Het Boschvolkje

Part 4

Chapter 44,220 wordsPublic domain

De derde soort is de stevigste en 't gemakkelijkst te bouwen. Ze is voor plaatsen waar zware boomen over den stroom leunen. Drie of vier bevers verzamelen zich om een boom en beginnen, op hun breeden staart gezeten, te knagen. Een staat er boven hen op den oever en leidt klaarblijkelijk het werk. In een ommezien is de boom van onderen bijna doorgeknaagd. Dan begint de bever boven zorgvuldig naar beneden te knagen. Bij het eerste waarschuwende gekraak springt hij op zij en de boom valt juist over de plaats heen waar ze hem noodig hebben. Alle bevers verdwijnen dan en beginnen de takken af te knagen die op den bodem rusten. Langzamerhand rijst de boom, tot zijn stam op de juiste hoogte is om den rug van den dam te vormen. De bovenste takken worden dan dicht tegen den stam gebracht en met elzen tusschen de lange takstompen gevlochten die van den tronk neersteken in de rivierbedding. Steenen, modder en twijgen worden overvloedig gebruikt om spleten te vullen, en binnen een merkwaardig korten tijd is de dam voltooid.

Wanneer ge zoo'n dam aantreft in de rivier waar ge met uw kano roeit, tracht dan niet er doorheen te breken. Ge zult ontdekken dat het u een paar uur in tijd scheelt, als ge alles uitpakt en overdraagt. Al het knaagwerk van den bever geschiedt met beitelvormige voortanden. Hij heeft er twee in elke kaak, die ruim drie en een halven centimeter uit het tandvleesch steken en die onder een scherpen hoek samenkomen. De binnenkant van de tanden is zachter en slijt gauwer dan de buitenkant, zoodat de hoek hetzelfde blijft; en de beweging van boven- en ondertanden over elkaar houdt ze steeds scherp. Ze groeien zoo snel dat een bever voortdurend hout moet knagen om ze op de juiste grootte afgesleten te houden.

Dikwijls komt je op wilde rivieren een stok tegemoet drijven, waar pas aan geknaagd is. Je grijpt hem natuurlijk en zegt: "Er kampeert hier iemand stroomop. Die stok is net met een scherp mes gesneden." Maar kijk eens beter, zie die flauwe richel over de heele lengte van de snede eens, alsof er uit het scherp van het mes een stukje was. Daar komen de boventanden van den bever aan elkaar en het vlak is niet heelemaal zuiver. Hij sneed dien stok, dikker dan een mansduim, in één beet door. Een els met een doorsnede van een theekopje af te bijten is het werk van een minuut voor dezelfde werktuigen, en een hoogopgaande berkeboom valt in een merkwaardig korten tijd als hij door drie of vier bevers aangevallen wordt. Om de stomp van zoo'n boom vindt ge een hoop van vijf centimeters lange spaanders, dik, wit, scherp gesneden en gebogen naar de ronding van de bevertanden. "Beoordeel den werkman naar zijn spanen", zegt een Amerikaansche spreekwijze. Dit is een goed werkman!

Wanneer de dam gebouwd is knaagt de bever zijn voedselhout voor den winter af. Een kolonie van deze dieren zal dikwijls een heel boschje jonge berken of peppels op den oever boven den dam vellen. De takken met den besten bast worden dan in korte stukken gebeten, die den oever af worden gerold en naar 't diepe water achter den dam gevlot.

Er zijn heel wat woorden over gevallen hoe de bever zijn hout laat zinken--want natuurlijk moet hij 't laten zinken; anders zou het in 't ijs vriezen en nergens toe dienen. Eén opvatting is deze: dat de bevers uit elken tak de lucht zuigen. Twee getuigen verzekeren me dat ze het hen hebben zien doen, en in een boek over natuurlijke historie uit mijn kinderjaren staat een plaatje van een bever met 't eind van een drie voet langen stok in zijn bek, bezig de lucht er uit te zuigen. Alsof de bevers niet beter wisten, zelfs wanneer die onzin mogelijk was! De eenvoudigste manier is het hout bijtijds te vellen, het een poosje in 't water te laten, waarna het vanzelf zinkt; want groen berken- en peppelhout is bijna zoo zwaar als water. Het wordt spoedig verzadigd en zakt naar den bodem. Om deze reden is het bijna onmogelijk voor de houthakkers om berkenhout te vlotten. Als de nachten plotseling koud worden voordat het hout gezonken is, trekken de bevers het naar den bodem en duwen het even in de modder, of anders steken ze onder de takken die tegen den dam drijven andere, en hieronder weer andere en zoo verder, tot de rivier tot den bodem toe vol is en 't gewicht van de bovenste de rest onderhoudt. Veel van het hout gaat op deze wijze verloren, doordat het in 't ijs vastvriest; maar dat weet de bever en hij knaagt een overvloed.

