Het Geheimzinnige Eiland De Verlatene
Chapter 4
De gevangene verweerde zich intusschen niet en trachtte evenmin zijn boeien te verbreken. Was hij vernietigd door de tegenwoordigheid van menschen, wier gelijke hij was geweest? Vond hij in zijn hersens een vluchtige herinnering die hem tot de menschheid terugbracht? Indien hij vrij ware geweest, zou hij dan getracht hebben te ontvluchten of zou hij gebleven zijn? Men wist het niet, maar nam er ook niet de proef van, en na de ellendige nauwkeurig opgenomen te hebben, zeide Gideon Spilett:
"Wie hij zij, wie hij geweest mag zijn en wat hij moge worden, het is onze plicht hem met ons mede te nemen naar het eiland Lincoln!"
"Ja! ja!" antwoordde Harbert, "en misschien zal men door zorgvuldige verpleging nog een weinig verstand in hem opwekken!"
"De ziel sterft niet," zeide de reporter, "en het zou voor ons een groote voldoening zijn dit schepsel van God aan de verdierlijking te ontrukken!"
Pencroff schudde ongeloovig het hoofd.
"Men moet het in ieder geval beproeven," antwoordde de reporter, "en de liefde voor onze naasten gebiedt het ons."
Het was inderdaad hun plicht als beschaafde christenen. Alle drie begrepen dit en zij wisten wel dat Cyrus Smith het goed zou vinden, wanneer zij aldus handelden.
"Zullen wij hem geboeid laten?" vroeg de zeeman.
"Misschien loopt hij, wanneer men zijn voeten vrij laat," zeide Harbert.
"Laten wij het beproeven."
De touwen, die om de voeten van den gevangene waren, werden losgemaakt, maar zijn armen bleven stevig gebonden. Hij stond zelf op en legde niet het minste verlangen aan den dag om te ontvluchten. Hij wierp een doordringenden blik op de drie mannen, die naast hem liepen en niets duidde aan, dat hij zich herinnerde hun gelijke te zijn of ten minste het geweest te zijn. Een aanhoudend fluiten kwam over zijn lippen en zijn uiterlijk was woest, maar hij bood geen weerstand.
Op raad van den reporter bracht men den ongelukkige in zijn woning. Mogelijk zou het gezicht van voorwerpen, die hem toebehoorden, eenigen indruk op hem maken! Mogelijk was éen vonkje voldoende om zijn beneveld verstand te doen herleven, om zijn verdoofde ziel weder op te wekken!
De woning was niet ver af. Binnen weinige minuten hadden zij haar bereikt; maar daar herkende de gevangene niets, en hij scheen het besef van alles verloren te hebben.
Wat kon men nog afleiden uit dezen lagen graad van verdierlijking waartoe deze ongelukkige vervallen was? Niets dan dat zijn gevangenschap op het eiland reeds van langen duur moest zijn geweest, en dat hij door afzondering tot dien toestand vervallen was, nadat hij als een redelijk wezen op het eiland was gekomen?
De reporter kwam toen op het denkbeeld, dat vuur misschien eenigen indruk op hem zou maken, en binnen weinige oogenblikken knapperde in den haard een van die heldere vuren, die zelfs dieren tot zich lokken.
Het gezicht van vlammen scheen eerst de aandacht van den ongelukkige te trekken; maar weldra trok hij zich terug en zijn blik verdoofde.
Op dit oogenblik kon men niets anders met hem doen, dan hem aan boord van de Bonadventure brengen, hetgeen geschiedde en waar hij onder toezicht van Pencroff bleef.
Harbert en Gideon Spilett keerden naar het eiland terug om hun inzameling voort te zetten en eenige uren later scheepten ook zij zich in met de wapenen en gereedschappen, een voorraad zaad, eenige stukken wild en twee paar zwijnen.
Alles was gereed en de Bonadventure zou het anker lichten zoodra de vloed den volgenden morgen opkwam.
