Het Eiland Marken en Zijne Bewoners

Part 2

Chapter 22,952 wordsPublic domain

Over het algemeen is de toestand der wegen of paden, sedert de laatste jaren, veel verbeterd, en jaarlijks worden door de bemoeijingen van het tegenwoordig Plaatselijk Bestuur, de noodige middelen aangewend, om deze meer en meer te verbeteren, zoodat er nu reeds, voor het grootste gedeelte, goed bestrate voetpaden zijn, waar men voor weinige jaren nog bijna onbruikbare kleiwegen vond.

De Kerkbuurt is op eene heuvel gelegen, die zich ter hoogte van 6 à 8 voeten, boven het land verheft.--Ook de overige Buurten zijn op dusdanige Heuvels aangelegd, ten einde daardoor zooveel mogelijk van den last des waters bevrijd te blijven.

Op bovengenoemde Buurt staan de voornaamste gebouwen, zoo als: de Kerk, het School- en Raadhuis, de Pastorie enz. op welke wij nader zullen terug komen.

Op ongeveer tien minuten gaans van de Kerkbuurt liggen de Nieuwe Buurten, welke eigenlijk uit drie afzonderlijke, naast elkander liggende heuvels bestaan. Zuidwaarts van deze ligt de Kets, zijnde eene buurt, waarlangs het kanaal loopt, en die slechts uit een zestal huizen bestaat.

Noordwestwaarts van deze buurt, en slechts weinige schreden van de Nieuwe Buurten, ligt aan de Haven, de Havenbuurt, alwaar men, benevens eene woning voor den Opzigter van den Waterstaat, en eene directie-keet, de reeds vroeger gemelde Tanerij en Zeilmakerij vindt.

Vóór weinige jaren bestonden hier ook eene Scheepstimmerwerf en Smederij.--Thans zijn deze vernietigd.

Zuidoostelijk van de Kerkbuurt liggen de vier overige buurten des Eilands, n.l. de Witte Werf, Groote Werf, Rozenwerf en Moeniswerf, welke te zamen, op Marken den naam van de Zereide, dragen, en waarvan het Zereiderpad zijnen naam ontleent.

Van deze Werven is weinig meer te zeggen, dan dat op de laatstgenoemde, op Moeniswerf, eene Arm-inrigting gevonden wordt, die der Diaconie toebehoort, en waarin zulke behoeftige Eilanders worden verzorgd, die lidmaten zijn der Hervormde Gemeente. Ook op de Kerkbuurt staat eene liefdadige inrigting, het Armhuis, geheeten; in hetzelve worden zoodanige armen verpleegd, die ten laste der Algemeene armen zijn.

Behalve de beide genoemde inrigtingen verdienen, nog gemeld te worden:

a. De Haven. Deze, aangelegd in het jaar 1837, ligt in het Noordwestelijk deel des Eilands, omtrent 10 minuten gaans van de Kerkbuurt verwijderd, en is de gewone landings-, los- en ladingsplaats. Zij heeft bij eene lengte van 75 Ned. Ellen, eene breedte van 40 Ned. Ellen, en is omgeven met eenen dijk, die aan de havenzijde van eene stevige schoeijing en gording voorzien is. Door de gedurige vermeerdering van het aantal botters, is zij thans echter al te bekrompen geworden, zoodat men in 1853, een begin gemaakt heeft, met het graven eener tweede Havenkom, van gelijke grootte als de eerste, en die thans (1854) met deze, tot één geheel zal vereenigd worden. Behalve deze haven, is er ook eene afzonderlijke ligplaats voor de haringschuiten, de Kolk genaamd, en die als eenen regterarm der Havenkom kan beschouwd worden.

De geheele inrigting der Haven, kan zeer doelmatig genoemd worden, en zij onderscheidt zich, door haren geheelen aanleg, gunstig van vele andere visschershavens.--Het eenige waarop, vooral door vreemde Schippers, aanmerking wordt gemaakt, is de naauwe ingang der Haven; doch het schijnt, dat men deze niet wel kan vergrooten, zonder daardoor, in de haven zelve, last te lijden, van eenen al te grooten golfslag, die, vooral met harden Noordwestelijken wind, van belang is.

