Het beleg en de verdediging van Haarlem, in 1572-1573 (deel 1 van 3)
Part 21
--»Maar hooger eer voor wien het zou gelukken, vrouwe Van Duivenvoorde te bevrijden,« zeide Kenau, een doordringend en toch meewarig oog op den kolonel slaande. »Gij verheelt het, mijnheer, door een kalm gelaat te vertoonen: maar uw hart is vol kommer en bekneld. Voorwaar! als bijzondere ramp kon ook geen zwaarder u treffen. Dat bidde ik, dat de Heer haar voor u redde.«
--»Uit het oog van Van Duivenvoorde's nicht--de vrouw van burgemeester Van Vliet--sprong bij deze woorden een traan, en die traan was de eerste niet; want zij dacht weder levendiger aan het bange lot harer moei; zij was weder levendiger bij de drie kinderen, wellicht voor altijd van hunne moeder beroofd, zonder dat ze bewustheid hadden van de ontzettende toekomst, welke aan die moeder boven het hoofd hing. En onder al die aanwezigen heerschte eenige oogenblikken een somber zwijgen; want allen gevoelden, weer inniger Van Duivenvoorde's pijnlijk lot.
--»'t Is waar,« zeide deze, »mijne trekken verraden niet, mejuffer, hetgeen waarvan uw mond spreekt; en dat zullen zij nimmer; want daartoe doe ik mijne ziel geweld aan, en dat moet, dat wil ik. Geen soldenier moet op mijn aangezicht gissen, waar mijne ziel vol van is, vol, nacht en dag, onder slapen en waken, op de wallen en in mijn huis; en rusteloos peins ik op middelen, om haar te bevrijden. Dat middel vind ik nochtans niet.«
--»List zou hier vermogender kunnen zijn dan geweld,« sprak Kenau, welke de teedere snaar niet aangeroerd had, om ze weder oogenblikkelijk in rust te laten--die niet had willen wonden, zonder misschien ook een middel tot heeling aan te bieden, »List is soms de strik, die den tijger in zijne sprongen verwart: maar zoo list mislukte--zou mijn heere Ripperda dan niet tot een forschen uitval kunnen besluiten? Wellicht ware dan de kans groot om van den vijand in handen te krijgen, wat bij hem in waarde zou opwegen tegen haar. Dat kon dan eene uitwisseling geven, waardoor de grieve van uw gemoed zou geheeld worden.«
--»Daaraan dacht ook ik reeds,« zeide Van Duivenvoorde, »maar ik heb die gedachten van mij gejaagd; want om mijn eigen gemoed te heelen, vermag ik anderen niet bloot te stellen aan 's vijands overmacht. Weet uw brein echter eene list uit te denken, waardoor ik niemand waag dan mij zelven, voorzeker, dan zou ik dat ijlings aangrijpen, en mijn dank jegens u zou zonder peil wezen.«
--»Meer dan eens heb ik daarop reeds gepeinsd, heer!« antwoordde Kenau, »maar schoon men aan de vrouw daarin den roem geeft, heb ik evenwel niets kunnen uitdenken; want groote hinderpalen gaan er mede aan de hand. Maar wat ik niet bepeins met schroom of angst, is daarin gelegen: zoo het aantal mannen ontbreekt, om met verwachting op goed gevolg, een uitval te wagen, dan verpand ik mijn leven, dat in Haarlem nog moedige vrouwen zijn, om hen te schragen, en hetzij de nood prangt, hetzij één dam te meer den stroom zou kunnen tegenhouden, dan wil Kenau Hasselaar, deze dam zijn--iederen dag, ieder uur.«
En terwijl die vrouw deze woorden sprak, scheen de heilige, op haar gelaat zoo zichtbare geestdrift nog voedsel te krijgen, evenals de geurige vlam op het altaar, wanneer de koorknaap nieuwen wierook in de schaal werpt. Allen, die rondom haar zaten of stonden, hielden vast en onbeweeglijk de oogen op haar gericht; doch nauwelijks had zij gezwegen, of Matthijszen, het woord opnemende, zeide:
