Het eerste ontwerp voor de bedijking der Zuiderzee, 1848

Part 6

Chapter 63,534 wordsPublic domain

Door dit partiëel indijken blijven de minst voordeel aanbiedende stukken liggen, en het onvermijdelijk gevolg daarvan zoude zijn, dat er na verloop van tijd een menigte van meren en meertjes in de Zuiderzee overbleven, middelerwijl de westelijke kust van Noord-Holland allengskens meer en meer verdween, zoo niet al vroeger de Noordzee groote verwoestingen daaraan hadde toegebragt, zoo als te Petten en te Ter Heyde voor Delfsland te duchten staat. De nazaat zoude, onze geschiedenis lezende, dan kunnen zeggen: betreurenswaardig zijn de schrikbarende verwoestingen, een smet kleeft op onze voorvaderen, welke die verwoestingen zouden hebben kunnen voorkomen, door de Zuiderzee geheel in te dijken.

Bij gedeeltelijke indijking denkt ieder aan zich zelven, maar dat is niet het geval hier. De onderneming zal voor het individueel nut van elke stad, elke haven en elke afwatering zorg dragen. Elk hunner verkrijgt die verbetering voor zich kosteloos, zonder noodig te hebben voor het onderhoud, dier kosteloos daargestelde verbeteringen, immer eene bijdrage te doen.

De daar te stellen ringvaarten blijven ten laste van de onderneming; zoo mede het onderhoud aan dezelve, en door deze ringvaarten wordt aan een ieder eene onbelemmerde af-, in- en uitwatering bezorgd, behalve dat elk plaatsje, hoe gering het ook zij, een verlevendigd vertier, door af- en aanvoer naar en van den nieuwen grond, verkrijgen zal; daargelaten nog de dadelijke voordeelen, welke voortspruiten uit de dagloonen, welke in hunne nabijheid, door al het graven en bouwen in hun midden, in aller handen moeten komen.

Men wendt tegen de uitvoerbaarheid aan, dat er gebrek aan geld is.

De geschiedenis geeft ons lessen, welke, vertrouwen wij, den lezer zullen overtuigen, dat hij, door het helpen tot stand brengen dezer onderneming, zich zelven zal bevoordeelen, en daar mede de algemeene welvaart, zal helpen bevorderen.

De Spanjaarden waren voor de verovering van Amerika arbeidzaam en bedrijvig, onder hen bloeiden kunsten en wetenschappen, en, daarmede vereenigd, tallooze fabrijken, hetwelk alles bijdroeg, om de natie groot en magtig te maken, zooals later de Nederlanden, en heden ten dage Engeland, Frankrijk en vele streken van Duitschland.

Toen hun echter het goud uit Amerika toevloeide, hetwelk de natie weelderig, trotsch en onbedrijvig maakte, en de anders dankbare grond onder die heerlijke luchtstreek onbebouwd bleef liggen, verviel het rijk, ondanks al het toegevloeide goud, tot armoede en het werd, tot zelfs voor de eerste dagelijksche behoeften, cijnsbaar aan deszelfs vijanden. De ondernemingsgeest sluimerde in; de dwingelandij, welke onwetendheid en bijgeloof aankweekt, droeg er het hare niet weinig toe bij, om de geestkracht te ontzenuwen, en het rijk van Spanje werd uit de rij der groote mogendheden geschrapt.

Even als Spanje hebben ook andere magtige rijken een tijdperk, van hetwelk hun val dagteekent.

Onze eigene geschiedenis teekent mede eene vlek aan, die wij niet willen ophalen, doch van af den tijd dier toen gepleegde ongeregtigheid dagteekent ook het tanen van onzen voorspoed en onzer magt, omdat er sedert eene scheidsmuur tusschen de regeering en het volk is opgetrokken, die tot ons verderf is blijven bestaan, en die, hopen wij, nu voor altijd omvergeworpen zal zijn.

De abt RAYNAL betoogde, voor bijkans eene eeuw, dat de Hollanders schatten inoogstten door hunne leeningen aan vreemde mogendheden. Hij heeft echter de verderfelijke gevolgen daarvan voor ons land, ondanks zijne schranderheid, niet voorzien. Deze leeningen mogten voordeelen opleveren, zoolang de mogendheden ter goeder trouw bleven handelen, en wij te vele kapitalen hadden, om die aan eigene industrie te besteden; maar thans leiden die vreemde fondsen ons ten verderve.

