Het Geheimzinnige Eiland De Verlatene

Chapter 7

Chapter 73,988 wordsPublic domain

Het waren inderdaad een zwerm zeevogels, met prachtig witte veeren. Zij waren bij duizenden op het eilandje en de kust neergestreken, en verdwenen spoedig in de verte, de verbaasde kolonisten achter latende, alsof zij van een _dissolving view_ getuigen waren geweest; alsof de winter door den zomer was opgevolgd, evenals in een toovervoorstelling. Ongelukkig genoeg had die verandering zoo plotseling plaats gegrepen, dat noch de reporter, noch de knaap er in slaagden een dezer vogels te dooden, waarvan zij onmogelijk het soort konden herkennen.

Eenige dagen later, den 26sten Maart, was het twee jaar geleden dat de luchtschipbreukelingen op het eiland Lincoln waren geworpen.

IX.

Herinnering aan het vaderland.--Kansen der toekomst.--Plan tot een verkenning.--Vertrek op 16 April.--Het schiereiland.--Hagedis in zee gezien.--Het basalt op de westkust.--Slecht weer.--De nacht valt.--Een nieuw voorval.

Reeds twee jaar! En in die twee jaar hadden de kolonisten geen omgang gehad met hun gelijken! Zij wisten niets van hetgeen er in de beschaafde wereld plaats had gegrepen, en leefden geheel verlaten op dit eiland alsof zij zich op een der onbekende planeten bevonden.

Gedurende die twee jaar was er op het eiland geen schip in het gezicht geweest; geen zeil hadden zij kunnen ontdekken. Het was duidelijk dat het eiland Lincoln niet in den koers lag die gewoonlijk gevolgd werd, en zelfs dat het geheel onbekend was--hetgeen de kaarten bovendien ook bewezen--want ofschoon het geen haven bezat, zou zijn water de schepen hebben aangetrokken, die hun voorraad daarvan wilden vernieuwen. Maar de zee, die het omringde, was altijd, zoo ver men zien kon, geheel verlaten en de kolonisten hadden slechts op zich zelven te rekenen, zoo zij naar hun vaderland mochten willen terugkeeren. Toch bleef hun nog een kans over, en die werd juist in de eerste week van April besproken, toen zij met elkander in het Rotshuis gezeten waren.

"Wij hebben bepaald maar één middel," zeide Gideon Spilett, "een enkel slechts waardoor wij het eiland Lincoln kunnen verlaten, en dat bestaat hierin: zulk een groot schip te bouwen, dat het gedurende eenige honderden mijlen zee kan houwen. Mij dunkt, wanneer men een sloep gemaakt heeft, dat men dan ook een schip klaar zal krijgen."

"En dat wij wel naar Pomotou kunnen gaan," voegde Harbert er bij, "nu wij eenmaal op het eiland Tabor geweest zijn."

"Ik zeg geen neen," antwoordde Pencroff, die altijd een beslissende stem had in de zaken die zijn vak betroffen, "ik zeg geen neen, hoewel het volstrekt niet hetzelfde is om naar een dichtbijzijnde of verafgelegen plaats over te steken! Zoo onze sloep, toen wij naar Tabor voeren, door de een of andere windvlaag bedreigd ware geworden, dan wisten wij, dat de haven aan beide zijden niet ver verwijderd was; maar om twaalf honderd mijlen af te leggen, dat is geen kleinigheid, en het naaste land is toch op zulk een afstand!"

"Maar wanneer het nu eens een dringende noodzakelijkheid was, Pencroff, zoudt ge het dan nog niet wagen?" vroeg de reporter.

"Ik zal alles ondernemen wat ge maar wilt, mijnheer Spilett," antwoordde de matroos, "en ge weet wel, dat ik nu juist de man niet ben, die ergens tegen opziet!"

"Bedenk ook wel, dat wij op een zeeman méer kunnen rekenen," merkte Nab op.

"Wie dan?" vroeg Pencroff.

"Ayrton."

"Dat is waar," antwoordde Harbert.