--»Schoon men in gansch Haarlem vrouw noch maagd vond, geneigd om dat zelfde spoor op te streven, mejuffer, dan gewis zou uw woord alleen daartoe krachtig genoeg wezen. Voorwaar, kolonel!« vervolgde hij, zich tot Van Duivenvoorde wendende, »een wel aangelegde uitval kon met goed gevolg worden bekroond, zonder dat wij daartoe eene moedige vrouwenschaar behoefden, op welke wij nu reeds kunnen bouwen, als de nood het eenmaal eischt. En zoo het wagen van dergelijken uitval haar kon bevrijden, die u zoo nauw aan 't gemoed ligt, dan is mijn zwakke arm van stonde aan tot uwen dienst.«--
--»En de mijne, dat zweer ik,« zeide Lancelot van Brederode; »zoeken wij Spaansch gespuis in handen te krijgen, dat wij van de galg willen sparen, om het tot losprijs te doen strekken van een overwaardig kleinood.«
--»Ook ik ben de man, op wien gij in deze zaak rekenen kunt,« zeide Vader, terwijl hij Van Duivenvoorde met Duitsche rondheid en hartelijkheid de hand bood.
--»Ook ik,« liet hopman Van der Laan hooren, »en zoo God het dan wil, streven wij een tweevoudig doel tegemoet, de afbreuk van onze vijanden en het herwinnen van zoo waard een pand: maar niets zonder onzen heere Ripperda; niets zonder wijs beraad; dit staat vooraan.«
--»Gewis,« hernam Matthijszen, »niets zonder Ripperda; want wie eer en roem wint, doch plicht slippen laat, dien is niets ten deele gevallen, waar hij op roemen mag.«
--»En wat mij belangt,« zeide burgemeester Kies, »ik ben een man, aan wien het vreemd is, wapenen te voeren; maar het faalt mij noch aan moed daartoe, noch aan den wil om u dienstig te wezen. Reken dus ook op mij.«
Nu wilde ook burgemeester Van der Laan spreken, hetzij in den geest der overigen, hetzij door eenig ander voorstel: doch Van Duivenvoorde zijn doel radende, voorkwam hem en zeide:
--»Hebt grooten dank, mijne heeren, allen, voor uw dienstaanbod; het vervult mij met vreugde en aandoening, omdat het mij blijkt, hoe vele harten van vriendschap voor mij gloeien. Maar nimmer zal ik toestemmen--dat is mijn besluit na koel beraad en overleg--dat Haarlems burgers zich voor mij in den dood wagen. Spaar dus een verzoek aan mijnen heere Ripperda, waar ik mij met kracht tegen verzetten zou. Voor mijn bijzonder leed wage niemand zijn leven, zoo nuttig en noodig voor het algemeene heil. Dat verzoek ik u ernstig, mijne vrienden, en reikt mij de hand, ten teeken, dat gij alzoo doen zult.«
--»Zoo waarachtig als ik leef, daartoe zal ik de hand niet uitstrekken,« zeide Brederode; »maar zooveel te krachtiger tegen het Spaansch gebroed.«
--»Hoe, kolonel! gij slaat die hulpaanbieding van de hand?« vroeg Matthijszen, »beraad u wel; want gij kondt er te eeniger tijd berouw van hebben.«
--»Kies het beste,« sprak nu ook burgemeester Kies, »te meer, gij zoudt niet aarzelen of schromen, insgelijks zoo te doen, wanneer een uwer vrienden in uw leed was.«
--»Dat kon zijn,« antwoordde Van Duivenvoorde, »maar mijn besluit is vast, nooit te zullen gedoogen, dat velen den vijand tegemoet gaan, ter liefde van mij; want dit toch staat bijkans zeker, dat geen der Spaansche aanvoerders onze buit wezen zal, zonder dat het bloed kost van een der onzen, en voor dien prijs wenschte ik het dierbaarste van mijn leven niet terug, neen dit kan, dit mag ik nooit.«
