Het Geheimzinnige Eiland De Verlatene

Chapter 3

Chapter 33,879 wordsPublic domain

"Maar wij zijn er toch. Houdt gij ons schip dan voor een wrak en ons zelven voor bruinvisschen?"

Dien avond schatten zij dat de Bonadventure een afstand van honderd twintig mijlen had afgelegd, sedert haar vertrek van het eiland Lincoln, dat is te zeggen in zes en dertig uur, hetgeen een snelheid van drie en een derde mijl in het uur gaf. De wind was zwak en zou weldra geheel gaan liggen. Men mocht in ieder geval hopen, indien men goed gerekend had en de richting juist was geweest, bij het aanbreken van den volgenden dag het eiland Tabor te zullen bereiken.

Gideon Spilett, noch Harbert, noch Pencroff sliepen dien nacht. In afwachting van den volgenden morgen konden zij hunne aandoening niet meester blijven. Er was zooveel onzekerheid in de onderneming, die zij gewaagd hadden! Waren zij dicht bij het eiland Tabor? Was dat eiland nog door dien schipbreukeling bewoond, dien zij nu te hulp kwamen? Wat was deze voor een man? Zou zijn tegenwoordigheid, de kleine kolonie, die tot nog toe zoo eensgezind was geweest, niet storen? Zou hij er in toestemmen zijn gevangenis voor een andere te ruilen? Al deze vragen, die zeker den volgenden dag beantwoord zouden worden, hielden hen uit hun slaap en bij de eerste ochtendschemering richtten zij achtereenvolgens hun blik naar elk punt van den westelijken horizon.

"Land!" riep Pencroff tegen zes uur in den morgen.

En daar het niet aan te nemen was, dat Pencroff zich vergiste, was men zeker land voor zich te hebben.

Men oordeele over de vreugde van de kleine bemanning van de Bonadventure!

Binnen weinige uren zouden zij op de kust van het eiland zijn!

Men was nog slechts vijftien mijlen van het eiland Tabor verwijderd, dat een lage kust had, welke nauwelijks boven de golven uitstak.

De steven van de Bonadventure, die een weinig ten zuiden van het eiland wees, werd nu daarheen gericht en naarmate de zon in het oosten steeg, kreeg men ook hier en daar eenige toppen in het gezicht.

"Het is een eilandje van veel minder belang dan het eiland Lincoln," merkte Harbert op. "Het is waarschijnlijk eveneens ontstaan door een onderzeesche beweging."

Om elf uur was de Bonadventure er nog slechts twee mijlen van verwijderd en Pencroff zocht een plaats om te landen, maar ging in deze onbekende streken uiterst voorzichtig te werk.

Men kon toen het eiland in zijn geheel overzien, waarop eenige groenende struiken wiesen en enkele groote boomen van dezelfde soort als op Lincoln groeiden.

Maar zonderling genoeg, nergens zag men een rookwolk opstijgen, die aantoonde dat het eiland was bewoond; geen spoor hiervan was er op eenig punt van de kust te zien.

Het stuk was nochtans duidelijk geweest; er was een schipbreukeling en die schipbreukeling moest toch op den uitkijk zijn!

De Bonadventure waagde zich echter in de grillige passen, die tusschen de klippen stroomden, en Pencroff nam de onbeduidendste bochten nauwkeurig op. Hij had Harbert aan het roer gezet en aan den voorsteven nam hij het water waar, gereed om zeil te reven, waarvan hij het touw in de handen hield. Gideon Spilett ging met zijn verrekijker de geheele kust na, zonder dat hij iets bespeurde.

Eindelijk tegen twaalf uur, stootte de Bonadventure met haar voorsteven op de zandkust. Het anker werd geworpen, de zeilen werden gestreken en de bemanning van het kleine vaartuig ging aan wal.

Er viel niet te twijfelen of het was het eiland Tabor, omdat er, volgens de laatst uitgegeven kaarten, geen ander eiland in dit gedeelte van de Stille Zee tusschen Nieuw-Zeeland en de Amerikaansche kust bestond.

Het schip werd stevig vastgemeerd om te voorkomen dat het door den vloed meegenomen werd; en na zich goed gewapend te hebben, begaf Pencroff zich met zijn beide metgezellen op weg naar een kleinen bergtop van ongeveer twee honderd vijftig à drie honderd voet hoogte, op een halve mijl afstands.