"Zoo hij er in toestemt om hier te komen," zeide Pencroff.

"Ei, ei," antwoordde de correspondent, "gelooft ge dan, dat wanneer het jacht van lord Glenarvan op het eiland Tabor was gekomen, Ayrton geweigerd zou hebben mede te gaan?"

"Gij vergeet, vrienden," merkte Cyrus Smith op, "dat Ayrton gedurende de laatste jaren van zijn verblijf op het eiland krankzinnig was. Maar dat is nu de vraag niet. Het komt er op aan, of we ook kunnen rekenen op de terugkomst van het Schotsche vaartuig. Daar lord Glenarvan aan Ayrton beloofd heeft, hem van het eiland Tabor te komen halen, wanneer hij meent dat zijn misdaden genoeg vergeten zijn, geloof ik wel, dat hij terug zal keeren."

"Ja," zeide de reporter, "en ik voeg er bij, dat hij weldra terug zal wezen, want het is reeds twaalf jaar geleden dat hij Ayrton hier achtergelaten heeft."

"Ja, ik ben het ook met u eens," zeide Pencroff, "dat hij zal terugkeeren en wel spoedig ook. Maar waar zal hij ankeren? Op het eiland Tabor, en niet op Lincoln."

"Dat is zooveel te zekerder, daar het eiland Lincoln niet eens op de kaart vermeld is," zeide Harbert.

"Daarom, vrienden, moeten wij de noodige maatregelen nemen," was de meening van den ingenieur, "dat ons verblijf en dat van Ayrton op het eiland Lincoln geweten wordt op het eiland Tabor."

"Zeker," antwoordde de reporter, "en niets is gemakkelijker dan om in de hut, die kapitein Grant en Ayrton bewoond hebben, een bericht te plaatsen, waar de ligging van ons eiland op aangegeven is, een bericht dat lord Glenarvan of een zijner mannen terstond vinden moeten."

"Het is zelfs jammer," merkte de matroos op, "dat wij niet reeds bij ons eerste bezoek, op het eiland Tabor, die voorzorg genomen hebben."

"En waarom zouden wij dat gedaan hebben?" vroeg Harbert. "Wij kenden toen de geschiedenis van Ayrton niet; wij wisten niet dat men hem ooit weer zou komen afhalen, en al hadden wij dat alles geweten, het jaargetijde was toch reeds te ver gevorderd om toen nog naar Tabor terug te kunnen keeren."

"Ja," antwoordde Cyrus Smith, "het was reeds te laat, en wij moeten dien tocht tot het voorjaar uitstellen."

"Maar zoo het Schotsche jacht eens in dien tusschentijd kwam?" vroeg Pencroff.

"Dat is niet waarschijnlijk," antwoordde de ingenieur, "want lord Glenarvan zal juist den winter niet uitkiezen om zich op die uitgestrekte zeeën te wagen. Of hij is reeds op het eiland Tabor geweest in den tijd dat Ayrton zich bij ons bevindt, dat is te zeggen, in die vijf maanden en hij is weer vertrokken; of hij komt eerst later en dan is het in de eerste helft van October tijds genoeg het eiland Tabor te bezoeken en daar ons bericht te plaatsen."

"Ik moet toch bekennen," zeide Nab, "dat het jammer zou wezen als de Duncan eenige maanden geleden zich in deze zeeën bevonden had."

"Ik hoop dat het niet gebeurd is," antwoordde Cyrus Smith.

"Ik geloof," sprak Gideon Spilett, "dat wij in elk geval zullen weten wat ons te doen staat wanneer wij weder op het eiland Tabor zijn teruggekeerd, want zoo de Schotten het bezocht hebben, moeten zij noodzakelijk eenig spoor hebben achtergelaten."

"Dat is zeer waarschijnlijk," antwoordde de ingenieur. "Dus vrienden, nu wij die kans nog over hebben om naar ons vaderland terug te keeren, is het best die geduldig af te wachten, en zoo zij ons ook mocht ontsnapt zijn, dan zullen we verder zien wat ons te doen staat."