De gevangene was in een der hutten gebracht, waar hij kalm, onbeweeglijk, doof en stom tegelijk, bleef zitten.
Pencroff bood hem te eten, maar hij wees het gebraden vleesch af dat hem aangeboden was en dat zeker niet in zijn smaak viel. Toen de zeeman hem een van de eenden voorhield, die Harbert gedood had, wierp hij er zich op als een dier en verslond haar.
"Gelooft gij dat hij ooit veranderen zal?" zeide Pencroff, terwijl hij het hoofd schudde.
"Misschien," antwoordde de reporter. "Het is niet onmogelijk dat wij er door groote zorg in slagen hem te veranderen, want hij is zoo geworden door de eenzaamheid en voortaan zal hij niet meer alleen zijn!"
"Die arme man verkeert zeker sedert langen tijd in dezen toestand!" zeide Harbert.
"Misschien," antwoordde Gideon Spilett.
"Hoe oud zou hij zijn?"
"Dat is moeilijk te bepalen," antwoordde de reporter, "want men kan zijn gelaatstrekken niet zien onder den zwaren baard, die zijn gezicht bedekt, maar hij is niet jong meer, en ik veronderstel, dat hij minstens vijftig jaar moet zijn."
"Hebt gij wel opgemerkt, mijnheer Spilett, hoe diep zijn oogen in hunne kassen verborgen zijn?" vroeg Harbert.
"Ja, Harbert, maar ik zag ook dat zij menschelijker zijn dan men wel zou verwachten bij het zien van zijn lichaam."
"Wij moeten afwachten," zeide Pencroff, "en ik ben nieuwsgierig het oordeel van mijnheer Smith omtrent onzen wilde te vernemen. Wij gingen een menschelijk wezen halen en wij brengen een monster te huis! Maar men doet wat men kan!"
De nacht ging voorbij en de gevangene sliep of waakte, men wist het niet, maar in ieder geval hij bewoog zich niet, ofschoon men zijn boeien had losgemaakt. Hij was als de gevangen wilde dieren, die onder den indruk zijn van den eersten tijd hunner opsluiting en later weder wild worden.
Bij het aanbreken van den volgenden dag--15 October--was het weer veranderd, zooals Pencroff voorzien had. De wind was naar het noordwesten gedraaid, en begunstigde den terugtocht van de Bonadventure; maar hij stak ter zelfder tijd heftiger op en maakte de vaart moeielijker.
Tegen vijf uur in den morgen werd het anker gelicht.
De eerste dag van den overtocht ging voorbij zonder dat er iets van belang voorviel.
Den volgenden dag werd de wind sterker en keerde nog meer naar het noorden en kreeg bijgevolg een minder gunstige richting voor de Bonadventure, die op de golven danste. Wanneer de wind niet veranderde, zou men langer tijd noodig hebben om Lincoln te bereiken, dan voor de reis naar Tabor.
17 en 18 October gingen voorbij zonder dat men land in het gezicht kreeg. De zee was onstuimig en eenmaal werd de Bonadventure zelfs voor een oogenblik onder een golf bedolven.
De toestand bleef hachelijk en de zeeman begon zelfs te gelooven dat hij op dezen onmetelijken oceaan verdwaald was, zonder dat er mogelijkheid bestond den weg terug te vinden.
De nacht van 18 op 19 October was donker en koud. Tegen elf uur bedaarde de wind en werd de zee kalmer; de Bonadventure werd minder geslingerd en ging zeer snel vooruit. Zij had overigens uitmuntend zee gehouden.
Noch Pencroff, noch Gideon Spilett, noch Harbert dachten er aan om te gaan slapen. Zij waakten met de grootste oplettendheid, want óf Lincoln kon niet ver verwijderd zijn en men zou het bij het aanbreken van den dag in het gezicht hebben, òf de Bonadventure was door den stroom medegesleept en door den wind uit haar koers geraakt, zoodat het bijna onmogelijk was geworden haar weder in de goede richting te brengen.
