Part 3
In de keuze van het bouwmateriaal zijn de vogels heel zorgvuldig. Ze weten best dat geen tak het nest van onderen schraagt, dat de veiligheid van de jonge orioles afhangt van deugdelijk, sterk materiaal dat goed samengeweven is. Door het een of andere wijze overleg schijnen ze met één blik te weten of een draad stevig genoeg is om betrouwbaar te zijn; maar ook wel gaan ze niet op het uiterlijk af, als ze de eerste draden uitzoeken die 't volle gewicht van het nest moeten dragen. Dan kun je een paar vogels aan 't touwtrekken zien: de pootjes schrap, als een paar terriërs aan den draad rukkend en trekkend tot ze goed op de proef is gesteld.
Bij 't verzamelen en beproeven van de bouwstoffen voor een nest toonen de orioles niet weinig vindingrijkheid. Een jaar of wat geleden lag ik eens onder wat struiken naar een paar van die vogels te kijken die dicht bij het huis aan 't bouwen waren. Het was echt een dag om te nestelen; terwijl de zon haar heldere stralen door teergroene bladeren en een heerlijkheid van witten appelbloesem liet stroomen, de lucht vervuld was van warmte en geur, vogels en bijen overal in de weer waren. Het is of orioles altijd gelukkig zijn, maar dien dag vloeiden ze bijna over te midden van alle vroolijkheid, ofschoon 't materiaal schaarsch was en ze heel ijverig moesten zijn.
Het wijfje was druk in de weer, keerde nooit naar het nest terug zonder dat ze wat aanbracht, terwijl het mannetje in de boomen ronddartelde in zijn schitterend oranje en zwart, zijn warme, rijke tonen floot en wel een schicht van de Zuiderzon leek te midden van de bloesems. Soms staakte hij zijn pret om een eindje touw op te pikken, waar hij een geïmproviseerd "jubilate" over aanhief, of om elken keer, dat zijn wijfje iets bijzonder uitgezochts had gevonden, met haar naar het nest te vliegen, terwijl hij dat zachte, volle gekwetter van hem uitte in een mengeling van vleien en gelukwenschen. Maar zijn voornaamste aandeel scheen er in te bestaan voor de feestelijkheid te zorgen, terwijl zij het maken van het nest voor haar rekening nam.
Vlak voor me, in de luwte van een ouden muur, lag een lapje waar overal de losse draden uitstaken, van een stuk waschgoed door een windvlaag van de lijn gerukt. Ik vroeg me af waarom de vogels dat niet gebruikten, toen het mannetje het bij zijn levendig heen-en-weer-gevlieg ontdekte en naar beneden vloog. Eerst hipte hij er rond omheen, daarna probeerde hij eens een paar draden, maar doordat het lapje los op het gras lag, kwam 't heele stuk mee als hij trok. Een poosje werkte hij ijverig, door achtereenvolgens aan alle kanten een ruk te probeeren. Eén keer tuimelde hij ondersteboven en maakte een malle buiteling, want het stukje bleef achter een stobbetje haken, maar liet los toen hij zich schrap had gezet en zoo hard als hij kon trok. Eensklaps vloog hij weg en ik meende dat hij de poging opgegeven had.
Even later was hij er weer met zijn wijfje, stellig in de meening dat zij als een handig huishoudstertje alles wel van zulke zaken zou afweten. Als vogels niet praten, dan hebben ze toch een heel vernuftige manier om elkaar aan het verstand te brengen wat ze denken, wat op hetzelfde neerkomt.
De twee werkten een minuut of wat samen, kregen af en toe een draad te pakken, maar niet genoeg om de moeite te loonen. De moeilijkheid zat 'em daarin, dat ze samen aan denzelfden kant trokken en dus niets deden dan het lapje het heele grasveld rondsleepen, in plaats van er de draden uit te rukken die ze noodig hadden. Een keer ontrafelden ze een langen draad door er onder een rechten hoek aan te trekken, maar het volgende oogenblik waren ze weer gezamenlijk aan denzelfden kant. Het mannetje scheen te doen, niet zooals hem gezegd werd, maar precies zooals hij zijn wijfje zag doen. Zoodra ze aan een draad trok, hipte hij er heen, zoo dicht als hij maar bij haar kon komen, en rukte ook.