--»Dat doet uw edelmoedig hart eer aan,« zeide burgemeester Van der Laan, »geen heil of welvaart tot onheil of kwalijkvaart van den broeder: dat is de leer van den godsdienst, en schoon is het, als de krijgsman zich dekt met het schild van 't geloof. Zoo gij dus hooger kondt rijzen in mijn goeden dunk jegens u, dan is dit thans geschied. Gewis, zoolang het Haarlem niet faalt aan mannen van zoo kloeken trouwen geest,--zoolang Haarlem zelfs vrouwen heeft,« en hij sloeg den blik op Kenau, »bereid, den vijand te weerstaan of te bestoken, dan zal, onder Gods hulp, Haarlems vrijheid worden gewrocht.«
--»Ja,« zeide Kenau, terwijl zij nu van haren stoel opstond en in blik en houding nog meer fierheid vertoonde, »wat ik sprak, was de taal van mijn gemoed. Als de nood prangt en overmacht dreigt, de stad te overweldigen, dan grijpen ook vrouwen het zwaard aan, dan tracht ook ik het jok af te schudden; en mijne stem zal dan niet ijdel klinken; dat lees ik reeds nu in anderer oog; ik bedrieg mij niet.«
Nu sloeg zij de fonkelende oogen op de vrouw van burgemeester Kies, te wel bewust, dat deze het als met electrieke stof bezwangerde voorwerp was, dat bij de eerste losbarsting vonk en vuur geven zou.
Brecht Engberts Proosten was eene vrouw van veertigjarigen leeftijd. Zij vereenigde met eene bevalligheid, die bijna schoonheid had mogen heeten, al het zachte en innemende, dat ons aan het gelaat eener vrouw zoo zeer boeit. Bij haar boeide deze zachtheid temeer, omdat men wist, dat ze èn met onbevreesdheid, èn met schranderheid en vastberadenheid van ziel gepaard ging. Haar echtgenoot, Kies, was reeds geruimen tijd vóór dat de stad zich aan de zijde van den prins schaarde, verdacht gehouden, de partij van Oranje te zijn toegedaan. Ook was hij onder de protestanten, die een gebouw voor hunnen godsdienst hadden verlangd. De Spaanschgezinden trachtten hem derhalve in handen te krijgen; doch zijne vrouw wist hem zoo wél te verbergen, dat alle onderzoek vruchteloos was. Zoo het waar is, dat Kies zijne woning had op de Oude Gracht bij de Kleine Houtstraat, dan moet de hoofdschout Foppens ook daar gewoond hebben; zeker is het, dat deze een zijner geburen was. Bij gelegenheid nu eener vruchtelooze huiszoeking ontwaarde de schout, dat de vrouw van brouwer Kies zich zwanger bevond en voerde haar derhalve tegemoet: »uw man kan niet ver van de hand zijn.« Zonder over deze gegronde aanmerking te onthutsen, antwoordde zij--en wij verzwijgen het niet; want het schetst ons in één trek den geest dier dagen--»de weg ligt voorbij de deur, mijnheer!« Schroomde zij niet, het zich te getroosten, dat men haar aldus niet ondubbelzinnig voor eene zedelooze vrouw hield, nog te meer grond van waarschijnlijkheid gaf zij aan dit vermoeden, toen zij, heimelijk bevallen zijnde, daags daarna voor de deur harer woning post vatte en schijnbaar de handelingen nabootste dergenen, die de palen der zedelijkheid hebben overschreden. Maar met het oog op den Heer, die zoowel de schande als het kruis verdroeg, deinsde hare groote ziel voor den kwaden schijn niet terug, waar het de veiligheid van haren echtgenoot gold. Hare schranderheid gelukte; Kies bleef vrij en het was hem later de grootste wellust, wanneer hij dit onvergelijkelijk bewijs van liefde en trouw in den kring zijner vrienden met geestdrift verhalen kon.