Vroeger bestonden er op verschillende plaatsen van het Eiland, tusschen de buitendijks liggende, rietlanden, inhammen of kreeken, visschershavens genaamd, doch van tijd tot tijd, zijn deze door afspoeling, voor het grootste gedeelte verdwenen. Op dezen oogenblik bestaan er nog drie.

b. De Begraafplaats. Deze is, na de slooping der Oude Kerk, in 1845 aangelegd op eene, sedert 1808 verlaten Buurt, Altena genaamd, en ligt omstreeks 5 à 6 minuten gaans, westwaarts van de Kerkbuurt verwijderd. Zij is zeer doelmatig ingerigt, als zijnde haren grondslag boven den beganen grond geheel water vrij. Zij heeft eene ovaalvormige gedaante, die in eene afhellende rigting is opgetrokken, terwijl de toegang tot dezelve, door eene omgegraven sloot en een' poort, van den publieken weg is afgescheiden.

c. De Pastorie, gebouwd in 1840, is een fiksch steenen huis, hetwelk het voorkomen der Kerkbuurt inderdaad tot sieraad verstrekt. Bij dezelve staan de eenigste vruchtboomen die men op het gansche Eiland aantreft.

Behalve deze, zijn er tegenover de Pastorie, op het zoogenaamde Erf, ook eenige wilgenboomen, die dus als zoo vele bewijzen dáár staan, dat het gevoelen, alsof op Marken geene boomen kunnen groeijen, faalt.

d. Slechts eenige schreden van de Pastorie staat de Kerk. Deze, ofschoon eerst sedert 1846 geheel nieuw opgebouwd, heeft, voor zoo veel haar uiterlijk aangaat, wel geen onbehagelijk voorkomen, doch zij voldoet geenszins aan de verwachting der Gemeente, naardien zij op verscheidene plaatsen zoodanig lekt, dat eene groote en kostbare reparatie, vooral aan de kap, eerlang plaats moet hebben.

e. en f. De School en het Raadhuis, vormen te zamen één kruisgebouw. Beide, in 1850 opgerigt, hebben eenen modernen vorm, terwijl de inrigting, zoo van het eene als van het andere, allezints doelmatig kan genoemd worden.

Jammer echter is het, dat het schoollocaal voor het aantal schoolpligtige kinderen, dat thans 180 à 190 bedraagt, te bekrompen is. De plaatselijke gesteldheid van het terrein, gedoogde echter geenen grooteren aanleg.

g. Afgescheiden van de overige buurten, en op een half uur afstands van de Kerkbuurt staat de Vuurtoren, gebouwd in 1839. Het is in zijne soort een fraai, en bij uitstek net ingerigt gebouw, voorzien van een zeer sterk schitterend [5] kunstlicht. Hieraan is verbonden des lichtstookers woning.

DE BEWONERS VAN HET EILAND MARKEN.

De Markers worden, ofschoon zeer ten onregte, veelal voor een dom slag van menschen aangezien. Van waar deze valsche beschouwing haren grond ontleent, dit erkennen wij niet te weten, want, bij eene meer gezette beschouwing dezer lieden, en uit den dagelijkschen omgang met velen derzelve, blijkt ons juist het tegenovergestelde.--Of zou men dwaas genoeg kunnen zijn, om, welligt uit hunne eigenaardige kleederdragt, en uit hunne, hier alleen inheemsche, gewoonten, dit ongunstig besluit af te leiden: "Markers zijn dom en onbeschaafd?" Dit mogen wij niet aannemen.

Wij zullen in deze korte schets ons bepalen met eenige voorname, algemeene eigenschappen dezer Visschers op te geven. Daarna oordeele de lezer in hoeverre de beschuldiging gegrond zij, dat deze Eilanders als dom en onbeschaafd verdienen te worden aangemerkt.

1e. Misbruikers van sterken drank, worden onder deze Eilanders niet gevonden, hetgeen daarom te meer verwondering baart, en te meer verdient geprezen te worden, dewijl zij in hun bedrijf, met vele en aanhoudende moeijelijkheden en ontberingen, te kampen hebben.

Wel wordt er jenever, brandewijn en anijs gedronken, doch dit heeft slechts bij bijzondere gelegenheden plaats, zoo als bij Bruiloften, Nieuwjaar, bij de terugkomst der Stuurlieden, enz., en dan nog wel in zulk eene geringe hoeveelheid, dat het gansche verbruik van sterken drank s' jaarlijks slechts eenige weinige kannen bedraagt.

2e. Ten aanzien van de zindelijkheid der Markers wordt meermalen een ongunstig oordeel geveld, en is er wel eens aangemerkt dat deze "veel, zeer veel te wenschen overlaat."

