Het Esperanto in Twintig Lessen

Chapter 3

Chapter 31,174 wordsPublic domain

Derde Les.

Naamvallen.

In onze taal onderscheidt men 4 naamvallen. Naar gelang van den dienst, dien het woord in den zin verricht, zegt men dat het voorkomt in den 1en, 2en, 3en of 4en naamval.

Zoo staat het _onderwerp_, wat in een zin datgene is, dat de handeling verricht, in den _1_en naamval en het _lijdend voorwerp_, wat datgene is, dat de handeling, door het onderwerp verricht, lijdt of ondergaat, in den _4_en naamval.

Deze 1e en 4e naamvalsvorm worden in het Esperanto gebruikt; de 2e en 3e naamval kunnen steeds omschreven worden, de 2e naamval door het voorzetsel _de_ en de 3e naamval door het voorzetsel _al_.

Ook in 't Nederlandsch kan de 2e naamval omschreven worden met _van_ en de 3e naamval met _aan_.

Verder heeft een zin altijd een werkwoord (het _gezegde_) en kan hij ook verschillende bepalingen (van tijd, plaats, wijze enz.) hebben.

De 4 naamvallen, welke dus een zelfst.n.w. kan hebben, noemt men de _verbuiging der zelfst. n.w._

Hieronder volgt voor elk der Nederlandsche geslachten een verbuiging:

Mannelijk.

_Enkelvoud._ _Meervoud._

1e. de vader la patro de vaders la patroj 2e. des vaders of de la patro der vaders of de la patroj van den vader van de vaders 3e. den vader of al la patro den vaders of al la patroj aan den vader aan de vaders 4e. den vader la patron de vaders la patrojn

Vrouwelijk.

_Enkelvoud._ _Meervoud._

1e. de moeder la patrino de moeders la patrinoj 2e. der moeder of de la patrino der moeders of de la patrinoj van de moeder van de moeders 3e. den moeder of al la patrino den moeders of al la patrinoj aan de moeder aan de moeders 4e. de moeder la patrinon de moeders la patrinojn

Onzijdig.

_Enkelvoud._ _Meervoud._

1e. het kind la infano de kinderen la infanoj 2e. des kinds of de la infano der kinderen of de la infanoj van het kind van de kinderen 3e. het kind of al la infano den kinderen of al la infanoj aan het kind aan de kinderen 4e. het kind la infanon de kinderen la infanojn

Men kan elken zin gaan verdeelen--wat men ontleden noemt--in de bovenstaande naamvallen en bepalingen, bijv.: De zoon des vaders geeft den jongen een appel = La filo de la patro donas al la knabo pomon.

Deze zin wordt aldus ontleed: de zoon = la filo = onderwerp of 1e naamval; des vaders (van den vader) = de la patro (duidt op bezit van iets) = 2e naamval; geeft = donas (tegenwoordige tijd van 't werkwoord geven) = gezegde; den jongen (aan den jongen) = al la knabo (overgang van 'n handeling op 'n anderen persoon) = 3e naamval; een appel = pomon = lijdend voorwerp of 4e naamval.

Bijstellingen.

In 't Esperanto hebben _bijstellingen_ denzelfden naamval als het zelfst. n.w. waarbij ze behooren, bijv.: Ik ga naar mijn vriend, den dokter = Mi iras al mia amiko, la kuracisto. Ik zie mijn vriend, den dokter = Mi vidas mian amikon, la kuraciston.

Wanneer men iemand aanspreekt, blijft de bijstelling in den 1en naamval, bijv.: Kom, ik wacht u, mijn lieve jongen = Venu, mi atendas vin, mia kara knabo.

Het lijdend voorwerp.

Aangezien in 't Esperanto veel vrijheid wordt gelaten in den zinsbouw en het lidwoord _la_ altijd onveranderd blijft, zou het kunnen gebeuren, dat men tenslotte niet meer wist wat onderwerp en wat voorwerp in 'n Esperanto-zin was.

Ter vermijding hiervan krijgt het voorwerp (4e naamval) wat we lijdend voorwerp noemen, omdat het de handeling lijdt of ondergaat, als uitgang de letter _n_.

Vertaalt men dus: _De man slaat den jongen_, dan kan men dit op de volgende manieren doen:

La viro batas la knabo_n_, óf La viro la knabo_n_ batas, La knabo_n_ batas la viro, óf La knabo_n_ la viro batas.

Men verliest in deze 4 vertalingen _noch_ het onderwerp _noch_ het voorwerp uit het oog.

Moest men evenwel vertalen: La viro batas la knabo, òf La knabo batas la viro, dan kon in beide vertalingen zoowel de jongen als de man slaan.

Veelal wordt in 't Esperanto de 3e naamval vertaald gelijk de 4e naamval en dus niet omschreven met het voorzetsel _al_, b.v.: Ik schrijf hem = Mi skribas lin of Mi skribas al li.

Dit is evenwel niet geoorloofd, wanneer er een lijdend voorwerp bij het werkwoord behoort. Alsdan moet de 3e naamval omschreven worden, b.v.: Ik schrijf hem een brief = Mi skribas al li leteron.

Achtervoegsels _et_ en _eg_.

_Et_ vormt verkleinwoorden, bijv.: knabo = jongen, knabeto = jongetje; filino = dochter, filineto = dochtertje; arbo = boom, arbeto = boompje; flugi = vliegen, flugeti = fladderen.

_Eg_ vormt vergrootingen, bijv.: pluvo = regen, pluvego = stortregen; bela = schoon, belega = prachtig.

Het achtervoegsel _eg_ bij zelfst. n.w. heeft ongeveer dezelfde beteekenis als in 't Nederlandsch de uitdrukking _zeer groot_, bijv.: nazo = neus, nazego = zeer groote neus; kapo = hoofd, kapego = zeer groot hoofd.

N.B. In 't Esperanto wordt de grootte in onderstaande volgorde en wijze uitgedrukt:

zeer groote boom = arbego, groote boom = granda arbo, boom = arbo;

kleine boom = malgranda arbo, zeer kleine boom of boompje = arbeto.

Leer van buiten:

korpo lichaam hauxto huid (vel) viando vleesch parto deel osto been (algem.) sango bloed kapo hoofd haro haar vizagxo wezen (gelaat) mieno gelaat (de trekken) brovo wenkbrauw frunto voorhoofd okulo oog orelo oor vango wang nazo neus busxo mond lipo lip dento tand lango tong rozo roos rapida vlug blanka wit nigra zwart bruna bruin rugxa rood verda groen flava geel blua blauw pala bleek blinda blind surda doof havi hebben rimarki bemerken vidi zien auxdi hooren auxskulti luisteren flari ruiken gustumi proeven, smaken iri gaan diri zeggen ke dat (voegw.) se indien aux of nur slechts, maar ofte dikwijls tro te, te veel ecx zelfs (bijw.) per door middel van, met

Vertaling:

Fileto, infaneto, hundego, birdeto, gxardeneto, grandega, boneta, belega, malbelega, flugeti, oreleto, okulego.

Vertaal in Esperanto:

Dochtertje, hondje, zeer groote tuin, zeer goed, wimpers (oogharen), snor (lipharen), mondje, zeer groote tanden, zeer kleine tong, neusje.

Vertaling:

La avo estas surda. La vizagxo de la frauxlino estas pala; sxi havas brunajn okulojn kaj rugxajn harojn. La cxevalo de la onklo estas granda kaj bruna, gxi kuras tre bone. La vetero estas hodiaux malvarmega. Mi venas de la avo kaj mi nun iras al la frato. Kiu diras, ke la vetero estas bela? Kia birdo ne povas kanti? La bela birdeto, kiun la knabo havas, kantas belege. Mi auxdas per la oreloj; mi flaras per la nazo. Malgrandaj infanoj havas nazetojn. Mi havas okulojn en la kapo.

Vertaal in Esperanto:

De oude grootvader en de jonge kleinzoon gaan naar de stad. De dochter van den buurman zingt prachtig. Het paard loopt zeer vlug. De kat en de hond zijn geen goede vrienden. Wij hebben prachtig witte, gele en roode rozen in den tuin. Wie loopt snel in den tuin? Het kleine meisje heeft bruine oogen en zwarte haren. Het kind bemerkt, dat het niet alleen is. De wangen van het meisje zijn rood. De zwarte oogen van dien man zijn leelijk. Wie heeft roode haren? Hij heeft bruine tanden in den mond. Hij is blind en kan ook niet loopen. De bek van het paard is zeer groot. Het bloed is in het lichaam en is rood. Op het gelaat ziet men de wenkbrauwen. Een deel van het lichaam bestaat uit (konsistas el) beenderen.