Het Geheimzinnige Eiland De Verlatene
Chapter 8
Aan werk ontbrak het den kolonisten overigens niet, want behalve hetgeen zij buiten te verrichten hadden, leverde het meubelen van het Rotshuis hun een voortdurenden arbeid op.
Het jagen werd gedurende de vier strenge wintermaanden niet vergeten. Maar het Rotshuis had weinig van die koude te lijden, evenals de kraal, daar beiden niet zoo open lagen als de vlakte en voor een groot gedeelte door den berg Franklin beschut werden. Er werd daar dus weinig schade aangericht en de vlugge hand van Ayrton was voldoende om alles weder te herstellen, toen hij in de tweede helft van October eenige dagen in de kraal ging doorbrengen.
Gedurende dien winter had er geen enkel onverklaarbaar feit plaats. Niets vreemds gebeurde er, hoewel Pencroff en Nab er op uit waren om aan de meest onbeteekenende zaak een geheimzinnig tintje te geven. Top en Jup dwaalden niet meer om den put en gaven ook geen enkel bewijs van ongerustheid. Het scheen dus, dat er een einde was gekomen aan die bovennatuurlijke voorvallen, hoewel zij 's avonds, wanneer ze allen in het Rotshuis vereenigd waren, nog menigmaal er over spraken, en het hun plan nog altijd was om het eiland in zijn meest afgelegen gedeelten weer te onderzoeken. Maar een zeer gewichtige gebeurtenis, die noodlottige gevolgen kon hebben, deed alle plannen van Cyrus Smith en zijn vrienden plotseling in duigen vallen.
Men was in de maand October. Spoedig zou het goede jaargetij weer aanbreken. Men herinnert zich dat Gideon Spilett en Harbert dikwijls een photographie genomen hadden van verschillende punten van het eiland Lincoln. Het was den 17den October, en tegen drie uur 's middags kwam Harbert op het denkbeeld, daar het zulk een heldere hemel was, een photographie van de Uniebaai te gaan nemen, die tegenover de vlakte het Verre Uitzicht lag, van kaap Mandibule tot kaap Klauw.
Hij plaatste zijn toestel aan een der vensters van de groote zaal in het Rotshuis, zoodat het strand en de baai vlak voor hem lagen. Harbert ging hiermede zooals gewoonlijk te werk, en toen hij zijn negatief had verkregen, ging hij dit fixeeren door middel van de chemische stoffen, welke in een donker vertrek van het Rotshuis bewaard werden. Toen hij weder in het licht kwam, bezag hij het aandachtig. Harbert ontdekte op zijn beeld een bijna onzichtbaar vlekje aan den horizon der zee. Hij beproefde dit uit te wisschen, maar slaagde daarin niet.
"Zeker zit het in het glas," dacht hij.
Hij wilde toen door een lens zien, wat er aan het glas faalde.
Maar nauwelijks had hij het bekeken of hij uitte een kreet en liet bijna de photographie uit zijn handen vallen.
Terstond snelde hij naar de kamer van Cyrus Smith, liet hem zijn photographie door de lens zien, en wees hem het vlekje.
De ingenieur beschouwde het aandachtig; daarop greep hij zijn verrekijker en snelde naar het venster.
Nadat hij langzaam met zijn verrekijker den geheelen horizon was afgeloopen, hield hij hem eindelijk bij dat punt stil en uitte slechts één woord: "Een schip!"
En inderdaad een schip was in het gezicht van het eiland Lincoln.
XI.
Verloren of gered.--Ayrton ontboden.--Gewichtig onderhoud.--Het is de Duncan niet.--Een verdacht vaartuig.--Voorzorgen.--Het schip nadert.--Een kanonschot.--De brik laat het anker vallen.--De nacht breekt aan.