Die schatten, welke naar buiten 's lands gegaan en verloren zijn, waren voor den handel, voor de industrie, voor den landbouw, voor ontginningen en indijkingen behouden gebleven, en het geld, al ware er somwijlen ook eenige schade geleden, zoude in ons land van de eene bedrijvige hand in de andere zijn overgaan. Handel, industrie, landbouw en alles zouden eene hoogere vlugt hebben genomen, terwijl het daardoor ontstane vertier brood aan velen verschaft zoude hebben, dat wederom welvaart aanbragt.

Hoevelen telt men niet in Amsterdam, alleen van achtenswaardige huisgezinnen, tot eenen staat van behoefte en armoede vervallen, welke, aan handel en bedrijvigheid vaarwel gezegd hebbende, ook maar bij matig spel in de fondsen hun vermogen hebben verloren. Anderen dachten, bij het genot van renten, stil te leven en vertrokken naar Gelderland, bouwden, zonder kennis daarvan te bezitten, op een stukje gronds, met goud betaald, en welke grond geene vruchten aflegt, huizen, waar het landleven met stads weelde gepaard gaat,--de fondsen zijn verdwenen, de huizen, met hypotheek bezwaard, verstrekken den bezitters tot last!

Het fondsenspel en de leeningen verlamden den lust tot werkzaamheid, middelerwijl de vreemden zich met onze kapitalen verrijkten, ons de schrale interessen somwijlen niet eens betaalden, en in bedrijvigheid met onze kapitalen woekeren.

Welke schatten zijn er niet van ons naar Amerika gegaan, waar woest liggende gronden, zoo als wij er bij duizende bundertallen in alle Provinciën verwaarloosd hebben liggen, mede zijn ontgonnen,--en ten slotte wenden de Staten bankbreuk voor, terwijl de ingezetenen aldaar in voorspoed leven, en die zelfde Staten weigerachtig blijven, om hunne onderdanen ook maar eene matige belasting op te leggen, om ons onze gelden te rembourseren? Daarhenen vloeiden onze schatten, die ons nimmer terug betaald zullen worden, om kanalen en middelen van vervoer daar te stellen, terwijl wij zulke kanalen bleven ontberen.

Daarheen vloeit ons geld in bank-actiën, waarvan men de instelling hier te lande afkeurt; en nog zijn wij door schade niet wijzer, terwijl het ons aan geld blijft ontbreken, om, midden in ons rijk, kanalen te graven, om indijkingen te bewerkstelligen, verveeningen te doen, polders droog te maken, landerijen te verbeteren, veestapels aan te kweeken, hooi en bemesting te verkrijgen en heidegronden te ontginnen, welke evenveel waarde zouden hebben als de Amerikaansche, maar waarbij de ingezetenen niet onder zoo vele en zoo zware lasten gebukt gaan.

Er is geen geld, zegt een prolongant, terwijl hij eenige honderde in prolongatie genomen _Portugesche_ obligatiën natelt; waarborgen op de goede trouw van het _Portugesche_ gouvernement, waarvan wij onlangs nog een schoon blijk hebben gezien, door maar met eene pennestreek 20% van de geconditioneerde rente af te houden. Zijn die _Portugezen_ een betere waarborg, dan de uit de Zuiderzee te herrijzen grond, welke aan dagloonen enz., door den eigen landgenoot, den broeder en vriend verdiend, slechts f 300 tot f 350 per bunder zal kosten, en die f 1000 en welligt aanzienlijk meerdere waarde verkrijgen kan, terwijl de interest door de verpachtingen gewaarborgd wordt en blijft?

