Het Eiland Marken en Zijne Bewoners
Part 1
HET EILAND MARKEN EN ZIJNE BEWONERS,
GESCHETST DOOR F. ALLAN.
Met 2 Kaartjes.
AMSTERDAM, WEIJTINGH & VAN DER HAART. 1854.
VOORWOORD.
Het moge waar zijn, dat het Eiland Marken, bij velen in ons Vaderland bekend zij, zoo wel door de natuurlijke gesteldheid van dit stukje gronds, als door de eigenaardige, of liever, verouderde gewoonten van zijne bewoners;--niet minder waar is het, dat dit Eiland, bij nog meerdere onzer Landgenooten, zoo niet geheel onbekend, minstens niet goed, niet naar waarheid, bekend zal zijn.--
Hiervan overtuigd, besloot ik dit Werkje in het licht te zenden, met het doel, Marken en zijne Bewoners naar waarheid te schetsen, en langs dien weg, het Publiek in de mogelijkheid te stellen, zich zonder groote opoffering, met dit Eiland en met deze Eilanders, meer van nabij bekend te maken.--
"Vraagt men, of er welligt zooveel merkwaardigs van Marken zij te zeggen, dat de Uitgave van deze Schets, als van belang kan worden geacht?"--
Zoo merken wij aan, dat niet het merkwaardige, noch ook het eigenaardige van hetzelve, ons tot de zamenstelling der volgende bladen, hebben aangespoord:--maar dat wij, naar aanleiding, van hetgene wij, voor eenigen tijd omtrent dit onderwerp geboekt vonden, en hetgeen ons bleek, deels bezijden de waarheid--deels overdreven te zijn, genoopt werden, ten opzigte van Marken en de Markers, der waarheid openlijk hulde te doen, en datgene in het regte licht te plaatsen, waarop door anderen eene valsche schaduw geworpen is;--terwijl deze uitgave tevens voldoen zal aan eenen, door velen, uitgedrukten wensch.--
Wij voegen hierbij niets meer, dan de wensch, dat dit boekske in veler handen moge komen, en niet onvoldaan ter zijde worde gelegd!
Eiland Marken,
den 1 Feb. 1854. ALLAN.
INLEIDING.
Ofschoon er, voor zoo veel ik heb kunnen nagaan, van de vroegere geschiedenis van het EILAND MARKEN, zeer weinig geboekt staat, zoo moet toch de natuurlijke gesteldheid van hetzelve, in vroegeren tijd, veel verschild hebben van den toestand, waarin het zich thans bevindt.--Immers vinden wij, in eene beschrijving van Waterland, het volgende opgeteekend:
"Het EILAND MARKEN, waarschijnlijk in het laatste gedeelte der 13de eeuw van 't Vaste Land gescheiden, is eene zeer oude Volkplanting van Vroome Hollanderen. Oudtijds behoorde hetzelve aan het Klooster Mariëngaarde, in Friesland; doch door Vrouwe Margaretha, uit hoofde, der moord aan Grave Willem gepleegd, met meer andere goederen der Friezen, in Holland en Zeeland gelegen, geconfisqueerd en verkocht."--Van dezen verkoop, is nog een afschrift op dit Eiland voorhanden.--
Dit een en ander, komt overeen, met hetgene wij daaromtrent vermeld vinden, in eene overoude Beschrijving van Waterland, waarin o. a. gezegd wordt:
"Dat 't Eijlandt en Dorp van Marcken in oude tijden toegekomen heeft, het Convent ofte Klooster te Mariëngaarde in Vriesland, hetwelcke was in Ferweradeel de tweede Grietenije in Ooster-goo, daar men elf Dorpen in vand, namelijk dit Mariëngard, daar benevens Fosmert, en Genauwert. Het heeft Winsinius, Vriessche Historiënschrijver ons onderrecht, dat de helft van het Eijlandt en Dorp, door Godsdienstige Hollanderen aan 't gemeld Klooster van Mariëngaarde wechgeschonken was, en dat den Abt en de Munnicken, de andere helfte kogten van de Persijnen, Heeren van Waterland, soo dat se het geheel verkregen: maar wederom ontnomen wierd', door Margareta, Keijserinne van Romen, Gravinne van Holland, Zeeland, enz., tot wrake, van haren Heer en Broeder Grave Willem die in Vriesland verslagen was;--
