Het beleg en de verdediging van Haarlem, in 1572-1573 (deel 1 van 3)
Part 2
Nog had men hem, behalve met Ripperda, slechts in aanraking gezien met Simon Simonsz, den braven predikant der hervormden, die in Haarlem het eerst als openbaar evangeliedienaar was opgetreden; en met Martinus van Herenthals, den hooggeachten gardiaan van het Augustijnerklooster in de Achterstraat. Dit moest roomsch en onroomsch bevreemden, te meer daar het gerucht ging, dat de naar gissing ruim vijf en dertigjarige vreemdeling door den prins van Oranje aan Ripperda was aanbevolen, met het verzoek om hem in geene van zijne handelingen te beperken: maar bij die bevreemding voegde zich ook achting en ontzag, als een blijk, hoe men den mensch afmeet naar zijne vrienden.
Juist toen doctor Elsen, een hoogst vreesachtig man, aan een paar naast hem staande burgers zijn angst voor den vreemdeling en zijne verwondering uitdrukte, dat nog niemand diens geluid gehoord had, werd op eens de aandacht afgeleid op den vermeenden spion bij het huis van Coster, en wel door het daverend geroep van: »een spion! een spion!«
--»Waar is hij?« lieten, onder een dicht gedrang, eenigen te gelijk hooren.
--»Daar tijgt hij te loop, de Smedestraat in!« klonk het, en oogenblikkelijk verstrooide men zich om den bespieder na te ijlen. Pellikaen namelijk, had den verdachte geen minuut uit het oog verloren. Hij had diens vraag gehoord, er min of meer een Vlaamsch accent in bespeurd en onder diens wambuis een wapen zien flikkeren. Spijt gevoelende den verdachte niet rechtstreeks te kunnen aanklampen, had hij zijn vermoeden toch aan een paar burgers medegedeeld. Deze sloegen hem nu insgelijks gade, en Pellikaen, die geene rust had, aleer hij overtuigd was, ving nu in zijne onmiddellijke nabijheid een veelbeteekenend gefluister aan. De verdachte scheen zijne rol te vergeten, wendde zich schichtig om, zag eenige aangezichten strak en doorborend op hem gericht, en trachtte vervolgens zijne rol te hernemen. Hetzij hij zich echter niet op zijn gemak gevoelde, hetzij hij genoeg had vernomen, hij wilde zich op de onverschilligste wijze verwijderen, doch op eens riep nu Pellikaen met luider stem: »een spion!«
--»Een spion! een zevenstuiversman!« riepen ook een paar anderen. Eene tien- twintigvoudige echo bauwde nu dien uitroep na, en dit was voor den bespieder het sein, dat hij niet te schielijk zijn heil in de vlucht konde zoeken.
--»Een spion van duc D'Alf!« klonk het van alle kanten, »een spion! een zevenstuiversman!« En snel volgden Pellikaen, Matthijzen benevens eenige anderen den vermeenden Vlaming achterna. In vlugheid moest men nochtans ver voor hem wijken. In een oogenblik had hij de dichtbij gelegene Morinnesteeg bereikt, terwijl de mist niet weinig bijdroeg, om hem voor het oog zijner vervolgers verder onzichtbaar te maken. Juist echter toen de spion in de Ceciliasteeg gekomen, zijne vaart een weinig had begonnen te korten, klonk hem op het einde dier steeg eensklaps een donderend »sta!« te gemoet, en voelde hij zich te gelijker tijd door eene behendige vuist aangegrepen. Dat was de vaandrig Pieter Dirksz Hasselaar, de neef van Kenau, een zeventienjarig jonkman en lid van het St.-Hubertus of jagersgild, die zich naar de markt wilde begeven, doch nog even eene kennis moest spreken, die in de Ceciliasteeg woonde. Juist toen hij van de Jansstraat, rechtsom, die steeg zoude inslaan, vernam zijn fijn gehoor het geroep in de verte; tevens zag hij den vluchteling vlak voor zich, en geen seconde aarzelende, greep hij hem, met zijne gewone handigheid, bij het wambuis.
--»Halt, kompaan« riep de vaandrig en sloeg meteen de andere hand aan diens heup.
