Het Duitsche Witboek: Documenten aangaande het uitbreken van den oorlog
Part 2
„Naar aanleiding van je beroep op mijn vriendschap en je verzoek om mijn hulp, ben ik eene bemiddelingsactie begonnen tusschen jouw regeering en de Oostenrijksch-Hongaarsche. Terwijl deze actie in gang was, zijn je troepen tegen het met mij verbonden Oostenrijk-Hongarije gemobiliseerd, waardoor, zooals ik je reeds heb medegedeeld, mijne bemiddeling vrijwel nutteloos geworden is. Desniettemin heb ik die voortgezet. Nu krijg ik betrouwbare berichten over ernstige oorlogstoebereidselen ook aan mijn oostelijke grens. De verantwoordelijkheid voor de veiligheid van mijn rijk dwingt mij tot verdedigende tegenmaatregelen. Ik ben met mijne pogingen om den wereldvrede te redden, gegaan tot aan de uiterste grenzen van het mogelijke. Niet ik draag de verantwoordelijkheid voor het ongeluk, dat nu de geheele beschaafde wereld bedreigt. Nog op dit oogenblik ligt het in jouw hand, het af te wenden. Niemand bedreigt de eer of de macht van Rusland, dat wel den uitslag van mijne bemiddeling had kunnen afwachten. De vriendschap voor jou en voor je rijk, die mijn grootvader op zijn sterfbed op mij heeft overgedragen, is mij altijd heilig geweest, en ik heb trouw aan de zijde van Rusland gestaan, als het in groote moeilijkheden verkeerde: vooral in zijn laatsten oorlog. Gij kunt den vrede van Europa op dit oogenblik nog redden, als Rusland besluit zijn militaire maatregelen te staken, die eene bedreiging zijn voor Duitschland en Oostenrijk-Hongarije”.
Nog eer dit telegram zijne bestemming bereikte, was reeds de op den morgen van denzelfden dag bevolen, blijkbaar tegen ons gerichte mobilisatie van alle Russische strijdkrachten in vollen gang. Het telegram van den Tsaar echter was om 2 uur 's middags ingeleverd.
[Kantlijn: Bijlage 24.]
Na het bekend worden van de algemeene mobilisatie van Rusland te Berlijn, kreeg des namiddags van den 31en Juli de keizerlijke ambassadeur te St. Petersburg bevel, de Russische regeering ervan in kennis te stellen, dat Duitschland als tegenmaatregel tegen de algemeene mobilisatie van het Russische leger en de Russische vloot den staat van oorlog had afgekondigd, waarop de mobilisatie moest volgen, wanneer Rusland niet binnen 12 uur zijn militaire maatregelen tegen Oostenrijk-Hongarije staakte en Duitschland daarvan in kennis stelde.
[Kantlijn: Bijlage 25.]
Tegelijkertijd kreeg de keizerlijke ambassadeur te Parijs de opdracht, binnen 18 uur van de Fransche regeering eene verklaring te verlangen, of zij in een Duitsch-Russische oorlog al dan niet onzijdig zou blijven.
De Russische regeering heeft door haar mobilisatie, die de veiligheid van het rijk in gevaar bracht, het moeizame bemiddelingswerk van de Europeesche staatskanselarijen, kort voor het welslagen, te niet gedaan. De mobilisatiemaatregelen, over den ernst waarvan men de Russische regeering van den beginne af niet in twijfel gelaten had, en het voortdurend loochenen van deze maatregelen, toonen duidelijk aan, dat Rusland den oorlog wilde.
De Keizerlijke ambassadeur te St. Petersburg heeft de hem opgedragen mededeeling, den 31en Juli 's nachts om 12 uur aan den heer SASANOW gedaan. Een antwoord van de Russische regeering hierop heeft ons nooit bereikt. Twee uur na afloop van den in deze mededeeling gestelden termijn, heeft de Tsaar aan Z. M. den Keizer getelegrafeerd:
„Ik heb je telegram ontvangen. Ik begrijp dat gij gedwongen zijt te mobiliseeren, maar ik zou gaarne van jou dezelfde waarborg hebben, die ik je gegeven heb, nl. dat deze maatregelen niet oorlog beteekenen, en dat we zullen voortgaan met onderhandelen, tot heil van onze beide landen en van den algemeenen vrede, die ons zoozeer ter harte gaat. Onze langbeproefde vriendschap moet het met Gods hulp gelukken, bloedvergieten te voorkomen. Dringend verwacht ik vol vertrouwen je antwoord”.