"In elk geval," zeide Pencroff nog, "wanneer wij op de een of andere wijs het eiland Lincoln verlaten, zal het niet wezen, omdat wij het hier slecht hebben!"

"Neen, Pencroff," gaf de ingenieur ten antwoord, "dan zal het wezen omdat we verre zijn van alles wat de mensch liefheeft, zijn bloedverwanten, vrienden en geboorteland!"

Nu zij eenmaal hiertoe besloten hadden, was er ook geen sprake meer van om een schip te bouwen dat zich op de golven zou durven wagen, en zij hielden zich thans slechts bezig met hun gewone werk daar zij nu een derden winter in het Rotshuis zouden doorbrengen. In elk geval kwamen zij overeen dat de sloep gebruikt zou worden om nog, voor het slechte weer inviel, een tocht om het eiland te doen. De kust was hun nog niet geheel bekend en de kolonisten konden zich nog maar een onvolledig denkbeeld vormen van de west- tot de noordkust; van den mond der Valrivier tot aan de kapen Mandibule, even als van de enge baai, die zich daar tusschen uitstrekte als de bek van een haai.

Dit plan werd door Pencroff het eerst geopperd, en Cyrus Smith was er zeer mede ingenomen, want hij wilde met eigen oogen dat geheele gedeelte van zijn bezitting aanschouwen.

Den 16den April zou de reis ondernomen worden met de Bonadventure, die geheel tot zulk een tocht werd uitgerust.

Ook hadden zij Ayrton met hun plan bekend gemaakt en hem voorgesteld met hen mede te gaan, maar deze wilde liever op het eiland blijven; zij besloten dus, dat hij, gedurende hun afwezigheid, met Jup het Rotshuis zou bewonen.

Tegen den nacht hadden zij het Voorgebergte bereikt. De passagiers, uitgezonderd Pencroff, sliepen dien nacht, misschien minder goed aan boord van de Bonadventure dan in hun slaapkamers in het Rotshuis, maar toch genoten zij eenigen tijd rust.

Zij bereikten tegen den middag de zuidkust van het eiland. Cyrus Smith en zijn vrienden stonden verbaasd over de geheel verschillende natuur, welke deze kust hun te aanschouwen gaf. In plaats van de weelderige streek, waarin zij zich gevestigd hadden, bevonden zij zich hier te midden der meest woeste natuur, van alle zijden omringd door rotsen, die de grilligste vormen vertoonden. Sprakeloos stonden zij bij het gezicht dier ontzagwekkende steenmassa, maar zoo allen zwegen, ontzag Top zich toch niet, om zijn luid geblaf te doen hooren, dat de duizenden echo's van den basaltmuur weerkaatsten. De ingenieur merkte zelfs op dat zijn geblaf anders klonk dan gewoonlijk en veel geleek op het geluid dat hij bij de opening van den put hooren liet.

"Laten wij hier aan wal gaan," zeide hij.

Misschien was er in den omtrek een grot die zij moesten onderzoeken. Maar Cyrus Smith zag niets, geen grot, geen enkel hol dat tot schuilplaats van een of ander wezen zou kunnen dienen, want de voet der rotsen werd hier door het water bespoeld. Spoedig zweeg ook Top en zij staken weder van wal.

Toen de avond inviel had de Bonadventure een kleinen inham der kust bereikt, waar zij het raadzaam achtten den nacht door te brengen.

Den anderen ochtend konden zij gemakkelijk de kust bereiken en gingen Gideon Spilett en Harbert eenige uren op jacht. Zij keerden met een goeden voorraad gevogelte terug. Top had zijn best gedaan en geen enkel stuk wild was hem ontsnapt, dank zij zijn vlugheid en ijver.

Ten acht ure 's morgens stevende de Bonadventure naar de kapen Mandibule; zij hadden den wind achter en een frissche bries versnelde haar gang.