--»Houdt hem vast; laat niet glippen!« klonk het op korten afstand, »'t is een spion van duc D'Alf!«
Maar eer de achtervolgers den tijd hadden, hem dichter te naderen, voelde Hasselaar op eens een hevigen schok, een krachtigen ruk. Eer hij het vermoedde, was de spion aan zijne handen ontsnapt; onder een schimpenden lach sloeg hij, in den mist, over de Jansstraat, de Lombardsteeg in, en liet aan den jongeling, benevens de overigen, gaarne de vrijheid, om zich over zijne kracht en snelheid te verbazen.
--»Een geluk voor hem, dat ik zonder musket was,« zeide Hasselaar spijtig tot Pellikaen en Matthijzen, die zich thans bij hem voegden. »Bij St.-Hubertus! als ik vleesch noch been had getast, zou ik meenen een spook te hebben gezien.«
--»Razend jammer!« sprak Pellikaen, »hij is als een haas op de loop. Maar gij, die op school reeds den roem hadt, dat ge niet glippen liet, wat u tusschen duim en vinger was.... hoe kost gij hem laten ontkomen als een gladde aal?«
--»Ik kan er zelf niet bij,« antwoordde Hasselaar, »ik meende goeds hands te wezen; maar ik kan niet in zijne schaduw staan. Toch durf ik wedden om eene ton bier uit de Mouthaan, dat gij mij geen van allen ontslipt, als ik u zoo krachtig beet heb.
--»'t Is om te bersten van spijt!« hernam Pellikaen, »maar ik moet er haring of kuit van hebben. Naar de Spaarnwouderpoort: want dáár is hij heen, en 't mocht wezen, dat hij er slib vangt. 't Is een spion van den Spanjaard. Wie weet, wat euvels hij ons brouwt!«
En zonder op zijne schielijke vraag, wie hem wilde vergezellen, het antwoord af te wachten, snelde hij van daar. Hasselaar en nog eenige anderen volgden hem; doch de meesten verstrooiden zich, daar zij weinig lust gevoelden, om in den grauwen nevel iemand na te ijlen, wiens talent, vooral van harddraven, hun maar al te zichtbaar gebleken was.
Het gevolg eener verdere nasporing was dan ook, dat de wacht van de Spaarnwouderpoort verklaarde, eene minuut of tien geleden, de hamei of kleine poortdeur te hebben ontsloten voor iemand, die met de persoonsbeschrijving volkomen overeenkwam, doch die niet alleen geen den minsten argwaan opgewekt, maar ook daarenboven van een goed poortersbewijs voorzien was.
--»Ja, ja, de vogel is wel gevlogen,« zeide Pellikaen, »maar....tien minuten! dan moet hij wel bek-af zijn geweest.«
--»Het lijkt er niet naar, hopman!« zeide een der soldaten van de twee vendels garnizoen, binnen Haarlem, »hij kwam zoo aangaan op zijn gemak, dat ik nog zeide: »die heeft ook niet veel spoed in de koten!«--Maar we zullen goeds kijks wezen, als hij weêr aan de hamei komt.«
--»Als het geen spooksel is geweest, dan zal hij voortaan wel achterwege blijven;« merkte Hasselaar aan; »jammer maar, dat ik zonder musket was; want op mijne vendrigseer, het zou hem wel eene vlerk hebben gekost!«.
Onder herhaalde betuigingen van Pellikaen, dat het hem bitter speet, zich niet in tijds van den spion meester te hebben gemaakt, dewijl hij vreesde, dat hieruit voor Haarlem iets kwaads zou volgen, en onder vernieuwde verzekering van Hasselaar, dat hem het gemis van zijn voortreffelijk musket, de eenige oorzaak van de ontvluchting was, keerden zij langzamer, dan zij gekomen waren, naar hunne woningen terug, en spoedig was de gedachte aan den verspieder verdrongen geworden door het meer gewichtige punt, wat op morgen het besluit zou zijn van den magistraat.
TWEEDE HOOFDSTUK.
Nog lag een donkergrijze sluier over Haarlem uitgespreid; nog flikkerde hier en daar eene star tusschen dikke, grauwe wolken, toen te zeven ure de regeering reeds in de antieke, ruime vroedschapszaal van het raadhuis vergaderd was.
