Het Auteursrecht in het Nederlandsche en internationale recht
Part 8
Weer anderen zagen in het auteursrecht niet een vermogensrecht, maar een recht dat tot bescherming van den persoon diende; reproductie van iemands geestesproduct tegen zijn wil zou eene krenking der persoonlijkheid zijn. Als een van de eerste voorstanders dezer leer zou men Im. Kant kunnen noemen, die met het oog op het auteursrecht een boek beschouwde als een rede tot het publiek, die zonder volmacht van den schrijver niet door een ander in het openbaar mag worden herhaald [179]. In den laatsten tijd komen de theorieën, die uitsluitend of althans voornamelijk op de persoonsrechtelijke elementen van het auteursrecht den nadruk leggen, weer meer op den voorgrond [180].
Tegenover deze pogingen om toepasselijkheid van of analogie met bestaande rechtsinstituten aan te toonen en zoodoende de auteursbescherming uit het gemeene recht te verklaren, werd door anderen aangevoerd, dat hier van een eigenlijk privaatrecht geen sprake is, daar het auteursrecht bij geen der groepen subjectieve rechten kan worden ingedeeld.
Zoo zag von Gerber in het auteursrecht niets anders dan een reflex van het wettelijk verbod van nadruk, waaraan geen subjectief recht der auteurs ten grondslag kon worden gelegd [181]. Ook Jolly kwam tot de conclusie, dat er voor het recht der schrijvers geen andere juridische vorm was te vinden dan deze, dat de handeling waarmede er inbreuk op wordt gemaakt (dus de nadruk) tot een delict wordt verklaard [182].
Anderen beschouwden het auteursrecht uitsluitend als een monopolie, met alle bezwaren die daaraan zijn verbonden, en meenden, dat het alleen daarom reden van bestaan had, omdat het het eenige middel was, om aan schrijvers en kunstenaars de vergelding voor hun arbeid te verzekeren, die tot instandhouding van kunsten en wetenschappen noodzakelijk was. Dit is o.a. de leer van Macaulay, wiens zienswijze uit de volgende korte aanhaling uit eene door hem den 5den Februari 1841 in het Lagerhuis gehouden rede duidelijk blijkt: "It is desirable that we should have a supply of good books: we cannot have such a supply unless men of letters are liberally remunerated; and the least objectionable way of remunerating them is by means of copy right" [183].
Het belangrijkste van hetgeen in ons land aan theoretische beschouwingen over het auteursrecht is geleverd, dateert uit de jaren, toen de voorbereiding van de wet van 1881 aan de orde was. Een kort overzicht moge hiervan volgen.
De beraadslagingen in het jaar 1862 in de Koninklijke Academie van Wetenschappen gehouden, aan wie door de Regeering was verzocht, haar oordeel over het door de Vereeniging ter bevordering van de belangen des Boekhandels ingediende wetsontwerp uit te spreken, leverden weinig belangrijks op. Het hoofdbeginsel werd slechts door enkele leden aangeroerd en maakte "geen bepaald voorwerp van redetwist" uit [184].
Van meer gewicht was de vergadering der Nederlandsche Juristen-Vereeniging in het jaar 1877 gehouden, waar de vraag aan de orde was gesteld: "Naar welk hoofdbeginsel moet de Staat de rechten van schrijvers en kunstenaars op het product van hun arbeid regelen?"
Er werden praeadviezen uitgebracht door Mr. N. de Ridder en Mr. J. Freseman Viëtor.
Laatstgenoemde, die reeds elders zijne denkbeelden over dit vraagstuk had uiteengezet [185], ontzegde schrijvers en kunstenaars alle recht op de vruchten van hun arbeid. Hij wilde het auteursrecht beschouwd zien als een soort privilegie, alleen steunende op het algemeen nut, "op de noodzakelijkheid om schrijvers en uitgevers eenig voordeel te verzekeren, ten einde het uitgeven van boeken niet onmogelijk te maken" [186].
Zoo ook de tweede praeadviseur, Mr. N. de Ridder, die in aansluiting met hetgeen hij in zijn kort daarvoor verschenen proefschrift had gezegd, onder meer de volgende stelling formuleerde:
"Daar is ook geen enkel rechtsinstituut, dat direct of analogice den rechter door toepassing, den wetgever door uitbreiding dienen kan als middel ter bescherming van bedoeld vermogens-interesse der bedoelde auteurs" [187]. Ook volgens dezen schrijver steunde de bescherming uitsluitend op het algemeen belang, hetgeen met economische beschouwingen, hoofdzakelijk aan Schaeffle ontleend, nader werd uitgewerkt.