"Het zou mij niet verwonderen," zeide Pencroff, "zoo er een storm uit het westen kwam opzetten. Gisteren is de zon zeer rood ondergegaan en wanneer de zeemeeuwen zoo vliegen, voorspellen zij weinig goeds."

"Welnu," zeide Cyrus Smith toen, "laten wij alle zeilen bijzetten en een schuilplaats zoeken in de Haaiengolf. Ik denk dat de Bonadventure daar wel veilig zal wezen."

"Heel goed," antwoordde Pencroff, "bovendien is de noordkust ook slechts door kale duinen gevormd die niets bijzonders opleveren."

"Het zal mij ook niet spijten, om niet alleen den nacht, maar ook den volgenden dag in die baai door te brengen, want die is wel de moeite waard nauwkeuriger te worden onderzocht," voegde de ingenieur er bij.

"Ik geloof dat wij er wel toe genoodzaakt zullen zijn, of we willen of niet," antwoordde Pencroff, "want reeds heeft de horizon een dreigend aanzien in het westen. Zie eens hoe de wolken zich daar samenpakken!"

"In elk geval hebben we nu een goeden wind om kaap Mandibule te bereiken," merkte de reporter op.

"Een zeer goede wind," antwoordde de matroos, "maar toch om de golf binnen te loopen moeten wij laveeren, en ik wil in die onbekende streken goed uitzien."

"Ja, want er moeten daar veel klippen zijn, te oordeelen naar de zuidkust bij de Haaiengolf."

"Pencroff," zeide toen de ingenieur, "wij verlaten ons op u."

"Hoe laat is het?" vroeg Pencroff.

"Tien uur," antwoordde Gideon Spilett.

"Hoe ver zijn wij van de kaap verwijderd, mijnheer Cyrus?"

"Ongeveer vijf mijlen."

"Binnen twee uur zullen wij de kaap bereikt hebben. Ongelukkig hebben wij wind en stroom tegen en zullen wij moeite hebben te landen."

"Te meer," zeide Harbert, "omdat wij nieuwe maan hebben."

"Was er maar een vuurbaak op deze kust; dit zou voor ons zeevaarders van grooten dienst zijn."

"En ditmaal is er ook geen ingenieur die een vuur op de rots aanlegt."

"Dat is waar ook, Cyrus," riep Spilett uit, "daar hebben we u nog nooit voor bedankt, want zonder het vuur zouden we niet gemakkelijk de kust bereikt hebben."

"Een vuur?" vroeg Cyrus Smith, zeer verwonderd over die woorden van den reporter.

"Wel ja," hernam Pencroff, "zonder die voorzorg, die gij in den nacht van 19 op 20 October genomen hebt, om op het Rotshuis een vuur te maken, zouden wij dit niet hebben gezien."

"Ja, ja.... dat was een goede inval, dien ik toen gehad heb," sprak de ingenieur.

"Ditmaal zou er niemand zijn om ons dien kleinen dienst te bewijzen, of het moest Ayrton zijn."

"Neen, niemand," herhaalde Cyrus Smith.

Eenige oogenblikken daarna toen hij zich op de plecht van het vaartuig met den reporter alleen bevond, fluisterde hij hem in het oor:

"Als er één ding hier op aarde zeker is, Spilett, dan is het dit, dat ik nooit in den nacht van 19 op 20 October een vuur heb aangelegd, noch bij het Rotshuis, noch in eenig ander gedeelte van het eiland."

X.

Een nacht op zee.--De haaiengolf.--Vertrouwelijk gesprek.--Toebereidselen voor den winter.--Vroege winter.--Groote koude.--Werk binnen 's huis.--Na zes maanden.--Een photographische proef.--Een onverwachte gebeurtenis.

Het gebeurde zooals Pencroff voorzien had, want zijn voorgevoel kon hem niet bedriegen. De wind stak op, en de boot liep met een snelheid van veertig à vijf en veertig mijlen in het uur. Toch kon Pencroff, hoe gaarne hij het ook gewild had, de monding der Mercy niet binnenloopen en wachtte dus geduldig den dag af.