Het was twee en een half jaar geleden dat de luchtschipbreukelingen op het eiland Lincoln waren geworpen en tot nog toe hadden zij niets van de beschaafde wereld gehoord. Eens had de reporter gepoogd om eenige gemeenschap aan te knoopen, door aan een vogel het papier toe te vertrouwen, dat het verhaal van hun toestand bevatte; maar dit was een zeer gewaagd middel, waarop zij toch niet konden rekenen. Ayrton alleen, en in welke omstandigheden weet men, had zich bij de kleine kolonie gevoegd. En dien dag nu--den 17den October--waren onverwachts andere menschen in het gezicht van het eiland, op die zee, die tot nog toe altijd verlaten was geweest!
Zij konden er niet meer aan twijfelen! Er lag daar een schip! Maar zou het voorbijgaan of het anker laten vallen. Binnen weinige uren zouden de kolonisten weten wat hun te doen stond.
Cyrus Smith en Harbert riepen terstond Gideon Spilett, Pencroff en Nab in de groote zaal van het Rotshuis, en stelden hen op de hoogte van het gebeurde. Pencroff greep den verrekijker, doorliep den geheelen horizon, hield hem op het aangeduide punt stil, dat is te zeggen, daar waar het vlekje op de photographie zichtbaar was, en riep:
"Duizend duivels! Het is een schip!" Hij zeide dit op een toon, die zijn groote vreugde verried.
"Komt het hierheen?" vroeg Gideon Spilett.
"Ik kan het nog niet met zekerheid zeggen," gaf Pencroff ten antwoord; "want alleen zijn mast is pas zichtbaar, en men ziet niets van den romp."
"Wat moeten wij doen?" vroeg de knaap.
"Wachten," antwoordde Cyrus Smith.
Eenige oogenblikken heerschte er een diepe stilte in de zaal; allen waren met hun eigen gedachten, aandoeningen, vrees en hoop, die uit deze gebeurtenis moesten voortspruiten, te zeer vervuld; het was het gewichtigste voorval dat sedert hun verblijf op het eiland Lincoln had plaats gegrepen.
De kolonisten bevonden zich niet in dien toestand, waarmede schipbreukelingen welke op een onvruchtbaar eiland geworpen zijn, te kampen hebben, en die hun ellendig bestaan betwisten aan een woeste natuur en voortdurend gekweld worden door de behoefte om de bewoonde landen terug te zien. Pencroff en Nab vooral, die zich hier zoo gelukkig en rijk gevoelden, zouden niet dan met spijt het eiland verlaten. Zij waren gewend aan dit nieuwe leven, te midden van het grondgebied dat, als het ware door hun eigen verstand, gevormd was geworden! Maar in elk geval bracht dit schip hun toch eenig nieuws van het vasteland; misschien was het een deel van hun vaderland, dat hun hier tegemoet kwam! Het bracht hun menschen als zij, en men kan begrijpen dat hun hart, bij het gezicht hiervan, van genot sidderde!
Van tijd tot tijd ging Pencroff met den verrekijker voor het venster staan. Hij beschouwde dan met aandacht het schip, dat twintig mijlen oostwaarts van hen verwijderd was. De kolonisten hadden dus nog geen enkel middel om de opvarenden met hun verblijf bekend te maken. Een vlag zouden zij niet bespeuren; een geweerschot zou niet gehoord worden, en een vuur zouden zij niet zien.
Toch kon het eiland met zijn berg Franklin niet aan de bemanning ontgaan zijn. Maar waarom zou het schip hier ankeren? Was het niet het toeval dat hen in dit gedeelte van den Stillen Oceaan bracht? Geen enkele kaart toch gewaagde in deze streek van een land, behalve het eiland Tabor, dat zelfs buiten de richting der scheepvaart in den Polynesischen Archipel lag. Op deze vraag die een ieder aan zichzelven deed, gaf Harbert plotseling het antwoord:
"Zou het de Duncan niet wezen?"