Pencroff, hoewel ongerust, wanhoopte niet; aan zijn beproefden moed was dat gevoel vreemd; aan het roer gezeten, trachtte hij onafgebroken de dichte duisternis die hem omhulde te doordringen.
Tegen twee uur in den morgen stond hij plotseling op en riep:
"Een vuur! een vuur!"
Men zag inderdaad op twintig mijlen in het noordoosten een helder vuur. Daar lag het eiland Lincoln en dit vuur, waarschijnlijk door Cyrus Smith ontstoken, gaf hun den weg aan, dien zij moesten volgen.
Pencroff, die te veel naar het noorden had aangehouden, veranderde van koers en wendde den steven naar dat vuur, dat als een ster van de eerste grootte aan den horizon schitterde.
V.
De terugkomst.--Onderling overleg.--Cyrus Smith en de onbekende.--De ballonhaven.--Tranen.--De derde oogst.--Een windmolen.--Het eerste meel en het eerste brood.--Opoffering van den ingenieur.--Een treffende ontdekking.
Den volgenden dag--20 October--tegen zeven uur in den morgen liep de Bonadventure, na een reis van vier dagen, den mond van de Mercy binnen.
Cyrus Smith en Nab waren reeds vroeg in den morgen naar de bergvlakte gegaan, daar zij zeer ongerust waren over het ongunstige weer en het lang uitblijven van hunne makkers; eindelijk hadden zij het vaartuig in het gezicht gekregen waarnaar zij zoo lang hadden uitgezien!
"God zij gedankt! Daar zijn zij!" riep Cyrus Smith uit.
Nab sprong, draaide op zijn hielen rond en klapte in zijn handen van plezier onder het roepen van: "O! mijn meester!" deze pantomime was welsprekender dan het mooiste betoog!
De eerste gedachte van den ingenieur, toen hij de personen telde die hij op het dek van de Bonadventure bespeurde, was dat Pencroff den schipbreukeling van het eiland Tabor niet had kunnen vinden of dat deze ongelukkige geweigerd had zijn eiland te verlaten en en zijn gevangenis met een andere te verwisselen.
Pencroff, Gideon Spilett en Harbert stonden inderdaad alleen op het dek van de Bonadventure.
De ingenieur en Nab wachtten aan de kust toen het vaartuig landde en nog voordat de passagiers voet aan wal hadden, zeide Cyrus Smith:
"Wat zijn wij ongerust over uw lang uitblijven geweest, vrienden! Is u een ongeluk overkomen?"
"Neen," antwoordde Gideon Spilett, "alles is integendeel goed afgeloopen. Wij zullen u alles vertellen."
"Gij zijt echter niet geslaagd in uwe nasporingen, daar er slechts, evenals bij het uitzeilen, drie man aan boord zijn?"
"Neem mij niet kwalijk, mijnheer Cyrus, wij zijn met ons vieren!" antwoordde de zeeman.
"Gij hebt den schipbreukeling dus gevonden?"
"Ja."
"En gij hebt hem meegebracht?"
"Ja."
"Levend?"
"Ja."
"Waar is hij? Wie is hij?"
"Het is, of liever het was een man!" antwoordde de reporter. "Dit is alles wat wij u kunnen zeggen, Cyrus!"
De ingenieur werd spoedig op de hoogte gebracht van alles wat er gedurende de reis was voorgevallen. Men vertelde hem onder welke omstandigheden de nasporingen hadden plaats gehad, hoe de eenige woning van het eiland sedert lang verlaten was, hoe men eindelijk een schipbreukeling had gevonden, die niet meer tot het menschelijk geslacht scheen te behooren."
"En ik weet zelfs niet," voegde Pencroff er bij, "of wij goed gehandeld hebben met hem hierheen te voeren.
"Zeer zeker hebt gij goed gehandeld, Pencroff," antwoordde de ingenieur levendig.
"Maar deze ongelukkige is van zijn verstand beroofd."