In denzelfden geest als de beide praeadviezen viel ook het oordeel uit van de meerderheid in de vergadering der Juristen-Vereeniging.
De theorie van den letterkundigen eigendom verwierf slechts negen van de negen en veertig stemmen.
De door Jhr. Mr. A. F. de Savornin Lohman ontwikkelde theorie: "dat de arbeider recht heeft op het loon van zijn arbeid, en dat ieder, die zich zonder grond met eens anders loon verrijkt, verplicht is tot teruggave" werd verworpen met twee en veertig tegen zeven stemmen en de leer van het "stilzwijgend beding, hetwelk geacht moet worden bij den verkoop van elk exemplaar in de bedoeling van partijen te hebben gelegen, krachtens hetwelk de kooper eigenaar wordt van het gekochte onder voorwaarde van het niet te zullen nadrukken en er niet toe te zullen bijdragen, dat het door anderen tot nadruk worde gebezigd" vond slechts één enkelen aanhanger.
Doch eene groote meerderheid (zes en dertig tegen tien stemmen en drie onthoudingen) verklaarde zich ten slotte voor de stelling: "dat in het algemeen belang door de wet een recht tot uitsluitende reproductie moet worden gegeven" [188].
Op de beteekenis van dit votum kom ik zoo dadelijk nog terug. Dat er geen positief resultaat mede was bereikt, waardoor eenige klaarheid in het vraagstuk zou zijn gebracht, springt in het oog. Welke voorlichting kan er voor wetgever of rechter te vinden zijn in de wetenschap, dat een aantal rechtsgeleerden het auteursrecht "in het algemeen belang" acht?
Ook van andere zijde bleef hier te lande de zoo gewenschte juridische voorlichting op dit gebied ontbreken.
De enkele schrijvers, die het waagden eene theorie te verkondigen, waarin het auteursrecht op een juridischen grond gebaseerd wordt, zooals Jhr. Mr. A. F. de Savornin Lohman, die in zijne recht-op-loon-theorie een toepasselijk rechtsbeginsel meende te hebben gevonden [189], en Mr. G. Belinfante, die in een Themis-artikel [190] het recht der schrijvers uit den eigendom van het manuscript poogde af te leiden, vonden van verschillende zijden krachtige en doorgaans zóó afdoende bestrijding, dat er van hunne theorieën weinig overbleef [191].
Het scheen wel, alsof met de uitspraak der Juristen-Vereeniging het laatste woord in deze zaak gesproken was. In een opstel in het Rechtsgeleerd Magazijn van Mr. S. Katz [192] werd van de overwinning van Mr. Viëtors denkbeelden met ingenomenheid gewag gemaakt; het slot van dit opstel klonk niet geruststellend voor de auteurs:
"Ongetwijfeld zal de tijd komen, dat ook hier gebroken wordt met alle privilegies en alle monopoliën, en het voorbeeld der octrooien, hoeveel afwijkingen het oplevere, ook op 't gebied van 't auteursrecht zal worden toegepast" [193].
Doch bleef tegen afschaffing van alle auteursrecht volgens de groote meerderheid toch nog altijd "het algemeen belang" zich verzetten, gevaarlijker was de theorie in zake internationaal auteursrecht.
Dit bewees o.a. een artikel van Mr. J. D. Veegens in de Gids over onze aansluiting bij de Berner Conventie [194]. Na te hebben verklaard, dat geen der theorieën, die een rechtsgrond voor het auteursrecht vindiceeren, hem bevredigt en dat derhalve het auteursrecht uitsluitend op overwegingen van algemeen belang steunt, gaat deze schrijver bij de bespreking der internationale bescherming aldus voort: "Behoort men nu verder te gaan en ook eene internationale regeling van het auteursrecht te helpen verwezenlijken? M. a. w. behoort nadruk van werken, die in het buitenland zijn uitgegeven in Nederland te worden geweerd? Deze vraag zou onvoorwaardelijk bevestigend zijn te beantwoorden, indien een algemeen rechtsbeginsel van het auteursrecht was aan te wijzen. Dit is echter, gelijk U gebleken is, naar mijne meening niet het geval". [195] Langs deze redeneering komt de schrijver dan tot de conclusie, dat onze wetgever aan vreemdelingen (auteurs van in het buitenland uitgekomen werken) de bescherming hier te lande dient te onthouden, omdat dit voor ons voordeeliger uitkomt.
Aan dezen raad heeft men zich--zooals bekend is--tot nu toe in ons land gehouden en bijna altijd vindt men bij degenen, die zich tegen het deelnemen van Nederland aan de internationale regeling van het auteursrecht verzetten, ditzelfde argument terug: het auteursrecht is geen recht dat juridisch vaststaat, derhalve kan de wetgever het aan den een onthouden en den ander toekennen, al naar mate het "algemeen belang" hiermede gediend is.
Wel zijn er ook in ons land verscheidene schrijvers geweest, die zich met de uitspraak "dat in het algemeen belang een recht tot uitsluitende reproductie moet worden gegeven" niet tevreden konden stellen. Minister Modderman gewaagde reeds bij de verdediging van het wetsontwerp van den plicht des wetgevers om deze bescherming te verleenen en verklaarde het auteursrecht te beschouwen: "niet eenvoudig als product van utiliteit, maar als een recht sui generis" [196]; dr. Schaepman betoogde bij dezelfde gelegenheid in de Tweede Kamer, dat de wetgever het auteursrecht niet had te scheppen, maar dat het een bestaand, op redelijkheid en rechtvaardigheid steunend recht was, waaraan door de wet slechts eene vormelijke en stellige uitdrukking moest worden gegeven; [197] en in sommige aan het auteursrecht gewijde monographieën worden naast het algemeen belang ook gronden van billijkheid en rechtvaardigheid aangevoerd en wordt er op gewezen, dat het auteursrecht in overeenstemming is met de in ons geheele privaatrechtelijke systeem gevolgde beginselen [198]. Doch het bleef meestal bij enkele algemeene opmerkingen; geen der genoemde schrijvers kwam er toe, zijne denkbeelden zoover uit te werken, dat men zou kunnen spreken van een rechtsleer van het auteursrecht.
Zoo is dan in het algemeen de rechtswetenschap ten aanzien van het auteursrecht in ons land meer afbrekend dan opbouwend te werk gegaan. Toen men tot de conclusie was gekomen, dat geen der van ouds bekende rechtsregels en rechtsbegrippen hier toepasselijk was, schenen velen met dit negatieve resultaat genoegen te nemen en verdere onderzoekingen overbodig te achten.
Wel kan niemand ontkennen, dat het auteursrecht, zooals dat nu eenmaal in de wet is geregeld, tot het privaatrecht behoort; doch men schijnt het toch nog steeds als iets buitenafs te beschouwen. In de voornaamste handboeken over ons burgerlijk recht vindt men er meestal slechts terloops eenige opmerkingen aan gewijd, die dan nog hoofdzakelijk moeten strekken om aan te toonen, dat het geen eigendom is [199]; eene eigen plaats in het rechtssysteem keurt men het blijkbaar nog niet waardig. Vraagt men naar het juridisch karakter van het recht, tot welke groep van subjectieve rechten het behoort, dan maken sommigen zich er af door te antwoorden: het is een jus sui generis; eene verklaring, waaraan men natuurlijk niets heeft en waarvan met een Fransch schrijver kan worden gezegd: "un pareil aveu est peu compromettant et laisse la question dans le même état" [200]; anderen voorzien het auteursrecht van het wel iets meer, maar toch nog te weinig zeggend étiquet: "absoluut vermogensrecht" [201].
Bleef dus ten onzent tot nu toe een gangbare rechtsleer van het auteursrecht ontbreken, in andere landen, en met name in Duitschland, hebben de rechtsgeleerden zich met gunstiger resultaat toegelegd op de taak, die hier nog te doen bleef: nl. door het formuleeren van vaste regels en het vormen van klare juridische begrippen in deze materie eenige orde te brengen, zoodat aard en omvang van dit recht, in overeenstemming met het rechtsbewustzijn stelselmatig kunnen worden vastgesteld en het in het rechtssysteem de plaats kan worden aangewezen, die het naast andere subjectieve rechten toekomt.