Geen wonder, dat zulk eene vrouw ook niet voor andere opofferingen zou terugbeven; geen wonder, dat Kenau Hasselaar den gloeienden blik het eerst op haar sloeg; want zij had het antwoord, dat deze geven zou, verwacht.
--»Bij onze vriendschap, bij de verdrukking van ons vaderland,« antwoordde Brecht Proosten, »maar bovenal bij het wee, dat Haarlem bedreigt, doe ik hier de plechtige gelofte, elken dag en uur tot Haarlems verdediging vaardig te zijn. Al wat eene zwakke vrouw doen kan, dat zal ik: uwe woorden zullen niet vergeefsch gesproken zijn.«
--»Gewis, gij hebt u niet bedrogen,« sprak de slanke Magdalena van Schoten, zich tot Kenau wendende, »ook in mij niet. Waar eene vrouw, door het huwelijk verbonden, het rapier aangrijpt, daar zal ik de tweede zijn: dat is ook de taal van mijn hart op dezen eersten dag van het jaar.«
--»En zouden zij dan aarzelen, die nog vrij zijn van het huwelijk?« liet hare zuster Maria van Schoten hooren. »De woorden van Magdalena zijn de mijne, en zij zullen het blijven voor altoos.«
--»Ook de mijne!« sprak de schoone Henrica van Vliet, »moge mijne hand zwak wezen,--zij zal kloek worden tot het aangrijpen van het rapier.«
Ware Gerrit Ruikhaver, de vaandrig, tegenwoordig geweest, zoo zou Maria van der Laan ongetwijfeld het eerst naar hem den blik hebben gewend. Thans richtte zij het bruin gelaat tegelijk met Anna naar haren vader, en ofschoon alleen zij het woord voerde, scheen dezelfde taal ook van Anna's zachte lippen te vloeien: hare ziel sprak uit den mond van Maria.
--»Gedoogt gij het, mijn vader!« zeide zij, »dan zullen ook wij onder het getal wezen, en mogen de zusters dan blijk geven, dat zij niet onderdoen voor den broeder.«
--»Voedt geen twijfel,« zeide de burgemeester, »dat ik ooit u zou terughouden. Al ware het tal mijner kinderen nog zoo groot, ik zou niet toeven, hen eigenhandig 't rapier aan te gespen: geen roemvoller dood toch dan in het verdedigen van 'tgeen ons het nauwst aan het hart ligt: dat is godsdienst, vrijheid en vaderland.«
En terwijl die mannen daar stonden, hoorende, wat die vrouwen spraken, scheen ook hunne geestdrift nog hooger te klimmen; want dat waren geene woorden geweest, geschreven in het mulle zand en uitwischbaar voor den eersten voetstap. Zij waren met gevoel, met ernst, met onbuigzamen wil en tegelijk als in marmer gegrift geworden, om na weken, na dagen wellicht herhaald te worden: die vrouwen hadden ze uitgesproken als een eed, en die eed zou niet geschonden worden; dit waarborgden godsdienst, vrijheid en vaderlandsliefde.
