuur zich te warmen stond, van zijnen pelsmantel ontlasten.
--Zijn de bloemen bezorgd? vroeg hem Sörge in eene vreemde hard-luidende taal, en, nadat Takker al mompelend ja knikte:
--Wat is dat pak ginds?
Takker bracht hem de schoon-gesnoerde doos en de faktuur welke onder de strikjes vastzat.
--Bezorg dit eveneens, zei Sörge, met een kaartje van mij, aan het adres van mevrouw Verlat.--Hebt ge wat gedaan vandaag? Is Dissel bij Pezza geweest? Goed. Dank je. Geef me mijn thee en laat Geizan binnen.
Takker had aldoor ja geknikt. Hij schikte den mantel op zijn arm en de doos op zijn anderen, en slierde geluideloos over het tapijt de deur uit.
Rupert bleef vóor het krijschende vuur staan. Zijn voorhoofd rimpelde en hij fronste af en toe zijne zwarte wenkbrauwen. Het was hier stil. Het najaarsgewaai loeide bij vlagen door de kastanjelaars. De kamer werd blauw-duister. De wanden waren met een rood-geel brokaat behangen en niet éen lijst brak er de effen, diepe kleurgloeiing. Een marmeren kopie, op half-grootte, van de medicische Aphrodite rees op den schoorsteen en klaarde stil en licht. In het midden van het oranje vloertapijt, welk met nauw-zichtbare bloemvormen was beteekend, stond eene gladde ebbenhouten tafel en, er vóor, zat, tusschen zijne wijde leunarmen, een zwart-fluweelen zetel zonder koperknoppen. Juist daarboven breidde zich een wijde kroonluchter, welke met metalen festoenen aan de eiken zoldering hing. Stoelen van verscheiden grootte en verschillende ruglijn waren tegen de donkere lambrizeering op éene rij geplaatst. Over de ruiten-uit-éen-stuk die van dicht bij de zoldering tot op den grond in de balkoenramen pasten, vielen dubbele gordijnen-- eene van doorzichtig vool en een andere, zijwaarts geschoven, van goud-bruin perkaal. De vesperdoezeling, die onder den wolkenhemel nu paars-donkerde, aaide er rustig en eendelijk.
Tot Takker op een zilveren schaal het broze theegerief opdiende, bleef Rupert Sörge vóor het roode vuur staan, roerde koortsig de tipjes van zijne schoenen in de haren van het geitevel, dat langs de koperen roeden van den haard uitlag.
Takker zette de theeschaal op het glimmend berd van de tafel, keek vragend op naar zijn meester en, op een kleinen wenk, vertrok. Eene witte angorakat kwam sierlijk en wellustig om Rupert's beenen hoogruggen en fleeren. Ze spon zoetjes.
--Hee, Geizan, streelde Rupert fluisterend en binstwijl zich bukkend over haar; hee, mij-moênetje, Geizan, gij witte Geizan!
Hij ging zich in den fluweelen zetel zetten, en Geizan pluimstaartte langs zijne knieën en raakte zijne lauwe vingeren even met het koude tipje van haar neus. Hij plaatste een wit-porseleinen kopje, goud-berand, op de glanzing van de ebbenhouten tafel, zoodat de glimmende taslenden diep zich uitlengden in de blauwklare spiegeling. Hij schonk de thee, die krullend opringde en uitdampte als een adempje, onzichtbaar. Hij liet er twee suikerklontjes neerklinken, lepelde ze erin om en weer tot ze smolten, en, als de drank weer rustig onder de gouden randen lag, lei op de gele vlakte de droge petalen van eene aromaatbloem. Zachtjes geurde de lucht.
--Is Geizan fraai? Mij-moene-Geizan?
Zoo aaide hij, terwijl hij, boven Geizan's aandachtig snuitje, een ronde honingbeschuit brak. Toen dronk hij traagzaam en ging languit achterover liggen in het fluweelen leunings-zwart. Hij bracht geluideloos zijne handen saam over een klein wit voorwerp en vingerde er langs, lijze en wellustig, en hij voelde de avond vorderen rondom hem.
Het was een ivoren aapje.
Hij had het uit zijn vestzak genomen, waar het altijd verscholen zat. Het was een aapje van geel ivoor, een ding om te betasten en dat de soepele vormen van vingerstreeling had verkregen. Men had het lichtelijk in het eironde, langronde ivoor uitgesneden en het was wonderlijk het beeld van een zittend aapje, dat zijne achterpooten neer zoude drukken op zijn borst. Het had geen staart. De lijnen waren vaag geteekend, stichtten wattige schaduwen, verrieden, gelijk onder een buitengewoon floers, de verscheidene dikten van dat vreemd aapjeslijf. Het was alsof eeuwen en nog eeuwen de hoeken ervan hadden afgerond, de beenderkneukels hadden zachtgesleten en met groote behendigheid alles hadden weggewreven, wat de werking van kriebelende vingeren mocht bezeeren daarrond. Nochtans was niets, in de minste deelen niets verwoest, en niets beneveld. Geen deeltje, geen ribbeboog, geen schedelbluts, geen merkbaar gewricht--hetgeen altegare in tastelijke vormen haast van dat oude aapje maakte eene levende werkelijkheid--niets was verminkt en niets was versleten. Het was geheel, het was volledig. Het leefde, al zittend, een leven dat den toets van levende handen lokte. Het was een mirakel van gevoeligheid.
Dit aapje kwam uit Takker's vaderland. Al jaren bezat Sörge het, zoovele jaren als hij Takker bezat, en dat was vóor vaders dood. Hij kon zich van die ivoren streeling niet meer vrij maken en gebruikte ze nu, telkens als hij alléen zat, om aan een zinnelijke tastbehoefte te voldoen, die bij hem een wereld van beelden en een zeldzame beeldenverwisseling verwekte. Hij had alzoo de fijnheid van den tast verkregen, zooals een schilder de fijnheid van het gezicht en een toondichter de fijnheid van het gehoor bezit. En gelijk het gebeurt dat het zicht van harmonische kleuren bij den schilder en het beluisteren van kostbare akkoorden bij den toondichter de vorming bewerkt van gedachten en gedachtengroepen, zoo bracht bij Rupert Sörge de vingering over dit meesterlijk aapje de schepping teweeg van vreemd-geestelijke figuren.
Hij zat vóor het gladde tafelblad waarop, zooals een eenzame waterlelie op een vijverspiegel, het wit-porseleinen theekopje zijn glimmend kelkje deed gapen, en hij bestreelde den rug en het hoofd en den elleboog van den ivoren aap. Geizan had zich aan zijne voeten neergevleid en hij voelde de warmte van haar lijf opgaan langs zijn beenen.
De avond viel. De roode wanden somberden en de hooge balkoenvensters werden gelijk violette lichtdeuren.
Rupert, terwijl hij de geurlinten van den theedamp om zijn gelaat voelde kittelen en gelijkvormig zijn vingeren sleeren deed over de ivoren deining van hillen en dalen, overdacht den toestand van menschen en dingen rond hem. Dus deed hij gewoonlijk. In een soort van zonderlinge extase, zag hij de betrekkingen van alle wezens ondereen opklaren en hunne verhoudingen tot hem verhelderen. Hij zocht dan in de weelde van zijne overdadige gevoelsprikkeling de uitkomst van mogelijke handelingen, de rechtvaardiging van hinderlijke gebeurtenissen, de oolijke wijze om lastige bezwaren weg te ruimen.
Zoo droomde en verzon hij nu eenderlijk.