"De woorden van de oude Hollandsche Cronijck, die van Gouthoeven gevolgt word, luijd aldus:
"Deze vrome Margriete, Keijserinne van Romen, Gravinne van Holland, Zeelandt, Vrieslandt, en oock Henegouwen, heeft doen Confisqueren en toestaan, alle de Goeden, Landen, en Renten der Vriezen, geestelijcke en wereldlijcke, die in Holland en Zeeland gelegen waren, omdat sij in Vrieslandt haren Broeder en gevechten Heere, hadden verslagen, deselve Goederen verkopende vele en diverse personen: onder anderen Goederen worden oock verkocht, dat Land en Dorp van Marcken, dewelcke op die tijd behoorde het Convent en Klooster van Mariëngaarde, der Ordre van de Premonstreijten, gelegen in Oost-Vrieslandt, dat welcke de Abt en de Broeders in voorleden tijden, ghekocht van Heer Claas Persijn, Heere van Waterland (Gouth. folio 381.)
"Dit moet van de eerste Claas Persijn wesen, die Ridder was, en in 't jaar van 1250, ghestorven is: want de andere stierf Anno 1375, en nu had' et de Munnicken al langh beseten gehadt.--
"Het is buiten twijfel, of dit Marcken is vóór 't inbreken der Zuijderzee eene wellustige (aangename) plaatse, met Hoven versien, en aan 't Vaste Land gheweest, waar veel Monnicken gehouden hebben: het Land daar omtrent (sij-lieden in eijgendom) ten meestendeele beseten hebben, hetwelcke veroorsaackt heeft, de namen van Munnicke-Meer, Munnickendam, Munnicke-broek, en de Munnick, die de Munnickedammers noch in hare wapen voeren en houden. 't Kon wel zijn, dat den Dijck daar de Stad opleijd, ofte die den Dam is, was gheweest in de Hoefslagh van de Munnicken van Marcken, en daarom, de Munnickendam."
Aangaande de wraak, welke door Margareta (?) Keijserinne van Romen, Gravinne van Holland en Zeeland, enz. over den dood haars Broeders, ten aanzien van Marken, zoude genomen zijn, lezen wij, in de Geschiedenis der Grafelijke Regering, het volgende:
"Dat Willem IV., in den jare 1334, op negentienjarigen ouderdom, als Graaf gehuldigd werd over Holland en Zeeland;--dat Hij afstamde uit het Grafelijke Huis van Henegouwen;--dat deze Graaf, ten jare 1345, eenen veldtogt ondernam tegen de muitende Friezen;--en dat hij, den 26sten of 27sten September van laatstgemeld jaar, in eenen veldslag, tegen deze, sneuvelde.--
"Zijn lijk werd eerst 10 dagen daarna, gevonden, en in een Klooster, niet ver van Bolsward, begraven.--
"Zijne jeugdige Gemalin, eene dochter van Jan III., Hertog van Brabant, was over dezen dood, zoo zeer verstoord op de Friezen, dat zij het Klooster der Friesche monnicken op Marken, liet in den brand steken, en al de monnicken in zee (in den Kuil van Marken) werpen.--
"Daar Willem IV., geene kinderen naliet, werd zijne zuster, Margaretha, die met Keizer Lodewijk gehuwd was, algemeen, als Gravin, gehuldigd."--
Hieruit blijkt dus, dat niet alleen Margaretha, maar ook, dat Willems Gemalin, zich over den dood des Graven, heeft gewroken.--
VROEGERE GESTELDHEID VAN HET EILAND MARKEN.