Het was ook daarom, dat niet al de gehuwde vrouwen haar woord gaven, zich eenmaal onder die schaar te zullen begeven; want op velen rustten weder andere plichten; plichten, die evenmin verzuimd mochten worden. Toch verpandden zij haar woord, als eenmaal vrouwen het staal aangrepen, dat ieder dan zorgen zou, door eene wakkere plaatsbekleedster die rij te vergrooten; en nadat ook dit besluit de ongehuichelde lofspraak der mannen had ingeoogst, namen de gesprekken weder den vorigen loop, over de belangen der stad namelijk, het verledene en een blik in de toekomst. Men sprak over Talesius en Van Roosveld, die nog voortdurend in hun huis bewaakt werden; over den langen, eenoogigen vreemdeling, die sedert verscheidene dagen verdwenen was, zonder dat iemand, behalve Ripperda, wist, op wat wijze en om welke redenen. Ook sprak men over de verraders Van Groeneven en Van der Mathe, de weduwe van den bakker,--die om zijn bedrog, van te licht brood te hebben gebakken, de schavotstraf ondergaan had,--over den heere Van St.-Aldegonde, die, na herhaalde brieven van den prins, dien zelfden morgen uit Haarlem was vertrokken; over den geleerden Junius en over Koornhert, die niet meer in Haarlem waren, over den schilder Heemskerk, die de stad was ontweken, en over vele andere onderwerpen, doch het meest over de zoodanige, die rechtstreeks met Haarlems tegenwoordige gesteldheid in verband stonden. En zoo er over veel een donkere sluier lag, toch zag men hier en daar lichtpunten; en wie zich tegen den middag naar zijne woning of de wallen begaf, dankte zijn hoogeren moed aan de geestdrift van burgemeester Van der Laan en de opwekkende taal van Kenau Hasselaar.
ZESTIENDE HOOFDSTUK.
Hoezeer ook de vijand op Nieuwjaarsdag zich bezig hield met aan de oost- en westzijde van de Kruispoort zwaarder schansen op te werpen en grooter schanskorven aan te brengen, met het schijnbaar doel om de stad te bestormen, was die storm echter niet gevolgd. Om den Spanjaard nochtans schrik aan te jagen, was hopman Pellikaen den volgenden nacht de Zijlpoort uitgetrokken en had zijne manschappen witte hemden over hunne wapenrusting laten aandoen, om hen daardoor te kunnen onderscheiden. De vijand werd op de vlucht gedreven, doch daar Rodrigo de Sapata, op dit gerucht, de bespringers met eene tiendubbele macht tegemoet ging, had men het raadzaam geacht, terug te trekken, terwijl de eenige buit in twee Heemskerksche boeren en een jongen bestond. Grooter blijdschap was er dus binnen de stad, toen des morgens twaalf zware met koren bevrachte sleden en eene nog zwaardere met brood ingevoerd werd; want hoewel de behoefte niet zoo groot was, schreef de voorzichtigheid toch voor, van iedere gelegenheid tot vermeerdering van voorraad gebruik te maken, wijl het zich niet liet aanzien, dat de vijand het beleg vooreerst zou opbreken.
Tot nog toe hadden de soldeniers, bij de burgers gehuisvest, zich rustig en onberispelijk gedragen; doch op den dag der heilige Genoveva liep op eens het gerucht, dat zekere vermaarde vrouw, Maria Harings, door een der soldaten van Steenbach wreedaardig om het leven gebracht was, wijl zij aan diens overmatige eischen tot keuriger voedsel geen gehoor had willen geven. Dit gerucht bleek spoedig waarheid te zijn: ieder werd op lijfstraf geboden, den moordenaar geene huisvesting te verleenen; ook had men dezen spoedig in handen, waarna hij, op bevel van Steenbach, tot waarschuwend voorbeeld, zijne misdaad met de koord boette, eene straf, welke op de anderen een diepen indruk maakte en door geene gelijke gewelddadigheid achtervolgd werd.