"Dat is wel mogelijk," antwoordde Cyrus Smith, "maar nauwelijks eenige maanden geleden was hij een mensch, zooals gij en ik. En wie weet wat er van de laatstoverlevende van ons zal worden, na een lange afzondering op dit eiland? Wee hem! die alleen is, vrienden. Gelooft vrij, dat de eenzaamheid spoedig het verstand uitdooft. Dit blijkt weder uit den ongelukkige, dien gij in zulk een toestand gevonden hebt!"
"Maar, mijnheer Cyrus," vroeg Harbert, "waarom gelooft gij dat de verdierlijking van dit rampzalige wezen slechts van eenige maanden is?"
"Omdat het bericht, dat wij gevonden hebben, eerst kort geleden geschreven was," antwoordde de ingenieur, "en dat alleen de schipbreukeling dit stuk heeft kunnen schrijven."
"Wanneer het ten minste niet opgesteld is door een lotgenoot van dien man, welke na dien tijd gestorven is," merkte Gideon Spilett op.
"Dat is niet mogelijk, mijn waarde Spilett."
"Waarom?" vroeg de reporter.
"Omdat het stuk van twee schipbreukelingen gesproken zou hebben," hernam Cyrus Smith, "en er wordt slechts van éen melding gemaakt."
Harbert verhaalde in weinige woorden wat er gedurende den tocht was voorgevallen.
De schipbreukeling van het eiland Tabor werd vervolgens uit de hut van de Bonadventure gehaald en toen hij aan wal stond, toonde hij groote neiging om te ontvluchten.
Cyrus Smith naderde hem en legde de hand op zijn schouder, met een gebaar van gezag, terwijl hij hem vriendelijk in de oogen blikte. De ongelukkige werd, onder den indruk dier plotselinge overmacht, langzamerhand kalmer; hij sloeg de oogen neder, boog het hoofd en verzette zich niet meer.
"Arme verlatene!" mompelde de ingenieur.
Er werd besloten, dat de onbekende--want met dezen naam duidden zijn lotgenooten hem voortaan aan--een van de kamers van het Rotshuis krijgen zou, waaruit hij niet kon ontsnappen. Hij liet er zich zonder tegenstand heen brengen en wanneer men hem met groote zorg behandelde, misschien zou men dan eenmaal een kolonist meer mogen tellen op het eiland Lincoln.
Onder een flink ontbijt, dat Nab spoedig gereed had gemaakt,--de reporter, Harbert en Pencroff waren uitgehongerd,--liet Cyrus Smith zich de reis naar het eiland tot in de kleinste bijzonderheden vertellen. Hij was het met zijn vrienden op dat punt eens, dat de onbekende een Engelschman of een Amerikaan moest zijn, want de naam Britannia gaf alle reden dit te vermoeden en onder dien verwaarloosden baard en dat verwarde haar meende de ingenieur overigens het Anglo-Saxische type te herkennen.
"Maar gij hebt ons nog niet verteld, Harbert," zeide Gideon Spilett, "op welke manier gij dezen wilde ontmoet hebt en wij weten niet anders, dan dat hij u geworgd zou hebben, wanneer wij niet bij tijds waren gekomen om je te verlossen!"
"Dat is zoo," antwoordde Harbert, "maar ik weet waarlijk zelf niet goed meer hoe alles is toegegaan. Ik was, geloof ik, bezig planten te verzamelen toen ik geluid hoorde als van een sneeuwklomp die uit een zeer hoogen boom viel.... Die ongelukkige, die waarschijnlijk in een boom verscholen zat, had zich op mij geworpen, binnen korter tijd dan ik noodig heb het te vertellen en zonder mijnheer Spilett en Pencroff...."
"Jongenlief!" zeide Cyrus Smith, "gij hebt daar inderdaad een groot gevaar geloopen, maar zonder dat zou dit arme wezen misschien nooit door u gevonden zijn en zouden wij niet een metgezel meer kunnen tellen."