Tweemaal hadden ze de poging opgegeven, maar ze kwamen terug, nadat ze naarstig ergens anders gezocht hadden. Goede bouwstof was schaarsch dat jaar. Ik vroeg me af hoe lang hun geduld zou duren, toen het wijfje plotseling het lapje bij een tip greep, laag over den grond wegvloog, terwijl zij 't achter zich aan sleepte en ondertusschen hard sjilpte. Ze verdween in een meidoorn in een hoek van den tuin, waarheen het mannetje haar een oogenblik later volgde.
Nieuwsgierig naar wat ze uitvoerden en toch bang dat 'k ze zou storen, bleef ik wachten waar ik was, tot ik beide vogels naar het nest zag vliegen, elk met een paar lange draden. Dit gebeurde nog eens en toen kreeg mijn nieuwsgierigheid de overhand. Terwijl de orioles die laatste draden in hun nest vlochten, draafde ik het huis om, kroop een heel eind achter den ouden muur langs en zoo naar een veilige schuilplaats bij den meidoorn.
De orioles hadden hun vraagstuk opgelost: het lapje was daar stevig tusschen de doornen vastgemaakt. Weldra kwamen de vogels terug, en door een paar draden aan het eind beet te pakken rafelden zij ze zonder moeite uit. Het was maar 't werk van een oogenblik zooveel materiaal te verzamelen als ze voor een weefsel gebruiken konden. Langer dan een uur keek ik toe hoe ze naarstig bezig waren tusschen den meidoorn en den ouden iep, waar het nest spoedig prachtig diep werd. Verscheiden keer viel 't lapje van de dorens doordat de vogels er aan trokken, maar elken keer dat dit gebeurde droegen ze het terug en maakten ze het zorgvuldiger vast, tot het ten leste zoo gehavend was dat ze er geen lange draden meer uit konden trekken, en toen lieten ze het voorgoed in den steek.
Dienzelfden dag bracht ik veelkleurige stukjes sajet en lint buiten en strooide ze over het gras. De vogels vonden ze al gauw en gebruikten ze bij 't voltooien van hun nest. Een poos lang was er nog nooit zoo'n vroolijk huisje in een boom gezien. De levendige, kleurige plekjes in het zachte grijs van de wanden gaven het nest steeds een Zondagsch aanzien, dat net paste bij het goede humeur van de orioles. Maar tegen den tijd dat de jongen uit den dop gekropen waren en 't plezier van nestjesbouwen plaats gemaakt had voor de onophoudelijke zorg van hongerige bekjes te vullen, hadden regens en zomerzon de heldere kleuren tot een eentonig, sober grijs verbleekt.
Dat was een gelukkig gezin van 't begin tot het einde. Er gebeurde nooit iets mee; geen vijand verstoorde er den vrede. En toen de jonge vogels naar het Zuiden waren getrokken, haalde ik het nest naar beneden dat ik had helpen bouwen en hing het in mijn studeerkamer als een herinnering aan mijn vroolijke buurtjes.
DE BOUWMEESTERS.
Eens stond ik in de schemering onverwachts tegenover een eigenaardig stukje natuurleven. 't Was midden in den winter en er lag een dikke sneeuw. Ik zat in m'n eentje op een omgevallen boom het opkomen van de maan af te wachten, om het flauwe sneeuwschoenenspoor drie mijlen over een vlakte te kunnen volgen, dan een mijl door een bosch naar een ander spoor dat naar het kamp leidde. Ik had dien dag te ver een rendier gevolgd, met dit resultaat dat ik op den tast in den maneschijn langs mijn eigen spoor terugging, terwijl de thermometer snel tot twintig graden onder nul daalde.
In de bosschen is er nauwelijks sprake van een schemering; over tien minuten zou het geheel donker zijn, en ik wenschte net dat ik dekens en een bijl had, om te kunnen kampeeren waar ik was, toen een groote, grijze schaduw door de boomen op me af kwam sluipen. Het was een Canadeesche lynx. Mijn vingers klemden zich stevig om mijn buks en 't was alsof mijn rechter want vanzelf afgleed toen het glinsteren van zijn felle, gele oogen me trof.