Het vuur, onder de twee breede, kolossale schoorsteenen, die op ronde kolommen, met kunstig beeld- en snijwerk, rustten, wierp een koesterenden gloed om zich heen, en door het licht der kaarsen geleek de morgen naar een helderen avond. Daar zag men het viertal burgemeesters, de zeven schepenen, benevens een aantal deftige vroedschapsleden; en overwegende, hoe de eersten het gewone bestuur hadden en het hoogste gebied in alle politieke zaken, hoe op hen het beheer rustte van de tijdelijke goederen en inkomsten der stad, hoe zij moesten waken voor hun behoud en welvaren, waken voor den burger en diens rechten en privilegiën en handvesten,--hoe tot dat ambt een tienjarig poorterschap met een vermogen van zeshonderd schilden vereischt werd, dan moeten wij bijna glimlachen bij de waarheid, dat nog slechts sinds drie jaren, tot belooning dier moeitevolle taak, hun vrije belasting vergund was geworden en, voor elke zitting, het tiende gedeelte van een Hollandschen gulden. En toch zien wij hen daar vergaderd met alle belangstelling in hun gewichtigen post. Wij zien er hen niet meer als die stadsregeering ten tijde van Filips van Bourgondië, kiezende uit hun midden naar willekeur en naar luim;--wij zien hen daar, sinds den opstand tegen verguizing, in toenadering tot den poorter; den poorter vaak hoorende en kennende in zaken van gewicht, sinds voor Nederland het groote vraagstuk was opgeworpen, te bestaan of niet te bestaan. Met een gevoel van hooge achting en eerbied zien wij er hen vergaderd om er het belang van Haarlem te wegen op de fijne goudschaal van het verstand en den godsdienstzin der tijden; wij zien hen daar plechtig en statig in het vroege morgenuur te zamen. De kleine, vlakke hoeden met smalle over den bol liggende randen, bedekken thans hun hoofd niet; die hoofden zijn ontbloot, en verhoogen den deftigen ernst op sommiger gelaat. Die prachtige halskragen, op zilveren of gouden banden geregen--hoe keurig zijn ze geplooid, en hoe blinkt het witte der fijne kant of het Kamerijksche doek u tegen. Werp een blik op die sierlijk kastanjebruine en zwartkleurige wambuizen van satijn, zijde of laken, kunstig met bevallige bloemen, strepen en schakeersels geborduurd en met een aantal zilveren of gouden knoopjes gesloten: want velen hunner zijn rijk en vermogend, in weerwil van den sinds lang in beoefening gebrachten, Spaanschen stelregel: »beter geen land dan een uitgeput land: liever eene wildernis dan een land met dwaalgeesten.«--Maar sla vooral het oog op die halve mantels, waarin sommigen gedost zijn; het is waar, ze zijn kostbaar en prachtig, doch vorm en snede zijn die van den Spanjaard, van den Spanjaard, met wien Nederland in openbaren krijg is. Grooter jammer voorzeker, dat zoo velen dier achtbare vergadering niet slechts in uiterlijken maar ook inwendigen vorm dien Spanjaard gelijk zijn, of hem althans op zijde hangen; jammer, dat wij enkelen dier vergadering, vooral Van der Made en Groeneven, verachten, voor sommigen een schouderophalend medelijden moeten gevoelen, daar wij er zoovelen aanschouwen, voor wie wij met eerbied en ontzag zijn vervuld.
Dirk Jacobs de Vries, een tenger en bleek man van twee en zestig jaren, is thans president of voorzittend burgemeester. Hij is het, die in het beraadslagen aan de vroedschap desnoods perk en maat stelt, die advies vraagt, die stemmen verzamelt en er dan het besluit uit opmaakt. Aan hem is het ook, de vergadering te openen; en, nadat dit op de gebruikelijke wijze was gedaan, nam hij ook het eerst het woord op.
--»Mijne Heeren!« sprak hij, op een toon, niet geheel vrij van belemmering. »Gelijk u bekend is, sloten wij op gisteren onze vergadering, zonder eindbesluit, en om met dieper zin te bepeinzen, wat nuttig zijn zal en noodig. Ik zal dan aanvangen, om u allen te zaam te verzekeren, dat ik op de wichtige aangelegenheden meer dan den halven nacht heb gewaakt; dat ik gewikt heb en gewogen het welzijn van deze goede stad en burgerij; en alzoo spreek en betuig u plechtiglijk, dat mijne meeningen van gisteren ook die van heden zijn.«
Strak en ernstig waren aller oogen op den schroomvollen voorzitter gericht, en--eenige seconden heerschte er een veelbeteekenend stilzwijgen. De medeburgemeester, Gerrit Hendriksz Stuiver, gaf zijn ongenoegen door een licht hoofdschudden te kennen; Johan van Vliet vertoonde een ontevreden trek om zijn mond en Nicolaas van der Laan gevoelde afkeuring en wrevel, die hij echter op geenerlei wijze aan den dag legde.