Het scheen ons, bij de Beschrijving van het Eiland Marken, in zijnen tegenwoordigen toestand, niet ongepast te zijn, onzen lezers, vooraf eenigzins bekend te maken, met den toestand waarin hetzelve zich, op het einde der voorgaande eeuw bevond. Tot dat einde, bieden wij hen de volgende Schets aan, die wij, door vriendschappelijke bezorging van een der geachtste ingezetenen dezer Gemeente, ontvingen, en die ten jare 1793 opgemaakt is door den Heer C. DE HAAS, destijds Onderwijzer op dit Eiland.--
"Het Eiland Marken ligt in deszelfs oppervlakte, omtrent gemeen met dagelijks vol-zee, en wordt bij Stormvloeden overstroomd, aangemerkt de geringe hoogte der omringkade, (hierna beschreven) waarom de Huijsen en Werven alle op Terpen of Heuvels zijn aangelegd; komende nochthans het zeewater, bij Extra Ordinaire Stormvloeden, zoo als die van 1775, 76 en 91, tot eene aanmerkelijke hoogte in de Huijsen, hetgeen de bewoners dikwerf noodzaakt, hunne woningen, ja geheele buurten te verlaten.--
"Voorts is dit Eiland doorsneden met Slooten en Vaarten, alsmede voorzien met 7 houten sluisjes ter uitwatering.--
"De zeewering dezes Eilands, bestaat uit een aarden dijk of kade, ter hoogte van ruim 4 à 5 voeten boven valzee, en Kruijnsbreedte van 3/7 op eene 2 en 3 voets vallinge.--Deze omringdijk is op vele plaatsen, aan deszelfs buitenzijde, met Steenglooijingen voorzien, als van tijd tot tijd meerder noodzakelijk wordende, uit hoofde der afslijtende rietlanden en buitenoevers.--Men vindt ook nog op eenige plaatsen, ten dien einde, paalwerken, doch dezelve worden, uit hoofde der worm en kostbaarheid nu verlaten.
"De kosten hiertoe worden uit 's Eilands kas en uit de daartoe geaccordeerde Subsidiën gevonden. (Exept de Vuurtoren, Loots en Oever, door het Collegie der Pilotage.)
"De producten der Landerijen, op dit Eiland, bestaat in Hooij-, Riet- en Weijlanden. De Hooijteelt is het voornaamste product, doch levert geene groote voordeelen op--men vindt hier eenig hoornvee, schapen, doch geen paarden.
"De Hanteeringe dezer Eilanders is voornamelijk:
"1e. Door middel van Waterschepen: 's Lands Schepen van Oorlog, die der O. I. Comp. en der Commercie, over het Pampus te sleepen of te trekken, ook de twee eerstgemelde van en na de stad Hoorn te boegseeren.
"2e. Met Botterschepen: wordt des Zomers om den Aal gevischt in de Zuiderzee, en 's Winters ter vragt of op negotie met de Bucking of Panharing, Ook dienen dezelve, om de Ondiepste Commercieschepen over 't Pampus te sleepen.
"3e. Gaat het grootste gedeelte der manschappen met de Buijsschepen ter haringvangst en des Winters en de Lente tot met prmo Meij, geneeren zich dezelve met de Bucking- en Panharingvisscherij, op de Zuiderzee, met hunne schuiten."--
(Aldus opgemaakt in September 1793 door C. DE HAAS.)
Bij deze "Beschrijvinge des Eilands" behoort tevens eene Lijst van de Buurten, Huijsen, Huijsgezinnen, Bewoners, enz. waarvan wij op bladz. 4 eene copij geven.--
LIJST DER BUURTEN, HUIJSEN, HUIJSGEZINNEN, BEWONERS, WATERSCHEPEN, ENZ.