Als de bever 's winters hongerig is gaat hij onder het ijs naar beneden, kiest een tak uit, draagt hem naar boven in zijn hut en eet den bast op. Dan sleept hij den geschilden tak weer onder 't ijs en legt hem ergens uit den weg.

Op een winter had ik eens den inval, dat door het weeken de bast zijn geur wel kwijt zou zijn geraakt en dat de bevers misschien zin zouden hebben in een versch hapje. Ik hakte dus boven het diepe water achter den dam een gat in 't ijs. Natuurlijk maakte het gehak de bevers verschrikt en zou het vergeefsche moeite zijn dien dag de proef te nemen. Ik spreidde een deken en wat dikke takken over de opening om te zorgen dat ze niet te dik zou bevriezen, en ging heen.

Den volgenden dag duwde ik het eind van een pas afgesneden berkestam tusschen den voorraad van den bever naar beneden, ging met mijn gezicht bij het gat liggen na zorgvuldig het dunne ijs te hebben weggesneden, trok een groote deken over mijn hoofd en het eind van den stok dat er uitstak, om het licht buiten te sluiten, en wachtte af. Een poosje was het er zoo donker als de nacht; toen begon ik vaag de dingen te onderscheiden. Weldra schoot een donkerder schaduw over den bodem en greep den stok vast. Het was een bever met een jas van wel vijftig gulden aan. Hij rukte; ik hield stevig vast,--wat hem zoo verbaasde dat hij in zijn hut terugkeerde om adem te scheppen.

Maar den smaak van verschen bast had hij beet en weldra was hij terug met een anderen bever. Beide grepen dezen keer vast en trokken samen. 't Hielp niet! Ze begonnen rond te zwemmen en den stok aan alle kanten te bekijken. "Wat voor soort van stok ben je eigenlijk?" dacht de een. "Je groeit hier niet, want dan zou 'k je allang gevonden hebben". "En je bent niet in 't ijs gevroren", zei de ander, "want je gaat heen en weer". Toen pakten ze samen weer vast en ik begon voorzichtig op te trekken. Ik wou ze graag wat van dichterbij bekijken. Dat verbaasde ze ten zeerste, maar me dunkt dat ze zouden hebben vastgehouden, als er geen ongeluk gebeurd was. De deken gleed af, een stroom van licht viel naar binnen; er waren twee groote wielingen in het water en dat was 't einde van de proef. Ze kwamen niet terug, ofschoon ik bleef wachten tot ik bijna bevroren was. Maar ik sneed wat versche berketakken en duwde ze onder het ijs, om voor mijn deel in de vertooning te betalen.

De beverhut komt gewoonlijk het laatst aan de beurt. De bever houdt er van deze te bouwen, als de nachten koud genoeg worden om zijn metselspecie spoedig nadat ze aangebracht is te doen bevriezen. Twee of drie tunnels worden van den bodem van het bevermeer door den oever naar boven gedolven, die op één plaats aan de oppervlakte samenkomen, waar het middelpunt van het huis zal zijn. Hieromheen legt hij stevige fundamenten van houtblokken en steen in een kring van zes tot vijftien voet in doorsnee, al naar gelang van het aantal bevers die het huis zullen bewonen. Op deze fundamenten trekt hij een dikken wand van takken en gras op, die door klei in overvloed samen worden gehouden. Het dak wordt er bovenop gemaakt door zware takken zoo te plaatsen als in een Indiaansche wigwam, en het geheel wordt overwelfd met gras, steenen, takken en klei. Als dit een keer vast bevroren is slaapt de bever in vrede; zijn huis is veilig voor inbrekers.

Wanneer een beverhut aan den oever van een meer staat, waar het water nooit zoo hoog komt, is ze vier of vijf voet hoog. Aan rivieren die aan overstroomingen onderhevig zijn, kunnen ze wel twee- of driemaal die hoogte hebben. Evenals de muskusrat wordt de bever ten opzichte van de hoogte zijner woning door een wonderlijk instinct geleid. Hij bouwt hoog of laag al naar zijn verwachting van hoog of laag water, en hij moet zelden zijn droge nest verlaten, door verdrinking bedreigd.

