Het Eiland Vlieland en Zijne Bewoners
Part 3
"Daer ginck van dit stedeken (Harlingen) eenen schoonen diepen vaert tot aen Vlielant, recht voor Dicxhorne door, ende van daer voort aen het Texel, twelck die Luijnkerksche conversen met hulp van d'inwoonders van Dicxhorne ghemaeckt hadden, opdat se des te gerieffelicker tot malcanderen conden comen, ende hiervan hiet noch een diepte omtrent Vlielant Monckesloot. Want die van Luijnkerck dese tijt een cleijn cloosterken of te wthof op Vlielant hadden staen, daeromme dese vaert principaliek ghemaeckt worde, hoewel nochtans het Gerbrando de abt van Luijnkerck seer mishaeghde, vermits zij so na bij de Noortzee gheleghen was, want dese Gerbrandus doen ter tijt al vreesde, dat naemaels naeghecomen is....... (1395 of 1396) oorsaeke van desen zijn geweest die van Enckelhuijsen, Medemblick, en de principaliek die Sint Olofsche en Luijnkercksche Conversen, die op Wieringen ende Tessel ende op 't Landt tusschen beijden woonden, want die veel slooten en diepe vaerten omtrent die Eijlanden ghemaakt hadden, terwijlen zij die Landen in haer macht en ghewelt pleghen te hebben, waerdoor die Noortzee zijn inganck ende cracht heeft ghecreghen, zoodat West-Vrieslandt (dat nu Noort-Hollant hiet) niet alleenich van den Hollantschen Graven, maer oock door die Noortzee van 't andere Vrieslandt ghesepareert ende afgescheijden is".......
Dese tijd (1395 of 1396) hadde die Noordzee de gaten van het Vlie en Tessel veel wijder ghemaeckt, als zij te voren pleghen te wesen, so datter nu een vrije vaert van die Noortsee voorbij Medemblick ende Enckelhuijsen al tot in de Suijderzee liep, daer te vooren eenen cleijnen sloot alleenich plach tusschen te wesen" (Verg. bladz. 14.)
VII. Van het verstuiven der duinen kan nog gezegd worden, dat o. a. het Oostersche Lid in betrekkelijk weinige jaren tijds, geheel van plaats is veranderd, zoodat van de lijken die in de vorige eeuw van een Engelsch oorlogschip, waarop de pest heerschte, en die voor of bij dat Lid waren begraven nu de beenderen in groote menigte aan de andere zijde, en zelfs reeds op eenigen afstand van dáár, te voorschijn komen. Ook vindt men aan den West-kant, op het Noorderstrand, de verveende of vergane stronken van zware boomstammen, zeker ook afkomstig van vroegere daar aanwezige bosschen. In het midden der duinen is het wrak van een schip blootgestoven. Ook vindt men in de duinen, op eenigen afstand van het strand, schelpen; zoodat men denkt, dat vroeger strand is geweest maar nu duinen zijn. (Verg. bladz. 14.)
VIII. Het Oude-Huizer-Lid, zoo genoemd naar eenige oude gebouwen, die dáár, misschien voor meer dan eene eeuw, gestaan hebben, waarvan tegenwoordig nog de steen en het puin gevonden wordt. "Ik heb," dus deelde de Heer Kooij, op Vlieland, mij o. a. mede. "Ik heb wel eens hooren spreken van een dorp Opmeer op Vlieland, maar dit is bij de Vlielanders onbekend. Misschien is het deze buurt wel geweest, die naderhand de oude- of oud-huizen is genoemd." (Verg. bladz. 15.)
IX. De Vallei van Malgom. Deze benaming is eene verbastering van Malaga. Op die plaats strandde een schip, dat van Malaga kwam, daarom Malaga's vaarder genoemd werd, en aan de strengste quarantaine onderworpen was. De bemanning, welke geene vrijheid had om in het dorp te komen, bouwde daar ter plaatse, ongeveer 1 1/2 uur bewesten Oost-Vlieland, een steenen huisje, dat na hun vertrek daar is blijven staan, en later door de eilanders werd gebezigd, om, als zij eens uit spelerijden gingen, in dat huisje te vertoeven, dat echter onbewoond was, zoodat men zich genoodzaakt zag, zich op zulk een rijtogt van al het noodige te voorzien. Tegenwoordig is ook van dit huisje niets meer over, zelfs de plaats niet meer, waar het plagt te staan, daar de Noordzee ook hier haren verslindenden invloed gelden deed; doch dit gedeelte der duinen heeft den verbasterden naam van Malgom behouden. (Verg. bl. 15).
