Het Eiland Vlieland en Zijne Bewoners

Part 2

Chapter 23,510 wordsPublic domain

Oost-Vlieland was, vooral ten tijde van deszelfs vroegeren bloei, toen het uit drie regte straten bestond, een regt bevallig, wel bebouwd dorp. Het bestaat thans voornamelijk uit eene regte straat, welker plaveisel in het midden vervangen is door een Mac-Adam en ter wederzijde beplant met hoog opgaande boomen. Deze hoofdstraat bestaat eigenlijk uit eenen breeden rijweg, ter weder zijde waarvan zich een breed bestraat voetpad [18] uitstrekt, dat door de genoemde boomen van den rijweg is afgescheiden. Wel verre echter, dat deze plaats zich nog in vroegere welvaart verblijden mag, verkeert het thans in eenen armelijken en meer vervallen toestand. Men vindt er even buiten de dorpskern aan den voet der duinen, een groote waterput, welke voor 1600 personen, zeer gezond water kan bevatten, en waaruit de schepen zich, vroeger echter veel meer dan thans, meermalen van het noodige drinkwater voorzien. Behalve deze, zijn er in het midden der Groote of Langestraat nog drie brandputten, welke hier in geval van brand ten eene male onmisbaar zijn. [19] De kom van het dorp bevat circa 120 huizen die meestal van rooden steen opgetrokken, en over het geheel ruim zijn gerigt. De bevolking, welke bijna geheel Hervormd is, maakt met de overige bewoners des eilands ééne Gemeente uit, welke tot de Classis van Alkmaar, Ring der eilanden, behoort, en ongeveer 650 zielen telt, waarvan 300 Ledematen. De eerste predikant die hier in de toenmaals gecombineerde Gemeenten van Oost- en West-Vlieland het leeraarsambt bekleedde, was Willem Gillesz., die, alhier beroepen in 1575, in 1577 ontslagen werd. De beide gemeenten werden eenige jaren later gescheiden, en wel, tijdens de dienst van den predikant Hendrik Pieters Dockman, die, in 1583 herwaarts beroepen, in 1597 naar Venhuizen vertrok. In 1598 bekwam Oost-Vlieland alléén tot herder en leeraar, Ds. Jan Dibbitsz.

De kerk, die reeds vóór de hervorming in aanzijn was, was oorspronkelijk eene parochie-kerk, welke door de Graven van Holland begeven werd; terwijl de instelling door den Officiaal van Utrecht geschieden moest. Ten jare 1415, was zekere Engelbertus Willemszoon, wonende te Rotterdam, hier pastoor, die bij afwezigheid een jaarlijksch inkomen genoot van zes ponden Vlaamsch of 36 gulden Hollandsch. Deze Pastorie had geene vaste goederen, dewijl de landerijen, die er vroeger aan behoorden, en waarop vijftien runderen konden weiden, door de zee verzwolgen waren. Om een goed onderpastoor te hebben, bragten de landlieden echter de noodige gelden gewillig op, tot een behoorlijk onderhoud van den Geestelijken noodig. Behalve deze, bij wijze van hoofdelijken omslag, opgebragte gelden, trok de Pastorie nog een zeker hoofdgeld, dat zoo wel over menschen als over vee werd omgeslagen, zoodat acht hoofden één Filipsgulden, dat is: f 1,25 Ct., benevens eene bepaalde hoeveelheid boter, moesten opbrengen.

Zoo doende bestonden alle inkomsten dezer Pastorie met lasten en al, in 90 Rhijnsche- of 125 Hollandsche Guldens.

De Koster werd door de kerkmeesteren en huislieden aangesteld, doch hij genoot geene vaste inkomsten of voordeelen.

Tegenwoordig is de kerk een goed onderhouden kruisgebouw, zonder orgel of toren doch van binnen bevat zij eene gaanderij, die vroeger tot zitplaats der weezen diende, doch thans niet meer in gebruik is. De kerk werd ten jare 1840 tegelijk met de Pastorie, merkelijk verbeterd, tot welke herstellingen 's Rijks schatkist en het fonds voor Noodlijdende Kerken, ieder eene som van duizend guldens verstrekte; terwijl de overige kosten door de gemeente zelve gedragen werden.