Soms vereenigen twee families zich om één groot huis te bouwen, maar in zoo'n geval heeft elke familie altijd haar eigen vertrek. Als een hut opengegraven wordt, blijkt het duidelijk uit de verschillende afdrukken dat elk lid van de familie zijn eigen bed heeft, waar hij steeds op ligt. Bevers zijn voorbeelden van netheid: na vijf maanden bewoond te zijn geweest is de hut nog even keurig als toen ze pas gemaakt was. Hun heele bouwerij is in hoofdzaak instinct, want een tamme bever bouwt miniatuurdammen en -hutten op den vloer van zijn kooi. Toch is het niet een instinct waaraan ze uiting moeten geven, zooals dat van ratten en eekhoorns bij tijden. Ik heb beverhutten aan meeroevers gevonden waar eenvoudig geen dam was gebouwd, omdat het water diep genoeg was en het niet hoefde. In hun vacantie bouwen de jonge bevers voor de aardigheid, evenals jongens een dam leggen waar ze maar stroomend water kunnen vinden. Ik ben er ook van overtuigd (en dit verklaart misschien sommige dammen die dom gelegd schijnen), dat de oude bevers 's zomers bij wijlen de jongen aan 't werk zetten om ze te leeren bouwen tegen dat het noodig wordt. Het is moeilijk deze theorie te bewijzen, want de bevers werken 's nachts, bij voorkeur in donkere, regenachtige nachten, als 't voor hen aan land (om bouwstoffen te verzamelen) het veiligst is. Maar terwijl het bouwen instinctmatig gebeurt, is deskundig bouwen de vrucht van oefening en ondervinding; en sommige beverdammen vertoonen een verwonderlijk overleg.

Er is één bever die nooit bouwt, die zich nooit druk maakt over hut, of dam, of wintervoorraad. Ik weet niet zeker of we hem het genie of den luiaard van de familie moeten noemen. De oeverbever is een eenzaam, oud vrijgezel, die als een "mink" in een hol in den oever van een rivier woont. Hij bouwt geen hut, omdat een hol onder de wortels van een ceder even veilig en warm is. Hij bouwt nooit een dam, omdat er diepe plaatsen in de rivier zijn waar de stroom te snel is om te bevriezen. Hij vindt teere twijgen zelfs 's winters veel sappiger dan oudbakken schors onder water opgeslagen. Wat zijn verraderlijke prent in de sneeuw betreft, zijn slimheid moet hem voor zijn vijanden behoeden; en het open gedeelte van de rivier is er nog om heen te vluchten.

Er zijn twee opvattingen gangbaar onder de Indianen en "trappers", die een verklaring geven voor de eigenaardigheden van den oeverbever. De eerste is dat hij er niet in slaagde een wijfje te vinden en de kolonie heeft verlaten, of er uit gedreven is, om een eenzaam jonggezellenleven te leiden. Zijn gedrag in den paartijd spreekt zeer zeker ten gunste van deze opvatting, want niemand was ooit zoo naarstig aan 't zoeken van een wijfje als hij. Langs de rivieren en elzenbeken van een heele wilde streek zwerft hij rusteloos stroomop, stroomaf, terwijl hij hier en daar op een grazig plekje stilhoudt om een handjevol modder te verzamelen, als 't moddertaartje van een kind, keurig gladgeklopt, met in 't midden een beetje sterk ruikende muskus. Wanneer je dat teeken onder de elzen in een kring van zorgvuldig geëffend gras aantreft, weet je dat er aan die rivier een jonge bever naar een wijfje zoekt. En als hij zijn taartje geopend en weer gesloten vindt, weet hij dat er ergens in de buurt een wijfje op hem wacht. Maar de arme oeverbever vindt zijn wijfje nooit en moet den volgenden winter naar zijn eenzaam hol terugkeeren. Hij wordt veel gemakkelijker gevangen dan andere bevers, en de "trappers" zeggen dat het komt doordat hij verlaten en levensmoe is.

De tweede opvatting is die, welke de Indianen er gewoonlijk op nahouden. Ze zeggen dat de oeverbever lui is en weigert met de andere te werken, waarom deze hem uitdrijven. Wanneer de bevers bezig zijn, zijn ze goed bezig en dulden geen geluier. Misschien tracht hij hen wel te overreden dat al hun werken onnoodig is, en deelt hij daarom in het lot van de hervormers in 't algemeen.

