Het Auteursrecht in het Nederlandsche en internationale recht
Part 9
Onder rechtsbewustzijn meen ik te moeten verstaan, naar de omschrijving die Prof. Hamaker daarvan niet lang geleden gegeven heeft: "...de eigenschap van den menschelijken geest, die hem tegenover andere menschen, niet om voor zich of voor anderen eenig doel te bereiken, maar zonder motief, bepaalde gedragslijnen doet in acht nemen" [210]. Het doet zich aan ons voor als een in den mensch werkende kracht, welke hem dringt tot het doen of nalaten van handelingen, zonder dat de mogelijke gevolgen van de te volgen gedragslijn daartoe meewerken.
Het rechtsbewustzijn van elk mensch is voorts te beschouwen als eene vrijwel standvastige grootheid, d. w. z. het reageert op gelijke omstandigheden steeds op gelijke wijze; bovendien ontdekt men bij vergelijking van de uitingen van het rechtsbewustzijn van verscheidene menschen naast enkele verschilpunten toch ook altijd eene groote overeenkomst; juist ten aanzien der meer gewichtige levensbelangen zal de kring, waarin gelijkheid van rechtsbewustzijn wordt aangetroffen, het grootst zijn [211]. Men kan daarom in vele gevallen spreken van een volks-rechtsbewustzijn; wanneer nl. het rechtsbewustzijn van alle leden eener maatschappij zich op een gegeven tijdstip ten aanzien eener zaak ongeveer in gelijken zin uitspreekt.
Hoe nu dit verschijnsel van het volks-rechtsbewustzijn moet worden verklaard, laat ik in het midden; ook kan ik de vraag laten rusten, of aan zijne uitspraken in het algemeen eene absolute verbindende kracht moet worden toegekend.
Waar ik hier slechts op wil wijzen is, dat het volks-rechtsbewustzijn, waar het zich laat gelden, een krachtigen en op den duur onweerstaanbaren invloed op het recht uitoefent, en dat daarom zij, die, zooals de utilisten doen, dien invloed miskennen, grondslag en oorsprong van het recht slechts ten halve kunnen verklaren. Wel kan worden toegegeven, dat de uitspraken van het volks-rechtsbewustzijn in de meeste gevallen samenvallen met hetgeen in het algemeen belang is, m. a. w. dat de beslissing, waartoe de groote meerderheid komt, geleid door haar intuïtief rechtsbewustzijn, meestal tevens blijkt met doelmatigheidsoverwegingen gemotiveerd te kunnen worden; maar dit is allerminst een reden, om alleen met deze laatsten rekening te houden en het volks-rechtsbewustzijn als een waardeloozen factor te verwerpen.
Er bestaan ongetwijfeld wettelijke regelingen, die door het rechtsbewustzijn niet worden geëischt of zelfs daarmede in strijd zijn; zoolang dergelijke bepalingen niet zijn afgeschaft, moet hetgeen zij voorschrijven ook gerekend worden tot het positieve bindende recht; doch het komt mij voor, dat men van weinig onderscheidingsvermogen blijk zou geven door ze om die reden op ééne lijn te stellen met rechtsinstituten, die wél in het rechtsbewustzijn hun grondslag vinden.
Na deze korte uitweiding, waarbij uit den aard der zaak de fundamenteele vraag waar het hier om gaat slechts zeer vluchtig kon worden aangeroerd, keer ik terug tot het auteursrecht. Wat ik nu in het algemeen tegen het betoog van Mr. Viëtor zou willen aanvoeren, is dat daarin over het auteursrecht gehandeld wordt, alsof dit eene instelling was, die het rechtsbewustzijn volkomen koud laat. Men krijgt daardoor den indruk--en dit is ook blijkbaar in overeenstemming met de bedoeling van den schrijver--dat het auteursrecht niet anders is dan eene min of meer willekeurige en kunstmatige schepping van den wetgever, alleen gerechtvaardigd door het doel dat ermede wordt bereikt, nl. instandhouding van kunsten en wetenschappen en dat het dus zonder schade zou kunnen worden afgeschaft, indien er een ander middel werd gevonden om schrijvers en kunstenaars aan het werk te houden, of indien men tot de overtuiging kwam, dat het spottende gezegde van Heine waarheid bevat: "Autoren und Mispeln gedeihen am besten, wenn sie einige Zeit auf dem Stroh liegen" [212].