Hierop antwoordde Z. M. de Keizer:
„Ik dank je voor je telegram. Ik heb je regeering gisteren den weg aangewezen, waarop de oorlog nog te vermijden is. Ofschoon ik om een antwoord tegen hedenmiddag had verzocht, heeft mij tot nog toe geen telegram van mijn ambassadeur met een antwoord van je regeering bereikt. Ik ben daardoor gedwongen, mijn leger te mobiliseeren. Een onmiddellijk, duidelijk antwoord van je regeering, dat geen aanleiding kan geven tot misverstand, is het eenige middel, om onafzienbare ellende te voorkomen. Voor dat ik dit antwoord gekregen heb, ben ik tot mijn leedwezen niet in staat, nader op den inhoud van je telegram in te gaan. Ik moet zoo ernstig mogelijk van je verlangen, dat gij onmiddellijk je troepen bevel geeft, onder geen omstandigheden ook maar de geringste schending van onze grenzen te begaan”.
[Kantlijn: Bijlage 26.]
Daar de termijn, dien wij aan Rusland hadden gesteld, verstreken was zonder dat wij een antwoord hadden gekregen op onze vraag, beval Z. M. de Keizer en Koning den 1en Augustus 's middags om 5 uur de mobilisatie van het geheele Duitsche leger en van de keizerlijke marine. De Keizerlijke ambassadeur te St. Petersburg had intusschen opdracht gekregen, als de Russische regeering binnen den gestelden termijn geen bevredigend antwoord zou geven, haar te verklaren, dat wij ons na het afwijzen van onzen eisch beschouwden in oorlogstoestand te verkeeren. Alvorens ons echter nog een bericht over het uitvoeren van deze opdracht bereikte, overschreden Russische troepen onze grenzen, en wel op den namiddag van den 1en Augustus, den zelfden namiddag dus, waarop het zooeven vermelde telegram van den Tsaar was afgezonden. Zij rukten voorwaarts op Duitsch gebied.
Hiermede had Rusland den oorlog tegen ons begonnen.
Intusschen had de Keizerlijke ambassadeur te Parijs den 31en Juli om 7 uur 's avonds de vraag, die hem opgedragen was, aan het Fransche kabinet gesteld.
[Kantlijn: Bijlage 27.]
De Fransche minister-president heeft daarop den 1en Augustus om 1 uur 's middags een dubbelzinnig en onbevredigend antwoord gegeven, dat geen duidelijke voorstelling geeft van de houding, die Frankrijk van plan was aan te nemen, daar het er zich toe bepaalt te verklaren, dat Frankrijk zou doen wat zijn belangen het geboden. Eenige uren later, om 5 uur namiddags, werd last gegeven tot de mobilisatie van het geheele Fransche leger en de geheele Fransche vloot.
Den morgen van den volgenden dag opende Frankrijk de vijandelijkheden.
Afgesloten den 2en Augustus des namiddags.
Bijlage 1.
#Norddeutsche Allgemeine Zeitung, 25 Juli 1914.#
_De Nota van Oostenrijk-Hongarije aan Servië._
Berlijn, den 24 Juli.
De Oostenrijksch-Hongaarsche gezant te Belgrado heeft gisteren avond om 6 uur aan de Servische regeering een _verbaalnota_ overgereikt met de _eischen der Oostenrijksch-Hongaarsche regeering_. In de nota wordt het _antwoord tot Zaterdag den 25 Juli, 6 uur 's avonds_ verlangd. De woordelijke inhoud luidt als volgt:
Den 31en Maart 1909 heeft de Koninklijk Servische gezant bij het Weensche hof in opdracht zijner regeering de volgende verklaring afgelegd: Servië erkent, dat het door den in Bosnië ontstanen toestand niet in zijne rechten wordt gekrenkt en dat het zich in verband daarmede zal aanpassen aan de besluiten, welke de mogendheden met betrekking tot artikel 25 van het verdrag van Berlijn, zullen nemen. Terwijl Servië de raadgevingen der Groote Mogendheden opvolgt, verbindt het zich de houding van protest en weerstand, die het met betrekking tot de annexatie sedert gepasseerden October heeft ingenomen, te laten varen, en verbindt het zich verder, de richting zijner tegenwoordige politiek tegenover Oostenrijk-Hongarije te veranderen en voor den vervolge met dit laatste land betrekkingen van vriendschappelijke nabuurschap te zullen onderhouden.