De oogen keken echter in 't geheel niet naar me. Hij had me niet eens bemerkt, maar sloop met achteruitgetrokken ooren in de sneeuw gedoken voort, het staartstompje zenuwachtig trillend, zijn heele aandacht gespannen gevestigd op iets achter me in de vlakte. Ik had zin in zijn mooie huid; maar ik wilde er nog liever achterkomen wat hij van plan was; dus hield ik me stil en keek toe.
Aan den zoom van de vlakte dook hij neer onder een dwergden, nestelde zich dieper in de sneeuw door een paar keer heen en weer te wrikken, tot hij zijn pooten goed onder zich had en hij volkomen in evenwicht was; het roode vuur gloeide in zijn oogen, zijn forsche spieren trilden. Toen schoot hij voorwaarts: een, twee, een dozijn geweldige sprongen door de vliegende sneeuw, en hij belandde met een krijsch op den koepel van een beverwoning. Daar sprong hij rond, schudde als een furie een denkbeeldigen bever en gaf nog een krijsch, die me een rilling over den rug joeg. Daarop stond hij doodstil over de beverdaken, die daar den oever van een meertje bestippelden, in de verte te kijken. De gloed verstierf in zijn oogen; een andere uitdrukking kwam er langzamerhand in. Hij duwde zijn neus weer tegen een gaatje in den heuvel, den luchtkoker van den bever, en snoof lang, terwijl het leek of zijn heele lichaam zich uitzette door den warmen, rijken geur die zijn hongerige neusgaten binnenstroomde. Toen schudde hij treurig zijn kop heen en weer en ging weg.
Dit alles was zuiver komedie. Een lynx houdt meer van bevervleesch dan van iets anders, en deze hier had er stellig in de herfstdagen toen er volop te eten was een paar van de kolonie gevangen, terwijl ze aan hun dam en woningen bezig waren. Nijpende honger maakte dat hij zich hen herinnerde, toen hij door het bosch kwam op zijn nachtelijke hazenjacht. Hij wist wel dat de bevers veilig zaten, dat de maanden van felle kou hun twee voet dikke muren als graniet gemaakt hadden. Maar ondanks dat kwam hij toch, alleen om te doen alsof hij er een gevangen had, en om zich te herinneren hoe lekker zijn laatste volledige maaltijd rook toen hij dien in October at.
Het was alles zoo jongensachtig, zoo onverwacht daar in 't hartje van de wildernis, dat ik heelemaal vergat hoe graag ik den lynx zijn huid had gehad. Ik was ook hongerig en 'k ging er heen om eens aan het luchtgat te ruiken; en het rook goed. De tijd heugde me toen ik eens bevervleesch gegeten had en blij was het te krijgen. Ik liep tusschen de hutten rond. Op elken koepel waren prenten van een lynx, oude en nieuwe, en de indrukken van een stompen neus in de sneeuw. Hij kwam klaarblijkelijk dikwijls om zijn maaltijd te doen met den geur van lekker eten. Ik keek naar den weg dien hij genomen had en begon medelijden met hem te krijgen. Maar de bevers dan, veilig en warm en onbevreesd, die geen twee voet van me af stellig naar de vreemde voetstappen buiten luisterden. En dat was best, want ze zijn de belangwekkendste dieren in de heele wildernis.
De meesten onder ons kennen den bever hoofdzakelijk uit een vergelijking. "Werken als een bever" of "druk in de weer als een bever", is een van die spreekwoordelijke uitdrukkingen in Amerika die men zonder opheldering of nieuwsgierigheid aanneemt. Voor een derde gaat het op, wat veel is voor de waarheid van een spreekwoord. 's Winters, vijf maanden lang tenminste, doet hij niets dan slapen en eten en zorgen dat hij warm blijft. "Zoo lui als een bever" zou dan een goed beeld zijn. En 's zomers--o, dat is één lange vacantiedag, en de bevers zijn zoo vroolijk als vogeltjes in de lucht, en denken niet aan werken van den morgen tot den avond. Wanneer de sneeuw verdwenen is en de rivieren vrij van ijs zijn, en 't getierelier van vogeldeuntjes het oor van den bever treft als hij opduikt uit den donkeren gang die onder water naar zijn huis leidt, dan vergeet hij alle vaste gewoonten en neemt deel aan de algemeene feestvreugde der natuur. Het stevig gebouwde huis dat hem voor storm en kou beschutte, en zelfs den veelvraat tartte zijn bewoner uit te graven, wordt verlaten voor 't eerste het beste otterhol of een ander gat in den oever, waar hij rustig kan slapen tot het zonlicht verdwenen is. De groote dam waar hij zoo menigen nacht aan gezwoegd heeft wordt overgelaten aan de genade van den wassenden stroom of aan de bijl van den man in zijn kano. En over 't geplas van water dat door een breuk valt--het geluid dat in herfst of winter den bever als een bliksemflits te voorschijn doet schieten--zal hij zijn wijze kopje geen oogenblik breken.
Den heelen zomer hoort hij tot den stam van Ismaël, zwervend door meren en stroomen, waar 't hem maar lust. Het is alsof hij er op uit moet om de wereld te zien, na den heelen winter in zijn benauwde verblijf opgesloten te zijn geweest. Zelfs de sterke familieband, een van de meest karakteristieke en merkwaardige dingen in het beverleven, wordt in dien tijd losgemaakt. Elke familiegroep vertegenwoordigt, wanneer zij 't huishouden in de lente opbreekt, vijf geslachten. Eerst heb je de beide oude bevers, de hoofden van de familie en onbeperkte heerschers, die het eerst den grooten dam en de woningen optrokken en het herstellingswerk geleid hebben, hoe lang al weet niemand. Dan komen, wat gewichtigheid betreft, de bevertjes, niet grooter dan muskusratten, met vachtjes als zijden fluweel en oogen altijd wijd open voor de wonderen van hun eerste uitgaan; dan die een en twee jaar oud zijn, dartel als losgelaten schooljongens, steeds vol baldadigheid, waar altijd opgelet moet worden en die af en toe eens een knauw moeten hebben; dan de driejarige, die weldra den troep verlaten en hun eigen gelukkigen weg gaan op zoek naar een wijfje.
Zoo trekken de lange dagen voorbij als van een soort zorgeloos zomeruitstapje, en wie op zijn eigen zomersche zwerftochten door de wildernis soms hun kampplaats aantreft voelt er zich nieuwsgierig toe aangetrokken als hij dat ziet. Ze zijn ook kampgenooten, die hun tenten opslaan aan zonnige meren en met elzen omzoomde, forelrijke beken, steeds dicht aan 't hart der natuur, en evenzeer het wilde, vrije leven minnend als hij zelf.
Maar wanneer de dagen kort en kil worden en 't getierelier der zangvogels plaats maakt voor 't "honk" van trekkende ganzen, en wilde eenden zich in de meren verzamelen, dan gaat 't hart van den bever naar zijn gezellige huis terug, en weldra volgt hij zijn hart. September vindt ze weer om den ouden dam vergaderd, de oudere koppen vol plannen van herstel en nieuwe woningen en wintervoer en allerlei andere zaken. De volwassen mannetjes hebben hun wijfjes mee teruggebracht naar 't oude huis; de vrouwtjes hebben een plaats gevonden in andere familiegroepen. Dan begint de bever het druk te krijgen.
Zijn eerste zorg is voor een steviger dam over den stroom, die hem een kom van flinke afmetingen zal verschaffen en een overvloed van diep water. Om dit te begrijpen, moet ge u herinneren dat de bever van plan is zichzelf den heelen winter in een soort van gevangenis op te sluiten. Hij weet best dat hij aan wal geen oogenblik veilig is zoodra het sneeuwt, dat een rondsluipende lynx of veelvraat zijn spoor zou vinden en hem volgen en dat dik ijs zijn ontsnapping in water afsnijden zou. Daarom ontwerpt hij een groot, voor klauwen veilig, huis, dat geen ingang heeft behalve een tunnel middenin, die door den oever naar den bodem van zijn kunstmatigen vijver leidt. Wanneer deze eens bevroren is, kan hij er niet uitkomen voordat de lentezon hem vrijlaat. Maar hij houdt van een grooten vijver, om onder water wat beweging te nemen als hij voor zijn maaltijd beneden komt; en van een diepen vijver, om het zekere gevoel te hebben dat de strengste winter nooit door zal vriezen tot zijn ingang en hem opsluiten. Wat van nog grooter gewicht is: het voedsel van den bever is op den bodem opgeslagen en 't zou niet gaan het aan ondiep water toe te vertrouwen, want dan zou 't met een strengen winter in het ijs vastvriezen en de bevers zouden van honger in hun gevangenis omkomen. Tien tot vijftien voet voldoet gewoonlijk aan hun veiligheidsinstinct; maar om die diepte van water te krijgen, is, vooral in ondiepe rivieren, een reusachtige dam noodig en verbazend veel werk, om van de ontwerpen niet eens te spreken.
Beverdammen zijn altijd degelijke bouwwerken van houtblokken, struiken, steenen en drijfhout, goed door elzetakken verbonden. Eens toen ik 's zomers met mijn kano op een wilde, onbekende rivier was, trof ik over een afstand van vijf mijlen veertien dammen. Door twee er van braken mijn Indiaan en ik ons een doortocht met onze bijlen; de andere waren zoo stevig, dat het gemakkelijker ging onze kano uit te laden en haar er over te dragen dan er door te breken. Men vindt dammen zoo dicht opeen, als een beverkolonie jarenlang een rivier ongehinderd bewoond heeft. Wanneer het hout dat voor voedsel dient boven den eersten dam is afgeknaagd, trekken ze stroomaf--want de bever knaagt altijd op de oevers boven zijn dam en laat den stroom voor zijn vervoer zorgen. Soms, als de oevers zoo zijn dat er geen kom gemaakt kan, worden er drie of vier dammen dicht bij elkaar gebouwd, zoodat het stuwwater van den een reikt aan dat van den volgenden, als een reeks kanaalpanden. Dit dient om de kolonie bijeen te houden en toch plaats te geven voor spel en berging van voedsel.
Er heerscht de grootste verscheidenheid van meening over 't verstand waar de bevers blijk van geven in 't kiezen van de plaats voor hun dam; want de eene waarnemer beweert dat het handigheid is, vernuft, zelfs overleg van de bevers, en een ander dat het een zuiver instinctmatig, lukraak ophoopen van materiaal zoo maar ergens in de rivier is. Ik heb misschien wel honderd dammen in de wildernis gezien, die bijna alle goed geplaatst waren. Een enkelen keer heb ik er een aangetroffen die veel had van dom werk--twee- of driehonderd voet elzestruiken en grint over 't breedste van de rivier, wanneer, door vlak er boven of even stroomaf te bouwen, een dam van een kwartmaal de lengte ze beter water verschaft zou hebben. Dit moet echter ter verdediging van de bouwmeesters gezegd worden, dat ze bij hun eigen dam misschien beter bodem vonden om hun tunnels in te graven, of geschikter plaats voor hun hutten, of dat zij beter wisten waar ze behoefte aan hadden dan hun criticus. Ik geloof vast en zeker dat jonge bevers dikwijls fouten maken, maar ik geloof ook, door het bestudeeren van heel wat beverdammen, dat ze hun les trekken uit tegenslag en dan beter bouwen, en dat hun misgrepen over 't algemeen in hun soort niet grooter zijn dan die van menschelijke bouwmeesters. Soms blijkt een dam te kostbaar. De ligging is niet goed gekozen, omdat de oevers stroomop te laag zijn en het opgehouden water om de kanten van hun dam stroomt en ze wegsleurt. Dadelijk bouwen ze den dam langer; maar weer stroomt het water er omheen bij zijn vernielingswerk. Ze blijven dus maar doorbouwen: een eindelooze bouwen, tot de vorst invalt en ze hun hout moeten vellen, hun hutten in elkaar jachten in een radelooze haast om klaar te zijn als het ijs zich over hen sluit.
Maar in rivieren waar elzenhout langs den kant groeit, waar de stroom traag is en de bodem zacht, ontdek je soms een wonderbaarlijk vernuftige vinding om genoemde moeilijkheid te verhelpen. Als de dam gebouwd is en 't water diep genoeg voor de veiligheid, graven de bevers een gracht om een uiteinde van den dam voor het afvoeren van het overtollige water. Ik ken nergens in bosschen of velden iets, dat ons nader brengt tot het wilde volkje, in denken en voelen, als het vinden van zoo'n gracht, waar 't water veilig doorstroomt langs 't handenwerk van den bever, terwijl de dam zich recht en hecht in den stroom uitstrekt, en daarachter de koepelvormige hutten oprijzen.