"Van den top van dezen heuvel," zeide Gideon Spilett, "zullen wij zonder twijfel het eiland kunnen overzien, hetgeen onze nasporingen veel gemakkelijker zal maken."

"Wij moeten hier doen," antwoordde Harbert, "wat mijnheer Cyrus het eerst op het eiland Lincoln gedaan heeft, toen hij den berg Franklin besteeg."

"Precies hetzelfde," antwoordde de reporter, "en dit is de beste manier om te beginnen."

Al pratende volgden zij den zoom van een grasvlakte, die zich tot aan den voet van den heuvel uitstrekte. Een groot aantal rotsduiven en zeezwaluwen, van dezelfde soort als op Lincoln vlogen bij hun nadering op. In het bosch, aan de linkerzijde van de weide, hoorden zij ritselen in het kreupelhout en zagen zij het gras bewegen, hetgeen wel bewees dat er zeer schuwe beesten verblijf hielden; maar nog niets duidde aan dat het eiland bewoond was.

Pencroff, Harbert en Gideon waren weldra op den top van den berg en hun blik kon vrij langs alle punten van den horizon weiden.

Zij waren op een eiland, dat niet meer dan zes mijlen omtrek had en langwerpig rond van vorm was. Rondom was de zee geheel verlaten en smolt aan den horizon met de lucht samen. Er was geen land, geen zeil in het gezicht.

Dit eiland, dat geheel begroeid was, leverde niet zulk een afwisseling op als Lincoln, waarvan een gedeelte onvruchtbaar en wild was en een ander vruchtbaar en weelderig. Hier was het een onafgebroken massa groen, waarboven twee of drie heuvels uitstaken. Dwars door een groote weide liep een kleine beek, die zich aan de westkust door een nauwen mond in zee stortte.

"Het is een zeer beperkt gebied," zeide Harbert.

"Ja," antwoordde Pencroff, "het zou voor ons wel wat te klein zijn geweest."

"En erger," zeide de reporter, "het schijnt onbewoond."

"Waarlijk," antwoordde Harbert, "niets duidt de aanwezigheid van menschen aan."

"Laten wij naar beneden gaan en zoeken," gaf Pencroff te raad.

De zeeman en zijn beide metgezellen keerden naar de kust terug, naar de plaats waar zij de Bonadventure hadden achtergelaten. Zij hadden besloten om te voet een tocht om het eiland te maken, vóor zich in het binnengedeelte te wagen, zoodat er niets aan hun onderzoek kon ontgaan.

Men kon gemakkelijk de kust volgen, welke op enkele punten slechts door groote rotsen afgebroken werd, die men echter kon omtrekken. De verkenners richtten zich naar het zuiden; een groot aantal watervogels en zeehonden vluchtten bij hun nadering, reeds wanneer zij hen van verre zagen komen.

"Het is niet voor de eerste maal," merkte de reporter op, "dat deze dieren menschen zien. Zij vreezen hen en dus kennen zij hen."

Een uur na hun vertrek kwamen zij bij de zuidelijke punt van het eiland en keerden zij langs de westkust naar het noorden terug. Ook deze kust bestond uit zand en rotsen en was door dichte bosschen begrensd.

Nergens was een spoor te ontdekken van bewoners, nergens over de geheele oppervlakte van het eiland, dat zij in vier uur geheel doorkruist hadden, was de indruk van een voetstap te vinden.

Het was zeer zonderling en men moest gelooven dat het eiland Tabor niet of niet meer bewoond was.

Misschien was het geschrift in de flesch reeds maanden of jaren oud en was het in dit geval mogelijk, dat de schipbreukeling naar zijn land teruggekeerd of van ellende omgekomen was.

Pencroff, Gideon Spilett en Harbert gebruikten onder druk gesprek hun middagmaal aan boord van de Bonadventure, om zoo mogelijk hun verkenning tot den nacht voort te zetten.

Tegen vijf uur in den avond waagden zij zich in het bosch.

Ook daar jaagden zij menig dier op, maar vooral, men zou zelfs kunnen zeggen, uitsluitend geiten en varkens, die men aanstonds als van europeesch ras herkende.

Een walvischvaarder had ze ongetwijfeld op het eiland ontscheept, waar zij zich spoedig vermenigvuldigd hadden. Harbert nam zich voor eenigen daarvan levend te vangen om ze naar Lincoln over te brengen.