De geschiedenis van de laatste jaren en in het bijzonder de smartelijke gebeurtenissen van den 28en Juni hebben het bestaan van een subversieve beweging in Servië bewezen, die tot bedoeling heeft bepaalde deelen van het grondgebied der Oostenrijksch-Hongaarsche monarchie van die monarchie af te scheiden. Deze beweging, die onder de oogen der Servische regeering ontstond, heeft zich buiten het gebied des koninkrijks door daden van terrorisme, door een rij van aanslagen en door moorden, kenbaar gemaakt.
Wel verre van de in de verklaring van 31 Maart 1909 vervatte formeele verplichtingen na te komen, heeft de Koninklijk Servische regeering niets gedaan om deze beweging te onderdrukken. Zij duldde het misdadige drijven der verschillende tegen de Monarchie gerichte vereenigingen, de teugellooze taal der pers, de verheerlijking van de hoofdschuldigen aan de aanslagen, de deelneming van officieren en ambtenaren aan subversieve woelingen, zij duldde eene ongezonde propaganda bij het openbaar onderwijs en duldde ten slotte alle manifestaties, die er de Servische bevolking toe konden brengen de Monarchie te haten en hare instellingen te verachten.
Nog tot op het oogenblik, waarop de gebeurtenissen van 28 Juni de geheele wereld, de vreeselijke gevolgen van een dergelijk dulden hebben getoond, is de Servische regeering deze beweging blijven dulden.
Uit de verklaringen en bekentenissen van de misdadige hoofdschuldigen aan het attentaat van 28 Juni, blijkt, dat de moord van Serajewo in Belgrado werd voorbereid, dat de moordenaars de wapens en bommen, waarvan zij voorzien waren, ontvingen van Servische officieren en ambtenaren, die lid waren van de Narodna Odbrana, en dat ten slotte de overbrenging van de misdadigers en van hun wapens naar Servië geschiedde door middel van leidende Servische grensorganen.
De genoemde resultaten van het onderzoek maken het voor de K. en K. regeering niet mogelijk, nog langer in de houding van afwachtende lankmoedigheid te volharden, die zij gedurende vele jaren had ingenomen, tegenover die woelingen, welke hun middelpunt hebben in Belgrado en van daaruit op het gebied der Monarchie worden overgebracht. Deze resultaten maken het der K. en K. regeering veel meer tot plicht, aan woelingen, die eene voortdurende bedreiging vormen voor de rust der Monarchie, een einde te maken.
Teneinde dit doel te bereiken, ziet de K. en K. regeering zich gedwongen van de Servische regeering eene _officieele verzekering te eischen, dat zij de tegen Oostenrijk-Hongarije gerichte propaganda veroordeelt_, d. w. z. de totaliteit van de machinaties, welker einddoel is, van de Monarchie, gebieden los te maken, die haar toebehooren en dat zij _zich verplicht, deze misdadige en terroristische propaganda met alle middelen te onderdrukken_.
Teneinde aan deze verplichtingen een plechtig karakter te geven, zal de Koninklijk Servische regeering op de eerste pagina van haar officieel orgaan van 26/13 Juli de volgende verklaring openbaar maken:
„De Koninklijk Servische regeering veroordeelt de tegen Oostenrijk-Hongarije gerichte propaganda, d. w. z. de totaliteit van die machinaties, welker einddoel is het van de Oostenrijksch-Hongaarsche monarchie losmaken van deelen van het grondgebied, dat die Monarchie toebehoort en zij betreurt oprecht de vreeselijke gevolgen van deze misdadige handelingen.
De Koninklijk Servische regeering betreurt, dat Servische officieren en ambtenaren aan de bovengenoemde propaganda hebben deelgenomen en daardoor de betrekkingen van vriendschappelijke nabuurschap in gevaar hebben gebracht, welke de Koninklijke regeering zich door hare verklaring van 31 Maart 1909 zoo plechtig mogelijk verbonden had, te zullen onderhouden.
De Koninklijke regeering, die iedere gedachte aan en iedere poging tot inmenging in het lot der bewoners van welk deel der Oostenrijksch-Hongaarsche monarchie ook, afkeurt en van zich wijst, beschouwt het als hare plicht, er de officieren en ambtenaren en de geheele bevolking van het Koninkrijk zeer nadrukkelijk op te wijzen, dat zij voor den vervolge met de uiterste gestrengheid zal optreden tegen die personen, welke zich aan dusdanige handelingen zouden schuldig maken en dat zij zich alle moeite zal geven, dusdanige handelingen te voorkomen en te onderdrukken.