Gemeene Buisliên. Stierliên van Buijsen. | Vissersschuijten. | | Botterschepen. | | | Waterschepen. | | | | Kinderen. | | | | | Ouders. | | | | | | Bewoners. | | | | | | | Huijsgezinnen. | | | | | | | | Huijsen. | | | | | | | | | Namen der | | | | | | | | | | Buurten of Werven. | | | | | | | | | |
1. Munnickewerv of 44 91 326 148 178 10 3 19 17 65 Kerbuurt 2. Nieuwe Buurten 16 35 129 58 71 1 5 12 9 30 3. Altena 1 2 6 3 3 -- -- -- -- 1 4. De Kets 6 9 27 12 15 -- 1 3 4 5 5. Witte Werv 3 9 30 17 13 -- 3 1 -- 2 6. Remmerswerv 6 13 57 21 36 1 3 -- 1 8 7. Groote Werv 6 16 59 29 30 3 2 3 3 9 8. Roose Werv 6 12 35 19 16 -- 1 3 2 8 9. De Heuvel 4 8 27 14 13 -- -- 2 2 11 10. Moeniswerv 12 21 61 38 29 3 -- 3 -- 14 11. Noorderwerv 2 -- -- -- -- -- -- -- -- --
Aldus te zamen op === === === === === == == == == === de 11 bovenstaande 106 216 753 353 404 18 18 46 38 153 Buurten of Terpen
AANMERKINGEN.
Op de Kerbuurt staan: Kerk, Pastorie, Raad- en Schoolhuijs en Vroedvrouwswoning.
Elke Botter word bevaren door 2 man en 1 jongen.
Elke Haringschuijt door 3 man.
Elk Waterschip door 2 man.
Elke Buijs door 11 man en 2 jongens.
(Aldus opgemaakt in September 1793 door C. DE HAAS.)
Nevens deze Schets van de Vroegere Gesteldheid van dit Eiland, voegen wij de volgende aanmerkingen:
Betrekkelijk den juisten tijd waarop Marken van het Vaste Land gescheiden is geworden, verkeert men in het onzekere, en de opgaven dienaangaande, loopen zeer uit één.--Wel zegt men, dat zulks op het einde der 13de eeuw moet plaats gehad hebben;--doch wij meenen dat die gebeurtenis, op een later tijdstip heeft plaats gehad, en wel, omstreeks de jaren 1675-1676, als wanneer ons Vaderland, en vooral het Noordelijk gedeelte van onzen geboortegrond, door hevige stormen en zware watervloeden, zeer geteisterd werd, terwijl in het eerstgenoemde jaar (1675) het zeewater tot zulk eene ontzettende hoogte steeg, dat geheel Amsterdam onder water stond, en de zeedijk bij Hoorn als ook de IJdijk doorbraken.
Vóór omstreeks eene eeuw, was de afstand tusschen de [1] Zuidelijkste punt van Marken en den vasten wal, slechts eenige voeten wijd, en liep men over een' plank van den eenen oever op den anderen. Na dien tijd, is de afkabbeling, aan de zijde van Marken, dermate toegenomen, dat de afstand, tusschen evengenoemde landpunten, thans eene uitgestrektheid heeft van minstens één half uur.
Volgens de "Lyst der Buurten, Huijsen, enz.", welke wij op bladz. 12 gegeven hebben, bestonden er ten jare 1793 nog elf bebouwde Terpen of Heuvels; n.l.:
De Kerkbuurt, Nieuwe Buurten, Altena, Kets, Witte Werf, Remmerswerf, Groote Werf, Rozenwerf, Heuvel, Moeniswerf en Noorderwerf. Behalve deze, kende men vóór dien tijd nog eenige andere Buurten, zoo als:
De Kraaijenwerf, De Kloosterwerf, \ De Tamenswerf, De Houtenmanswerf, | afgespoeld of verbrand. De Koevordenwerf, /
Van deze laatste is de naam nog over gebleven in de Kloostersloot.--Eveneens is dit het geval met de Kraaijenwerversloot.