Weleer was hier ook eene Doopsgezinde Gemeente; doch door het steeds afnemen van het aantal leden, is zij te niet gegaan. Hare voormalige kerk diende vroeger tot pakhuis van gestrande goederen. Tegenwoordig strekt zij tot magazijn der Maritieme goederen tot het loodswezen alhier behoorende. De laatste predikant der Doopsgezinde Gemeente was Adriaan Vrijer, die hier in 1778 zijn dienstwerk aanvaardde, en twintig jaren later overleed.

De welingerigte school, welke ten jare 1839 gebouwd is, wordt doorgaans door een getal van 120 kinderen, van 4-14 jaren bezocht. De eerste steen van dit gebouw werd gelegd door den Heer D. C. Harinck, Visiteur alhier, en President der plaatselijke School-commissie.

Als eene meldenswaardige bijzonderheid van Oost-Vlieland, meenen wij te mogen noemen, eene der koperen lichtkroonen in de kerk, zijnde een geschenk van den vlootvoogd M. A. de Ruiter, met wiens beeldtenis zij prijkt [20].

DERDE HOOFDSTUK.

BIJZONDERE GEBOUWEN EN INRIGTINGEN.

Behalve hetgene wij tot hiertoe wetenswaardigs van Vlieland hebben opgegeven, verdienen nog de volgende bijzonderheden aan de aandacht onzer Lezers aangeboden te worden:

1o. Aan den westkant van het eiland, op eenen afstand van ongeveer 1 1/2 uur, in de duinstreek, staat het Rijks-Post-Veerhuis. Dit gebouw stond vroeger meer westwaarts, doch werd, uit hoofde van de verstuiving der duinen, ten jare 1838 op zijne tegenwoordige standplaats gesteld en merkelijk vernieuwd. Het werd vroebewoond door den postschipper en diens huisgezin, die elken nacht, met hoog water, naar Texel zeilde, om de brieven af te halen en over te brengen.

Ten gevolge eener verandering in het postwezen, is het post-veerhuis, thans onbewoond. De postmeester, die het vroeger bewoonde, en die de brievenmalen van Vlieland en Terschelling meestal bij nacht aan het Eijerlandsche huis (op Texel) bragt, en van dáár de brievenmalen voor Vlieland en Terschelling terug nam, is sedert Januarij 1857 ontslagen en vervangen door een schipper, te Cocksdorp woonachtig, die nu elken middag, omstreeks 12 ure, na aankomst der post van het Oude Schild op Texel, van de Roggesloot of het Eijerlandsche strand vaart tot de Vliehors, waar een postillon te paard, die des voormiddags ten 10 ure van Oost-Vlieland vertrekt, de brievenmalen verwisselt en des namiddags omstreeks 3 ure weder te Oost-Vlieland aankomt, met de brieven en nieuwsbladen, den vorigen avond te Amsterdam, of elders, op de postkantoren bezorgd. De postschuit van Terschelling komt, zooveel zulks mogelijk is, 's morgens voor 10 ure te Vlieland aan, en vertrekt eerst 's namiddags na aankomst der Vliepost, om ook denzelfden dag te Terschelling te zijn. Aan het distributiekantoor te Oost-Vlieland komen de brieven, enz. aan, en worden voor Terschelling door een postlooper naar de haven gebragt, die tevens verpligt is, 's morgens bij het aankomen van de Terschellinger postschuit, het brievenmaal van de haven te halen en op het postkantoor te bezorgen. De Postpraaidienst voor de ter reede van Vlieland liggende of aankomende schepen, is nog niet geregeld, wordende deze door de Visiteurs, met behulp der loodsen, waargenomen.

2o. Nabij het bovengenoemde Post-Veerhuis, staat eene Quarantaineloods. Deze is sedert eenigen tijd verkocht, en zal welligt spoedig worden afgebroken.

3o. Oostwaarts van het voormelde Rijks-Post-Veerhuis, heeft men eene loods van de Noord- en Zuid-Hollandsche Redding-Maatschappij; terwijl eene tweede loods dierzelfde Maatschappij in het dorp staat, beide voorzien van alle hulpmiddelen, welke bij het stranden van schepen noodig zijn tot redding van schipbreukelingen.