Het viel dus niet meer te betwijfelen, dat te eeniger tijd menschen dit eiland bezocht hadden. Men was er nog meer van overtuigd, toen men dwars door het bosch gebaande wegen zag en zelfs boomstammen, die met een bijl geveld waren, en overal sporen van menschenarbeid; maar deze boomen, die reeds tot vermolmen overgingen, waren vele jaren geleden geveld: de inkervingen van de bijl waren met mos overdekt, en het lange gras groeide in overvloed op de paden, zoodat men ze nauwelijks terug kon vinden.

"Maar," merkte Gideon Spilett op, "dit bewijst dat hier niet alleen menschen aan wal zijn geweest, maar dat zij het zelfs gedurende eenigen tijd bewoond hebben."

Wie waren deze menschen? Hoeveel waren er? Hoeveel zijn er nog?

"Het geschrift," zeide Harbert, "spreekt slechts van één schipbreukeling."

"Welnu, indien er nog éen is," antwoordde Pencroff, "dan moeten wij hem ook volstrekt vinden!"

Men zette dus de verkenning voort.

De zeeman en zijn metgezellen volgden natuurlijk den weg, die het eiland dwars doorsneed, en hielden dus den oever van de rivier, welke naar zee voerde.

Gaven dieren van Europeeschen oorsprong en eenige sporen van menschenarbeid reeds onbetwistbaar te kennen, dat er menschen op dit eiland geweest waren, verscheiden eigenaardigheden in het plantenrijk bewezen dit niet minder. Op enkele open plaatsen in het bosch zag men dat er moeskruiden geplant waren geweest in een waarschijnlijk lang verleden tijdperk.

De vreugde van Harbert was onbeschrijfelijk, toen hij aardappelen, cichorei, zuring, wortelen, kool en knollen vond, waarvan hij het zaad slechts behoefde te nemen om er den bodem van Lincoln mede te verrijken!

"Goed zoo, goed!" zeide Pencroff. "Dat is iets voor Nab. Vinden wij den schipbreukeling niet, dan zal onze reis ten minste niet te vergeefs zijn geweest en God zal ons beloond hebben!"

"Voorzeker," antwoordde Gideon Spilett; "maar te oordeelen naar den staat, waarin deze moestuinen verkeeren, moet men vreezen dat het eiland sedert lang niet meer bewoond is."

"Waarlijk," antwoordde Harbert, "een bewoner, wie hij ook zij, zou zulke onmisbare planten niet zoo verwaarloosd hebben!"

"Ja," zeide Pencroff, "die schipbreukeling is weg!... Dat moeten wij aannemen...."

"Men moet dus aannemen dat het papier in de flesch reeds van ouden datum is?"

"Natuurlijk."

"En dat deze flesch het eiland Lincoln eerst bereikt heeft na langen tijd op zee te hebben rondgezworven?"

"Waarom niet?" antwoordde Pencroff.--"Maar de nacht valt in," voegde hij er bij, "en ik geloof, dat het beter is ons onderzoek te schorsen."

"Laten wij aan boord gaan; morgen kunnen wij weer beginnen," zeide de reporter.

Dit was het verstandigste en zijn raad werd opgevolgd, toen Harbert op een verwarde massa tusschen de boomen wees en uitriep:

"Een woning!"

Allen richtten zich onmiddellijk naar de aangewezen plaats. Bij de schemering kon men nog zien dat de woning uit planken bestond en door een dik geteerd zeil overtrokken was.

De deur, die aanstond, werd door Pencroff opengestooten, die snel binnentrad.... De woning was ledig!

VI.

Inventaris.--De nacht.--Eenige letters.--Voortzetting van het onderzoek.--Planten en dieren.--Harbert in gevaar.--Aan boord.--Vertrek.--Slecht weer.--Een vonk van instinct verdoold op zee.--Een vuur te rechter tijd.

Pencroff, Harbert en Gideon Spilett stonden sprakeloos te midden der duisternis.

Pencroff riep met luider stem.

Geen antwoord.

De zeeman sloeg vuur en stak een tak in zijn nabijheid aan. Dit licht verspreidde gedurende korten tijd zijn gloed in een klein vertrek, dat geheel verlaten scheen. Op den achtergrond was een ruwe stookplaats, met eenige koude asch, waarbij nog een kleine voorraad hout lag. Pencroff wierp er den brandenden tak op; het hout vatte vlam en gaf een helder licht.