Thans echter zijn van de elf bovengenoemde werven nog slechts de onderstaanden overig:
De Kerkbuurt, Nieuwe Buurten, Kets, Witte-, Groote-, Rozen- en Moeniswerf,--waarbij in den laatsten tijd nog gevoegd zijn, de Havenbuurt en de Vuurtoren.
De Heuvel verlaten en gesloopt.
De Remmerswerf afgebrand. 1810.
De Noorderwerf verlaten en gesloopt. 1825.
Altena verlaten. 1808.
Weleer was Marken eene bloeijende plaats, wier inwoners, voor het meerendeel, den landbouw uitoefenden, en op de veeteelt zich toelegden. Men vond er, zeer vruchtbare wei- en bouwlanden, die afgewisseld werden door fraai aangelegde Lusthoven en hoog opgaand geboomte. Langzamerhand evenwel, werden deze vruchtbare velden, door de zee ondermijnd en verzwolgen, en waren de volgende geslachten genoodzaakt, zich op de zeevaart toe te leggen.
De, in vorige eeuwen, steeds toenemende Groote- of Haringvisscherij, werkte daartoe zeer mede, zoodat er zelfs meer dan "negentig Marker-Visscherlieden als Stuurlieden op de Haringbuizen werden aangesteld."
Ook ten tijde, dat de Walvischvangst in haren eersten bloei verkeerde, voer een aanzienlijk deel der Markers op Groenland, en in een oud handschrift, vinden wij nog vermeld, dat "een zevental wakkere Varensgasten, als Commandeurs, op de Schepen die ter Walvischvangst voeren, gefungeerd hebben, oock vand men toen hier (te Marken) zeer behendighe en uijtsteekende harpoeniere."
De namen der bovengenoemde zeven wakkere varensgasten zijn:
ELBERT JANSE, voerende 't Schip d'Eendraght, MUUS CORNELISE, voerende 't Schip de Noordpool, OUTGER ELBERTS, voerende 't Schip Fortuna, KLAAS PIETERSE, voerende 't Schip Harlingen, PIETER PIETERSE, voerende 't Schip de Walvisch, JAN TIJMENSE, voerende 't Schip Noord-Holland, CORNELIS JACOBSE, voerende 't Schip de Hoop.
TEGENWOORDIGE GESTELDHEID VAN HET EILAND MARKEN [2].
Het Eiland Marken, weleer aan het Vaste Land verbonden, doch sedert overlangen tijd, daarvan afgescheurd, door de gedurige inbraken en overstroomingen van het oude meer Flevo, thans de Zuiderzee, en door gedurige afspoeling, telkens kleiner van omvang geworden, ligt op ongeveer een half uur afstands van den Waterlandschen zeedijk, tegen over de Gemeente Katwoude, en is, gerekend naar den tijd, dien men behoeft, om des winters, bij sterk ijs, naar het stadje Monnickendam te gaan, ongeveer één uur afstands van daar in de Zuiderzee gelegen.
Het beslaat thans eene oppervlakte van 295 bunders, strekt zich ter lengte van 883 roeden, van het Oosten ten Noorden, naar het Westen ten Zuiden uit, en wordt, door de dusgenaamde Goudzee, van den vasten wal gescheiden.
Marken heeft de gedaante van eenen scheefhoekigen driehoek, welks toppunt naar het Oosten is gekeerd,--en is thans omgeven met eenen, tamelijk zwaren, dijk, welks kruin, gemiddeld, ter hoogte van bijna 1.30 Ned. El, boven den waterspiegel verheven is, en die, voor het grootste gedeelte met zware steenglooijingen, en op sommige plaatsen, ook met stevig geheid paalwerk, tegen de kracht van de golfslagen der Zuiderzee voorzien is. Op die plaatsen echter, waar nog buitenoevers zijn, behoeft den dijk de bovengenoemde beveiligingsmiddelen niet, dewijl het buitenland de kracht der golven genoegzaam breekt.