Eene belangrijke stranding had er plaats, op het toenmalige strand van Vlieland, waar nu meer dan twintig vademen waters staat, in Augustus 1799, toen hier het goudschip the Lutine totaal verongelukte; bij welke gelegenheid er slechts één enkel man van de vijf honderd schipbreukelingen behouden aan wal kwam. In datzelfde jaar werd een gedeelte van het toen verloren goud, zijnde Spaansche matten en staven, ter waarde van ruim tweemaal honderd duizend gulden, onder de leiding van den heer Robée, Baljuw van Terschelling, uit het water opgevischt; en, naardien er in het verongelukte schip zulk een aanzienlijk kapitaal geladen was geweest, heeft men later nog vele pogingen aangewend, ook met een duikerklok en met den toestel des Heeren van Geuns, te Haarlem, vooral onder de leiding van den heer Pieter Eschauzier, toen strandvonder van Terschelling, welke echter met geen gunstigen uitslag zijn bekroond geworden. (Zie Aant. XIV.)

4o. Voorts bestaat er op Vlieland eene inrigting tot verpleging van arme schipbreukelingen, welke in het Armhuis steeds voor 24 drenkelingen, de noodige hemden en andere gemaakte kleedingstukken in gereedheid houdt.

5o. Na den verschrikkelijken watervloed [21] van Februarij 1825, heeft men eenen aanvang gemaakt met den aanleg eener fraaije Haven, welke in 1829 voltooid is geworden. Nogthans wordt zij hoogst zeldzaam door koopvaardijschepen bezocht, aangezien het vaarwater, de Monnikensloot, welke derwaarts leidt, geene genoegzame diepte meer bezit. Jammer dat de toegang tot deze haven bovendien nog belemmerd wordt door eene zandplaat, welke zich voor de monding heeft gezet.

Ten zuiden van het dorp heeft men, om de toegang van het zeewater naar hetzelve te beletten, in 1826 een zeedijk gelegd, welke ter lengte van 725 ellen, boven vol zee gelegen is, en die door een oeverwerk, dat zich langs het Oostersche-veld uitstrekt, aan het havenwerk is verbonden. Dit werk nam eenen aanvang in 1832, en was in 1838 voltooid. Voormaals bood de Monnikensloot eene veilige legplaats aan aan een groot getal schepen, vooral koffen en smakken, die hier dikwerf in zoogenoemde winterlaag lagen.

6o. Oudtijds bestond hier een Weeshuis en Armhuis. Het eerste is opgeheven, en de Diaconie heeft zich ook belast met de verpleging der Weezen in het Oude-Mannen-Vrouwen- en Kinder-huis, welke inrigting gewoonlijk het Armhuis genoemd wordt.

7o. Het Raad- of Gemeentehuis, welks bouw in 1855 bij publieke aanbesteding aangenomen werd door den Heer P. Pronk, van Texel, voor eene som van twee duizend twee honderd en twintig gulden, werd gesticht, gedeeltelijk op dezelfde plaats waar het oude raadhuis stond, n.l. aan de noordzijde van de Groote Straat, tegen over het schoollokaal, en is met een houten rasterwerk van den publieken weg gescheiden.

Het is niet groot van omvang: slechts 10 Ned. ellen lengte bij eene breedte of diepte van 5 Ned. ellen. In het midden van den voorgevel is eene dubbele deur, dienende tot ingang, door welke men in een gang of portaal komt, waarop de deuren der onderscheidene vertrekken uitkomen. Aan de regterzijde is de Raadkamer; terwijl men aan den anderen kant de Secretarie vindt, beiden voorzien van het noodige ameublement, kasten, tot berging van het Gemeente-Archief, en nissen tot plaatsing van kagchels.

Op den zolder bevindt zich een uurwerk, geplaatst tusschen vier stijlen, waarop eenen kleinen koepeltoren rust, die echter te laag is om de klok over de geheele Gemeente te kunnen doen hooren. Overigens bevat het gebouw weinig merkwaardigs. Dat wat opmerking verdient, is eene schilderij, voorstellende de kerk van het voormalige dorp West-Vlieland; terwijl het "zwaard van Justitie" en de speer, de gedenkteekens van Vlielands voormalig eigen regt, dat sedert 1811 opgehouden heeft te bestaan, hier nog bewaard worden.

Tijdens het bestaan van Vlielands eigen regt, werd op dit Raadhuis regt gesproken in het hoogste ressort. Zoo werd ook hier, onder anderen, de moordenaar van de moeder van Koert Smit, logementhouder op Vlieland, levend geradbraakt [22].--Als eene bijzonderheid van het oude strafregt, zag men in den voorgevel van het oude Raadhuis eenen ijzeren beugel, met twee kei- of rolsteenen, hangen, welke men een gevallen meisje om den hals hing, en zoo ten toon stelde. Onzes oordeels, een bewijs voor de strengheid der wetten, die hier eenmaal, ter handhaving van zedelijkheid, in toepassing werden gebragt; iets, dat voorzeker van de vroegere reinheid van zeden der Vlielanders een krachtig getuigenis geeft.