Leveren de effecten van _Spanje_, sedert jaren renteloos, met hunne, naar fijn berekende agiotage, nu eens brave Ministers op het papier hebbende dan eens weder verontrustende tijdingen, om op de ligtgeloovigheid en vreesachtigheid der Amsterdammers te speculeren,--leveren die _Spaansche_, of welke andere effecten ook, meerdere innerlijke waarde op, dan een ingedijkt bunder eigen land? Wilde het Gouvernement ons maar bevrijden van lastige en kostbare formaliteiten, zoo van registratie als hypotheken en die omtrent de onteigening, daar door 's Rijks administratief tijdroovend onderzoek en deszelfs bemoeijingen, dikwerf de beste plannen tot ontginningen en indijkingen aan banden worden gelegd. Wij zwijgen nog van de voorwaarden, om zich voor zee en water vooruit te laten betalen, wanneer somwijlen de kansen op welslagen nog door onvoorziene evenementen van storm en hooge vloeden twijfelachtig worden, de wezentlijke bedoelingen der wet (van den zesden Junij 1840) tot aanmoediging door haar werkeloos gemaakt wordt, en een Minister het zich bij de kamer en de natie, als een verdienste aanrekent, den lande eenige duizende guldens bevoordeeld te hebben. Bij deze wet wilde men het indijken aanmoedigen; er is in die wet hoegenaamd geene sprake van, om aan het Rijk vooraf het uit te malen water te betalen, dat haar jaarlijks schatten voor de beteugeling kost, terwijl bovendien door den aanleg van nieuwe dijken, het in stand houden der ouden, met de daaraan verbondene kosten, wordt overbodig gemaakt.

Z. M. Koning Willem I maakte eene wet, waarvan de bedoeling goed was, doch de gevolgen allerschadelijkst waren. Z. M. wilde vreemde geldleeningen weren, omdat hij inzag, dat het geld, in eigene ondernemingen gestoken, meer voordeel moest opleveren. Doch hij heeft door zijn bevelschrift het beleggen van gelden in vreemde fondsen niet geweerd, hij heeft slechts de groote voordeelen op die leeningen aan onze bankiers ontnomen, zoo als de provisiën op de negotiatiën en op de jaarlijksche rentebetalingen en den lande het voordeel van een matig zegelregt op elke obligatie,--dit alles ging door eene enkele pennestreek verloren,--en evenwel blijft de beurs overstroomd van vreemd papier.

Het bleek hieruit, dat de Regering, zoo als ook uit andere voorhanden zijnde daden blijkt, de behoefte van land en handel niet kende.

In stede van die verbodswet (een dood paard aan eenen boom gebonden!), had zij trapsgewijze, door meerdere handelsvrijheid, de ondernemingen moeten aanwakkeren.

Zoo smeedde de Minister VAN TETS eene wet, die den standaard van onze munt besnoeide; een fictieve bezuinigings-maatregel, waardoor de natie jaarlijks millioenen derft.

De _Rus_ c. s. ontving van ons oude wigtige guldens voor zijne aangegane leeningen; maar zendt ons nu, door die ministeriële maatregel, daarvoor minder zilver, om guldens van mindere waarde te maken, om daarmede kapitaal af te lossen en rente te betalen.

Handelt het Russische, Oostenrijksche of Napolitaansche gouvernement loijaler, terwijl het de eene leening door de andere aflost, dan eigene ingezetenen, die geld zoeken, om een ontwerp ten uitvoer te brengen, dat algemeen nuttig en wenschelijk geacht wordt?

En thans, welke schromelijke gevolgen hebben wij niet te betreuren, die uit nuttige hervormingen in de staatsbesturen ontstaan.--Elke Staat is met grooter schuldenlast bezwaard, dan dat de ingezetenen er de interessen van zouden kunnen opbrengen.--Allerwege zal men zich wapenen, en allerwege ontbreekt het aan geld--geen wonder, dat de fondsen eene geweldige daling ondergaan, en er jaren zullen verloopen eer de geledene verliezen in de kapitalen, zich eeniger mate zullen kunnen herstellen--inmiddels zijn er vele tot den bedelstaf gebragt--die dobbelden om groote fortuinen; welke, waren zij aan nuttige bedrijvigheid gewoon geweest, hun vermogen niet aan onvoorziene evenementen prijs zouden gegeven hebben.

Met ons geld, dat door kansen op loterij-winsten tot rembours ons uit de handen gespeeld wordt, legt men in vreemde landen spoorwegen aan. Bij ons laat men voordeelige ondernemingen, zoo als gasverlichting enz. door vreemde exploiteren en dan de actiën voor schralen interest beleenen. Waarom heeft het wantrouwen in onze eigene ondernemingen de plaats van het vertrouwen ingenomen? Waar is die ondernemingsgeest, waarvan Amsterdam nog, in zijne paleizen, prachtige gebouwen en in zijne thans ongebruikt staande pakhuizen, voorraadschuren enz., als zoo vele Monumenten van deszelfs vroegere grootheid, de herinnering opwekt?