Wij meenen nogthans, ter voorziening in die aanmerking, wederkeerig te kunnen aanmerken, dat, evenzeer als de reinheid van Broek in Waterland vergroot wordt, ook de onzindelijkheid der Markers meer in naam, dan wel in de daad bestaat.

't Is waar, dit moeten wij erkennen, ook op Marken zijn huisgezinnen aan te wijzen, waarin men te vergeefs naar eenig spoor van reiniging zoeken zal. Doch, waar vindt men de zulken niet? Wie wijst ons eene gemeente aan, waarin geene huisgezinnen worden gevonden, waarin ten deze opzigte, geene aanmerkingen zoude zijn te maken?

Over het algemeen echter, kan noch mag Marken van onzindelijkheid beschuldigd worden, ten zij men welligt, de onreinheid der wegen bedoele, gedurende den winter of bij regenachtig weder.

Als bewijzen van het door ons gezegde, meenen wij te mogen wijzen op den toestand der vaartuigen. En inderdaad, deze is eenig en voorbeeldig te noemen. Het voorkomen der botters en schuiten, zoo als zij dáár, en vooral op Zon- en Feestdagen in de haven liggen, heeft meer overeenkomst met eene vloot van pleiziervaartuigen, dan wel van eene vloot van visschersschuiten, die, ook bij storm en onweder, zee bouwen, en te vergeefs zal er naar slechts één vaartuig worden gezocht, waarvan met grond gezegd zoude kunnen worden, dat er iets op valt aan te merken, hetwelk tegen orde en reinheid zondigt; en toch is alleen aan mannen die zorg opgedragen.

Het zal dus wel geen breedvoerig betoog behoeven, om onze lezers te overtuigen, dat daar, waar de mannen zóó rein en zóó keurig op het hunne zijn, de vrouwen (en dit ligt in den aard der zaak opgesloten) vooral geene mindere reinheid, of minder zorg, op het hare aan den dag zullen leggen. Men houde hierbij echter in het oog, dat de meestal zeer bekrompene behuizing, het bij velen groot getal kinderen, de ontbering van de hulp eener dienstbode, als ook de plaatselijke gesteldheid zelve, als zoo vele oorzaken zijn aan te merken, die de zindelijkheid der huismoeders bemoeijelijken, tegenwerken en minder doen uitkomen, dan zulks veelal aan den vasten wal het geval is.

3e. Ook ten opzigte van hunnen ijver in hun beroep, leeren wij de Markers van geene ongunstige zijde kennen. Immers van hun vroegste jeugd af aan, tot zelfs in vergevorderden ouderdom, zijn zij onafgebroken bezig in hun beroep, en dat zoowel in den barren winter als in de zachte lente en warmen zomer.

Mannen, jongelingen, knapen, ja zelfs grijsaards, bevinden zich steeds, bij vaarbaar weêr, ter zee, en komen zij, voor zoo veel de botterlieden aangaat, slechts eenmaal per week, en wel des Zaturdags, te huis, terwijl zij dan, wanneer er geene gelegenheid ter uitoefening van hun bedrijf bestaat, hunnen tijd besteden tot het vervaardigen en herstellen van de noodige netten en het onderhouden van hunnen vaartuigen. Aan de vrouwen is, behalve de gewone huisselijke werkzaamheden, de zorg opgedragen, voor de opvoeding der kinderen, die meestal voor het grootste gedeelte door de vaders niet kan worden waargenomen. Hun dagelijksch afzijn is hiervan de oorzaak. Voorts behoort de vervaardiging van alle noodige kleedingstukken, ook van die der mannen, tot der vrouwen werkkring, terwijl zij tevens den hooibouw waarnemen, en het noodige garen spinnen voor het vischwand.

4e. Het is eene erkende waarheid, dat deze Eilandbewoners, in hooge mate, zuinig zijn, op hunne bezittingen en inkomsten. Slechts zeer weinigen zijn hiervan uitgezonderd. Van daar is het, dat deze Gemeente, in vergelijking van andere Visschersplaatsen, meer welvarend en meer bemiddeld is, dan vele andere. Een bewijs hiervoor, meenen wij te kunnen vinden in de plaatselijke armoede. Voor vele andere gemeenten toch, worden jaarlijks, en bij herhaling, liefdegaven opgevraagd ten behoeve der vele noodlijdende ingezetenen, terwijl ten behoeve der Markers nooit iets, het minste zelfs niet, wordt gevraagd. En nogthans ondervinden ook deze, in gelijke mate als andere visschers, het nadeelige en schadelijke, hetwelk, zoo door mislukte visscherij als door vroeg invallende winters, wordt te weeg gebragt.