De Duncan, men zal het zich herinneren, was het jacht van lord Glenarvan, die Ayrton op het eilandje had achtergelaten en die hem nu misschien kwam afhalen. Het eilandje was nu zoover niet van het eiland Lincoln verwijderd, dat een schip, welks koers daarheen was, niet in het gezicht kon komen van het andere eiland. Honderd vijftig mijlen slechts was het in de lengte verwijderd en vijf en zeventig mijlen in de breedte.
"Wij moeten Ayrton waarschuwen," zeide Gideon Spilett, "en hem onmiddellijk hier laten komen. Hij alleen kan ons zeggen of het de Duncan is."
Dit was ook de meening der overigen, en de reporter ging naar de telegraaf, en zond het volgende telegram:
"Kom terstond!"
Eenige oogenblikken later kreeg hij het antwoord:
"Ik kom."
Nu gingen de kolonisten weder voort met het schip gade te slaan.
"Als het de Duncan is," zeide Harbert, "zal Ayrton haar terstond herkennen, daar hij eenigen tijd aan boord geweest is."
"En zoo hij haar herkent," antwoordde Pencroff, "dan zal dat een hevige aandoening bij hem opwekken."
"Ja," zeide Cyrus Smith, "maar thans is Ayrton waardig om weder aan boord van de Duncan te komen, en ik hoop dat 't het jacht van lord Glenarvan wezen zal; want elk ander schip zou mij verdacht toeschijnen! Deze zeeën worden weinig bezocht, en ik vrees altijd nog dat ons eiland door maleische zeeroovers overvallen zal worden."
"Wij zouden het verdedigen!" riep Harbert uit.
"Zeker, beste jongen," antwoordde de ingenieur glimlachend, "maar beter is het, wanneer we het niet behoeven te verdedigen."
"Een eenvoudige opmerking," zeide Gideon Spilett. "Het eiland Lincoln is aan de zeelieden niet bekend, daar het zelfs niet op de laatste kaarten is aangegeven. Vindt gij dus niet, Cyrus, dat dit juist een reden is dat een schip, zich zoo plotseling in het gezicht bevindende van een nieuw land, dit eerder zal bezoeken, dan ontvluchten?"
"Zeker," antwoordde Pencroff.
"Ik geloof het ook," zeide Cyrus Smith. "Men kan zelfs beweren dat het de plicht van een kapitein is om elk land, dat nog niet bekend is, te bezoeken, en het eiland Lincoln bevindt zich in dat geval."
"Welnu," zeide Pencroff toen, "dat dit schip hier zijn anker late vallen, maar wat zullen wij dan doen?"
Die vraag bleef eerst onbeantwoord. Maar toen antwoordde Cyrus Smith, nadat hij een oogenblik had nagedacht, op zijn gewonen kalmen toon:
"Wat wij doen zullen, mijn vrienden, is dit: Wij zullen onze tegenwoordigheid melden, aan boord gaan en het eiland verlaten, nadat wij er bezit van hebben genomen in naam der Vereenigde Staten. Daarop zullen wij, met ieder die ons volgen wil, terugkeeren om het te koloniseeren, en wij zullen de amerikaansche Republiek deze nuttige haven in dit gedeelte van den Stillen Oceaan bezorgen."
"Hoezee!" riep Pencroff, "en het is geen klein geschenk dat wij ons land geven! De kolonisatie is bijna geheel voltooid; aan elk gedeelte van het eiland hebben wij reeds een naam gegeven; er is een haven, een waterleiding, wegen, een telegraaflijn, een timmerwerf en een gasfabriek; er is dus niets anders te doen, dan het eiland Lincoln op de kaarten te teekenen!"
"Maar zoo anderen het gedurende onze afwezigheid in bezit nemen," merkte Gideon Spilett op.
"Duizend duivels," riep de matroos uit, "liever blijf ik dan hier geheel alleen om het te bewaren; zoo waar ik Pencroff heet, zal men het mij niet ontrooven, zoo min als mijn horloge."