Deze verklaring zal tegelijkertijd door eene dagorder van Zijne Majesteit den Koning ter kennis worden gebracht van het Koninklijk leger en in het officiëele orgaan van het leger worden openbaar gemaakt.
De Koninklijk Servische regeering verplicht zich bovendien:
1. iedere publicatie te onderdrukken, die tot haat tegen en verachting voor de Monarchie aanzet en waarvan de algemeene strekking gericht is tegen de territoriale integriteit van den laatsten staat;
2. onmiddellijk over te gaan tot de ontbinding van de vereeniging „Narodna Odbrana”, op alle propagandamiddelen van die vereeniging beslag te leggen en op dezelfde wijze op te treden tegen de andere vereenigingen, die zich bezighouden met de propaganda tegen Oostenrijk-Hongarije. De Koninklijke regeering zal de noodige maatregelen treffen, opdat de ontbonden vereenigingen niet onder een anderen naam of onder een anderen vorm, blijven voortbestaan;
3. zonder verwijl uit het openbaar onderwijs in Servië, zoowel wat betreft het onderwijzend personeel alsook wat betreft de leermiddelen, alles te verwijderen, wat gebruikt wordt of zou kunnen gebruikt worden, om de propaganda tegen Oostenrijk-Hongarije voedsel te verschaffen;
4. uit het leger en uit de regeeringscolleges en het civiele bestuur alle officieren en ambtenaren te verwijderen, die zich aan propaganda tegen Oostenrijk-Hongarije hebben schuldig gemaakt en waarvan de K. en K. regeering zich voorbehoudt de namen bekend te maken, onder mededeeling van het tegen hen getuigende materiaal, dat in haar bezit is;
5. goed te vinden, dat bij de onderdrukking der tegen de integriteit der monarchie gerichte subversieve beweging, in Servië ambtenaren der K. en K. regeering medewerken;
6. een gerechterlijk onderzoek in te leiden tegen die deelnemers aan het complot van 28 Juni, die zich op Servisch grondgebied bevinden.
Door de K. en K. regeering daartoe gedelegeerde ambtenaren zullen aan het betreffend gerechterlijk onderzoek deelnemen;
7. met de grootste snelheid over te gaan tot de arrestatie van den majoor VOJA TANKOSIC en van een zekeren MILAN CIGANOVIC, beiden Servische staatsambtenaren, die door de resultaten van het gerechterlijk onderzoek gecompromitteerd zijn;
8. door krachtdadige maatregelen te verhinderen, dat Servische autoriteiten deelnemen aan het smokkelen van wapens en explosiemiddelen over de grens;
Die ambtenaren bij den grensdienst van Schabatz en Loznica, die de hoofdschuldigen aan de misdaad van Serajewo behulpzaam waren bij het overschrijden der grens, uit den dienst te ontslaan en streng te straffen;
9. de K. en K. regeering opheldering te geven over de niet te rechtvaardigen uitlatingen van hooge Servische ambtenaren in Servië en in het buitenland, die zonder rekening te houden met hunne hooge positie, niet geaarzeld hebben, zich na den aanslag van 28 Juni in interviews op vijandelijke wijze over Oostenrijk-Hongarije uit te laten;
10. de K. en K. regeering zonder verwijl van de uitvoering der in de vorige punten samengevatte maatregelen op de hoogte te brengen.
De K. en K. regeering verwacht het antwoord der Koninklijke regeering op zijn laatst op Zaterdag den 25en dezer maand te 6 ure des namiddags.
Eene memorie betreffende de resultaten van het gerechterlijk onderzoek van Serajewo, voor zoover zij betrekking hebben op de sub 7 en 8 genoemde ambtenaren, is aan deze nota toegevoegd.
Bijlage. Het bij de rechtbank te Serajewo tegen GABRILO PRINCIP c. s. aanhangig gemaakte gerechterlijk onderzoek wegens den op den 28en Juni van dit jaar beganen sluipmoord, dan wel wegens medeplichtigheid aan dien sluipmoord, heeft tot dusverre de volgende resultaten opgeleverd:
1. Het plan, den aartshertog FRANZ FERDINAND gedurende zijn verblijf in Serajewo te vermoorden, werd in Belgrado door GABRILO PRINCIP, NEDELJKO GABRINOVIC, een zekeren MILAN CIGANOVIC en TRIFHO GRABEZ met medewerking van den majoor VOJA TANKOSIC opgemaakt.