Indien het zoo met het auteursrecht stond, dan zou evenmin van een recht der auteurs kunnen worden gesproken als van een recht van een of andere stoomvaartmaatschappij op eene subsidie uit de staatskas; dan zou men het auteursrecht geheel op ééne lijn kunnen stellen met instellingen als b.v. een staats-monopolie voor den tabaksverkoop of een wettelijk verbod van invoer voor bepaalde waren [213]. Doch het groote verschil, dat m. i. niemand zal kunnen ontkennen, ligt hierin, dat de verkoop van tabak en de invoer van goederen door niemand voor onrechtmatig worden gehouden zoolang de wet, die deze handelingen verbiedt, niet in werking is getreden. En daarom zal men een dergelijke wet, ook al wordt hare doelmatigheid niet in twijfel getrokken, toch steeds blijven beschouwen als eene min of meer willekeurige beperking der natuurlijke vrijheid; overtreding van hare bepalingen zal iemand door de openbare meening nooit bijzonder zwaar worden aangerekend. De oorzaak hiervan is volgens Kohler, aan wien ik dit voorbeeld heb ontleend: "...dasz diese Rechtsschöpfungen nur artifizieller Natur sind, dasz sie nicht an sich schon in dem Rechtsgefühl, in der Ueberzeugung des Volkes wurzeln, dasz sie, wie überhaupt artifizielle Schöpfungen, sich nicht mit derselben Naturgewalt aufdrängen, wie die, ich möchte sagen, naturwüchsigen, auf unmittelbarer natürlicher Initiative beruhenden Rechte".
Dat nu ook het auteursrecht, evenals de eigendom, zulk een "naturwüchsiges Recht" is, al heeft het dan natuurlijk als bodem waarop het kan groeien, noodig eene maatschappij, die al een goed einde in beschaving is gevorderd, kan m. i. niet worden ontkend. Kohler wijst, om dit aan te toonen, op de talrijke uitlatingen waarin de nadruk als iets onrechtmatigs wordt gebrandmerkt, in tijden, dat van auteursrecht nog geen sprake was. Zoo reeds de door vele schrijvers aangehaalde woorden van Luther uit het jaar 1525: "Was soll das doch sein, meine lieben Druckerherrn, dasz einer dem andern so offentlich raubt und stilt das seine und unter einander euch verderbt? Seid ihr nu Straszenräuber und Diebe worden?..." enz. Kohler voegt hieraan toe: "Wenn Jemand so über den Tabakhandel sich äuszerte, auch wenn man am Vorabend des Monopols stünde, so würde man nur ungläubig die Köpfe schütteln--das ist eben der Unterschied zwischen den naturwüchsigen und den artifiziellen Rechtsnormen" [214].
Behalve dit eene voorbeeld worden door Kohler talrijke getuigenissen aangehaald uit de privilegiën-periode, waaruit blijkt dat men den nadrukker beschouwde als iemand, die zich aan eens anders goed vergrijpt [215]; in zijn Idee des geistigen Eigenthums [216] heeft hij bovendien aangetoond, hoe dit rechtsbewustzijn in den loop der jaren luider en duidelijker is gaan spreken en hoe zich langzaam maar zeker heeft ontwikkeld die "Idee des geistigen Eigenthums", d.w.z. het denkbeeld, dat de auteur recht heeft op hetgeen hij heeft voortgebracht, dat hij het het zijne kan noemen.
Nu heb ik er wel in mijn historisch overzicht op moeten wijzen, dat die gedachte in ons land langeren tijd noodig heeft gehad om ingang te vinden; de uitingen van het rechtsbewustzijn in dezen zin, die ik uit dien tijd heb kunnen vinden, zijn ontegenzeggelijk vrij schaarsch, doch geheel ontbreken zij toch niet. Ik kan hier b.v. verwijzen naar de--boven reeds genoemde--voorrede van Poot voor den tweeden druk zijner gedichten, waarin hij zich o.a. aldus uitlaat: "...van der Boekdrukkers Kopyrecht wist ik niet, en meende toen, gelyk ik ook nogh meen, en misschien nogh lang sal blyven meenen, ten zy men my anders onderrechte, dat de eigendom der Kopye en het vaderrecht des geheelen werks, zonder verkoopen of overdragt, myn bleef."