"Gij hoopt dus, Cyrus, er in te slagen weer een mensch van hem te maken?" vroeg de reporter.
"Ja," antwoordde de ingenieur.
De geheele lading van de Bonadventure werd aan wal gebracht. De vaatjes kruit en lood waren zeer welkom. Men besloot zelfs een klein kruitmagazijn aan te leggen, hetzij buiten het Rotshuis hetzij in een van de kelders waar geen ontploffing te vreezen was.
Toen alles ontladen was zeide Pencroff:
"Mijnheer Cyrus, ik geloof dat het voorzichtig zou zijn onze Bonadventure op een veilige plaats te brengen."
"Is zij dan niet goed in den mond van de Mercy?" vroeg Cyrus Smith.
"Neen, mijnheer Cyrus," antwoordde de zeeman. "Zij wordt bijna onophoudelijk op het zand heen en weer geworpen, en dat schaadt haar te veel. Het is een goed schip, ziet u, dat zich uitmuntend gehouden heeft in den storm, waartegen wij op onze terugkomst hevig te kampen hebben gehad."
"Zou men haar niet in de rivier kunnen laten liggen?"
"Zeker zou dat kunnen, mijnheer Cyrus, maar die mond levert in het minst geen schuilplaats, en bij oostenwind zou de Bonadventure veel van de golven te lijden hebben."
"Maar waar wilt gij haar dan brengen, Pencroff?"
"Naar de Ballonhaven," antwoordde hij. "Die kleine kreek, rondom door rotsen besloten, komt mij voor juist de haven te zijn, die wij noodig hebben."
"Is zij niet wat te ver af?"
"Kom, niet meer dan drie mijlen van het Rotshuis, en wij hebben een rechten weg om er haar naar toe te voeren!"
"Het is goed, Pencroff, breng uw Bonadventure er heen," antwoordde de ingenieur, "en toch had ik haar liever meer in onze nabijheid om haar in het oog te houden. Wanneer wij tijd hebben moesten wij er een kleine haven voor trachten te maken.
"Lieve Hemel!" riep Pencroff uit. "Een haven met een baak, een hoofd en een dok! Met u wordt alles gemakkelijk!"
Harbert en de zeeman scheepten zich opnieuw in, het anker van de Bonadventure werd gelicht, de zeilen geheschen en een goede bries bracht hen binnen twee uur in de Ballonhaven.
De schipbreukeling toonde zich in het begin onwillig en soms vreesde men, dat hij door een van de vensters van het Rotshuis naar het strand zou vluchten. Maar hij werd langzamerhand bedaarder en men kon hem meer vrijheid laten.
Men kreeg reeds meer en meer hoop. Hij legde zelfs zijn instinct van vleeschetend dier af en nam ook minder het dierlijk voedsel aan, dat hij op het eiland gebruikte; hij had niet zulk een afkeer meer van gebraden vleesch dan hij aan boord van de Bonadventure getoond had.
Cyrus Smith had gebruik gemaakt van des vreemdelings slaap om hem zijn haren en zijn ordeloozen baard af te snijden, die als manen om zijn hoofd hingen. Hij had hem ook beter gekleed, nadat hij hem de lompen, waarmede hij bedekt was, had afgenomen. Het gevolg van die zorgen was, dat de onbekende er menschelijker uitzag, en het scheen zelfs, dat zijn blik zachter werd. Het was zeker, dat het gelaat van dien man schoon moest zijn geweest toen het nog door verstand verhelderd werd.
Cyrus Smith bracht iederen dag eenige uren in zijn gezelschap door. Hij kwam bij hem werken en deed allerlei dingen om zijn aandacht te trekken. Een vonk, een herinnering kon inderdaad voldoende zijn om deze ziel te doen herleven, om het verstand weder op te wekken!