--»'t Zal dan noodig wezen, heer voorzitter, dat gij die meeningen herhaalt,« zeide, op zijn gewonen vrijmoedigen toon, Johan van Vliet, een veertigjarig man, van een even bevallig als edel voorkomen, zelfs in weerwil van de misnoegde plooi om zijne lippen, »of is daar niet de schepen Adriaansz en het vroedschapslid Deyman, die op gisteren, gewis om wichtige redenen, niet ter vergadering waren? want ofschoon zij iets gehoord mogen hebben van 't geen over aller tong gaat, zoo is dit niet geschied in den raad.«
--»'t Zal dan ook noodig zijn en passend, vooraf het geschrift te doen kennen, dat ons behandigd werd van den eerwaardigen heer,« zeide de president, zonder te laten blijken, dat hij het scherpe in de woorden van zijn ambtgenoot gevoeld had.--En nu verzocht hij, dat de secretaris, met luider stemme, den brief zou voorlezen van Jacob Wy, pastoor van het groote Bagijnhof, zich thans te Amsterdam bevindende, en gericht aan zijn' broeder. Deze luidde aldus:
»De verzekering van des konings groote goedertierenheid en genade is er, bijaldien zij zich vanzelven kwamen presenteeren en overgeven aan den hertog van Alva; alsdan zou niet gedacht worden aan al 't geen, dat was gepasseerd, maar alles zou vergeven en vergeten zijn, zonder dat men een eenig burger daarover zoude straffen, reppen of roeren, gelijk gebleken was aan de steden, die zich goedwillig hadden komen over te geven, en was er alleen rigueur gebruikt tegen diegenen, die hardnekkiglijk hadden gepersisteerd in hunne rebellie en des konings heirkracht hadden willen tegenstaan en tegenweer bieden: hun overzulks radende, deze occasie niet te laten voorbijgaan, maar hunne gedeputeerden te zenden, en zichzelven te presenteeren en over te geven, alzoo zij toch des konings macht niet konden tegenstaan. Zij konden wel considereeren, hoe kwalijk het hun vergaan zoude, indien zij hardnekkig bleven en deze macht zouden willen verzoeken en experimenteeren.«
--»Gij hoort het geschrift van een wijs man, die Haarlem goed gezind is,« sprak nu de voorzitter. »En mijne meening?... Zij is de zijne. Verderf wacht ons, zoo wij het hoofd hoog dragen en door rebellie en ongehoorzaamheid den koning onzen heer tegengaan. Veel beter zal het wezen, van onzen rechten landsheer geprezen te worden, met genot van genade, dan in 't gevaar te vallen van vuur en van zwaard. Wijselijk te wijken voor overmacht was heilzaam in alle tijden, en wanneer ook wij alzoo met de wijsheid te rade gaan, dan hoeden wij ons voor leed en verderf, terwijl wij ons tevens kwijten van den plicht, die op den trouwen onderzaat rust. Aan zulk een gevoelen blijf ik mij vasthechten in vertrouwen en hope, dat het zoo ook wezen zal met u allen.«
Nauwelijks had hij gesproken, of een vijftigjarig man verhief zich ten halve van zijne zitplaats; een man over wien de geschiedenis een onverschoonbaar stilzwijgen bewaart, de tweede burgemeester Nicolaas van der Laan. Maar, wie van hem zwijge--wij kennen hem. Voor ons liggen de stedelijke registers en archieven, als de onwraakbare getuigen, wie hij was, wat hij deed. Voor ons ligt het afbeeldsel van den man met zijn eenigszins ingevallen doch edel, ernstig gelaat, de blijken dragende, hoe zijn geest onverpoosd dacht, en uitvoerde, na rijp beraad. Aanschouw dat beeld, want het is uwen blik waardig. Zie op zijn aangezicht die onveranderlijke, die eenparige rust, maar de rust, die een vurige ziel verbergt, welke noch het begin, noch het midden van den draad, dien zij spint, aan anderen in handen geeft. Zie in hem een geest, niet ongelijk aan dien van Oranje, een geest, ondoordringbaar voor list, onvermoeibaar als de raderen eener machine, maar toch buigzaam als was, toch kneedbaar voor de hand van vriendschap en liefde. Hij wist anderer gemoed te peilen en naar zijn doel te vormen, doch had genoegzaam beleid en beheer op zichzelven, om geen zweem van eenige lotswisseling te vertoonen, hetzij die helder, hetzij die nevelachtig was. Want vrees had geen toegang tot zijne ziel. Vandaar die spoed, die standvastigheid in het uitvoeren, in een tijd van woeling en botsing, van hartstochten en onbeslist gezag, in een tijd, dat er veelal spoed en vaardigheid werd geëischt.