Waarschijnlijk bestaan er wel meer getuigenissen van dezen aard uit de zeventiende en achttiende eeuw; in elk geval zal Poot wel niet alleen hebben gestaan met zijne opvatting over den band, die tusschen den schrijver en zijn werk bestaat, en welken hij zoo eigenaardig noemt "het vaderrecht"; anderen vonden misschien geene aanleiding, hunne gevoelens op dit punt te publiceeren ofwel hetgeen zij hierover schreven is ons niet bewaard gebleven. Doch hoe dit ook zij, ten slotte vond ook in ons land "die Idee des geistigen Eigenthums" ingang, al ging dat dan niet zoo geleidelijk als in andere landen. En dat in onzen tijd door belanghebbenden het auteursrecht niet wordt beschouwd als een buitenkansje, dat den auteurs toevallig ten deel valt omdat het algemeen belang dit zoo wil, maar als hun goede recht, dat evenveel aanspraak heeft om beschermd en gehandhaafd te worden als de eigendom, daarvan kan men herhaaldelijk de bewijzen zien. Wel heeft het lang geduurd, voordat het rechtsbewustzijn ontwaakte en voordat de auteurs hier te lande inzagen, dat ook voor hen een Kampf um 's Recht te voeren is, niet alleen om te verdedigen wat zij hebben, maar ook om te verkrijgen wat zij meenen dat hun rechtmatig toekomt. Doch in de laatste jaren is hierin verandering gekomen. In dagblad- en tijdschriftartikelen, in adressen aan de Tweede Kamer komen schrijvers en kunstenaars op voor hunne rechten; een Vereeniging van Letterkundigen is opgericht voornamelijk met het doel het auteursrecht harer leden te beveiligen, een Berner Conventie Bond om onze toetreding tot de internationale Unie te helpen bevorderen. Deze geheele beweging kan niet verklaard worden uitsluitend als een strijd om materieele belangen; wat haar gaande houdt, wat daaraan ook personen doet deelnemen die er geen persoonlijk belang bij hebben, is niet anders dan het rechtsbewustzijn dat niet kan gedoogen, dat geschriften en kunstwerken straffeloos geëxploiteerd worden tegen den wil der auteurs. En het is wel eigenaardig hierbij op te merken, dat de auteurs steeds blijven spreken van hun eigendom, ondanks alle moeite, die de juristen zich hebben gegeven om aan te toonen, dat er hier van eigendom geen sprake kan zijn; Nederland wordt een roofstaat genoemd omdat het niet bij de Berner Conventie is aangesloten; wie zich zonder toestemming des auteurs aan zijn werk vergrijpt, ook al valt hij niet onder de termen der auteurswet, heet een dief en een onzer meest bekende schrijvers beklaagt zich in een Open Brief aan Z.E. den Minister van Justitie over de onvoldoende bescherming onzer wet o.a. in deze duidelijke termen: "Excellentie, ik word begapt!" [217]
Tegenover al deze uitingen gaat het m. i. niet aan, te blijven spreken van het auteursrecht als van een privilegie, dat alleen steunt op het algemeen belang. Ook al erkent men, zooals Mr. Freseman Viëtor, het volks-rechtsbewustzijn niet "als rechter in hoogste ressort", kan men toch niet blind blijven voor het verschil tusschen de kunstmatige scheppingen van den wetgever, waarvan hierboven sprake was, en eene natuurlijke instelling als deze, welke den auteurs niets anders toekent dan hetgeen hun volgens ieders oordeel toekomt en welke niets anders verbiedt, dan wat ook zonder wettelijk verbod voor onrecht wordt gehouden.
Wat nu de overige beschouwingen van mr. Freseman Viëtor over de rechtmatigheid van het auteursrecht betreft en van diegenen zijner medeleden in de Juristen-vereeniging, die met hem voor "het algemeen belang" stemden, daarvan kan nog in het kort het volgende worden gezegd.