5e. Ook de belezenheid der Markers pleit ten gunste voor hun zedelijk karakter; want de kennis van vele zaken, inzonderheid der Vaderlandsche Geschiedenis, Aardrijkskunde en Rekenkunst betreffende, bewijzen eenen weetgierigen aard en lust tot nuttige bezigheid.

Ook het getrouw bezoeken der school, getuigt, dat zij verstandelijke ontwikkeling op prijs stellen; van de 190 à 200 schoolpligtige kinderen, (wier schoolpligtigheid van het 5e tot het 14e jaar ingesloten duurt,) komen er gemiddeld ruim 160 ter school. Eindelijk, diegenen der Markers, welke zich op de beoefening van andere vakken hebben toegelegd, zijn daarin allen naar wensch geslaagd, en toonen zij nog dagelijks, dat zij in hunne betrekking zijn wat zij moeten zijn.

6e. Even gunstig leeren wij deze Eilanders kennen in hun huisselijk leven. Bescheidenheid en onderlinge liefde wonen steeds bij hen in, en indien ons gevraagd werd, of wij voorbeelden kennen van huisselijke tweedragt, zoo zouden wij daarop ontkennend moeten antwoorden. [6]

7e. Eindelijk, in den omgang doen de Markers zich als eenvoudige lieden kennen, in zoo verre namelijk, deze eenvoudigheid betrekking heeft op hunne wijze van voorkomen. Zij zwijgen liever, dan te spreken over zaken waarvan zij geene kennis hebben, terwijl datgene wat zij spreken, doorgaans goed ter snede komt.

Over het algemeen stellen zij een levendig belang in al wat Godsdienstig is, en getuigt hun oordeel over, en hunne bekendheid met vele zaken dienaangaande, dat zij meer dan oppervlakkig bekend zijn, met vele Godsdienstige en zedelijke werken.

Wij voegen hierbij nog de volgende bijzonderheden, waarmede wij deze schets zullen besluiten.

Vooreerst, hunne huisselijke inrigting. Deze is, na den noodlottigen watervloed van 1825, die overigens op Marken weinig schade heeft aangebragt, over het geheel zeer bekrompen geworden, en onderscheidt zich voornamelijk door het gemis van schoorsteenen. De meeste woningen bestaan uit één woonvertrek, dat mede tot slaapkamer, keuken en bergplaats voor de visschersgereedschappen dient. De haard of vuurplaats vindt men doorgaans voor het grootste raam, en bestaat uit een' plaat, die omgeven is met eene rei gewone vloertegels of witte marmeren steenen; bij deze plaat staat een kleiner, in den grond bevestigd, stuk plaatijzer, waartegen het vuur wordt aangelegd. Vlak voor deze haard staat de tafel, waarbij veelal eenige zeer lage stoelen. Een gat boven in het dak, de kist genaamd, trekt de rook regt op, die zich verder boven in het huis, alwaar het vischwand geborgen is, verspreid, en waardoor men dus beneden weinig of geen hinder lijdt van den rook.

De woningen der Markers zijn voor het grootste gedeelte inwendig niet geverwd, maar worden eenige malen 's jaars schoongemaakt en met zuiver krijtwit bestreken. Behalve de woonkamer hebben sommigen nog een afzonderlijk vertrekje, dat tot een zoogenaamd pronkkamertje dient, en waarin het beste huisraad en de kleederen bewaard wordt.

Deze huisselijke inrigting is bij verreweg de meeste Markers dezelfde; slechts een dertigtal woningen zijn er, waarin men eenen schoorsteen aantreft.

Ten tweede. Ook de Kleederdragt der Markers is eenig en bijzonder. Dezelve is een overblijfsel van den zoogenaamden Spaanschen tijd, en nog op de huidigen dag, zegt men, dat de kleeding der landlieden in Andalusië, veel met die der Markers overeenkomt. Zij bestaat zoowel bij de vrouwen als bij de mannen, voor het grootste gedeelte uit wollen stoffen, zoo als baai, duffel, bever enz., en is bij allen, zoo bij behoeftigen als meer gegoeden en rijken, dezelfde. Het eenige teeken van meerdere gegoedheid of welvaren is een tweetal knoopen, die zij in de kraag of boord van het hemd dragen; de gegoedsten bezitten gouden, anderen zilveren. Eigenlijk onderscheid van rang of stand is er niet zigtbaar.