De ingenieur sprak ook dikwijls zeer luid om ter zelfder tijd door de organen van het gehoor en van het gezicht dat verdoofde verstand te treffen. Nu en dan voegde er een van zijn metgezellen, soms ook allen zich bij hem. Zij spraken dan meestal over de zee en de zeevaart, die in de eerste plaats de aandacht van een zeeman moesten trekken. Soms luisterde de onbekende vaag naar hetgeen er gesproken werd en de kolonisten kwamen weldra tot de overtuiging, dat hij hen gedeeltelijk begreep. Enkele keeren was de uitdrukking van zijn gelaat zeer somber en kon men zien, dat hij innerlijk leed; maar hij sprak niet, hoewel men verscheiden malen meende te bespeuren, dat er woorden over zijn lippen zouden komen.
De kolonisten volgden met ware belangstelling elke vordering van Cyrus Smith op dezen ongelukkige. Ook hielpen zij hem in dit menschlievend werk en allen, behalve misschien de ongeloovige Pencroff, deelden weldra zijn hoop en geloof.
De onbekende was zeer kalm en had voor den ingenieur, onder wiens invloed hij zichtbaar stond, een soort van gehechtheid. Cyrus Smith wilde hem op de proef stellen door hem in een andere omgeving te brengen, bij dien Oceaan, waarop hij vroeger altijd had gestaard en aan den zoom van de bosschen, die hem moesten herinneren aan die, waarin hij zooveel jaren zijn leven had doorgebracht!
"Maar," zeide Gideon Spilett, "mogen wij hopen dat hij niet ontvluchten zal, zoodra hij vrij is?"
"Dat moeten wij afwachten," antwoordde de ingenieur.
"Goed!" zeide Pencroff. "Wanneer die snuiter zich vrij gevoelt en die groote ruimte voor zich ziet, dan zal hij zoo hard mogelijk wegloopen!"
"Ik geloof het niet," antwoordde Cyrus Smith.
"Laten wij het beproeven."
"Wij zullen het beproeven."
Dit gesprek werd gehouden op den 30sten October en bij gevolg negen dagen nadat de schipbreukeling van het eiland Tabor in het Rotshuis gevangen was. Het was warm en de zon scheen helder op het eiland.
Cyrus Smith en Pencroff gingen naar de kamer van den onbekende, dien zij naast zijn venster vonden liggen, terwijl hij naar de lucht keek.
"Ga mede, mijn vriend," zeide de ingenieur tot hem.
De onbekende stond oogenblikkelijk op. Zijn blik richtte zich op Cyrus Smith en hij volgde hem, terwijl de zeeman achter hem liep, die weinig vertrouwen stelde in den uitslag van deze proef.
Weldra was men aan de kust, waar Nab, Harbert en Gideon Spilett wachtten.
De kolonisten verwijderden zich een weinig van den onbekende om hem eenige vrijheid te laten.
Hij deed eenige stappen naar de zee en zijn blik schitterde met buitengewonen glans, maar hij trachtte volstrekt niet te ontsnappen. Hij sloeg de kleine golfjes gade die op het land wegstierven.
"Dit is nog slechts de zee," merkte Gideon Spilett op, "en het schijnt dat deze hem niet op de gedachte brengt om te vluchten."
"Ja," antwoordde Cyrus Smith, "wij moeten hem naar de bergvlakte, bij den zoom van het bosch brengen. Daar zullen wij duidelijker bewijzen krijgen."
"Hij kan ook niet ontsnappen," merkte Nab op, "want al de bruggen zijn opgehaald."
"Nu," zeide Pencroff, "hij is er wel de man naar, om zich aan een beek, zoo als de Glycerine-rivier is, te storen! In een sprong was hij er over!"
"Wij zullen zien," antwoordde Cyrus Smith slechts, wiens blik den krankzinnige niet verlaten had.
Deze werd vervolgens naar den mond van de Mercy gebracht en allen bereikten langs den linkeroever van de rivier de bergvlakte.
Op de plek gekomen, waar de eerste prachtige boomen van het bosch groeiden, wier bladeren zachtkens, door den wind bewogen werden, scheen de onbekende den doordringenden geur, waarmede de dampkring vervuld was, met genot in te ademen en een diepe zucht ontsnapte aan zijn borst!