De geschiedenis heeft opgeteekend, dat CORNELIS HOUTMAN, Hollandsch koopman, in Lissabon om schulden gegijzeld werd. Hij schreef toen naar Amsterdam aan kooplieden: "Ik heb de sleutel naar de Oost-Indiën; zendt geld, om mij huiswaarts te doen keeren." Heden ten dage zoude men op de ontvangst van zoodanig schrijven zeggen: is de kerel gek? Geld zenden, om hem uit het hok te halen, en nog als een plannenmaker daarenboven? Zoo dacht men vroeger niet.--Zijn wensch werd vervuld, en korten tijd daarna stevende HOUTMAN naar de Oost-Indiën, en baande den weg voor stoute en voorspoedige ondernemingen, welke ons gedurende eenige eeuwen verrijkten; er verliepen geene maanden, geene jaren, om te beraadslagen, en de eene zwarigheid voor en de andere na te opperen, waardoor de ontvlamde geest eindelijk wordt uitgedoofd;--goed ingezien en kort beraad! was de tijdleus van die dagen. Wij willen het ons evenwel niet ontveinzen; er bestaan hier en daar soms redenen voor wantrouwen en omzigtigheid. Zoowel hier als elders, heeft men nuttige ondernemingen voorgedragen, en het vertrouwen misbruikt, zich als directeuren en commissarissen opgeworpen, den buit onderling deelende, voordat nog de voordeelen aanwezig waren. Het nadeel, daardoor veroorzaakt, behalve het steeds klimmende wantrouwen, is, dat nuttige en groote ondernemingen onuitgevoerd blijven, en de oude ondernemingsgeest verflauwt en ontaardt.

Stelt men iets goeds voor, het is aanleiding tot een gesprek op de beurs, waar men toch maar uit gewoonte moet verschijnen; het is eene schoone gelegenheid, om een' ander in het koffijhuis, door het vertellen van het nieuws van den dag, eene partij domino te doen verliezen. Deze haalt er de schouders voor op; gene lacht er een ander om uit. Men houdt zich bij Russen!

Alles blijft bij het oude; doch de bewoner van een huis klage niet over ongemak van het oude huis, zoo hij niet de noodige herstellingen wil doen, om de oude gebreken op te ruimen.

Het blijft evenwel in alles niet bij het oude. In den tijd onzer voorvaderen, toen onze bloei en welvaart aanwakkerden, waren onze voorouders mannen, welke geringe bezwaren over het hoofd zagen, met moed en inspanning van krachten te werk gingen, en datgene verwezentlijkten, hetwelk wij nu nog bewonderen.

Wakkeren wij nu dien ingesluimerden geest weder op, dan zullen wij ook zaken kunnen volbrengen, welke de vreemdeling zal bewonderen, en die hem zullen beletten, met dien toon van minachting over ons te spreken, zoo als hij zich heden ten dage veroorlooft.

Zoo als in het dagelijksche leven met den mensch, gaat het ook met eenen Staat. Al ligt slaat een huisvader, die in verachterde omstandigheden verkeert, tot mismoedigheid over; het is of de lust tot werken bij hem verlamt. Dezelfde geest grijpt ook eenen achteruitgaanden en zinkenden Staat aan, en zulks vooral, wanneer de regeering, bij dien stand van zaken, de staatslasten niet alleen niet vermindert, maar vermeerdert en van stationair spreekt, hetwelk achteruitgang is; ja, van welvaart rept, wanneer de barometer (de accijnsen) steeds dalende blijft. Straalt er eenige hoop op herstel door, wie ziet dan niet de activiteit van den huisvader verdubbelen; ook zoo zal het met de gezamentlijke inwoners van den Staat gaan, en eene regering, die de impulsie daartoe niet gegeven heeft, volgt van zelven.