Ofschoon er onder de Markers geene eigenlijke mode bestaat, zoo heeft nogthans het gebruik de verwisseling der kleederdragt aan eenige vaste regels gebonden. Zoo wil het gebruik, dat op kermis, bij bruiloften, in bruidsdagen enz. de gewone kleeding plaats make voor andere tooisels, die òf alléén op kermis, òf alléén bij bruiloften, òf alléén in bruidsdagen enz. gebruikt mogen worden.

Ten derde. Alhoewel op Marken de uitspraak onzer taal vrij goed is, zoo bezigt men er toch verscheidene woorden, die minder algemeen verstaan worden. De voornaamste van deze zijn:

het woord bappe voor: grootvader, het woord noom voor: oom, het woord tutte voor: zuster, het woord bort voor: borst, het woord zeert voor: pijn het woord schelig voor: leelijk, het woord bas voor: mooi, (aangedaan), het woord kniesse voor: knieën, het woord gank voor: haastig, het woord vider voor: emmer,

enz. terwijl zij, even als de Zeeuwen, de h dáár noemen waar zij niet, en dezelve weglaten dáár waar zij al genoemd moet worden.

BIJLAGE.

De landerijen op Marken, (zij behooren allen aan de bewoners,) beslaan te zamen ruim 295 bunders. Hiervan gaat af, voor bebouwde eigendommen, dijk, rietland en water, 70 bunders. Van de overige 225 bunders, worden 25 bunders als weiland gebruikt, zoo dat de vlakke inhoud der hooivelden, p.m. 200 bunders bedraagt. De oogst van deze velden beloopt 's jaarlijks p.m. f 10,000.

Op deze 200 bunders, zou men (indien men geene overstrooming te duchten had,) ruim 3000 schapen kunnen houden. Stelt men nu de gemiddelde opbrengst van ieder schaap op f 10, dan zou men een kapitaal verkrijgen van f 30,000, hetgeen dus voor de ingezetenen van Marken, eene winst van f 20,000 zoude opbrengen.

Dat dit gunstig resultaat, in het belang der Markers, spoedig mogt verkregen worden, is de wensch van

DEN SCHRIJVER.

AANTEEKENINGEN

[1] De hier bedoelde uiterste punten zijn thans bekend als: de Nes en 't Kruis.

[2] Marken telt thans 950 inwoners, die allen de H. Godsdienst belijden.

[3] Deze bewering is echter onjuist. Immers, wat aangaat de verzakking, zoo merken wij aan, dat dezelve alleen van toepassing kan zijn, op nieuw aan te leggen dijken, naardien de bodem van Marken bestaat uit eene laag klei, en eene laag veen, gevolgd door eene weeke specie, derrie genaamd. Onder deze laatste stof ligt het vaste zand. Zoo lang nu de dijk, en het veen, niet door deze derrie zijn heengezonken tot op het vaste zand, is verzakking steeds noodzakelijk. De Markerdijk heeft echter die verzakking reeds ondergaan, en zou dus de noodige zwaarte tot een 2 els hoogte zeer wel kunnen dragen.--Bewijzen daarvoor zijn zigtbaar in de terpen waarop de buurten zijn gebouwd, die zelfs hooger dan 2 el boven A. P. gelegen, en aan geene verzakking onderhevig zijn, en toch zijn deze daarenboven nog bebouwd. Ook de begraafplaats, die ruim 2 el hoog is, is sedert haren aanleg, niets verzakt. Van hoe groot belang het voor de ingezetenen zoude zijn, indien den dijk de noodige hoogte hadde, om van het water bevrijd te blijven, is op te maken uit de Bijlage, die wij op pag. 24 hebben neêrgesteld.

[4] Gelijk overal, zijn ook op Marken, de opbrengsten der landerijen zeer toegenomen.

[5] Van den tweeden rang.

[6] Echtscheidingen hebben hier zeer zelden plaats: sedert onheugelijke jaren kent men er slechts ééne--doch onwettig. Het aantal onwettige geboorten bedraagt in de 20 jaren naauwelijks één.