2. De zes bommen en de vier browningpistolen, waarvan zich de misdadigers als werktuigen bedienden, werden PRINCIP, GABRINOVIC en GRABEZ in Belgrado door een zekeren MILAN CIGANOVIC en den majoor VOJA TANKOSIC verschaft en ter hand gesteld.
3. De bommen zijn handgranaten, die afkomstig zijn uit het wapendepôt van het Servische leger te Kragujevac.
4. Teneinde het welslagen van den aanslag te verzekeren, onderwees MILAN CIGANOVIC, PRINCIP, GABRINOVIC en GRABEZ de hanteering van granaten en gaf in een bosch naast het schietveld van Topschider, PRINCIP en GRABEZ, les in het schieten met browningpistolen.
5. Teneinde PRINCIP, GABRINOVIC en GRABEZ het overschrijden der Bosnisch-Herzegowinasche grens en het binnensmokkelen der wapens mogelijk te maken, werd een geheel geheim transportsysteem door CIGANOVIC georganiseerd. Het binnenbrengen van de misdadigers en van hunne wapens in Bosnië en Herzegowina werd door de grenscommandanten van Schabatz (Rade Popovic) en Loznica en door de tolbeambten RUDOVOJ GIBIC van Loznica met hulp van verscheidene andere personen uitgevoerd.
Bijlage 1_a_.
#Norddeutsche Allgemeine Zeitung 29 Juli 1914.#
_Oostenrijk-Hongarije en de Servische Nota._
Weenen, 27 Juli. De Nota van de Koninklijk Servische regeering van 12/25 Juli 1914 heeft den volgenden inhoud:
De Koninklijke regeering heeft de mededeeling van de K. en K. regeering van den 10en dezer ontvangen en is overtuigd, dat haar antwoord ieder misverstand zal uit den weg nemen, dat dreigt de betrekkingen van vriendschappelijke nabuurschap tusschen de Oostenrijksche monarchie en het koninkrijk Servië te verstoren.
De Koninklijke regeering is er zich van bewust, dat tegenover de groote naburige monarchie bij geen enkele gelegenheid die protesten werden vernieuwd, welke destijds zoowel in de Skupschtina alsook in de verklaringen en handelingen van de verantwoordelijke vertegenwoordigers van den staat tot uitdrukking werden gebracht en waaraan door de verklaring der Servische regeering van 18 Maart 1909 een einde kwam, en dat verder, sedert dien tijd, noch door de verschillende elkander opvolgende regeeringen van het Koninkrijk noch door deszelfs ambtenaren, eene poging werd gedaan, den in Bosnië en Herzegowina geschapen politieken en staatsrechterlijken toestand te veranderen.
De Koninklijke regeering stelt vast, dat de K. en K. regeering in deze richting geenerlei aanmerkingen heeft gemaakt, met uitzondering van het geval van een leerboek, in welk geval de K. en K. regeering eene volkomen bevredigende verklaring heeft ontvangen. Servië heeft gedurende den Balkancrisis in talrijke gevallen bewijzen geleverd voor zijn vredelievende en gematigde politiek en het is slechts aan Servië en aan de offers, die het uitsluitend in het belang van den Europeeschen vrede gebracht heeft, te danken, als deze vrede is bewaard gebleven.
In verband hiermede merkt de _Oostenrijksch-Hongaarsche regeering_ op: De Koninklijk Servische regeering bepaalt er zich toe, vast te stellen, dat sedert het afgeven van de verklaring van 18 Maart 1909 van de zijde der Servische regeering en hare ambtenaren geene poging tot verandering der positie van Bosnië en Herzegowina werd ondernomen.
Daarmede wijkt zij op bewust willekeurige wijze af van datgene, wat aan onzen stap ten grondslag lag, aangezien wij niet beweerd hebben, dat zij en hare ambtenaren in deze richting officieel iets hebben ondernomen.
Onze opmerking dient veel meer aan te toonen, dat zij niettegenstaande de in de aangehaalde nota op zich genomen verplichtingen, heeft nagelaten, de beweging, welke tegen de territoriale integriteit der Monarchie gericht was, te onderdrukken.
Hare verplichting bestond daarin, de geheele richting harer politiek te veranderen en tot de Oostenrijksch-Hongaarsche monarchie in eene betrekking te treden van vriendschappelijke nabuurschap, dus niet alleen in het niet aantasten van het bezitrecht der monarchie op Bosnië.