Toen ik den vorigen zomer bezig was het hol van een oeverbever te onderzoeken, leek me nog een derde verklaring mogelijk. Is dit niet een van de zeldzame dieren in wie alle instincten van de soort afwezig zijn? Hij bouwt niet omdat hij geen neiging heeft tot bouwen; hij weet niet hoe. Hij vertegenwoordigt dus wat de bever duizenden jaren geleden was, voordat hij leerde zijn dam en hut te bouwen,--de bever die nu door een wonderlijke gril van de erfelijkheid weer te voorschijn komt, en zich rampzalig uit den tijd en niet op zijn gemak voelt. De andere bevers jagen hem weg, omdat alle in troepen levende dieren, ook de vogels, een sterken afkeer en vrees hebben voor elke onregelmatigheid in hun soort. Zelfs als die afwijking gering is--een wond of een misvorming--jagen ze het arme slachtoffer meedoogenloos uit hun midden. Het is een wreed instinct, maar een deel van een der oudste in de schepping: het instinct van het in-stand-houden der soorten. Dit verklaart waarom de oeverbever nooit een wijfje vindt: geen van de bevers wil iets met hem te maken hebben.

Dit in sommige gevallen ontbreken van instinct is niet een eigenaardigheid van de bevers alleen. Af en toe wordt er een vogel hier in 't Noorden uitgebroed die den drang tot trekken niet heeft. Hij roept zijn vertrekkende makkers na, maar volgt nooit, en blijft dus, om in de winterstormen om te komen.

Er zijn weinig wezens in de wildernis die moeilijker te bespieden zijn dan de bevers, èn door hun buitengewone schuwheid, èn doordat ze alleen 's nachts werken. De beste manier om een glimp van hen op te vangen, als ze aan 't werk zijn, is hun dam kapot te maken en het dak van een hunner hutten af te trekken op een herfstmiddag in den tijd van volle maan. Vlak voor de schemering moet je terugsluipen en op eenigen afstand van den dam je verbergen. Zelfs dan heb je niet veel kans, want de bevers zijn achterdochtig, scherp van gehoor en reuk, en weigeren gewoonlijk zich te vertoonen eer de maan onder is of je bent heengegaan. Het kan wel zijn dat je een keer of twaalf hun dam kapot moet maken en even dikwijls verkleumen van kou, eer je hem ziet herstellen.

Het is een buitengewoon merkwaardig gezicht als het ten langen leste geschiedt, en 't loont het op de loer liggen wel. Het water stroomt door een gat in den dam van een voet of vijf; het dak van een hut is vernield. Je hebt jezelf heelemaal met dennetakken bewreven om wat van den reuk in je kleeren te niet te doen, en je in den top van een gevallen boom verborgen. De schemering eindigt; de maanschijf rijst boven de sparren in het oosten en overstroomt de rivier met een zilveren schijnsel. Nog geen teeken van leven. Je begint te denken dat het alweer op een teleurstelling zal uitloopen, te denken dat je teenen de kou geen minuut langer kunnen uithouden zonder stampvoeten, wat alles zou bederven,--als een rimpel snel over het diepe, stilstaande water schiet en een groote bever aan wal komt. Hij zit een oogenblik op, kijkt rond, luistert, trekt dan naar de kapotte hut en gaat weer opzitten om ze van onder tot boven te bekijken, terwijl hij de schade schat en plannen maakt. Er ontstaat beweging in het water; nog drie voegen er zich bij hem--nu ben je wel warm! Ondertusschen zwemmen er nog een stuk of drie, vier bij den dam rond om daar de schade op te nemen. Eén duikt er naar den bodem, maar komt in een oogwenk weer boven om "alles veilig beneden" te melden. Een andere is bezig vlak onder je aan een dikken tak te trekken. Langzaam haalt hij hem er naar voren uit, balanceert een oogenblik en laat hem schieten--mooi zoo!--dwars over de breuk. Twee andere zijn stroomop elzen aan 't vellen, en hier komen de stammetjes aandrijven.

Ginds bij de beschadigde hut zijn er twee boven op de wanden bezig de dakbalken op hun plaats te beuren; een derde schijnt de buitenste bedekking weer aan te brengen en haar met modder te bepleisteren. Zoo nu en dan gaat er een als een konijn recht overeind zitten, luistert, rekt zijn rug eens om er de stijfheid uit te krijgen, en laat zich dan weer zakken om verder te werken.