8o. Sedert 1838 staat op de hoogste duin bewesten het dorp, niet verre van de plaats waar eertijds op een licht of vuurbaak, bij nacht een kolenvuur brandde, een lichttoren van de tweede grootte, wiens top (de hoogte van het duin daaronder begrepen) 40 Ned. ellen boven volzee verheven is. De vroegere vuurbaak is vervangen door een gedenkteeken, opgerigt ter eere van den Generaal Kraaijenhof, ter aanwijzing van de punt der driehoeksmeting op dit eiland, waarnaar genoemde Generaal zijne kaart heeft vervaardigd. Dit gedenkteeken staat op 53° 17' 48'' N.B. en op 5° 3' 19'' O.L.

Eindelijk staat op Vlieland aan de Noordzijde van het dorp één korenmolen, die ook als baak in zee van dienst is.

Vlieland is bekend als de geboorteplaats van den Vice-Admiraal Albert Kikkert, die hier den 22sten November 1761 geboren werd, en in de West-Indiën overleed.

VIERDE HOOFDSTUK.

VLIELANDS BEVOLKING.

Over het geheel doen de Vlielanders zich niet ongunstig kennen. Jegens vreemdelingen zijn zij voorkomend en dienstvaardig, en met eenvoudige hartelijkheid deelen zij van hetgene hunne tafel oplevert mede. Hunne levenswijze is zeer eenvoudig. Men vergenoegt zich met de soberste spijzen en dranken, uitgenomen bij zoogenaamde partijen of onderlinge zamenkomsten; waarbij echter de matigheid nimmer uit het oog wordt verloren. Eenvoudige gulheid en ongekunstelde vrolijkheid zitten daarbij steeds voor; terwijl men onderling in den meest gewenschten vrede verkeert. Op mooije kleêren wordt, vooral door het jongere geslacht, grooten prijs gesteld, en het naäpen van hetgeen de mode als fraai voorschrijft, is ook op deze geïsoleerde plaats gewoonte geworden. Uitgenomen de wijze van begraven bestaan er op Vlieland geene bijzondere gewoonten of vermaken meer, even min als elders onbekende kinderspelen. Ieder jongen heeft een scheepje, om des zomers aan de zuidzijde des eilands, op de Waard, als het hoog water is, te zeilen. Zwemmen wordt bijna niet gedaan, ofschoon bijna alle Vlielandsche jongens moeten varen. Het begraven geschiedt nog eigenaardig: ofschoon bijna alle Vlielanders Protestanten zijn, wordt er des nachts een nachtlicht in de kamer geplaatst, waar het lijk ligt. Op den dag der begrafenis gaat ieder die zulks verkiest, uit eigen beweging (dus zonder voorafgaande uitnoodiging), naar het sterfhuis, en volgen het lijk grafwaarts. De vrouwen zijn bij die gelegenheid gesluijerd. Gedurende de dagen die de begrafenis voorafgaan, komen bekenden en vrienden rouw klagen in het sterfhuis; en hoe meer er komen, hoe grooter eer voor den overledene en voor de achterblijvenden.--Van het oude queesten, kweesten of vrijen, is alleen dit nog overgebleven, dat de verliefden of verloofden hunne bijeenkomsten meestal des nachts houden, en dus het grootste gedeelte van hunne nachtrust aan dat voor velen zoo zalige genot, opofferen, tot zoolang doorgaans, dat trouwen noodzakelijk is geworden. Echter moet men tot eer van Vlieland's jongelingschap zeggen, dat zij hun meisje, als het eens zoo verre is gekomen, nimmer verlaten, maar door een wettig huwelijk als hunne vrouw eeren; al bestaan er dan ook soms geene genoegzame middelen van bestaan.--Over ruwe ondeugden, zoo als b. v. dronkenschap, vechterijen, enz. valt hier hoogst zeldzaam te klagen. In beschaving staan de Vlielanders zeker niet achter bij de bewoners van andere zeeplaatsen. In hunne betrekking als loodsen, komen zij veel in aanraking met vreemdelingen. De zeevaart brengt ondervinding, menschen- en wereldkennis te weeg; en ofschoon dit vele aanleiding tot buitensporigheden geeft, zoo zou men nogtans der waarheid te kort doen, indien men omtrent hun zedelijk gedrag, over het algemeen, geen gunstig getuigenis gave:--Van daar dan ook, dat de dronkaard of losbandige algemeen verachting inboezemt. Wat aangaat het volksonderwijs, dit is sedert de tien laatste jaren veel verbeterd, naardien elk kind thans van het openbaar onderwijs kan, en zoo veel mogelijk, moet gebruik maken. In vroegere jaren was dit niet zoo algemeen; zulks blijkt uit de omstandigheid, dat vele bejaarde lieden lezen noch schrijven kunnen.--De Nederlandsche taal wordt hier met een bijzonder accent, alleen den Vlielander eigen, uitgesproken. Bepaalde regels zijn er echter niet van op te geven, daar dezelfde klank in verschillende woorden ook verschillend wordt gehoord. De h wordt meestal verzwegen dáár waar zij gehoord--en gehoord dáár waar zij verzwegen moest worden; zoo zegt men, b. v.: ok voor hok, en heer voor eer. Eenige klanken worden ook vaak verwisseld: zoo als aa met ee in paard; ij met i of ui. Zoo wordt o. a. het woord ijs uitgesproken als huis, en huis als ies: posthuis, post-ies; schuit, schijt of schiet (zeer kort), enz. Bij oude lieden is de uitspraak vrij temig of slepend; bij de jongere, en vooral bij vrouwen en meisjes, vlugger en korter, zoodat men bijna zou kunnen zeggen, dat er op Vlieland eene mannelijke en vrouwelijke uitspraak bestaat. Een eigenlijk bijzonder taaleigen bestaat er echter op dit eiland niet. Bijzondere uitdrukkingen of spreekwoorden worden hier niet, of althans hoogst zeldzaam, gehoord. Even als op het eiland Marken, worden vader en moeder ook hier taat en mem genoemd. Een pas geboren kind heet een bijtje of beitje; lief kind is een kostje; openbaren is openderen; van den hak op den tak springen, is hier van het houtje op het stokje.