Gedurende dien nacht hadden Cyrus Smith en Gideon Spilett geen gelegenheid eenige woorden met elkaar te wisselen, en toch waren de woorden, die den ingenieur de reporter influisterde, van genoegzaam belang om nogmaals den geheimzinnigen invloed, die het eiland Lincoln scheen te beheerschen, te bespreken. Gideon Spilett dacht gedurig aan die onverklaarbare gebeurtenis, een vuur op de kust gezien te hebben. Hij had dit vuur bepaald gezien! Zijn vrienden, Harbert en Pencroff hadden het met hem aanschouwd! Dat vuur was hun behulpzaam geweest om in dien stikdonkeren nacht de ligging van het eiland te verkennen, en zij twijfelden toen niet of het was de hand van den ingenieur die het aangestoken had, en nu verklaarde Cyrus Smith toch plechtig, dat hij dit niet gedaan had!

Gideon Spilett was voornemens om zoodra de Bonadventure was teruggekeerd, op deze gebeurtenis terug te komen en Cyrus Smith aan te sporen om zijn vrienden met deze zonderlinge gebeurtenissen bekend te maken. Misschien zouden zij dan besluiten om gemeenschappelijk een volledig onderzoek van het eiland Lincoln in te stellen.

Hoe het ook zij, dien avond was er geen vuur op de onbekende plaats zichtbaar, die den ingang van de baai vormde, en het kleine vaartuig bleef den geheelen nacht op een afstand van de kust.

Bij het aanbreken van den dag waagden zij zich weder op die wateren, welke door die merkwaardige lava-kusten omsloten waren.

"Wat vooral zonderling is," merkte Cyrus Smith op, "is dat de golf gevormd wordt door twee lava-oevers, door den vulkaan uitgeworpen, en die door onophoudelijke uitbarstingen zijn opeen gehoopt."

Tegen vier uur in den middag liet Pencroff de punt van het eilandje links liggen, en liep het kanaal binnen, dat het van de kust scheidde, en ten vijf ure liet de Bonadventure het anker vallen bij de monding der Mercy.

Drie dagen was het geleden dat de kolonisten hun woning verlaten hadden. Ayrton wachtte hen op het strand en Jup liep hen tegemoet, terwijl hij een zacht gebrom liet hooren dat zijn blijdschap te kennen moest geven.

Zij hadden dus de geheele kust van het eiland onderzocht, maar niets verdachts had hun aandacht getroffen. Zoo een geheimzinnig wezen er zich op bevond, kon het slechts in die ondoordringbare wouden wezen van het Slangen-schiereiland; tot zoover hadden de kolonisten hun onderzoek nog niet uitgestrekt.

Gideon Spilett onderhield zich hierover met den ingenieur, en er werd besloten dat zij ook de aandacht van hun metgezellen zouden vestigen op die vreemde voorvallen die nu en dan op het eiland plaats grepen, en waarvan het laatste vooral een der onverklaarbaarste was.

Cyrus Smith kon niet nalaten, toen zij het onderwerp weder bespraken dat een vuur door een onbekende hand zou zijn aangestoken, voor de twintigste maal tot den reporter te herhalen:

"Hebt ge inderdaad dat vuur gezien? Was het geen uitwerping van een vulkaan, of een meteoor?"

"Neen, Cyrus," antwoordde de reporter, "het was een vuur door een menschenhand aangestoken. Vraag het Pencroff en Harbert. Zij hebben het gezien evenals ik, en zullen mijn woorden bevestigen."

Cyrus Smith besloot eindelijk eenige dagen later, den 25sten April, toen allen in de zaal van het Rotshuis bijeen waren, het woord op te nemen:

"Vrienden," zeide hij, "ik moet uw aandacht vestigen op eenige feiten die hier op het eiland hebben plaats gegrepen, en waarover ik gaarne uw oordeel zou vernemen. Die feiten zijn om zoo te zeggen bovennatuurlijk...."

"Bovennatuurlijk!" riep de matroos uit en blies een breede wolk rook uit. "Zou het kunnen zijn, dat ons eiland bovennatuurlijk is?"