Hunne betoogen strekken allen om te bewijzen, dat er geen rechtsbeginsel aan de bescherming der auteurs kan worden ten grondslag gelegd, maar dat het algemeen belang meebrengt dat deze bescherming worde verleend. Het is echter niet altijd duidelijk wat hier wordt bedoeld met de tegenstelling recht en algemeen belang. Nu eens schijnt het, dat men alleen wil bewijzen, "dat de schrijver.... zonder positieve wetsbepalingen niet tegen den namaak (zou) kunnen ageeren op grond van algemeene rechtsbeginselen" [218]; dan weer heet het: "er is geen rechtsbeginsel dat den Staat kan nopen schrijvers en kunstenaars de rechten van hun arbeid te verzekeren" [219]; mr. de Ridder stelt, dat "uit oorzaak der toestanden in het vrij verkeer" de auteurs in het verwerven van hun loon niet kunnen slagen en zijne tweede stelling is: "Daar is ook geen enkel rechtsinstituut dat direct of analogice den rechter door toepassing, den wetgever door uitbreiding dienen kan als middel ter bescherming van bedoeld vermogens-interesse der bedoelde auteurs" [220]. Mr. Levy eindelijk redeneert aldus: "Het auteursrecht is geen persoonlijk recht, want het raakt den staat des persoons niet; evenmin is het een vermogensrecht, wijl het dan zou moeten behooren tot de klasse van eigendom, en dit werd nog niet aangetoond" [221]. En hieruit volgde, naar dezen spreker, dat aan het auteursrecht geen "civilistische grondslag" tot basis kon worden gegeven, zoodat er niets anders overbleef dan het te gronden op economisch-politische overwegingen (dus: "het algemeen belang"), waarvan trouwens mr. Levy evenmin iets wilde weten.
De vraag, waarop een antwoord moest worden gegeven, luidde: "Naar welk hoofdbeginsel moet de Staat de rechten van schrijvers en kunstenaars op het product van hun arbeid regelen?" En nu meen ik dat de conclusie, waartoe bovengenoemde schrijvers met de meerderheid hunner medeleden kwamen, dat nl. de Staat daarbij geen rechtsbeginsel, doch slechts het algemeen belang had te volgen, voor tweeërlei uitlegging vatbaar is of liever in twee verschillende stellingen gesplitst kan worden, welke ik aldus zou willen formuleeren:
1. Zonder speciale wetsbepalingen, die hun dit uitdrukkelijk toekennen (dus: zonder de wet op het auteursrecht) zouden schrijvers en kunstenaars geen recht kunnen doen gelden op het product van hun arbeid.
2. Het auteursrecht is niet vatbaar voor juridische constructie, daar het onder geen der in de wetenschap bekende rechtsfiguren is te brengen.
De eerste stelling is de vrucht van een onderzoek naar ons geldend recht (waaruit de bijzondere wetsbepalingen, die het punt in kwestie regelen, voor een oogenblik zijn uitgeschakeld); er wordt in verklaard, wat hier te lande rechtens zou zijn, indien er geen wet op het auteursrecht bestond. De tweede stelling betreft de wetenschappelijke verklaring van het auteursrecht; zij drukt uit, dat de rechtswetenschap het auteursrecht niet kent, dat er in het rechtssysteem voor dit recht geen plaats is.
Dat de onderscheiding, welke ik hier heb pogen aan te geven, door de leden der Juristen-Vereeniging niet altijd goed in het oog is gehouden, is waarschijnlijk vooral te wijten aan de theorieën, die zij bestreden en wel in 't bijzonder aan de theorie van den letterkundigen eigendom. Uit de beschouwingen van de voorstanders dezer leer is ook niet altijd na te gaan, of zij alleen bedoelen het auteursrecht, zooals dat door de wet wordt verleend, te construeeren als een uitsluitend recht op het geestesproduct, waaraan dan naar analogie met de rechten op stoffelijke goederen den naam eigendom wordt gegeven, dan wel of zij den auteur werkelijk beschouwen als eigenaar van zijn product volgens ons burgerlijk wetboek. Het komt mij wenschelijk voor deze twee vragen scherp uit elkander te houden; daarom wil ik de beide bovenstaande stellingen afzonderlijk bespreken.