Eens heb ik gemerkt dat de bevers van menschenwerk gebruik hadden gemaakt. Een reusachtige paaldam was in een rivier in de wildernis gebouwd om een stuw te krijgen voor het vlotten van balken uit de bosschen waar gehakt werd. Toen de dennen en sparren van vijf-en-dertig centimeters alle verdwenen waren, had men dien aanleg verlaten en den dam laten liggen--met open sluisdeuren natuurlijk. Een paar jonge bevers, op zoek naar een winterwoning, vonden die plaats, en het was juist wat ze zochten. Ze rolden een gezonken stam als grondslag voor de sluisdeuren, dichtten ze met elzestruiken en steenen, en klaar was 't werk. Toen ik de plek ontdekte hadden ze een vijver van een mijl breed om in te spelen. Hun hut stond op een prachtig plekje, onder een zwaren spar, en hun ingang glooide neer in twintig voet water. Die ligging was stellig goed gekozen.
Nog een dam, dien ik eens 's winters op de rendierjacht vond, was wonderlijk goed geplaatst. Geen ingenieur kon het beter uitgezocht hebben. Hij was gemaakt door dezelfde kolonie waar de lynx op loerde, en even stroomaf vanwaar hij zijn pantomime voor mijn plezier opvoerde; zijn prent was er ook. De vlakten waar ik van sprak zijn boomlooze uitgestrektheden in de Noordelijke bosschen, beddingen van oude, ondiepe meren. De bevers hadden er een gevonden waar een rivier doorheen stroomde, en waren die gevolgd stroomaf tot aan het uiteinde der vlakte, waar twee beboschte landtongen van weerszijden uitspringend bijna elkaar raakten. Hier was vroeger een doorgang en hier bouwden ze hun dam en herschiepen op die manier het vroegere meer. Het moet 's zomers een aller verrukkelijkst plekje zijn--een of anderhalf duizend bunder speelterrein, vol veenbessen en sappige wortels. 's Winters is het te ondiep om veel te deugen, behalve een paar bunder om de ingangen van de beverhutten.
Er zijn drie wijzen om een dam te bouwen, die algemeen bij de bevers in gebruik zijn. De eerste dient voor trage, met elzen bezoomde rivieren, waar ze van den bodem af kunnen bouwen. Twee of drie stammen hebben ze laten zinken; die vormen den grondslag, drie tot vijf voet breed. Takken, aangedreven hout en stammen, die de bevers aan de oevers vellen, worden hier opgestapeld en met steenen en modder bezwaard. De keien worden van den oever afgerold of aanmerkelijke afstanden onder water vervoerd. De modder draagt de bever in zijn voorpooten, die hij tegen zijn kin gedrukt houdt om zoo een groote handvol te kunnen meevoeren zonder morsen. Bevers houden van zulke rivieren met hun elzenschaduw en zoete grassoorten en wilde weideranden, meer dan van eenige andere plek. En, laat ik even opmerken, de meeste van de natuurlijke weiden en de helft van de meren in Nieuw-Engeland zijn door bevers gemaakt. Wanneer je naar het einde van een boschweitje gaat, onverschillig welk, en je graaft daar waar de rivier er uit wegstroomt, dan zul je, soms tien voet onder de oppervlakte, de overblijfselen van den eersten dam vinden die de weide deed ontstaan toen het water terugvloeide en de boomen doodde.
De tweede soort van dam is voor snelle rivieren. Dicht kreupelhout van een tien voet is 't voornaamste materiaal. Het hout wordt afgevlot naar de uitverkoren plek, de toppen neergebogen door ze met keien te bezwaren en de dikke einden vrijgelaten, zoodat ze stroomaf wijzen. Zulke dammen moeten natuurlijk van de kanten uit gebouwd worden. Ze zijn gewoonlijk gebogen, zoodat de bolle kant tegen stroom in ligt om een steviger bouw te krijgen. Als de boog in het midden sluit, wordt de kant van den dam die stroomaf ligt zwaar met aarde en steenen versterkt. Dat is sluw overleg van den bever, want wanneer de boog eenmaal door twijgwerk afgesloten is, kan de stroom aarde en steenen, voor het versterken gebruikt, niet meer wegsleuren.