"Neen Pencroff, maar wel geheimzinnig," gaf de ingenieur ten antwoord; "zoo gij ons ten minste geen verklaring kunt geven van datgene, waarvan Spilett en ik ons geen denkbeeld kunnen vormen!"

"Spreek, mijnheer Cyrus," antwoordde de matroos.

"Welnu, hebt gij het dan begrepen," zeide toen de ingenieur, "hoe het gebeurd is, dat ik na in zee gevallen te zijn, een vierde mijl landwaarts in ben teruggevonden, en dat zonder dat ik eenig bewustzijn van mijn verplaatsing heb gehad?"

"Zoo gij ten minste niet buiten kennis waart...." zeide Pencroff.

"Dat is niet denkbaar," antwoordde de ingenieur. "Maar laten wij verder gaan. Hebt gij begrepen hoe Top uw schuilplaats heeft ontdekt, op vijf mijl afstands van de grot waarin ik lag?"

"Het instinct van een hond...." antwoordde Harbert.

"Een zonderling instinct!" merkte de reporter op, "daar, ondanks regen en wind, Top dien nacht droog in de schoorsteenen aankwam!"

"Laten wij ook dit onderwerp verder onaangeroerd. Hebt gij begrepen hoe onze hond zoo zonderling uit het meer werd geworpen, na dien strijd met de zeekoe?"

"Neen, niet goed, dat erken ik," antwoordde Pencroff, en de wond die de koe in de zijde vertoonde, had den schijn alsof zij met een scherp wapen was toegebracht en dat begrijp ik nog veel minder."

"Nog iets," hernam Cyrus Smith. "Hebt gij begrepen, beste vrienden, hoe dat hageltje in het lichaam van het konijn gekomen is, zonder dat wij eenig spoor van een schipbreuk gevonden hebben; hoe die flesch, waarin die documenten lagen, ons juist bijtijds in handen is gekomen; hoe onze boot, nadat zij zich van haar touwen had losgerukt op het goede oogenblik de Mercy afzakte; hoe na de bestorming der apen, de ladder op een geschikt oogenblik weder boven uit het Rotshuis kwam, en eindelijk hoe het bericht dat Ayrton beweert nooit geschreven te hebben, in onze handen is gevallen."

Cyrus Smith noemde ze allen op, zonder een enkel te vergeten van de feiten die op het eiland hadden plaats gegrepen. Harbert, Pencroff en Nab zagen elkaar aan, en wisten niet wat te antwoorden, want de reeks dezer gebeurtenissen, voor de eerste maal aldus gerangschikt, verbaasde hen in de hoogste mate.

"Op mijn woord," zeide Pencroff eindelijk, "gij hebt gelijk, mijnheer Cyrus, en het is moeielijk die zaken te verklaren."

"Welnu, mijn vrienden," hernam de ingenieur, "er is nog een derde feit bijgekomen, en dat is niet minder onverklaarbaar."

"Welk dan, mijnheer Cyrus?" vroeg Harbert levendig.

"Toen gij van het eiland Tabor terug zijt gekomen, Pencroff," zeide de ingenieur, "hebt ge een vuur op het eiland Lincoln gezien?"

"Zeker," antwoordde de matroos.

"Gij zijt vast overtuigd het gezien te hebben?"

"Even zeker als ik u nu zie."

"Gij ook, Harbert?"

"Wel, mijnheer Cyrus!" riep Harbert uit, "het vuur schitterde als een ster in haar volle pracht."

"Maar was het geen ster?" vroeg de ingenieur dringend.

"Neen," antwoordde Pencroff, "want het was een bewolkte hemel, en een ster zou in elk geval niet zoo laag kunnen staan. Maar mijnheer Spilett heeft het evenals wij gezien en kan onze woorden bevestigen."

"Ik voeg er bij," zeide de reporter, "dat het een helder vuur was en dat electrieke stralen wierp."

"Ja juist...." riep Harbert, "en het was boven het Rotshuis."