Nadat op den vijfden Januari benevens een nieuwen voorraad van zeven en twintig sleden met koren, een vendel soldaten, aangevoerd door kapitein Mandares, binnen de stad was gekomen, kwam er twee dagen later de tijding, dat driehonderd zware ijzeren kogels met zes en dertig tonnen buskruit uit Utrecht naar don Frederik waren gezonden, doch dat het aan de Woerdenaars gelukt was, het eene zoowel als het andere te bemachtigen. Deze tijding gaf aan de belegerden geene geringe vreugde, evenals alles, wat den vijand afbreuk deed. Doch de vreugd klom nog hooger, toen Matthijszen hem op dien zelfden dag, bij een uitval buiten de Schalkwijkerpoort, een gevoelig nadeel toebracht, ja, hem zóó op de vlucht joeg, dat verscheidene hunner in het Spaarne verdronken, zonder dat de uitvallers een enkel man verloren. Dan, hetzij de Spanjaard zich over dit verlies wilde wreken, hetzij hem nieuwe voorraad van buskruit was toegezonden geworden--in den vroegen morgen van den eerstvolgenden dag liet het geschut, dat sinds bijna drie weken gezwegen had, zich weder hooren. Niemand echter begreep waarom dat geschut, na slechts vier en twintig losbarstingen, weder plotseling het vuur staakte en de vijand achter zijne verschansingen terugweek,--terwijl den volgenden dag hetzelfde plaats greep, nadat men met honderd drie en dertig schoten op de muren gebeukt had. Dat hierdoor bij de belegerden dus weinig onrust ontstond, bleek uit het binnenkomen van zeven met buskruit en koren bevrachte sleden, alsmede aan eenige verordeningen van het stadsbestuur. Er werd bij trommelslag kenbaar gemaakt, dat de levensmiddelen tegen een bepaalden prijs moesten verkocht worden, zooals bij voorbeeld: een zesponds roggebrood tegen den prijs van drie stuivers, doch met uitdrukkelijk bevel, en op lijfstraf, dat geen inkoop hoegenaamd de behoefte van eenig huisgezin mocht teboven gaan, een maatregel, die den magistraat eere aandeed, wijl het nut daarvan weldra bleek.
Intusschen was de nacht van den tienden Januari, wegens den zwaren mist en de donkerheid, zeer ongunstig voor een leger van twee duizend Engelschen, Schotten, Walen en Duitschers, tot ontzet van de stad, door den admiraal Boisot afgezonden. Eenigen geraakten op de hoogte van het Huis Ter Kleef, anderen weder in den Hout en in de duinen verdwaald. Sommigen, door eene in den toren brandende fakkel en het luiden eener klok geholpen, kwamen gelukkig binnen de stad, doch de meesten trokken weder terug en rekenden zich gelukkig, dat deze dwaling hun niet noodlottiger was geweest. Zij, welke binnen Haarlem waren gekomen, brachten er de tijding, dat de vijand een aanzienlijken voorraad buskruit ontvangen had, en dit verwezenlijkte zich reeds den volgenden dag, toen de wallen door zeshonderd een en tachtig schoten geteisterd werden, zonder dat men echter grooter verlies te betreuren had, dan dat van een burger, aan wien op de markt een been afgeschoten werd. Het kleppen der alarmklok op dien dag, als een teeken, dat de Spanjaard voornemens scheen om te stormen, bleek ijdel te zijn geweest, daar plotselijk de verdere toebereidselen tot den storm gestaakt werden. Doch ook des anderen daags hernieuwden zij den aanval met grof geschut, en ofschoon er toen slechts honderd-vijftig losbrandingen plaats hadden, was de schade aan de wallen, kerken en woningen, in evenredigheid van daags tevoren, aanmerkelijk grooter, terwijl nog daarenboven twee aan tafel zittende personen door één en hetzelfde schot zóó gewond werden, dat het spoedig met hun leven gedaan was.
Voornamelijk had de vijand het op het blokhuis gemunt, zijnde dit moordhol--zooals men het noemde--hem sinds lang een doorn in het oog; doch met denzelfden onbezweken ijver als vroeger, werden gedurende den nacht de wijde bressen door jong en oud weder gedempt, terwijl de hoplieden Derdein en Dotin door hunne versterkingstaktiek geene geringe diensten bewezen. Ook was de moed te levendiger, wijl er in den laten avond van den vorigen dag weder een vaandel hulpbenden, onder bevel van kapitein Jasper, binnen de stad was gekomen, benevens een voorraad van acht en veertig sleden koren en buskruit, en de toezegging, dat twee dagen later nog eene andere toezending zou volgen. Deze belofte werd tot aller vreugde vervuld.