AANTEEKENINGEN.

I. De Hors is eene 3 à 4 uren lange zandbank, zonder eenige verhevenheid, welke echter door nu nog levende personen, voor het grootste gedeelte met duinen en vruchtbare valleijen bezet, gekend is, zelfs zoo, dat de Oost-Vlielanders in den zomer derwaarts gingen om hooi te winnen, waarvan zij iederen dag slechts één voer (wagenvracht) konden t' huis halen, wegens den verren afstand en de ongebaanden wegen. (Vergelijk bladz. 10.)

II. De Vlielander zeegaten worden onderscheiden in:

a. Het Eijerlandsche Gat of West-Vlielander Diep.

Hier liggen de algemeen bekende, gevaarlijke Eijerlandsche Gronden [23], op wier steenachtigen bodem vele zware rolsteenen of vleuten, benevens zware boomstammen gevonden worden. Naar men wil, zou er op de plaats waar thans de Eijerlandsche gronden liggen, een eilandje, met name de Buitengrind, gelegen hebben. Dit eiland of eilandje, zou oudtijds bewoond geweest zijn, en was de plaats waarop het Romeinsche legerhoofd Drusus een kasteel of sterkte bouwen liet, dat Flevum werd genoemd. In 1590 waren op de Buitengrind nog eenige, van zeer groote steenen gemetselde, putten aanwezig.

b. De Oost-Vlielander zeegaten, tusschen Vlieland en het eiland Terschelling, zijn die gaten, waardoor de vliestroom in de Noordzee vloeit. De voornaamste vaarwaters zijn de Hollepoort en het Nieuwe gat, welke door de Noordergronden van elkander worden gescheiden. (Vergelijk bladz. 10.)

III. De Monnikensloot. Deze liep omstreeks den jare 1285 van Harlingen, voorbij Dijkshorne naar Vlieland. De inwoners van Dijkshorne--sedert eeuwen is deze plaats verdwenen--lagen deze vaart, op last van de Konversen van Ludingakerk aan, ten behoeve van het vervoer hunner goederen, en tevens ten gemakke van de geestelijke broeders van Ludingakerk, die zich langs dezen waterweg naar hunne landerijen en toen reeds bestaande lusthoven of buitenplaatsen begaven. Ten tijde van de Ruiter was de Monnikensloot meermaals het winterverblijf der Nederlandsche oorlogsvloot. (Vergel. bladz. 10, en zie verder Aant. VI.)