X. In de laatstvoorgaande 3 jaren zijn hier ter aanwinning van strand en duinen, aan de Oost- en Noordzijde van het eiland hoofden van rijswerk of zinkstukken op het strand tot in zee uitgelegd, die goed effect doen. Aan de oostzijde is daardoor reeds eene vrij groote uitgestrektheid vasten grond aangewonnen, waardoor zelfs het vaarwater, de Sloot, van rigting is veranderd; ook is het Noorderstrand dáár waar de hoofden zijn uitgelegd, merkbaar hooger en breeder geworden. Te bejammeren is het, dat het op Vlieland aan lieden ontbreekt, die zich geheel aan de ontginning der valleijen in de duinen kunnen wijden: wie weet, hoevele bunders grond, die nu woest liggen, anders in vruchtbaar land zouden herschapen worden; immers, indien de verstuiving zooveel mogelijk belet, en er voor goede afwatering kan gezorgd worden. Met kleinere stukken gronds wordt het reeds met goed succes beproefd.
Dat ook hier de tijd eens rozen (vruchten) bare! (Verg. bladz. 15.)
XI. Dat het eiland Texel bij de Romeinen bekend geweest zij, is genoegzaam buiten twijfel; ja, het is zelfs meer dan waarschijnlijk, dat dit volk hier een gewoon verblijf heeft gehouden. De naam en ligging van de voornaamste plaats, op dat eiland, den Burg, schijnt zulks duidelijk aan te toonen, en men wil zelfs met zekerheid weten, dat de Romeinsche veldheer Drusus, de stichter van den oorspronkelijken Burg geweest zij. De tegenwoordige Hervormde Kerk aldaar, staat op een heuvel, vroeger omringd door eene gracht of sloot, de Burggracht geheeten, die eertijds veel breeder schijnt geweest te zijn, en welke heuvel dezelfde moet zijn, waarop Drusus zijne sterkte bouwde. Ook zijn in het begin der vorige eeuw aldaar eenige Romeinsche penningen gevonden, waarvan ik de afbeelding gezien heb; terwijl eene vroeger ontdekte tumulus of begraafplaats, mede als een overblijfsel van de Romeinen beschouwd moet worden; aangezien de daarin gevondene voorwerpen, de duidelijkste sporen van Romeinsche herkomst met zich voeren. Ook heeft men voor eenigen tijd, in eenen voormaligen heuvel op Texel, de Sommeltjesberg geheeten, doch die nu geslecht is, en op kleinen afstand oostwaarts van de Waal lag, eenige Romeinsche oudheden gevonden, bestaande in een aantal metalen huissieraden, waarbij een ketel, in welks binnenruimte een merk, en met kleine letters, de naam Mutufiof; als ook metalen, in elkander sluitende lepels, met den naam Adrianus F. [24]
Zoo ook worden de Romeinen de stichters genoemd van eene stad welke tusschen de eilanden Texel en Wieringen lag, en Grebbe heette. Wanneer die stad te niet zij gegaan, kan met geene zekerheid bepaald worden: alleen weet men, dat zij in een der groote watervloeden, die er, naar luid der kronijken, in de jaren 350, 533, 695 en 733 hebben plaats gehad, verwoest is.
Deze stad lag ongeveer een half uur gaans Noordwaarts van het eiland Wieringen, aan het tegenwoordige Amsteldiep.
In 1710 was er nog eene groote hoeveelheid muurwerk overig. Omstreeks het midden der 17de eeuw is van daar veel duifsteen opgevischt, en naar Amsterdam gevoerd, tot fabricering van cement.
De beroemde Nicolaas Witsen was onderrigt dat daarbij veel beeldwerk was gevonden; doch, aangezien er bij de vroegere ontdekking daarvan, niemand tegenwoordig schijnt geweest te zijn, die dit muurwerk met kennis van zaken zoude hebben kunnen beschouwen, ter afleiding van den tijd wanneer, of van de personen door wier bemoeijingen Grebbe gesticht zoude zijn, zoo heeft hij dienaangaande geene nadere inlichtingen kunnen bekomen.
Volgens de nasporingen door Witsen in het werk gesteld, bleek het, dat Grebbe met eenen muur omringd was geweest die aan den Noordkant geheel, en aan de West- en Oostzijden ten deele onder het zand bedolven was; terwijl er aan de zuidzijde der stad sporen ontdekt werden van eene gracht, vóór den muur, waarin twee openingen (welligt uitwateringen) bespeurd werden. Ook ontdekte Witsen nog de grondslagen van een groot gebouw, met eenen voorhof, die door eenen 300 voet langen muur omringd was. (Verg. bladz. 19. [25])
XII. Nog heden ten dage kunnen de visschers, ter plaatse waar vroeger West-Vlieland lag, hunne netten niet uitwerpen, zonder eene menigte steenen op te halen, die daar ter plaatse nog liggen als de onderzeesche overblijfselen van het dorp, dat eens eene haven had die vele groote Groenlandsvaarders en andere zeeschepen bevatte. Vele landerijen, om en bij West-Vlieland gelegen, bragten aan de kerk jaarlijks f 364 aan huur of pacht op; behalve nog van de Grie, een ander stuk lands, waarvan jaarlijks f 15 werd ontvangen.
Vele bewoners van West-Vlieland zijn van tijd tot tijd naar Texel vertrokken, voornamelijk naar Oosterend en Oost; misschien ook naar de Koog. Anderen vestigden zich te Oost-Vlieland. Tegenwoordig zijn hier nog namen die vroeger door West-Vlielanders gedragen zijn.
De zoogenaamde Jeneverbuurt, bij het Oude Schild op Texel, is ook gebouwd van de steenen van West-Vlieland, en heeft dien naam ontvangen van het overmatig gebruik van dat vocht, door de werklieden, die daar de steenen aanbragten en verbouwden. Vroeger bestond het uit meer huizen dan thans. Deze mededeeling gewerd mij van den Edel Achtb. Heer Zunderdorp, Burgemeester van Vlieland, door tusschenkomst van den Heer Kooij, aldaar. De Heer Zunderdorp vernam deze bijzonderheid van eenen man, van omstreeks negentigjarigen leeftijd, die nog aan het Oude Schild woont, en wiens moeder eene West-Vlielandsche was. Deze deelde het haren zoon weder bij overlevering mede. (Verg. bladz. 22 onder aan de noot.)
XIII. Zoo dikwijls als de Hollandsche oorlogsvloot bij of onder Vlieland ten anker lag, verbleef de Ruiter aldaar in een groot ruim dubbel heerenhuis, dat voor slechts weinige jaren gesloopt is; naast hetzelve stond een ander groot ouderwetsch gebouw; beiden toonden duidelijk wat dit dorp eenmaal was, voor het door zoovele lotwisselingen tot het verval is geraakt, waarin het thans verkeert. Mogt eenmaal het plan in overweging genomen en ten uitvoer gebragt worden, om, door eene doorgraving van den zoogenaamden Rigchel, eene doorloopende haven te maken, welke de Vliereede met de tegenwoordige haven of met de Sloot vereenigt: Wie weet welke gevolgen dit voor Vlieland's welvaart zoude opleveren; en zeker zou het voor de menigvuldige koopvaardijschepen eene meer veilige legplaats opleveren, dan de Reede hun tegenwoordig aanbiedt. (Verg. bladz. 25.)
XIV. Ten opzigte van de pogingen tot opdelving der schatten, welke bij het vergaan van the Lutine verloren geraakt zijn, lazen wij dezer dagen, in de Amsterdamsche Courant, de volgende mededeeling:
(Harlingen 19 Julij 1857). "In het jaar 1799 strandde bij Terschelling (?) het Engelsche schip the Lutine, met eene rijke lading, waaronder zich bevonden eene menigte zilveren en gouden munten en staven. Eenige malen werd beproefd uit het wrak, dat diep onder water in het zand was gezonken, iets van de kostbare lading te bergen. Sedert 1843 werd dit niet weder ondernomen, ofschoon men voorzeker houdt, dat er zich nog zeer veel aan waarde in het wrak bevindt. Thans evenwel (zoo schrijft de kommissie uit de deelhebbers in de onderneming op de Lutine aan die deelhebbers) schijnt het regte tijdstip daar te zijn om met vrucht iets op het wrak te beproeven. De bijzondere diepte toch bij en de verlegging der banken waartusschen, het wrak gezonken ligt doet vermoeden, dat het van zand ontbloot is. Wat dit vermoeden versterkt is, dat in het voorjaar zich eene zeeton aan het wrak hechtte die door den visscherman C. Wever met een stuk van het voorschip opgehaald werd.
Nu vernemen wij, dat onlangs den Heer L. Taurel, natuurkundige te Kampen, aangeboden heeft om, tegen aandeel in de bergloonen, te beproeven wat er in dezen mogelijk zij, indien de Kommissie de onkosten voor opdrijving en aanwijzing voor zich neemt. De Kommissie heeft dit aanbod aangenomen, en den Heer Taurel 1/5 in het bergloon toegezegd. Zoodra nu de benoodigde gelden daarvoor gestort zijn, door de deelhebbers, zien wij de hervatting dier onderneming te gemoet." (Vergel. bladz. 27.)
VOETNOTEN
[1] Zie Aanteekening I, hierachter.
[2] Zie Aant. II.
[3] Zie Aant. IV.
[4] De Vliereede, waar de uitgaande en binnenvallende schepen geklaard en geloodst worden, is op het groote vaarwater, dat circa een half uur van de haven verwijderd is.
[5] Zie Aant. IV.
[6] Fokke Sjoerd, Beschr. van Friesl. I D. p. 82. Schotanus, Beschr. v. Friesl. 4o. p. 19 en 315.
[7] Zie Aanteek. V.
[8] Zie Aant. VI.
[9] Zie Aant. VII.
[10] Zie Aant. VIII.
[11] Zie Aant. IX.
[12] Zie Aant. X.
[13] In vroegeren tijd besteedde 's Lands hooge Regering veel zorg en kosten voor het behoud dier gronden, waarvoor nog in 1722 op haren last een dijk werd gelegd. Sedert dien tijd bepaalde men zich uitsluitend tot de beplanting der duinen.
[14] In een oud aardrijkskundig werk, dat ten jare 1789 te Delft uitgegeven werd door M. Roelofswaert, las ik betrekkelijk Vlieland, o. a. het volgende: "Volgens hetgeen de Monster-commissaris ons verhaalde, wordt (Vlieland) door twee onheilen met zijnen ondergang bedreigd, te weten, het water en het zand; want het zand van de losse duinen, die na de verwoesting van het andere dorp (West-Vlieland) zijn overgebleven, stuift met veel woede (!) op het dorp (Oost-Vlieland) aan: en hoe spoedig er eene zandoverstrooming kan plaats hebben, blijkt daaruit, dat weinige jaren geleden, van onder een duin, hetwelk toen afstoof, een geheel boerenhuis te voorschijn kwam, waarin de tinnen borden en lepels in de rakken nog gevonden werden."
[15] Zuidwaarts van het eiland, op de zoogenaamde waardgronden, liggen welvoorziene mosselbanken. Alleen des winters, wordt van dit product tot eigen consumptie eenig gebruikt gemaakt. In tijd van nood, zou men zich van dit voedsel zeer goed kunnen generen; zoo als in vroegere jaren, voor het arme gedeelte der bevolking, wel eens noodig is geweest.
[16] Zie Aant. XI.
[17] Een overblijfsel van, of liever uit de voormalige Westvlielandsche kerk wordt nog bewaard in de klok van de kerktoren op het Bikkerseiland te Amsterdam (Zie voorts Aant. XII.)
[18] Op Vlieland is iedereen verpligt de straat voor zijne woning te onderhouden.
[19] Nog is er eene put aan het Westeinde van het dorp, tegen de duinen, die water oplevert even goed als regenwater, waarom in den zomer van 's morgens vroeg tot 's avonds laat, waterdragers van en naar die put gaan, om zich van dat water te voorzien. Al de voorschreven putten worden onderhouden door de administratie der Armen-Inrigting, ten behoeve waarvan elk huisgezin 's jaarlijks slechts 30 cents betaalt.
[20] Zie Aant. XIII.
[21] In den avond van den 3den Februarij van bovengenoemd jaar woei op dit eiland de wind uit het west-noordwesten. De storm groeide tot een volslagen orkaan aan. De vloed was buitengemeen hoog, en de zee werd zoodanig opgestuwd, dat het water 3.05 Ned. ellen boven gewoon peil, in het dorp, in de huizen stond, waardoor aan den zuidkant van het dorp, de wallen, stekken en onderste voetingen der huizen, voor het meerendeel losgerukt en weggeslagen werden; terwijl eene aanzienlijke hoeveelheid levensmiddelen, die in de achterhuizen lagen, en andere roerende goederen, wegspoelden of door het zeewater bedierven.
[22] Naast het Raadhuis staat nog een schuurtje dat een klein gedeelte is van een groot gebouw, waarin de arme oude lieden van West-Vlieland werden opgenomen en verpleegd, nadat hun dorp was weggespoeld en daarom het West-Vlielander Armhuis werd genoemd, in onderscheiding van het Oost-Vlielandsche.
[23] De Noordelijkste uithoek van Eijerland, dat vóór ruim twee eeuwen een eiland op zich zelven was, doch sedert met Texel is vereenigd, draagt den naam van het Engelsche Kerkhof. Het erlangde dien naam vanwege het groot aantal schipbreukelingen dat hier den dood vond en begraven werd. Geen wonder, voorwaar! zoo men van Engelsche zeelieden, over Eijerland sprekende, meermaals hoort zeggen: "Damm Egg Island!
[24] Zie onze beschrijving van het eiland Texel en zijne Bewoners, bladz. 41. Een paar jaar geleden vond men elders op Texel Spaansch geld.
[25] Zie: Het Eiland Wieringen en zijne Bewoners, door F. Allan, Amsterdam, Weijting (bladz. 9-11.)