--»Een voorrecht is het, dat men vermag te spreken, eer men besluit,« zeide hij, »en raad gebruiken ontslaat den regeerder van veel opspraak. Hoe is het geschapen met ons land, met onze goede stad? Wat is er gewrocht, en wat toeft ons? Van ééne zaak slechts zal ik reppen, maar 't zal wezen van eene wichtige zaak voor heel het volk, voor heel het land. Felle wonden zijn ons reeds geslagen, en zij zullen nog bloediger worden. Of wat is er te hopen van eenen Alva? Was hij niet doof, wanneer er met kracht van rede werd aangevoerd, hoe de hatelijke tiende penning tot ondergang zijn zou van heel het Vaderland? IJdel, dat men hem voor oogen hield, hoe 't woedende water nog kortgeleden onzen grond had overstroomd, hoe de handel gestremd, de armoede der gemeente groot was. IJdel onze klachten over den duren graantijd, rooverijen, brandschattingen, last van garnizoenen, verlies van schepen ter zee en ongewone tollen.--'t Was de stemme des roependen in de woestijn, dat de vreemdeling Holland zou schuwen, dat hij in Holland niet meer ter markt zou gaan, zoo de verkoop bezwaard werd door een tienden penning. 't Was vruchtelooze taal, dat de weverijen zouden verkwijnen, als de handel en haringvisscherij,--dat de last bovenal zou drukken op den schamele, die slechts geld voor kleine maat heeft, nadat ze door menige hand is gegaan. Maar vrijelijk had men woord en klacht mogen sparen: want zij vielen in een rotsgrond. Met het glippen der nering, sloop de verbittering in, en toch dreigde de hertog, bleek van wrevel en hoon, dat hij wapenen zou te baat nemen, om den tienden penning in te vorderen; en kan Brussel niet getuigen, hoe zijne beulen reeds den strop vaardig hadden? Dit alles ligt ons nog versch in 't geheugen: want de tiende penning is geene artsenij van korten nasmaak. Laat ons dan niet in den strik van eene onzekere hoop vallen! Want ik vraag het u allen, ik vraag het met luider stemme--wat vertrouwen, wat hope is er op een man, die slavernij en dood in zijn vendel voert?«
Dat was wrijving, dat was contrast met de woorden van De Vries. Eene halve minuut heerschte er een gespannen stilzwegen onder de magistraat. Op het Judas-aangezicht van het vroedschapslid Van Groeneven kwam zichtbare wrevel te voorschijn. Johan van Duivenvoorde hing met de volle, edele ziel aan de lippen van Van der Laan. Van Schagen rilde inwendig, dat Van der Laan's woorden zouden zegevieren, en Philippus van der Mathe beet zich ongeduldig op de tanden, dat de beurt om te spreken nog niet aan hem kwam: want nog moesten burgemeester Stuiver en Van Vliet zich laten hooren, en men wist, hoe getrouw deze den koning van Spanje wilden zijn, maar hoeveel verachting zij hadden voor den landvoogd.
--»Geen vertrouwen op den hertog!« zoo ving burgemeester Van Vliet aan met de drift, die zoowel aan zijne stem als gebaren eigen was, en tevens den edelman van rang en vermogen kenmerkte. »Dat hij bukke, die liever slaaf wil wezen dan vrijman. Denkt men, in ons land de domme lieden weder te vinden van Peru en Mexico, die zich verdelgen lieten bij duizenden?... Ik zie enkel handvestbreuk en geweld, en het bloed van Egmond en Hoorne heeft gestroomd tot onze waarschuwing. Wie zich nog niet heeft laten blinddoeken, kan heenzien door het gordijn. 't Mag zijn, dat de wetten door Viglius ontworpen, op landgenooten en privilegiën gegrond, door onze nakomelingen zullen aangemerkt worden, als blijken van hooge wijsheid; maar achter het mooi omkleedsel schuilt het doel om zich rijker te maken met ons geld en onze have; of diende de pijnbankstraf van Bakkerzele tot iets anders, dan om te weten, dat de koffer vol zilver en de elf kisten van den Graaf Van Egmond bij de zwarte poort lagen begraven?.... Dat wij dan toezien, mannen broeders, ons niet vaster te laten inklemmen: want men loert op verderf van het land en overweldiging door het dwingelandsjuk; de voorrechten van de edelen, de rechten van het volk liggen gekneusd; en wanneer wij niet kloek en fier het hoofd opsteken, dan zal, met de glorie, ook de naam van ons land dra verdwenen zijn van de wereldkaart. Trouw aan den koning onzen heer, maar weg met Alva en zijne tirannie!«
Feller werd de wrevel van Van Groeneven, Van der Mathe en anderen; en hoe men dien wrevel ook trachtte te ontveinzen, toch ontsnapte hij niet aan de scherpe blikken van Van der Laan.