IV. Oud-Stortemelk en Nieuw- of Noorder-Stortemelk, beide zeegaten tusschen Vlieland en Terschelling.

a. Eerstgenoemd zeegat, het gemakkelijkste vaarwater tusschen beide genoemde eilanden, werd omstreeks het midden der 18de eeuw voor het eerst betond. Het loopt in eene westelijke rigting, tusschen Vlielands noordkust en de zandbank de Schol.

b. Het andere zeegat, ook de Slenk of het Tweede zeegat geheeten, loopt tusschen de Hollepoort en Oud-Stortemelk door. Dit vaarwater vooral, eischt zeer bekwame loodsen. Het niet naauwkeurig waarnemen der watergetijden, zou een hier binnenvallend vaartuig ongetwijfeld in groot gevaar brengen van tegen de droogten aangezet te worden door den stroom, die bij voorvloed dwars over het gat valt. (Verg. bladz. 10.)

V. Grind, oudtijds Grijnde, en thans ook wel Griend genoemd, was in vorige eeuwen een eiland in de Zuiderzee, grenzende ten Noorden aan de West-Meep, ten Oosten aan de Oost-Meep, ten zuiden aan de Oude Jetting, en ten Westen van den Vliestroom en aan de Nieuwe Jetting.

Dit eiland, dat eertijds aan het klooster van Lidlum behoorde, en van een door de kloosterbroeders gesticht vlek, met name Grind of Grijnd, zijnen naam ontleende, was vooral door eene hoogere ligging, langer dan het omgelegen land, bestand tegen de inbraken der Noordzee, doch moest eindelijk bij den geduchten stormvloed van 14 December 1287, gelijk bevorens reeds zooveel lands bewesten de Friesche kust, ook eene prooi der golven worden: het werd bijkans geheel verwoest. Het op dit eiland gestichte vlek, Grind, dat volgens de oude oorkonden, ten jare 1222 door Sijard Siersma, den vierden Abt van Lidlum, met wallen en grachten in eenen verdedigbaren staat werd gebragt, werd ten bovengenoemde tijde (14 Dec. 1287) grootendeels verwoest, zoodat er slechts een tiental woningen overbleven. De kerk stortte in; de school, welke door de kloosterbroeders van Lidlum gesticht was, om de jeugd in kunsten en wetenschappen, en zelfs in de godgeleerdheid, te onderwijzen, onderging hetzelfde lot; terwijl al de verdedigingswerken vernield werden.

Het eiland Grind, na den voormelden watervloed van 1287 wel weder boven komende, stond daarna echter zoo zeer bloot aan de schuring van de steeds meer en meer in kracht toenemende uitstroomende slenken of wateren, dat het, naar het schijnt, tot in de 16de eeuw liep, eer het ophield dien omvang te bezitten, welken noodig was om die belangrijke runder-kudde te voeden, van welke men de oudtijds zoo vermaarde Grindsche kaas bekwam. Bij den aanvang der 18de eeuw, stond op dit eiland, waarvan de tegenwoordige Grinderwaard het eenige overblijfsel is, nog een huis, en leverde het nog eenig hooi op. Thans is het reeds sedert lang onbewoond, doch bezit het nog steeds zoodanige hoogte, dat het bij dagelijkschen waterstand niet ondervloeit. Nog in deze eeuw verbleven er eenige konijnen op, van welke de laatsten bij den watervloed van 1825 verdronken zijn. Thans strekt Grind ten verblijve aan eene menigte zeevogels, wier eijeren door de hier omstreeks verkeerende schelpvisschers opgezocht worden. (Verg. bladz. 13.)

VI. Omtrent de veranderingen van het land in deze streken, lezen wij in de Friesche Cronijk het volgende:

"Anno 1222 was het nog Vant Vlie tot aan die Suijderzee geheel Landt; dan, vermits die groote vaerten die daerinne ghegraven worden, heeft die Noordzee sijn ganck en de inbrock daer inghenomen en ghecreghen, ende heeft veel Lands hier ende daer afghenomen, 't welck alles in die Middelzee weder aengheslaghen is.

Van welke vaêrten men voorts, op 1234, het volgende leest: