Het Esperanto in Twintig Lessen

Chapter 4

Chapter 41,232 wordsPublic domain

Vierde Les.

Bezittelijke Voornaamwoorden.

De _bezittelijke voornaamwoorden_ drukken, zooals de naam reeds aanduidt, een bepaling van een bezitting uit en worden gevormd van de _persoonlijke_ voornaamwoorden door achtervoeging van _a_ achter die v.n.w.

De uitgang _a_ duidt tevens ook aan, dat ze een bijvoeglijk karakter hebben en dus bij zelfst. n.w. gebruikt worden. Het zijn: _mia_, _cia_, _lia_, _sxia_, _gxia_, _nia_, _via_ en _ilia_.

Ze volgen ook, evenals de bijv. n.w., het zelfst. n.w. in meervouds- en voorwerpsuitgang.

Verder heeft men het bezittelijk bijv. v.n.w. _sia_, dat alleen dàn gebruikt wordt vóór het naamwoord, indien de bezitting aan het onderwerp van den zin toegekend wordt.

Voorbeelden:

De moeder vergeet _haar_ boek (haar eigen) = La patrino forgesas sian libron.

De moeder vergeet _haar_ boek (van haar dochter) = La patrino forgesas sxian libron.

De man werkt in _zijn_ tuin (zijn eigen) = La viro laboras en sia gxardeno.

De man werkt in _zijn_ tuin (van zijn zoon) = La viro laboras en lia gxardeno.

De jongens spelen met _hunne_ honden (hun eigen) = La knaboj ludas kun siaj hundoj.

De jongens spelen met _hunne_ honden (van hun buren) = La knaboj ludas kun iliaj hundoj.

Zij ziet de kat en _haar_ oogen (haar eigen) = Sxi vidas la katon kaj siajn okulojn.

Zij ziet de kat en _haar_ oogen (van de kat) = Sxi vidas la katon kaj gxiajn okulojn.

Men gebruikt dus _sia_ alleen dàn, wanneer men in het Nederlandsch de woordjes _zijn_, _haar_, _hun_ of _hunne_ kan vervangen door _zijn eigen_, _haar eigen_, _hun eigen_ of _hunne eigene_. In alle andere gevallen gebruikt men voor den 3en persoon:

_lia_ voor mannelijk enkelv. persoonsnamen; _sxia_ voor vrouwelijk enkelv. persoonsnamen; _gxia_ voor dieren of zaken enkelvoud; _ilia_ voor alle gevallen voor het meervoud.

Men moet hierbij wel bedenken, dat _sia_ steeds het onderwerp van denzelfden zin als bezitter aanwijst. Het mag dus niet gebruikt worden, als een deel van het onderwerp zelf of als het onderwerp van een anderen zin, bijv.:

De vader en zijn (eigen) zoon komen = La patro kaj lia filo venas. Hierbij is het een gedeelte van 't onderwerp.

De vader is hier; zijn (eigen) zoon komt ook spoedig hier = La patro estas tie-cxi; lia filo ankaux baldaux venos1 tie-cxi. Hierbij is _lia filo_ het onderwerp van een anderen zin en mag daarom niet met sia vertaald worden.

Vervolg voorwerps n.

Behalve het reeds genoemde lijdend voorwerp krijgen ook nog een _n_:

1e. De naam der _plaats_, naar welke de handeling gericht is, bijv.: Ik ga naar Brussel = Mi iras Bruselon.

2e. De bepaling van _tijd_ en _de datum_, bijv.: Hij komt Donderdag = Li venos [2] jxauxdon. Hij komt den 6en April = Li venos1 la sesan tagon de aprilo.

Aanmerking: Het woord tagon wordt meestal weggelaten. Is deze bepaling van tijd of datum het onderwerp van 'n zin, dan vervalt natuurlijk de _n_, bijv.: La sesa tago de aprilo estos1 bela tago.

3e. De bepaling, die den _duur_ eener handeling aanduidt, bijv.: Ik blijf drie dagen = Mi restas tri tagojn.

4e. De bepaling van _maat_, _prijs_ of _gewicht_, bijv.: Het boek kost drie gulden = La libro kostas 3 guldenojn. De toren is 50 meter hoog = La turo estas alta 50 metrojn. Dat brood weegt 2 pond = Tiu pano pezas 2 funtojn.

Aanmerking: In deze 4 bovengenoemde gevallen is men evenwel niet verplicht den uitgang _n_ te gebruiken, omdat deze uitdrukkingen door een voorzetsel kunnen omschreven worden en men na een voorzetsel geen _n_ plaatst. Men kan dus ook zeggen:

1. Mi iras _al_ Bruselo.

2. Li venos _je_ jxauxdo. Li venos _je_ la sesa de aprilo.

3. Mi restas _dum_ tri tagoj.

4. La libro kostas _po_ tri guldenoj. La turo estas alta _je_ 50 metroj. Tiu pano pezas _po_ 2 funtoj.

Alleen dàn voegt men na een voorzetsel een _n_ achter het zelfst. n.w., als er in den zin eene beweging wordt aangeduid in de richting naar het doel en deze richting niet altijd dadelijk duidelijk is, bijv.: _de kat springt op de tafel_ wordt vertaald: La kato saltas sur la tablo.

Nu heeft deze zin twee beteekenissen, n.l. dat de kat op de tafel is en daarop rondspringt, òf dat de kat van den grond op de tafel springt en dus in dezen zin een richting aanwezig is. Zonder de richtings _n_ zou verwarring kunnen ontstaan en schrijft men dus voor het laatste geval: La kato saltas sur la tablo_n_.

Alleen achter de voorzetsels al = _naar_ en gxis = _tot_ wordt nimmer een richtings _n_ geplaatst, aangezien deze voorzetsels reeds voldoende een richting aangeven.

Aangezien de voorzetsels _de_ en _el_ nooit eene richting náár iets kunnen aanduiden, worden zij ook nimmer door de richtings _n_ gevolgd.

Achtervoegsels _an_ en _id_.

_An_(o) duidt aan een bewoner, aanhanger, genoot of lid, bijv.: Parizo = Parijs, Parizano = Parijzenaar; Kristo = Christus, Kristano = Christen; domo = huis, domano = huisgenoot; klubo = klub, klubano = lid der klub.

_Id_(o) duidt den afstammeling of het jong aan, bijv.: regxo = koning, regxido = prins (vorstenzoon); cxevalo = paard, cxevalido = veulen; koko = haan, kokido = kuiken.

Leer van buiten:

mentono kin kolo hals membro lid sxultro schouder brako arm mano hand fingro vinger ungo nagel laringo strottenhoofd brusto borst koro hart flanko zijde ventro buik kruro been genuo knie piedo voet sento zintuig (gevoel) parolo spraak vocxo stem koloro kleur princo prins muta stom lama lam kripla kreupel forta sterk longa lang vera waar diversa verscheiden multaj _of_ multe da veel lauxte luid dekstre rechts (bijw.) palpi voelen, tasten tusxi raken ridi lachen kisi kussen kredi gelooven marsxi gaan (stappen) unu een du twee kvin vijf kiom (da) hoeveel por teneinde, voor, om te pro van, door, wegens

Vertaling:

Urbano, provincano, varmega, malvarmega, kapego, nazego, manego, vilagxano, malforta, fortega, malrapida, mallonga, malvera, mallauxte, rideti, ridegi, bovido, regxido.

Vertaal in Esperanto:

Handje, klauw, poot, spreken, rechtsche, linksche, weinig, baard (wangharen), kalf, kuiken, veulen, prinses.

Vertaling:

La maljuna virino estas blinda kaj iras kun sia nepo. La avo skribas al siaj parencoj, ke ili devas veni. La vilagxano iras al la urbo. La patrino parolas gaje kun sia amikino, kaj la infanoj ludas kontente kun la hundo kaj la kato. Nia korpo konsistas el la kapo, la trunko (romp) kaj la membroj. Ni havas du okulojn por vidi, unu nazon por flari, unu busxon por paroli kaj du orelojn por auxdi. En nia busxo ni havas dentojn kaj langon. La birdego havas ungegojn. Ni havas la koron en la brusto, maldekstre. Tiu malfelicxa knabo estas kripla, li ne bone povas marsxi. La koloro de miaj haroj estas nigra. La rugxa koloro de la haroj ne cxiam estas malbela. Sur la verda kampo kuras multaj cxevaloj. La knabineto kuras rapide al sia patrino kaj kisas sxin. La infanoj de la najbaro iras ofte al la urbo. Viaj vangoj estas rugxaj; cxu tio estas pro la malvarmo? La sxtono havas multajn belegajn kolorojn. Kiom estas du kaj kvin?

Vertaal in Esperanto:

De zoon is met zijn vrienden in den tuin van den buurman. Ik geloof niet, dat de zoon van den buurman gelukkig is. Hij is bleek en zijn gelaat is droevig. De moeder leest en het jonge meisje luistert naar haar lieve stem. Wij hebben 4 ledematen: 2 armen en 2 beenen. Wij zien met de oogen en ruiken met den neus. Deze jongen kan niet spreken, hij is stom. Menschen, die niet kunnen spreken en ook niet kunnen hooren, zijn doofstom. De kleur van zijn wenkbrauwen is zwart en van zijn snor wit. Hunne grootouders zijn zeer oud. In den tuin groeien vele bloemen. Wij gaan den tuin in. De tante kust haar nichtje en het kindje schaterlacht. De blinde menschen kunnen lezen door middel van het gevoel. Haar oom en zijn vrouw (echtgenoote) spreken met mijn grootvader en zijn vriend. Mijn vriend is in den tuin, maar ik zie hem niet. Mijne moeder is eene vriendin van uwe tante.