Thans was het woord aan Gerrit Hendriksz Stuiver, een man van ongeveer veertig jaren, op wiens zachtgerond aangezicht oprechte vroomheid en braafheid te lezen stonden.
--»En wat ligt nauwer ons aan 't gemoed dan de godsdienst?« sprak hij met eene bedaarde, welluidende stem. »Als de meesten van ulieden, bleef ik aan het geloof mijner vaderen getrouw, en toch kunnen velen uwer getuigen of ik niet mijn penning bijdroeg tot opbouw der kerkloods op de Baan, voor hen, die van de nieuwe leer zijn. En ik deed het van ganscher hart, tot den dienst en het welbehagen van onzen Heer. Naar mijne conscientie toch en voor Christus acht ik het oorbaar, alle uitoefening van godsdienst te gedoogen, zoo zij rein geschiedt en met een goedgezind hart. Of is het niet de gruwelijkste dwang, een vrij gemoed tot een geloof te dwingen, dat men voor valsch acht en kwaad? Of is het geen tirannie, iemand tot letsel te zijn in een godsdienst, dien hij voor waarachtig houdt? En hoevelen zijn niet afkeerig geworden van de kerk, door vervolging en bloedplakkaten tegen ketterij? De graaf Van Bossu moge gewagen van verwarring in de religie, zoo wij niet met een hart vol berouw ons onderwerpen aan 's konings zachtmoedigheid.... Maar bij de Heilige Drievuldigheid, bij den God, die de nieren proeft en de harten van roomsch en onroomsch kent.... reeds ziet mijn oog binnen de muren onzer stad schavot en brandstapel verrijzen, wanneer voor 's hertogs soldeniers hamei en poort ontsloten zullen zijn. Ik zie reeds den beul met de brandfakkel in aantocht. Mannen broeders! dat wij dus kloek zijn en waken voor de vrijheid van onze burgers, bovenal in zaken van 't geloof. Dat zij laten, wat hun kwaad--dat zij doen mogen, wat hun goed dunkt. Mannen broeders! zijn wij gedachtig, wat het zegt: vrijheid van nijverheid en nering, maar bovenal vrijheid van geloof.«
Daar wij ons toch niet van de onaangename taak kunnen bevrijden, met Adriaan van Groeneven in aanraking te komen, zoo willen wij hem liever thans dan later in zijn uiterlijk, zoowel als in zijn karakter voorstellen. Zijn, door de kinderziekte geschonden ovaal gelaat, had niets opmerkelijks, tenzij men uit het nedergeslagen oog vreesachtigheid, op het gefronste voorhoofd trotschheid wilde lezen. Inderdaad maakten dan ook deze beide eigenschappen gedeeltelijk, en hebzucht hoofdzakelijk zijn karakter uit: voegt men daar nu bij, dat hij loos en valsch was, doch vooral van gloeienden haat tegen de belijders der hervormde leer blaakte, dan begrijpen wij wel, dat hij vroeger tot schepen, en deken van den Cloveniers-doelen,--doch slechts ten halve, hoe hij in Augustus van dit jaar, door de afgevaardigden der edelen en steden van Holland nog tot lid van Haarlem's vroedschap was benoemd geworden. Maar hij was bedreven in de kunst van vermomming; en wat zijne onverdraagzame hevigheid in den godsdienst betrof--Van Groeneven was roomsch-katholiek, zooals de magistraatspersonen in de steden toen nog voor het meerendeel waren; en de hervorming was in veler oogen slechts afschaffing van het beproefde en eerwaardige, slechts oproerige heiligschennis: een verkeerde waan voorzeker, doch waartoe de razende ijver van vele hervormden maar al te zeer grond gaf.