Indien wij geene speciale wettelijke regeling van het auteursrecht hadden, zou--hierover zal ieder het wel eens zijn--het eenige rechtsmiddel voor de auteurs om zich tegen exploitatie hunner werken door derden te verzetten, zijn de actie van art. 1401 B. W. De vraag, waarop de eerste stelling een antwoord geeft, komt dus hierop neer, of nadruk (genomen in de ruime beteekenis van inbreuk op auteursrecht) zou zijn een onrechtmatige daad in den zin van dit artikel. Zooals bekend bestaat er onder de juristen geen eensgezindheid omtrent de beteekenis van den term "onrechtmatige daad"; zonder mij in de discussie hierover te mengen schijnt het mij voldoende te verklaren, dat ik mij schaar onder degenen, die aan deze uitdrukking eene ruime uitlegging geven. Volgens deze opvatting pleegt men een onrechtmatige daad door anders te handelen "dan in het maatschappelijk verkeer den eenen mensch tegenover den ander betaamt, anders dan men met het oog op zijne medeburgers behoort te handelen" [222].
Na de hierboven gehouden beschouwingen behoeft het wel geen betoog meer, dat de daad van hem, die zonder toestemming van den auteur diens werk exploiteert, een onrechtmatige is in dezen zin. Of eene handeling den eenen mensch tegenover den ander in het maatschappelijk verkeer al dan niet betaamt, of zij rechtmatig is of onrechtmatig, daarover kan alleen het rechtsbewustzijn beslissen en wij hebben gezien, hoe krachtig dit in het algemeen tegen nadrukkers en consorten reageert.
Ik kom dus tot de slotsom, dat ook zonder wet op het auteursrecht de auteurs eene actie tot schadevergoeding zouden hebben tegen degenen, die zonder hunne toestemming hunne werken zouden hebben nagedrukt, uit- en opgevoerd enz. Hiermede is natuurlijk allerminst gezegd, dat zij eene even volledige bescherming zouden genieten als nu en dat dus de wet op het auteursrecht overbodig zou zijn. Hoever deze bescherming zich zou kunnen uitstrekken en--wat hier ook gevraagd kan worden--hoever in onze jurisprudentie die bescherming waarschijnlijk zou zijn uitgestrekt, wil ik in het midden laten. Waar ik slechts op heb willen wijzen is, dat er geene speciale wetsbepaling noodig is, om de onrechtmatigheid van den nadruk uit te spreken.
Zooals ik de kwestie hier gesteld heb, is zij door geen der schrijvers met wie ik mij nu bezighoud, behandeld, hoewel toch de ruime uitlegging van art. 1401 B. W. ook toen reeds hare aanhangers vond [223].
Mr. Freseman Viëtor betoogt wel, dat de auteurs zich niet op art. 1401 zouden kunnen beroepen, doch hij motiveert deze meening niet anders dan door--met blijkbare instemming--eene zinsnede, die Mr. Lohman zich had laten ontvallen aan te halen: "dat het kopijrecht "de rechten van derden, de natuurlijke vrijheid van den mensch" verkort, "het recht namelijk om boeken te drukken"" [224]. Het antwoord hierop kan kort zijn.
Er bestaat geen "recht om boeken te drukken" evenmin als een recht om sigaren te rooken of een recht om aardappels te eten. Er bestaat slechts vrijheid om deze handelingen te verrichten, zoolang het recht ze toelaat. Maar "natuurlijke vrijheid" moet niet opgevat worden "in den zin van het recht om alles te doen wat men wil, mits het maar niet door de wet uitdrukkelijk verboden is, maar veeleer in dien van het recht om niet in onze eer persoon of vermogen aangetast of beschadigd te worden, in dien van het recht op eerbiediging van onze persoonlijkheid, van onze goederen, van onzen arbeid." "Alleen de vrijheid dus opgevat"--voegt prof. Molengraaff, aan wien ik deze woorden ontleen, hieraan toe--"mag gezegd worden geen erkenning noodig te hebben om te gelden, maar een verbod om niet te gelden" [225].