"Welnu, mijne vrienden," antwoordde Cyrus Smith, "in dien nacht van 19 op 20 October hebben noch Nab, noch ik een vuur op de kust aangelegd."

"Hebt gij niet?...." riep Pencroff uit, ten toppunt van verbazing, zoodat hij zelfs den zin niet kon voleinden.

"Wij hebben het Rotshuis niet verlaten," antwoordde de ingenieur, "en zoo gij een vuur op de kust gezien hebt, dan heeft een andere hand dan de onze het aangestoken!"

Pencroff, Harbert en Nab stonden hierover versteld. Het kon geen verbeelding geweest zijn, en zeer zeker hadden zij in dien nacht van 19 en 20 October een vuur gezien.

Ja, zij moesten het wel erkennen dat er een geheim bestond! Een onverklaarbare invloed, die de kolonisten zeer gunstig was, maar die in de hoogste mate hun nieuwsgierigheid opwekte, beheerschte het eiland Lincoln. Was er dan eenig wezen verborgen in de meest afgelegen schuilplaatsen? Dit moesten zij weten, het mocht kosten wat het wilde.

Cyrus Smith herinnerde ook zijn vrienden aan het zonderlinge gedrag van Top en Jup, toen zij bij de opening van den put kwamen, die het Rotshuis in gemeenschap brengt met de zee, en deelde hun mede dat hij dien put onderzocht had, maar niets verdachts had ontdekt. Zij eindigden met het voornemen om het geheele eiland weer te onderzoeken, zoodra het goede seizoen was aangebroken.

Pencroff was dien dag telkens in gepeins verzonken. Het eiland dat hij dacht met zijn vrienden te bezitten, scheen hem niet meer geheel te behooren en het was of hij het met een ander moest deelen, aan wien hij, of hij wilde of niet, zich onderworpen moest gevoelen. Nab en hij spraken menigmaal over die onverklaarbare dingen; beiden geloofden gaarne aan wonderen, en aarzelden dus niet lang om te verklaren dat het eiland door een bovennatuurlijke macht beheerscht werd.

Het slechte weer brak met de maand Mei aan--die de Novembermaand in het noorden is. Het scheen een strenge en lange winter te zullen worden. Zij begonnen dan ook spoedig met hun winter-arbeid.

De kolonisten waren echter op dien winter voorbereid, hoe streng hij ook wezen mocht. Het ontbrak hun niet aan vilten kleeren en de schapen hadden hen van de noodige wol voorzien, waarvan zij warme kleeren konden vervaardigen. Het spreekt van zelf, dat zij ook Ayrton niet vergeten hadden. Cyrus Smith bood hem aan om het koude jaargetij in het Rotshuis te komen doorbrengen, waar hij een beter verblijf zou vinden dan in de kraal, en Ayrton beloofde dit te doen, zoodra zijn werk in de kraal zou zijn afgeloopen.

Hij kwam die belofte dan ook spoedig na. Sedert dien tijd maakte Ayrton een deel van het gezin uit en was hij hun in vele opzichten behulpzaam; maar hij bleef altijd onderworpen en somber en nam nooit deel aan de kleine genoegens die de kolonisten zich verschaften.

Het grootste gedeelte van dien derden winter, welken zij op het eiland Lincoln doorbrachten, sleten de kolonisten in het Rotshuis. Er waren hevige stormen en regenbuien, die de rotsen deden schudden op hun grondvesten. Gedurende dien tijd waagden zich tot tweemaal toe een paar jaguars en andere viervoetige dieren tot aan de grens der bergvlakte, en het was altijd te vreezen, dat de vlugsten en de moedigsten, door den honger gedreven, de gracht zouden oversteken, die bovendien, wanneer zij bevroren was, hun een gemakkelijken overtocht zou aanbieden. De planten en huisdieren zouden, zonder hun goede zorg, dan ook veel kans geloopen hebben geheel vernield te worden, en dikwijls moesten zij een schot lossen om die gevaarlijke bezoekers op een eerbiedigen afstand te houden.