De zeeman en zijn metgezellen zagen toen een ordeloos bed, waarvan de gele en vochtige dekens bewezen, dat het sedert lang niet gebruikt was; in een hoek bij den schoorsteen twee verroeste ketels en een omvergeworpen pan; een kast met eenige half vergane zeemanskleederen; op tafel lag een tinnen lepel en vork en een bijbel, die van vocht doortrokken was; in een hoek zagen zij werktuigen, een schop, een houweel, een pook, twee jachtgeweren, waarvan een was gebroken; op een plank stond een ongeschonden vaatje kruit, kogels en een doos percussies; alles was met een laag stof bedekt, die jaren noodig had gehad om zulk een dikte te verkrijgen.

"Er is niemand," zeide de reporter.

"Niemand!" herhaalde Pencroff.

"Het is lang geleden, dat deze kamer bewoond werd," merkte Harbert op.

"Zeer lang!" beaamde de reporter.

"Mijnheer Spilett," zeide Pencroff, "ik geloof, dat het beter is den nacht in deze woning door te brengen, in plaats van naar boord terug te keeren."

"Gij hebt gelijk, Pencroff," antwoordde Gideon Spilett, "en indien de eigenaar terugkomt, welnu! hij zal zich misschien niet beklagen zijn plaats ingenomen te vinden!"

"Hij zal niet terugkomen!" zeide de zeeman, het hoofd schuddende.

"Gelooft gij dat hij het eiland verlaten heeft?" vroeg de reporter.

"Wanneer hij het eiland verlaten heeft, had hij zijn wapens en werktuigen meegenomen," zeide Pencroff. "Gij weet hoezeer schipbreukelingen aan deze voorwerpen hechten, die de laatste overblijfsels van een schipbreuk zijn. Neen! neen!" herhaalde de zeeman op stelligen toon, "neen! hij heeft het eiland niet verlaten! Indien hij op een door hem vervaardigde boot gevlucht was, dan zou hij zeker deze onmisbare voorwerpen niet achtergelaten hebben! Neen, hij is op het eiland!"

"Levend?...." vroeg Harbert.

"Levend of dood. Maar als hij gestorven is dan heeft hij zich zelf niet begraven, denk ik," antwoordde Pencroff; "en wij zullen ten minste zijn geraamte vinden!"

Men besloot dus den nacht in de verlaten woning door te brengen, die voldoende verwarmd zou worden door den voorraad hout, welke nog in een hoek lag. Toen de deur gesloten was bleven Pencroff, Harbert en Gideon Spilett op een bank zitten; soms spraken zij, maar meestal waren zij in gepeins verzonken. Zij bevonden zich in een toestand waarin zij zich alles konden voorstellen, evenals zij alles konden verwachten, en zij luisterden gretig naar elk geluid daar buiten. Was de deur plotseling opengegaan, had er een man voor hen gestaan, het zou hen niet verwonderd hebben, niettegenstaande alles in de hut genoeg bewees, dat zij verlaten was, en hunne handen waren gereed de handen te drukken van dien man, van dien schipbreukeling, van dien onbekenden vriend, die door vrienden verwacht werd!

Maar zij hoorden niets; de deur bleef gesloten en de uren gingen alzoo voorbij.

Wat scheen die nacht lang voor den zeeman en zijn metgezellen! Alleen Harbert had twee uur geslapen, want op zijn jaren is slaap een behoefte. Zij verlangden alle drie hun onderzoek van den vorigen avond voort te zetten en dat eiland tot in de kleinste hoeken te onderzoeken! Hetgeen Pencroff verondersteld had, was volkomen juist en het was bijna zeker, dat de bewoner van de hut, daar deze verlaten was en het huisraad, het gereedschap en de wapenen daar nog gevonden werden, moest zijn omgekomen. Men moest zijn overschot dus zoeken om het althans te begraven.

De dag brak aan, Pencroff en zijn metgezellen begonnen onmiddellijk met het onderzoek in de hut.

Zij was waarlijk onder gunstige omstandigheden gebouwd, tegen een kleinen heuvel, die door vijf of zes prachtige gomboomen beschut werd. Voor de hut waren de boomen met een bijl omgehakt, zoodat men vrij in zee kon zien. Een klein grasperk, dat door een houten heining was omgeven, leidde naar de kust, nabij de monding van de beek.

De hut zelf bestond uit planken en men kon gemakkelijk zien dat deze planken van de kiel of van het dek van een schip afkomstig waren. Het was dus waarschijnlijk dat een onttakeld schip op de kust van het eiland was geworpen, dat er minstens één man van de bemanning gered was en dat die man met behulp van het wrak deze woning gebouwd had, daar hij werktuigen tot zijn beschikking had.