Terwijl van den eenen kant 's vijands wrok wies, hoe meer hij bestookte, en, zonder eene schrede te vorderen, dag aan dag dooden telde; terwijl van den anderen kant de Haarlemmers onbezweken hunne eer handhaafden, lag over het lot van Magdalena van Duivenvoorde een vale sluier, die van dag tot dag donkerder scheen te worden.
Vroeger waren wij op het Huis Ter Kleef in de kamer, waar don Frederik met zijne officieren krijgsraad hield, en mocht de blik van sommige lezers misschien reeds toen in het verblijf der beklagenswaardige vrouw doordringen, thans wenden wij ons er bepaaldelijk heen; want de gebeurtenis op den avond van den vijftienden Januari schrijft het ons voor.
Uit Frederiks kamer voerde ter linkerzijde van de deur eene twintig voet lange galerij naar een vertrek, hetwelk men zeide, dat door een engen gang tusschen den muur en door eene verborgene deur in den wand met de reeds beschrevene kamer gemeenschap had, doch welk geheim aan Frederik niet bekend was. Dat vertrek doorgegaan zijnde, kwam men in eene andere galerij, bijna even lang doch sierlijker. Ook hier geleidden eenige deuren met fraai beeldwerk naar andere vertrekken, en de laatste deur ter rechter voerde naar een klein portaal, zijnde de eigenlijke toegang tot eene kamer, door een dikken muur van de aangrenzende vertrekken afgescheiden. Dit was een verblijf van ongeveer zestien voet in het vierkant en had weleer tot bidcel gediend, ofschoon ieder spoor daarvan verdwenen was, hebbende men ten tijde dat de hervorming hier doorbrak en de eigenaar er zich bijvoegde, de muurnissen, waarin vroeger beelden van Heiligen stonden, laten dichtmetselen en overpleisteren, opdat zelfs het geringste bewijs niet zou overblijven, dat hier de Godheid door de zijdelingsche hulp van beelden gediend was geworden. Toch ontbrak het niet aan blijken, hoe het Huis Ter Kleef bewoners gehad had, die hoogen prijs stelden op de gewijde gebeurtenissen. Dat zag men aan de met Vlaamsche tapijten bedekte wanden, waarop niet, evenals in andere zalen, de familiewapens prijkten. Hier aanschouwde men het tafereel van Lazarus, daar de dooping van den Moorschen kamerling, ginds eene kopie van Martin de Vos, voorstellende de hooge waarde der offerande van de weduwe; doch als een meesterstuk van weefkunst in de prachtigste kleuren, werd het oog onwederstaanbaar geboeid door een tafereel, dat de gansche ruimte van den linkerwand besloeg. Daar zag men, hoe de vrienden van Jezus, na het lichaam van het kruis te hebben genomen, hunnen Heer de laatste plichten bewezen. Hoe schoon was die Maria, de Maria gefolterd door weedom, de Maria, ontgloeid van eerbied, en knielend voor het overschot van haren Goddelijken Zoon. Maar de smart prangt haar te fel; zij kan zich niet opgeheven houden, en Johannes, die lieveling, ondersteunt haar. En dan die zilverlokkige grijsaards, het lichaam van hunnen Heiland opbeurende, terwijl de vrouwen den welriekenden balsem plengen. Hier dat graf, dat somber doch plechtstatig graf van den mensch geworden Christus,--daar dat Calvarië, waar zooveel zielsangst geleden, waar zoo menige heete traan geschreid werd, en daarginds dat Jeruzalem, die heilige stad, de stad van het luidruchtig: Hosannah, en het: kruist hem, kruist hem!