Een uur lang was het hun onmogelijk te zeggen of het schip zijn koers al dan niet naar het eiland richtte. Wel was het naderbij gekomen, maar onder welke vlag voer het? Dat kon Pencroff niet ontdekken. Maar daar de wind uit het noordoosten woei, was het wel waarschijnlijk dat het schip over stuurboord lag; de wind was bovendien zoo, dat het schip het land kon naderen, zonder het nog te zien, en met zulk een kalme zee bestond niet het minste gevaar om te ankeren, hoewel de diepte der zee nog niet op de kaarten aangegeven was.
Tegen vier uur--een uur nadat zij geseind hadden--kwam Ayrton in het Rotshuis. Hij trad de zaal binnen, met de woorden:
"Ik ben tot uw orders, mijne heeren!"
Cyrus Smith stak hem, zooals altijd, de hand toe en geleidde hem naar het venster.
"Ayrton," zeide hij, "wij lieten u hier komen, omdat we een zeer ernstig onderwerp te bespreken hadden. Er is een schip in het gezicht."
Een oogenblik verbleekte Ayrton en sloot hij zijn oogen. Daarop keek hij uit het venster; doorliep den horizon, maar hij zag niets.
"Neem den verrekijker," zeide Gideon Spilett, "en let dan goed op, Ayrton, want het zou mogelijk kunnen wezen dat het de Duncan was, die in deze zeeën gekomen is om u weder naar uw vaderland te brengen."
"De Duncan," mompelde Ayrton, "nu reeds!"
De laatste woorden ontsnapten hem onwillekeurig, en Ayrton liet het hoofd in de handen zakken.
Twaalf jaar op een verlaten eiland te hebben doorgebracht, schenen hem dus nog geen voldoend tijdsverloop toe? De berouwvolle misdadiger scheen zich dus nog geen vergiffenis waardig te keuren, zoo min in zijn eigen oogen, als in die van anderen.
"Neen," zeide hij, "neen! het kan de Duncan niet zijn."
"Zie goed, Ayrton," zeide toen de ingenieur, "want het is van het hoogste belang dat wij weten, waaraan we ons te houden hebben."
Ayrton nam den verrekijker en hield hem in de aangewezen richting. Eenige oogenblikken beschouwde hij roerloos den horizon, zonder een woord te uiten. Daarop antwoordde hij:
"Waarlijk, het is een schip; maar ik geloof niet dat het de Duncan is."
"Waarom zou zij het niet wezen?" vroeg Gideon Spilett.
"Omdat de Duncan een stoomjacht is, en ik volstrekt geen rook bespeur, noch boven noch in den omtrek van het schip."
"Misschien voert het thans enkel zeilen?" merkte Pencroff op. "De wind is goed naar het schijnt voor de richting, die het schip volgen wil, en het heeft er belang bij, dunkt me, zijn kolen te sparen, daar het zoover van elk land verwijderd is."
"Het is mogelijk dat ge gelijk hebt, Pencroff," antwoordde Ayrton, "en dat het schip zijn vuren heeft gebluscht. Laten wij dus wachten tot het de kust genaderd is, en spoedig zullen wij dan weten waaraan wij ons te houden hebben."
Bij deze woorden ging Ayrton in een hoek der zaal zitten, zonder verder een woord te uiten. De kolonisten spraken nog een tijd lang over het onbekende schip, maar Ayrton nam aan het gesprek geen deel.
Allen bevonden zich in een toestand, waarin zij onmogelijk tot werken geschikt zouden zijn. Gideon Spilett en Pencroff waren bijzonder zenuwachtig, zij liepen heen en weer en konden onmogelijk op dezelfde plaats blijven. Harbert kon zijn nieuwsgierigheid niet beheerschen. Nab alleen behield zijn gewone kalmte. Was zijn vaderland niet daar, waar zijn meester was? Wat den ingenieur betrof, deze was in gepeins verzonken en in zijn binnenste was hij meer met vrees, dan met hoop vervuld.