Zij werden in deze meening nog meer overtuigd toen Gideon Spilett bij het omloopen van de hut een plank zag--waarschijnlijk een, die tot den voorsteven van het schip behoord had--waarop deze nog nauwelijks leesbare letters stonden:

_BR.TAN..A_.

"Britannia!" riep Pencroff uit, die door den reporter geroepen was, "dat is de naam van vele schepen, en ik zou niet kunnen zeggen of dit een Engelsche of een Amerikaansche bodem geweest is!"

"Het doet er weinig toe, Pencroff."

"Dat is waar," antwoordde de zeeman, "en wij zullen den overgeblevene van de bemanning redden, indien hij nog leeft, tot welk land hij ook behoore! Maar laten wij, voordat wij ons onderzoek voortzetten, eerst naar boord van de Bonadventure terugkeeren!"

Zekere onrust omtrent zijn schip had zich van Pencroff meester gemaakt. Wanneer het eiland toch eens bewoond ware en wanneer een van zijn bewoners zich eens meester had gemaakt.... Maar hij haalde zijn schouders op over zulk eene onwaarschijnlijke veronderstelling.

In ieder geval verlangde de zeeman aan boord te gaan ontbijten. De gebaande weg was niet lang,--nauwelijks een mijl. Men ging dus op weg en keek ondershands in het bosch en tusschen het kreupelhout, waarin geiten en varkens bij honderden de vlucht namen.

Twintig minuten, nadat zij de hut verlaten hadden, kregen Pencroff en zijn metgezellen de kust in het gezicht en de Bonadventure, die door haar anker, dat diep in het zand lag, werd vastgehouden.

Pencroff kon een zucht van voldoening niet onderdrukken. Dit schip toch was zijn kind, en het is het recht van den vader dikwijls zonder reden ongerust te zijn.

Men ging aan boord en nam een goed ontbijt, zoodat men eerst zeer laat een middagmaal behoefde te gebruiken; toen men genoeg versterkt was, werd de verkenning met de meeste nauwgezetheid hervat en voortgezet.

Het zou toch zeer natuurlijk zijn dat de eenige bewoner van het eiland omgekomen was. Pencroff en zijne gezellen zochten ook eer naar een lijk, dan naar een levend mensch. Maar hunne nasporingen waren vruchteloos en er ging een halve dag voorbij, dat zij te vergeefs tusschen het dicht geboomte van het eiland zochten. Men moest toen wel aannemen dat, indien de schipbreukeling gestorven was en nu geen spoor van zijn lijk meer overbleef, het een of ander verscheurend dier het tot de laatste beenderen had verslonden.

"Wij zullen morgen met het aanbreken van den dag vertrekken," zeide Pencroff tot Harbert en Gideon Spilett, die zich tegen twee uur in den middag in de schaduw van een boschje te slapen legden, om eenige oogenblikken uit te rusten.

"Ik geloof dat wij gerust de werktuigen en wapens kunnen medenemen, die aan den schipbreukeling behoord hebben," zeide Harbert.

"Ik geloof het ook," antwoordde Gideon Spilett, "en deze wapens en gereedschappen zullen het materiaal van het Rotshuis aanvullen. Als ik mij niet vergis is de voorraad kruit en lood vrij aanzienlijk."

"Ja," antwoordde Pencroff, "maar laten wij niet vergeten een of twee paar van die zwijnen mede te nemen, die hier op het eiland in overvloed zijn."

"En eenige van die zaden eveneens," voegde Harbert er bij, "waardoor wij alle groenten van het oude en nieuwe vasteland zullen verkrijgen."

"Het zou dan misschien niet kwaad zijn om een dag langer op het eiland Tabor te vertoeven, om alles te verzamelen, wat ons van dienst zou kunnen zijn."

"Neen, mijnheer Spilett," antwoordde Pencroff, "ik moet u verzoeken morgen bij het aanbreken van den dag te vertrekken. Het komt mij voor, dat de wind naar het westen zal omslaan en nadat wij een gunstige bries hebben gehad om hierheen te komen, zullen wij een niet minder gunstigen wind hebben om terug te keeren."

"Laten wij dan geen tijd verloren laten gaan!" zeide Harbert terwijl hij opstond.