_De Servische nota vervolgt dan:_
De Koninklijke regeering kan niet worden verantwoordelijk gemaakt voor uitlatingen, die een particulier karakter dragen, zooals krantenartikelen en de vreedzame arbeid van vereenigingen, uitlatingen, die in bijna alle landen zeer gewone verschijnselen zijn en die in het algemeen aan de contrôle van den staat ontsnappen. De Koninklijke regeering is hiervoor te minder verantwoordelijk, waar zij bij de oplossing van eene geheele rij van quaesties, die tusschen Servië en Oostenrijk-Hongarije gerezen zijn, groote tegemoetkoming getoond heeft, waardoor het haar gelukt is het grootste deel daarvan ten gunste van de vooruitgang der beide naburige landen op te lossen.
_Aanmerking der K. en K. regeering:_
De bewering der Koninklijk Servische regeering, dat de uitlatingen der pers en de werkzaamheid van vereenigingen een particulier karakter dragen en dat de staat deze niet kan controleeren staat lijnrecht tegenover de instellingen der moderne staten en zelfs tegenover de meest liberale richting op het gebied van het pers- en vereenigingsrecht hetwelk een publiek-rechterlijk karakter heeft en de pers zoowel als de vereenigingen onder het toezicht van den staat stelt. Overigens houden ook de Servische instellingen met de noodzakelijkheid van een dergelijk toezicht rekening. Het tegen de Servische regeering gerichte verwijt bedoelt juist aan te toonen, dat zij ten eenenmale heeft nagelaten, toezicht te houden op hare pers en hare vereenigingen, waarvan zij de werking in een der Monarchie vijandigen zin kende.
_De Servische nota vervolgt:_
De Koninklijke regeering was derhalve door de bewering, dat Servische onderdanen aan de voorbereiding van den te Serajewo gepleegden aanslag hadden deelgenomen, smartelijk verrast. Zij had verwacht uitgenoodigd te worden bij de onderzoekingen over deze misdaad, hare medewerking te verleenen en was bereid, ten einde hare algeheele correktheid door daden te bewijzen, alle personen te vervolgen, omtrent welke men haar gegevens zou hebben verschaft.
_Kantteekening van de K. en K. regeering._
Deze bewering is onjuist. De Servische regeering was omtrent de tegen bepaalde personen bestaande verdenking nauwkeurig onderricht en niet alleen in de gelegenheid, maar zelfs volgens hare binnenlandsche wetgeving, verplicht, geheel uit zich zelve, onderzoekingen in te stellen. Zij heeft in deze richting niets gedaan.
_De Servische Nota._
In overeenstemming met de wenschen der K. en K. regeering is de Koninklijke regeering derhalve bereid, iederen Servischen onderdaan, voor wiens deelneming aan de Serajewosche misdaad haar bewijzen worden geleverd, zonder aanzien van positie en rang, voor het gerecht te brengen. Zij verplicht zich inzonderheid op de eerste pagina van het ambtelijk orgaan de volgende mededeeling openbaar te maken. De Koninklijk Servische regeering veroordeelt iedere propaganda, die tegen Oostenrijk-Hongarije zou zijn gericht, d. w. z. de totaliteit der machinaties, welke als einddoel het losrukken van enkele gebiedsdeelen der Oostenrijksch-Hongaarsche monarchie op het oog hebben, en zij betreurt oprecht de treurige gevolgen van dit misdadig drijven.
_Kantteekening van de K. en K. regeering._
Onze eisch luidde: „De Koninklijk Servische regeering veroordeelt de tegen Oostenrijk-Hongarije gerichte propaganda....”
De door de Koninklijk Servische regeering aangebrachte veranderingen in de door ons geëischte verklaring, beteekent, dat eene dusdanige tegen Oostenrijk-Hongarije gerichte propaganda niet bestaat, of dat haar van eene dusdanige propaganda niets bekend is. Deze formule is onoprecht en achterhoudend, daar de Servische regeering daarmede voor later het achterdeurtje openhoudt, dat zij de thans bestaande propaganda door deze verklaringen niet heeft gedesavoueerd en niet heeft toegegeven, dat deze der Monarchie vijandig is, waaruit zij verder zou kunnen afleiden, dat zij tot onderdrukking van eene propaganda, die gelijk is aan de tegenwoordige, niet zou zijn verplicht.
_De Servische Nota._