Het schip was in dien tusschentijd het eiland een weinig genaderd. Met behulp van den verrekijker was het hun mogelijk geweest te ontdekken dat het een koopvaardijschip was, en niet een van die maleische prauwen welke de zeeroovers uitrusten wanneer zij den Stillen Oceaan bevaren. Het was dus te voorzien dat de vrees van den ingenieur niet verwezenlijkt zou worden, en dat de komst van een schip bij het eiland Lincoln geen gevaar voor hen zou opleveren. Pencroff was, nadat hij nogmaals den horizon aandachtig had gadegeslagen, van oordeel dat het een brik was en dat het rechtstreeks op de kust aankwam, hetgeen door Ayrton ook bevestigd werd.
"Wat zullen wij doen wanneer de avond invalt?" vroeg Gideon Spilett. "Zullen wij een vuur aansteken zoodat men met onze tegenwoordigheid op deze kust bekend worde?"
Dit was een gewichtige vraag, en toch, hoewel de ingenieur altijd nog van zijn voorgevoel geen afstand had kunnen doen, werd deze vraag bevestigend beantwoord. Gedurende den nacht kon het schip verdwijnen, voor altijd zich verwijderen, en wanneer dit gebeurde, zou er dan ooit weer een ander in de nabijheid van Lincoln komen? Maar wie kon voorzien wat de toekomst hun nog zou opleveren?
"Ja," zeide de reporter, "wij moeten dat schip laten weten, op welke wijs ook, dat het eiland bewoond is. Wanneer we die goede gelegenheid thans voorbij lieten gaan, zouden we ons misschien veel verdriet berokkenen!"
Er werd dus besloten dat Nab en Pencroff naar de Ballonhaven zouden gaan, en zoodra de nacht was aangebroken een groot vuur zouden aanleggen, dat ongetwijfeld de aandacht der bemanning van de brik moest trekken.
Maar op het oogenblik dat Nab en de matroos op het punt stonden het Rotshuis te verlaten, veranderde het schip zijn koers en maakte zich gereed de Uniebaai binnen te loopen. De brik was een goede zeiler, want zij naderde snel. Pencroff en Nab zagen dus van hun vertrek af, en overhandigden den verrekijker aan Ayrton, zoodat hij zich terstond kon overtuigen of het al dan niet de Duncan was. Het schotsche jacht was ook als brik getuigd. De vraag was nu, of zich tusschen de twee masten van het schip, dat nog slechts twee mijlen verwijderd was, een schoorsteen verhief.
De horizon was nog helder. Zij konden dus alles gemakkelijk onderscheiden, en Ayrton legde spoedig zijn verrekijker neer met de woorden:
"Het is de Duncan niet! Zij kon het niet wezen!...."
"Een half uur later zullen we weten welk schip het dan is," antwoordde de reporter. "Bovendien is het zeer waarschijnlijk, dat de kapitein van plan is hier te ankeren, en dus zoo niet van daag, zullen wij morgen toch met hem kennis maken."
"Het doet er niet toe!" zeide Pencroff. "Het is beter dat wij weten met wien we te doen hebben, en ik wil gaarne weten, onder welke vlag het vaart!"
Zoo pratende, hield de matroos steeds zijn verrekijker op het schip gericht.
"Het is geen amerikaansche vlag," zeide Pencroff van tijd tot tijd, "noch een engelsche, want het rood zouden wij gemakkelijk kunnen onderscheiden, noch zijn het de fransche of duitsche kleuren en evenmin is het de witte vlag der Russen, noch de gele der Spanjaarden.... Men zou zeggen dat het één kleur is.... Laat eens zien.... in deze zeeën.... wat zou het dan wezen?.... de chilische vlag?.... maar die is driekleurig.... braziliaansche?.... die is groen.... japaneesche? die is wit met een roode schijf.... terwijl deze...."