"Ja, laten wij geen tijd verloren laten gaan," herhaalde Pencroff. "Harbert, gij kent de kruiden beter dan wij, gij moet ze dus verzamelen. In dien tijd zullen mijnheer Spilett en ik op de zwijnenjacht gaan, en zelfs zonder Top, hoop ik mij toch van eenige stuks meester te maken!"

Harbert nam het pad, dat naar het bebouwde gedeelte van het eiland leidde, terwijl de zeeman en de reporter het bosch ingingen.

Menig zwijn sprong voor hunne voeten op en die dieren, die bijzonder vlug waren, schenen er niets op gesteld, dat men hen naderde. Na een half uur gejaagd te hebben, hadden de beide mannen zich meester gemaakt van een paar dat tusschen het kreupelhout gedoken zat, toen zij eensklaps luide noodkreten hoorden op een paar honderd pas afstand in het noordelijk gedeelte van het eiland. Bij deze kreten vernam men nog een rauw brullen, dat niets menschelijks had.

Pencroff en Gideon Spilett sprongen op en de zwijnen maakten van die beweging gebruik om te ontvluchten, juist op het oogenblik dat de zeeman touwen gereed maakte om hen te binden.

"Dat is de stem van Harbert!" zeide de reporter.

"Spoedig naar hem toe," riep Pencroff.

De zeeman en Gideon Spilett begaven zich, zoo snel hunne beenen hen dragen konden, naar de plaats vanwaar zij de kreten gehoord hadden.

En het was hoog tijd dat zij kwamen, want op een open plek in het bosch zagen zij den knaap op den grond liggen onder een wild schepsel, een reusachtige aap ongetwijfeld, die hem geheel in zijne macht had.

Op het dier toe te springen, het op zijn beurt op den grond te werpen, Harbert te verlossen en hun vijand stevig vast te houden, was voor Pencroff en Gideon Spilett het werk van een oogenblik. De zeeman was een Herkules en de reporter had ook spieren van ijzer, en hoewel het monster krachtig tegenstand bood, werd het vastgebonden, zoodat het geen beweging meer kon maken.

"Zijt gij niet gewond, Harbert?" vroeg Gideon Spilett.

"Neen, neen!"

"Als hij u eens gewond had, die aap!...." riep Pencroff uit.

"Maar het is geen aap!" antwoordde Harbert.

Pencroff en Spilett namen toen het zonderlinge wezen dat op den grond lag, nauwkeuriger op.

Inderdaad, het was geen aap! Het was een menschelijk wezen, het was een man! Maar welk een man! Een wilde, in de vreeselijkste beteekenis van het woord, daar hij tot den laatsten graad van verdierlijking vervallen scheen!

Ordelooze haren, langen baard, die tot op zijn borst neerviel, bijna geheel naakt lichaam, behalve een oud kleedingstuk dat zijn lendenen bedekte, woeste oogen, groote handen, met onnatuurlijk lange nagels, donkere huid en voeten die even hard als hoorn waren geworden: ziedaar een schets van het ellendige schepsel, dat men toch een mensch moest noemen! Maar men had wel recht zich af te vragen of er nog een ziel in dat lichaam huisde of dat het dierlijk instinct alleen daarin was overgebleven!

"Zijt gij wel zeker dat het een mensch is of geweest is?" vroeg; Pencroff aan den reporter.

"Het valt, helaas, niet meer te betwijfelen," antwoordde deze.

"Zou dit dan de schipbreukeling zijn?" vroeg Harbert.

"Ja," antwoordde Gideon Spilett, "maar de ongelukkige heeft niets menschelijks meer!"

Wat de correspondent zeide was waar. Mocht de schipbreukeling ooit een beschaafd wezen geweest zijn, hij was door volkomen afzondering een wilde, ja erger misschien, een boschjesman geworden. Rauwe kreten stegen er uit zijn keel op, tusschen zijn tanden, die even scherp waren geworden als van vleeschetende dieren, die slechts rauw voedsel eten. Zijn geheugen moest hem ook sedert lang begeven hebben en langen tijd had hij zich niet meer kunnen bedienen van zijn wapenen en werktuigen en kon hij geen vuur meer maken! Men zag dat hij sterk en lenig was, maar dat alle lichamelijke hoedanigheden zich bij hem ontwikkeld hadden ten koste van zijn geestelijke vermogens.

Gideon Spilett sprak tot hem. Hij scheen hem niet te begrijpen, zelfs niet te verstaan.... En toch meende de reporter te bemerken toen hij hem goed in de oogen zag, dat niet alle verstand in hem was uitgedoofd.