Menig jong mensch gaat van zijne renten leven, die op de school goed geleerd heeft, en in het ouderlijke huis, waarin vroeger gewerkt werd, maar thans de lessenaars verlaten staan, weelderig opgevoed is. Waaraan zal hij zich toewijden, terwijl hij in die jaren, waarin men den handel, even zoowel als een ambacht, leeren moet, niets daaraan gedaan heeft? Wantrouwend gemaakt, onttrekt hij ook het geld aan den eerlijken en ijverigen bediende, die ondervinding genoeg bezit, om door zijn beleid geld met geld te verdienen. Doch neen: hij wil rentenieren; hij houdt zijn kapitaal bijeen, maar blijft voortleven in dien rang en staat, waarin hij opgevoed is; hij huwt, en krijgt een groot huisgezin met kinderen. Doch nu veranderen de zaken! Hij wordt het ongeluk dier kinderen, daar ook zij dezelfde zorgvuldige en weelderige opvoeding ontvangen, dezelfde behoeften hebben leeren kennen, en nu zich niet kunnen verminderen. Het ouderlijk vermogen wordt verdeeld, en het ongeluk is daar! Zijn er dan familie-betrekkingen, zoo is er nog hoop op eenen post; doch--reeds is het getal van postenbejagers legio!

Gene onttrekt zich, uit gebrek aan kennis van handel, van schei- en werktuigkunde, aan het maatschappelijk leven, en koopt duur, zonder vooruitzigt op winst bij den verkoop, grond en boerderij, waarop de boer, zelf ploegende en zwoegende, zijn bestaan heeft, levende als boer, met de kennis van eenen boer toegerust--en dáárop zal een heer, met de mindere verdiensten van eenen boer, die zelf zonder huurlingen werkt, als heer leven! Men studeert, men leert en bevlijtigt zich, het voorbeeld van andere natiën te volgen, en men vindt een' wederstrevenden landbouwer, die niets goedkeurt, hetwelk zijne voorouders niet deden, en zoo komt men niet verder. Men beroept zich op landhuishoudkundige boeken, maar het is theorie zonder praktijk; terwijl de nuttige wenken, in die boeken vervat, door deskundigen moeten worden toegepast en opgevolgd. Men kiest kiezelmerg, kalk en guano, waar men den grond en de melleringen niet kent, en deze meststoffen, duur aangekocht, blijven zonder uitwerking. Alvorens door ondervinding van jaren ingelicht te zijn, heeft men reeds een afkeer van de zaken gekregen, en aanmerkelijk ingeboerd en ingeteerd. (Ontginningen in het groot aangelegd, keuren wij daarom evenwel niet af.)

Ziedaar nu den gang van zaken met onzen vroegeren Amsterdamschen handelaar; terwijl, goed ingezien, voor hem alles moest medewerken, om zich weder uit den verachterden stand van zaken op te heffen, daar die anders in meer verval moeten geraken, zoo als de omstandigheden reeds aanduiden. Want de stad Amsterdam ligt van de zee afgescheiden, en het is genoegzaam alleen de Oost en eigene behoeften, die aan hare bevolking, daardoor veel te groot, onderhoud verschaft. Laat Amsterdam het beseffen, of eigen behoud haar niet dwingt, om het zeekanaal daar te stellen, al lagen er in het IJ geene gronden, waardoor de kosten van dat kanaal goedgemaakt zullen worden?

Rotterdam en Dordrecht bloeijen door transito, en uitvoer naar elders, van inlandsche producten. Wat in de rigting van Amsterdam moest vloeijen, vloeit daarheen, om hare gemakkelijke water-gemeenschap met Engeland. Wat Noord-Holland naar Amsterdam voeren moest, gaat naar het Nieuwe Diep. Wat Deventer, Kampen en Zwol haar anders uit Overijssel en Gelderland toevoerden, wordt nu door eigene reederijen, wel nog gebrekkig, maar steeds verbeterend, vervoerd. Niet dat wij der kleine havens en steden den buitenlandschen handel willen onttrekken; maar datgene wat, het kanaal daar zijnde, aan Amsterdam zoude toevloeijen, wordt Amsterdam nu onttrokken.

Het zijn ook de belangrijke steden, dorpen en vlekken, die te Amsterdam moeten markten; waar Amsterdam het vertier voor openen moet; welk vertier ontstaan zal uit directe gemeenschap, door het kanaal, over zee met andere volken.

Geld moet er gevonden worden!--en gelukkig voor de welvaart van de stad, dat het gevonden kan worden, terwijl de bodem van het IJ den grond voor de hypotheek aanbiedt. Men mag de stad vergelijken bij een huis; het huis wordt door gebrek aan herstellingen al meer en meer onbewoonbaar; de eigenaar, van deszelfs inkomen levende, moet, wil hij daarvoor huurders vinden, laten repareren;--en wien is het nader, het geld te schieten, dan hun, die er het meeste belang bij hebben?