Op dit oogenblik deed een koeltje de onbekende vlag uitwaaien.
Ayrton greep den verrekijker dien de matroos had nedergelegd, keek er door en sprak toen op somberen toon:
"Het is de zwarte vlag!"
Inderdaad woei deze doodsche kleur boven de brik, en men kon nu met alle recht zeggen dat het een verdacht schip was. De ingenieur was dus in zijn voorgevoel niet bedrogen. Was het een schip met zeeroovers? Wat kwam dit op de kust van het eiland Lincoln zoeken? Zag het daarin een onbekend land, dat zeer goed tot bewaarplaats van hun gestolen goederen kon dienen? Kwam men hier gedurende de wintermaanden een schuilplaats zoeken? Was dus die bezitting der kolonisten bestemd om een schandelijk toevluchtsoord te worden--een soort van hoofdplaats--der zeeroovers van den Stillen Oceaan?
Al deze gedachten maakten zich van de kolonisten meester. Er viel niet meer aan te twijfelen, daar zij de vlag geheschen hadden. Het was die der zeeschuimers! Het was die, welke de Duncan zou gevoerd hebben, zoo de misdadigers in hun slechte plannen waren geslaagd!
Zij verloren geen tijd met hierover te praten.
"Vrienden," zeide Cyrus Smith, "misschien wil dit schip slechts de kust van het eiland verkennen? Misschien zal de bemanning niet aan wal gaan? Dat is de eenigste kans. Hoe het ook zij, wij moeten alles beproeven om onze tegenwoordigheid te verbergen. De molen, welke op het Verre Uitzicht staat, is te gemakkelijk te bespeuren. Laten Ayrton en Nab de wieken er af nemen. Laten wij ook de vensters van het Rotshuis met takkenbossen verbergen. Laten alle vuren worden uitgedoofd. Dat niets de tegenwoordigheid van den mensch verrade!"
"En ons vaartuig?" vroeg Harbert.
"O," antwoordde Pencroff, "dat ligt goed in de Ballonhaven bezorgd, en ik twijfel er aan of de roovers het ooit kunnen vinden."
De bevelen van den ingenieur werden onmiddellijk ten uitvoer gebracht. Nab en Ayrton begaven zich naar de vlakte en namen daar de noodige maatregelen, opdat hun verblijf niet zou ontdekt kunnen worden. Terwijl zij hiermede bezig waren, gingen hun metgezellen naar den zoom van het boomkruipersbosch en brachten vandaar een aantal slingerplanten en takken mede, die voorloopig hun verblijfplaats moesten verbergen. Ook brachten zij hun wapenen in orde, zoodat zij, wanneer het noodig was, die terstond bij de hand zouden hebben.
Toen al deze voorzorgen genomen waren, zeide Cyrus Smith:
"Vrienden," en men bespeurde aan den toon waarop hij deze woorden sprak, dat hij aangedaan was, "zoo die ellendelingen zich van het eiland Lincoln willen meester maken, zullen wij ons verdedigen, niet waar?"
"Ja, Cyrus," antwoordde de reporter, "en zoo het moet, zullen wij ons leven geven om het te verdedigen!"
De ingenieur stak zijn vrienden de hand toe, die hem met hartelijkheid drukten.
Ayrton was in zijn hoek gebleven en had zich dus niet bij de kolonisten gevoegd. Misschien gevoelde hij, de voormalige balling, zich nog niet waardig daartoe.
Cyrus Smith begreep wat er in de ziel van Ayrton moest omgaan, hij ging dus naar hem toe met de woorden:
"En gij, Ayrton, wat zult gij doen?"
"Mijn plicht," antwoordde deze.
Daarop plaatste hij zich bij het venster en keek naar buiten. Het was toen half acht. De zon was reeds eenigen tijd achter het Rotshuis ondergegaan. De brik naderde steeds meer en meer. Nog slechts acht mijlen was zij van het land verwijderd.