Deze, betrekkelijk, geringe dijkshoogte (1.20 N. El), is dan ook de oorzaak, waardoor het Eiland, bij zeer hooge watergetijden, onderloopt.--Wij zeggen betrekkelijk geringe dijkshoogte:--Immers, alhoewel de dijk geene genoegzame hoogte heeft, om het zeewater bij hooge vloeden te kunnen keeren, zoo moet men niet te min erkennen, dat dezelve, in vergelijking met den vroegeren toestand der omringkade, thans merkelijk hooger is;--op sommige plaatsen toch, o. a. op de hoogte van Rozenwerf, is de kruinshoogte van den dijk, nabij de 2.00 Ned. Ellen, boven de oppervlakte der zee verheven, en van daar dan ook, dat men op Marken thans minder dan voorheen, den last van overstrooming te lijden heeft.
Welligt zegt deze of gene: "Waarom den dijk niet tot zulk eene hoogte gebragt, dat het Eiland, geheel van den last des waters bevrijd blijve?"--
Wij antwoorden daarop, dat deskundigen, op goede gronden, meenen te kunnen beweren, dat de bodem der zee, hier niet toelaat, den dijk, tot de daartoe noodige hoogte te verzwaren, als zijnde den grond, uit zijnen aard, daartoe te moerassig, waardoor gevolgelijk verzakking zoude ontstaan [3].
Ter uitwatering van het Eiland, is de dijk met een drietal sluisjes voorzien, de Buurter-, Meunder- en Kraaijenwerver-sluis geheeten, waarvan de eerste bij de haven gevonden wordt, terwijl de beide andere aan den Zuidoostelijken omringdijk zijn gelegen.--Vroeger telde men zeven zulke sluisjes; waarvan de Meuning-, Klooster-, Nieuwe- en Schippers-sluisjes thans niet meer bestaan.
Marken is over zijne gansche oppervlakte doorsneden met Vaarten en Slooten, die allen in verbinding staan met de hoofdvaart des Eilands, de Buurter-Wijde-Sloot genaamd. Voor het gerijf van den hooibouw, en ook voor veehouders, zijn deze vaarten en slooten van groot belang, ja bijna geheel onmisbaar, naardien al het hooi, naar de los- en ladingplaats aan de Haven vervoerd moet worden, met eene bijzondere soort van kleine vaartuigen, Marker-binnenschuitjes geheeten, wier model, enkel te Marken inheemsch is, en die, naar men zegt, alleen op de Scheepswerven van de Heeren Kater, te Monnickendam, naar eisch vervaardigd worden.
Ook voor de Veehouders zijn deze slooten, te meer noodig, naardien zij, aangezien het water binnen Marken daartoe te zout is, gehouden zijn, hun vee dagelijks van versch put- of welwater te voorzien. Schapen echter, kunnen zonder eenig nadeel, het slootwater drinken.
Het gansche Eiland wordt in deszelfs lengte, van het Oosten naar het Westen, doorsneden door een' gegraven vaart, het Kanaal genoemd, hetwelk een gedeelte is, van het eerst ontworpen Noord-Hollandsche Kanaal, welk ontwerp echter later, niet geheel ten uitvoer is gelegd. In dit water wordt thans door sommige Eilanders op aal en paling gevischt. Eindelijk is het Eiland omgeven met eene barmsloot, welke in de rigting van den omringdijk, het gansche Eiland omgeeft, en die de afwatering der landerijen zeer bevorderd.