Als men eens alles overziet, wat door die reparatie gewonnen kan worden: het herstel van gemeenschap met de Noordzee, en dit nog wel langs eenen verkorten en veiligen weg, zal men zich dan nog verwonderen over de woorden, welke een onzer geachtste gezagvoerders van eenen Oost-Indiënvaarder, in verrukking, bij het vernemen van dit ontwerp, uitriep: "Ik wenschte, dat ik het reeds zag!" Door betere gemeenschap met de zee, zou Amsterdam levendige stoomvaart, handel met uitvoer-artikelen, in menigte verkrijgen; als haven eene voordeeligere ligging, dan de andere, die haar in dit opzigt thans allen vooruit zijn: men zoude bij het nu vrijgeviger handelsstelsel hare haven verkiezen boven de Schelde met hare banken, boven Hamburg, wier gemeenschap met de zee moeijelijker, gevaarlijker en langzamer is. Amsterdam verkreeg eene breede, ruime en onaantastbare haven, waarin eene oorlogsvloot veilig zou kunnen liggen, waarin voor aanbouw en herstel dier vloot de beste gelegenheid zou gevonden worden, waar nu ongebruikte tuighuizen en werven der marine weder ter dienste zouden zijn, en van waar, in tijd van oorlog, langs ringvaarten, naar vijf verschillende havens, tegen thans één, oorlogschepen en booten verzonden zouden kunnen worden.

Welke hoogere waarde verkregen hare huizen en pakhuizen niet? En was eene belegging in actiën, op de droogmaking van de Zuiderzee, alsdan niet voor elk, die iets te beleggen heeft, de voordeeligste geldbelegging? Is het niet eene geoorloofde, eene winst aanbiedende speculatie van een' eigenaar van een huis, om de waarde van zijn huis te verhoogen, daarop hypotheek te nemen, en zoo, door de dus verkregene gelden bij te dragen, om aandeelen in de droogmaking van de Zuiderzee te nemen, er toe bij, tot meerdere waarde van zijn eigen goed?

Verschillende plannen zijn er gevormd, het eene min het andere meer kostbaar en onuitvoerbaar, om de stad van versch drinkwater te voorzien, welke plannen overbodig zouden worden, daar al de stads grachten alsdan drinkbaar water zouden opleveren, dat thans met schuiten van de Vecht moet aangebragt worden. De gelden, welke men ter verwezentlijking van de plannen tot het aanleggen van waterleidingen wilde bezigen, waren nuttiger aan de droogmaking der Zuiderzee besteed.

Beschouwen zoovele ingezetenen der stad het nuttig, om deze zaak tot stand te brengen, en alzoo hunne belangen te bevorderen, en dragen zij daartoe door ruime inschrijvingen bij,--zoude dan eene stedelijke regeering werkeloos mogen blijven, of zoude zij niet, door het crediet, hetwelk zij bezit, tot eene leening bij moeten dragen, om aandeelen te nemen, tot herkrijging en bevordering van de grootheid en het aanzien, dat der stad jaren lang ontbreekt, en dat, in dezen stand van zaken, jaarlijks verminderen moet?

Het heeft der stad Amsterdam nimmer aan crediet ontbroken, en het zal haar, om negotiatiën te doen, daaraan nooit ontbreken, zoo lang zij hare verbindtenissen naleeft.

Het is ook niet Amsterdam alléén, dat zoo aanzienlijk zal bevoordeeld worden. Vestigen wij ons oog, voor eene poos, op de omstreken der stad; hoevele steden, vlekken en dorpen vinden wij daar niet, die allen in even kwijnenden toestand zijn, zoo in handel als in akkerbouw; die allen het grootste belang hebben bij het tot stand brengen onzer ontwerpen, en waar (dank zij den hemel!), even als in Amsterdam, nog aanzienlijke schatten zijn, welke met vrucht ter bevordering van eigene welvaart kunnen worden aangewend; waar ook de vraag gedaan wordt: "hoe besteed ik mijn geld het voordeeligste? en welke middelen zijn toch de beste, om ook voor mijne kinderen een toekomstig bestaan te vinden?" Die middelen liggen ook voor u in de droogmaking der Zuiderzee, en ook gij kunt de uitvoerbaarheid mogelijk maken door uwe bijdragen.