Het is nu helderder; maan en sterren fonkelen in 't gladde water. Bij den dam verzwakt het geluid van vallend water, doordat het gat snel gedicht wordt. Grooter doemen de hutten op. Over den koepel van de eene vernielde gaat de donkere omtrek van een bever zegevierend voorbij. Dat noem ik nog eens vlug werken! Je belangstelling groeit, je rekt je hals uit om te kijken--klets! Een bever die je voorbijgleed heeft je gezien. Onder het duiken geeft hij het water een fermen klap met zijn breeden staart, het sein voor gevaar bij de bevers, en dat je in de doodelijke stilte doet opschrikken. Er klinkt een geluid alsof een stok met den kop vooruit in het water werd geplonsd, een paar draaikolken trillen over 't gladde water, waar ze de weerspiegeling van de maan breken--dan weer stilte en 't gekabbel der waterrimpels op den oever.

Nu kun je wel naar huis gaan; je zult vannacht niets meer zien. Daar ginds onder den oever zit een bever in de schaduw, waar je hem niet zien kunt, slechts met oogen en ooren boven water je te bespieden. Hij zal zich niet bewegen, en ook zal er geen andere bever voor den dag komen eer je heengaat. Als je je kano zoekt en terugpagaait naar het kamp, volgt een waterrimpel, veroorzaakt door den neus van een bever, stil in de elzenschaduw. Bij de bocht van de rivier, waar je verdwijnt, houdt de rimpel even stil, als een stobbe die uitsteekt in den stroom, keert zich dan om en gaat haastig terug. Nog een klap--de bouwmeesters komen weer voor den dag, allerlei kabbelingen strooien sterrevonken over de heele watervlakte, terwijl het boschvolkje een oogenblik toeft om nieuwsgierig naar de nieuwe bouwwerken te kijken, en dan schuw, stil, nijver zijns weegs gaat door de nachtelijke wildernis.

KRAAIENGEWOONTEN.

De kraai is eigenlijk een groote schavuit--dat is te zeggen, als eenig schepsel een schavuit genoemd kan worden omdat het volgens natuurlijke en schavuitachtige neigingen handelt. Ik kwam het eerst tot deze slotsom heel wat jaren geleden, toen ik eens 's morgens vroeg een ouden kraai bespiedde, die naarstig bezig was een rand van struikgewas, dat langs de muur van een verlaten weide groeide, te doorzoeken. Hij had een handvol lijstereieren verorberd en drie jonge musschen meegenomen om zijn eigen jongen mee te voeren, eer ik begreep wat hij toch uitvoerde. Sedert dien tijd heb ik hem dikwijls betrapt op dezelfde rooverijen.

Een oude boer heeft me verzekerd dat hij hem ook wel gesnapt heeft bezig zijn schapen te mishandelen, door op hun rug neer te strijken en de wol bij den wortel uit te trekken, om vacht te krijgen voor 't voeren van zijn nest. Dit is een veel ernstiger beschuldiging dan dat hij 't koren uittrekt, ofschoon dit laatste bijna elken boer tot zijn vijand maakt.

Toch, met al zijn schavuitenstreken heeft hij allerlei grappige en merkwaardige gewoonten. Ik weet wezenlijk bijna geen anderen vogel die zoo de studie gedurende een jaargetijde loont; maar je moet heel geduldig wezen en heel wat teleurstellingen dragen, als je veel van den kraai zijn eigenaardigheden door persoonlijke waarneming wilt leeren kennen. Wat is hij schuw! Wat geslepen is hij, wat gauw wijs! Toch is hij heel gemakkelijk voor den gek te houden, en sommige ervaringen die hem wijs hadden moeten maken schijnt hij binnen 't uur te vergeten. Bijna elken keer dat ik uit schieten ging in de oude, barbaarsche dagen, voordat ik beter leerde, kreeg ik altijd een of een paar kraaien uit een troep die over mijn jachtterrein zeilde, door me slechts tusschen de dennen te verstoppen en als een jonge kraai te roepen. Wanneer de troep binnen 't gehoor kwam, was het verwonderlijk het luide koor van ka-ka te hooren, en te zien hoe ze aan kwamen schieten over hetzelfde boschje, waar ze een week te voren op dezelfde wijze waren beetgenomen. Soms schenen ze het zich toch te herinneren, en als de zoogenaamde jonge kraai zijn spektakel ergens diep in een dicht boschje begon, verzamelden ze zich een eind er vandaan op een den en ka-den heftig tot antwoord. Maar nieuwsgierigheid kreeg bij hen altijd de overhand, en ze kwamen gewoonlijk onder elkaar tot een besluit en zonden een snellen, langgewiekten, ouden vlieger, alleen om hem neer te zien storten bij 't knallen van een geweer; en dan gingen ze er vandoor, krijschend zoo hard als ze konden, en ze hielden niet op voordat ze mijlen ver weg waren. Een week later deden ze weer precies zoo.