De voortbrengselen van den vruchtbaren kleigrond dezes Eilands, zijn hooi, gras en riet. De niet watervrije ligging van den bodem, belet deszelfs bewoners, om zich ook op de teelt van andere veldgewassen toe te leggen.--Het land wordt nooit bemest, dewijl de overstrooming telkens eene genoegzame hoeveelheid vruchtbaarmakende slip op het veld achterlaat. Het hooi wordt, voor verreweg het grootste gedeelte uitgevoerd, naar Gelderland, Utrecht en Noord-Holland. Dit zelfde heeft ook met het riet plaats, dat voornamelijk op de buitenlanden, in eene groote hoeveelheid groeit, en van eene bij uitnemendheid goede hoedanigheid is; terwijl die gedeelten der landerijen, welke niet tot hooiland zijn bestemd, tot weiland voor het hoornvee gebruikt worden, hetwelk slechts ter voorziening in de dagelijksche behoefte van melk, gehouden wordt.
Tegenover dezen uitvoer, staat de invoer van alle levensbehoeften, als boter, kaas, groenten, manufacturen, aardappelen, meel, erwten, boonen, turf, hout, enz., hetwelk s' wekelijks, van Monnickendam, Hoorn en Amsterdam wordt aangebragt. En, ofschoon er op dit Eiland thans drie broodbakkers zijn, die zeer goed brood leveren, zoo wordt er nogthans, s' wekelijks, eene aanzienlijke hoeveelheid brood uit Harderwijk en Nijkerk ingevoerd.
Het Hoofdmiddel van bestaan op Marken is de Visscherij.
Het grootste gedeelte der Markers oefent dit bedrijf uit, met hunne botters op de Zuiderzee, waar zij hoofdzakelijk visschen, des winters op haring, en des zomers op ansjovisch; gedurende het overige gedeelte van den zomer, bepalen sommigen zich tot het botvisschen, doch daar de voordeelen der laatstgenoemde visscherij van weinig of geen belang zijn, leggen slechts weinigen er zich op toe.
Een ander aanzienlijk deel der Eilanders vischt gedurende den Winter, en in het voorjaar tot Mei, met hunne schuiten, op de Zuiderzee, terwijl zij zich des Zomers, met de Buisschepen naar de Noordzee begeven om deel te nemen aan de Groote- of Haringvisscherij.--Vroeger echter, was het getal der Buislieden, veel grooter dan tegenwoordig. Zoo telde men in 1793 op Marken acht en dertig Stuurlieden of Gezagvoerders van Buizen, terwijl men er thans nog slechts veertien heeft.--Daarentegen is het getal der Bottervisschers, sedert evengemeld jaar, zoo sterk vermenigvuldigd, dat het getal botters, thans, in stede van achttien, bijna negentig bedraagt.
Eindelijk bepalen zich sommige visscherlieden, gedurende den zomer, tot het vracht varen met hooi en turf, terwijl weder enkelen zich bezig houden, met het sleepen van Koopvaarders, over het Pampus, zijnde eene droogte in de Zuiderzee, die zich, van af Durgerdam ter lengte van 3/4 uur, O. t. N. in zee uitstrekt.
Overigens heeft men op Marken ééne zeilmakerij, ééne tanerij, twee timmerlieden, die tevens metselaars en hoepelmakers zijn, drie broodbakkerijen en acht kruidenierswinkels,--terwijl er zeven veehouders zijn. Sedert eenigen tijd, heeft men zich op eene meer uitgebreide schapenfokkerij toegelegd. [4]
Van de Buurten of Terpen, die thans op Marken aanwezig zijn, en wier getal thans 10 bedraagt, is de Kerkbuurt of Monnickenwerf, door de Markers bij verkorting Me-korf of Me-kurf, geheeten, de grootste en voornaamste. Zij onderscheidt zich van de overige buurten, door eene meer geregelde bebouwing en door betere bestrating. Vroeger was zij in het geheel niet bestraat, lagen er slechts hier en daar eenige planken, en was het, vooral gedurende den winter, bijna ondoenlijk, zonder laarzen, deze buurt door te gaan.