De kolonisten bleven een weinig achter, gereed om hem te vatten, indien hij een beweging maakte om te ontvluchten!
Het arme wezen was inderdaad op het punt om zich in de rivier te werpen, die hem van het bosch scheidde, en hij boog de knieën als stond hij gereed een sprong te nemen. Maar bijna terzelfder tijd bedwong hij zich, zonk ineen en groote tranen biggelden langs zijn wangen.
"O!" riep Cyrus Smith uit, "gij zijt weder mensch geworden, daar gij tranen hebt gestort!"
VI.
Een geheim, dat moet ontraadseld worden.--De eerste woorden van den onbekende.--Twaalf jaar op het eiland.--Bekentenissen.--De verdwijning.--Vertrouwen van Cyrus Smith.--De molen.--Het eerste brood.--Een opoffering.--De eerlijke handen.
Ja, de rampzalige had geschreid! Waarschijnlijk was er eene herinnering in hem opgekomen en volgens de uitdrukking van Cyrus Smith was hij weder mensch geworden door de tranen die hij gestort had.
De kolonisten lieten hem eenigen tijd op de bergvlakte en verwijderden zich zelfs een weinig, opdat hij zich nog meer vrij zou gevoelen, maar hij dacht er niet aan om van deze vrijheid misbruik te maken, en Cyrus Smith besloot weldra hem weder naar het Rotshuis terug te voeren.
Twee dagen na dit voorval scheen de onbekende meer en meer aan het gemeenschappelijke leven te willen deelnemen. Hij hoorde en begreep blijkbaar, maar bleef er bij volharden om niet tot de kolonisten te spreken, want eens, dat Pencroff 's avonds aan de deur van zijn kamer luisterde, hoorde hij deze woorden over zijn lippen komen.
"Neen! hier! ik! nooit!"
De zeeman bracht deze woorden aan zijn metgezellen over.
"Daar schuilt eenig treurig geheim achter!" zeide Cyrus Smith.
De onbekende was gebruik gaan maken van de werktuigen en arbeidde in den moestuin. Als hij met zijn arbeid ophield, hetgeen dikwijls gebeurde, dan bleef hij in gedachten verzonken; maar op aanraden van den ingenieur eerbiedigde men de afzondering waarin hij scheen te willen blijven. Indien een van de kolonisten hem naderde, week hij ter zijde en een zucht ontvlood aan zijn borst, alsof zijn gemoed vol was. Was het berouw dat hem zoo deed handelen? Dit zou men bijna gelooven, en Gideon Spilett maakte zeer terecht deze opmerking:
"Indien hij niet spreekt, is dit, geloof ik, omdat hij ernstige dingen te zeggen heeft!"
Men moest geduld hebben en wachten.
Toen de onbekende eenige dagen later, 3 November, op de bergvlakte werkte, liet hij plotseling zijn bijl op den grond vallen; Cyrus Smith, die hem van ter zijde gade sloeg, zag ten tweeden male groote tranen over zijn wangen biggelen. Een onwederstaanbaar medelijden voerde hem tot den ongelukkige en, diens arm licht aanrakende, zeide hij:
"Vriend!"
De blik van den onbekende trachtte hem te ontwijken, en toen Cyrus Smith zijn hand wilde vatten trad hij plotseling terug.
"Zie mij aan," zei Cyrus Smith op gebiedenden toon, "ik eisch het!"
De onbekende zag den ingenieur aan en scheen geheel onder diens invloed, even als een gemagnetiseerde onder den invloed van zijn magnetiseur. Maar toen had er eensklaps een geheele verandering in zijn gelaat plaats. Zijn blik schoot vlammen. De woorden trachten zijn lippen te ontsnappen. Hij kon zich niet langer inhouden!.... Eindelijk kruiste hij zijn armen en zeide op doffen toon:
"Wie zijt gij?"