Ik meen dus, dat de eerste der door mij geformuleerde stellingen geen waarheid bevat. Maar wat ik bovendien zou willen opmerken, is dat deze stelling met het vraagstuk, waarmede ik mij bezighoud slechts in verwijderd verband staat. Alleen voor degenen, die de bovengenoemde ruime interpretatie van art. 1401 B. W. huldigen, is zij waard bediscussieerd te worden; de strijd gaat dan echter niet om wat de stelling uitdrukt maar om de vraag--hierboven reeds toestemmend door mij beantwoord--of eerbiediging van de rechten der auteurs, ook indien de wet daartoe niet uitdrukkelijk verplicht, als een plicht wordt beschouwd en krenking ervan als een onrecht. En dit is ten slotte de vraag, waar het hier op aankomt. Is men het hierover maar eens, dan kan nog gestreden worden over de vraag, welke wetsbepalingen er noodig zijn om dit recht door ieder te doen eerbiedigen, doch hiermede komt men op een ander terrein: met den grondslag en het rechtskarakter van het auteursrecht heeft dit niet te maken. Elk recht moet ten slotte, om afdwingbaar te zijn, direct of indirect op de wet kunnen worden gesteund en in het algemeen kan worden gezegd, dat eene wet op het auteursrecht even onontbeerlijk is voor de auteurs als bijvoorbeeld de artikelen in ons burgerlijk wetboek, die over den eigendom handelen, dat zijn voor de eigenaars.
De tweede stelling heb ik aldus geformuleerd: "Het auteursrecht is niet vatbaar voor juridische constructie, daar het onder geen der in de wetenschap bekende rechtsfiguren is te brengen." Er is niets tegen in te brengen, indien men aanneemt, dat de rechtsbegrippen, die de Romeinsche juristen ons hebben nagelaten, eens en voor altijd zijn vastgesteld en dat wij daarmede voor alle tijden toekunnen. In de tijden, dat de Romeinsche juristen zich bezighielden met het vormen van rechtsbegrippen en het formuleeren van rechtsregels bestonden de middelen van exploitatie van geschriften en kunstwerken, waardoor het auteursrecht noodzakelijk is geworden, nog niet. Het behoeft daarom niet te verwonderen, dat men, alleen door logische redeneering uit deze begrippen en regels, geen antwoord kan vinden op de vraag, of het iemand vrijstaat een anders boek na te drukken of reproducties van een anders schilderij of teekening te vervaardigen. Pogingen in deze richting zijn genoeg beproefd: men probeerde uit het eigendomsbegrip de bevoegdheden der auteurs te deduceeren; sommigen brachten er zelfs de specificatio bij te pas; anderen trachtten de verplichting om zich van exploitatie van een geschrift of kunstwerk te onthouden als een verbintenis voortvloeiend uit een stilzwijgend beding te construeeren; ook de theorie van de Savornin Lohman steunde gedeeltelijk op een Romeinschen rechtsregel: "nemo cum damno alterius locupletior fieri debet." Doch geen dezer theorieën is steekhoudend gebleken; het auteursrecht liet zich langs dezen weg niet "bewijzen". Dit is door de meeste Nederlandsche schrijvers over 't auteursrecht en in 't bijzonder door de meerderheid in de reeds meermalen genoemde vergadering der Juristen-Vereeniging ook zoo ingezien; het grootste gedeelte hunner beschouwingen strekte juist, om de onhoudbaarheid van de zoogenaamde »juridische" theorieën aan te toonen. Dat zij hierin zijn geslaagd, wil ik gaarne toegeven, hoewel niet alle argumenten, welke daarbij dienst deden, mij even juist voorkomen. Doch het behoeft nauwlijks te worden gezegd, dat daarmede nog niet was bewezen, dat het auteursrecht alleen op utiliteits-motieven kan worden gebaseerd; dat het eigenlijk geen recht is, waarop de auteurs aanspraak kunnen maken, maar een privilegie, om redenen van "algemeen belang" (d.i. instandhouding van kunsten en wetenschappen) hun verleend. Toch schijnen sommigen dit te hebben gemeend.