Kraaien houden meer dan eenige andere vogel van opwinding en samenscholing; het geringste ongewone voorwerp levert een gelegenheid voor een oploop. Een gewonde vogel zal evenveel beroering in een troep kraaien veroorzaken, als een spoorwegongeluk in een dorp. Maar als een rondwarende oude kraai een uil snapt die 't zonlicht verslaapt in den top van een zwaren spar, kennen zijn verrukking en opwinding geen grenzen. In zijn kreet, dien elke kraai in de buurt begrijpt, is al een onderdrukte wildheid. 't Is of hij "komt! komt! komt allemaal!" krijscht, terwijl hij boven den boomtop kringt; en binnen de twee minuten zijn er meer kraaien om dien ouden spar verzameld, dan iemand zou meenen dat er mijlen in den omtrek bestonden. Ik telde er eens zeventig vlak om een boom heen, waarin een van hen een uil had gevonden, en ik geloof dat er wel net zooveel buiten omheen vlogen, die ik niet kon tellen.

Op zoo'n oogenblik is 't mogelijk met een beetje voorzichtigheid vlakbij te komen en als 't ware een kraaien-vergadering bij te wonen. Ofschoon ik er heel wat heb bijgewoond, heb ik nooit eenige werkelijke reden voor hun opwinding kunnen ontdekken. Die 't dichtst bij den uil zijn zitten in de boomen verspreid luidkeels te roepen; geen kraai zwijgt er. Die verderaf zijn vliegen snel rond en maken zoo mogelijk nog meer lawaai dan de binnenste kring. Onderwijl zit de uil onzichtbaar in den groenen top te knipoogen en te staren. Elk oogenblik verlaten twee of drie kraaien den kring om er heen te vliegen, er eens binnen te kijken en dan krijschend op hun tak terug te keeren, waar ze rondspringen, bij elken ademtocht ka zeggen, met hun kop knikken, in de takken hakken en precies als opgewonden verkiezingsredenaars te werk gaan.

Het lawaai neemt hoe langer hoe meer toe; nieuwe stemmen voegen er zich elk oogenblik bij; en de uil, tot wien het flauwtjes doordringt dat hij de oorzaak van dit alles is, vliegt weg naar een anderen boom, waar hij rust kan hebben en gaan slapen. Dan, met veel geruisch en geraas, volgen de kraaien. Een vlugge, oude verkenner blijft vlak bij den uil en krijscht den heelen weg over om de krassende bende de richting te wijzen. Als de uil gaat zitten, verzamelen zij er zich weer omheen en voeren dezelfde vertooning nog eens op, opgewondener dan te voren. Zoo gaat dat door, tot de uil een hollen boom vindt, er in wegschuilt en hen laat krassen tot ze er genoeg van hebben; of wel, hij zoekt een dicht dennenbosch waar hij zich hier en ginds keert en wendt met die schimmige, geruischlooze vlucht van hem, tot hij ze van het spoor heeft gebracht. Dan vliegt hij in den diksten boom dien hij kan vinden, gewoonlijk buiten het boschje waar de kraaien zoeken, en dicht tegen den stam aan gezeten knipt hij met zijn groote, gele oogen en luistert hij naar het spektakel dat tierend door het boschje trekt; terwijl ze nieuwsgierig in elken, dikken den loeren en overal zoeken naar de verloren oorzaak van hun opgewondenheid.

Met tegenzin geven de kraaien het op. Ze kringen nog een poosje boven het boschje, terwijl ze stijgen en dalen met die mooie, gelijkmatige beweging, die veel heeft van de geregelde oefeningen van alle in troepen levende vogels en gewoonlijk hiermee eindigt, dat ze zich op een afstand in een boom verzamelen en er urenlang over krassen, tot een nieuwe aanleiding om zich op te winden hen ergens anders heenroept.