Nu was de vraag: zou het schip de baai binnenloopen, en zoo het dit al deed, zou het dan zijn anker laten vallen? Of zou het misschien zich tevreden stellen de kust in oogenschouw te nemen, en daarop weder zee kiezen? Binnen het uur zouden zij dit alles weten. De kolonisten moesten dus tot zoolang geduld hebben.
Cyrus Smith had niet zonder angst het verdachte schip zijn zwarte vlag zien hijschen. Was dit niet een bepaalde bedreiging tegen het werk dat zijn vrienden en hij hadden tot stand gebracht? De zeeroovers--men kon er niet meer aan twijfelen of de bemanning der brik bestond uit die wezens--hadden dit eiland dus reeds meermalen bezocht, daar zij, toen ze in het gezicht waren gekomen, hun vlag geheschen hadden? Hadden zij vroeger een landing hier gedaan, wat verscheidene bijzonderheden, die tot nog onverklaarbaar schenen, zouden hebben opgelost? Leefde er in die gedeelten, welke zij nog niet doorzocht hadden, een wezen, dat gereed was zich met hen in betrekking te stellen? Op al deze vragen, die zij zich zelven onwillekeurig deden, wist Cyrus niet wat te antwoorden; maar wel begreep hij dat de toestand der kolonie door de komst van de brik in groot gevaar verkeerde.
Het was nacht geworden. Men kon niets meer van het schip onderscheiden.
"Wel, wie weet," zeide Pencroff eensklaps, "of dat ellendige schip misschien zijn koers gedurende den nacht niet verandert en wij het bij het aanbreken van den dag niet weder zullen zien."
Maar plotseling, alsof het een antwoord was op de woorden van den matroos, zagen zij een hel licht en hoorden zij een kanonschot.
Het schip was er dus nog altijd en men had geschut aan boord.
Zes seconden waren er verstreken tusschen het zien van het licht en het geluid van het schot. De brik was dus op een en een kwart mijl van de kust verwijderd.
En op hetzelfde oogenblik hoorden zij het rinkelen van kettingen die door de kluisgaten liepen. Het schip ankerde dus voor het Rotshuis.
XII.
Beraad.--Voorgevoel.--Een voorstel van Ayrton.--Men neemt het aan.--Ayrton en Pencroff op het eilandje.--Boeven uit Norfolk.--Hun plannen.--Heldhaftige pogingen van Ayrton.--Zijn terugkomst.--Zes tegen vijftig.
Er viel dus niet meer te twijfelen aan de plannen der zeeroovers. Zij hadden het anker op korten afstand van het eiland geworpen, en het was blijkbaar, dat zij den anderen morgen met hun sloepen zich aan wal zouden begeven.
Cyrus Smith en zijn metgezellen stonden dus gereed om te handelen, maar, hoe vast besloten zij ook waren, moesten zij de voorzichtigheid toch niet uit het oog verliezen.
Misschien konden zij hun tegenwoordigheid nog verbergen, ingeval de zeeroovers zich mochten bepalen de kust te onderzoeken, zonder tot het binnengedeelte van het eiland door te dringen. Het kon inderdaad zeer goed wezen, dat zij geen ander plan hadden dan water in te nemen, en het was niet onmogelijk dat de brug, op ongeveer anderhalve mijl afstand van de monding, en de verschillende werkplaatsen bij de schoorsteenen aan hun oog ontsnapten.
Maar waarom hadden zij die vlag geheschen? Waartoe dat kanonschot? Niets dan bluf, zoo het ten minste niet het teeken was van het inbezitnemen van het eiland! Cyrus Smith wist thans, dat het schip goed gewapend was. En wat hadden de kolonisten van het eiland Lincoln om het kanonschot der zeeschuimers te kunnen beantwoorden? Niets dan eenige geweren.