Verreweg het best is m. i. in dit opzicht geslaagd de Berlijnsche hoogleeraar dr. J. Kohler met zijne Immaterialgüterrechts-theorie. Evenals de theorie van den letterkundigen eigendom gaat deze leer van het beginsel uit, dat schrijvers en kunstenaars, die een origineel werk hebben voortgebracht, daarop een uitsluitend recht kunnen doen gelden. Dit wordt door Kohler aldus kort en krachtig geformuleerd: "Wer ein neues Gut schafft, hat das natürliche Anrecht daran" [202]. Op dit beginsel voortbouwende construeert hij het auteursrecht als een recht op het geestelijk voortbrengsel. Naast de zaken in rechtskundigen zin hebben wij dus hier te doen met eene nieuwe categorie rechtsobjecten (Immaterialgüter), die zich door hun eigenaardig karakter van de overige onderscheiden; de rechten op immaterieele goederen (Immaterialrechte), waartoe behalve het auteursrecht ook behoort de zoogenaamde industrieele eigendom, vormen een afzonderlijke groep absolute vermogensrechten, wel van de zakelijke rechten te onderscheiden.
Waarom deze theorie, zoowel wat betreft de wijze, waarop de grondslag van het auteursrecht wordt aangegeven, als wat betreft de juridische constructie, die aan het recht gegeven wordt, de voorkeur die ik haar boven andere theorieën meen te moeten geven verdient, zal ik in de volgende bladzijden trachten te motiveeren. Daarbij zal tevens gelegenheid zijn, de zienswijze van de voornaamste Nederlandsche schrijvers over dit onderwerp, die hierboven slechts met een enkel woord konden worden aangeduid, wat meer van nabij te beschouwen.
§ 2 Recht of doelmatigheid?
In de eerste plaats staan wij voor de vraag, die Macaulay in zijne boven aangehaalde rede aldus formuleerde: "Is this a question of expediency or is it a question of right?" Hebben de auteurs recht op bescherming, of is het vraagstuk der auteursbescherming er een, waarbij met geen rechtsbeginsel behoeft te worden gerekend, waarin dus alleen de doelmatigheid, "het algemeen belang", heeft te beslissen?
Uit het in de vorige paragraaf gegeven overzicht is gebleken, dat de meeste Nederlandsche schrijvers de vraag in laatstgemelden zin hebben beantwoord en ik heb daar ook reeds kunnen wijzen op enkele conclusiën, die men gemeend heeft uit deze opvatting te kunnen trekken. Het schijnt daarom niet onnoodig, aan hunne voornaamste argumenten eenige aandacht te wijden.
Onder degenen, die dit vraagstuk het grondigst hebben behandeld, behoort ongetwijfeld mr. Freseman Viëtor. Om de opvattingen over auteursrecht van dezen schrijver op de juiste waarde te kunnen schatten, is het allereerst noodig te weten, dat hij behoort tot de school der utilitarianisten. Bij de beantwoording van de vraag, of iets recht behoort te zijn, wenscht hij alleen de utiliteit, de doelmatigheid te laten beslissen, van "abstracte rechten", waarvoor om huns zelfs wille, afgescheiden van de gevolgen, erkenning wordt gevraagd, wil hij niet weten [203].
Het ligt niet in mijne bedoeling--het zou mij trouwens ook te ver van mijn onderwerp afvoeren--deze zienswijze hier te bespreken; zoo aanstonds zal nog gelegenheid zijn over dit punt enkele opmerkingen te maken. Wanneer men nu echter weet, dat mr. Viëtor geen anderen grond voor het recht erkende dan de utiliteit, dan vraagt men zich af, wat zijne bedoeling ermede is geweest om dit ten aanzien van het auteursrecht nog eens in 't bijzonder in het licht te stellen. Dat het auteursrecht alleen gegrond kan worden op het "algemeen belang" heeft het dan immers met alle andere rechten gemeen; dit behoeft daarom nog geen reden te zijn om het een privilegie te noemen, zooals mr. Viëtor verscheidene malen doet.
Naar eene verklaring, die op dit punt volkomen helderheid geeft, heb ik vergeefs gezocht. Wel schrijft mr. Viëtor, dat hij zijne nuttigheidsleer niet op alle rechten zonder uitzondering zou willen toepassen: "Er zijn sommige rechten wier al of niet handhaving ik niet van hunne nuttigheid zou willen laten afhangen. Geheel afgescheiden van de gevolgen zou ik ze willen handhaven" [204].
Om deze reden, en ook omdat het oordeel, of iets al dan niet nuttig is, niet onfeilbaar is, acht schr. een onderzoek "naar het al of niet rechtmatige van den intellectueelen eigendom, naar het al of niet bestaan van eenig ander recht van schrijvers" [205] niet overbodig.
Doch welken maatstaf mr. Viëtor heeft willen aanleggen bij zijn onderzoek naar den rechtsgrond van het auteursrecht, is niet geheel duidelijk. Schr. erkent zelf dat hij niet zou weten "hoe het abstracte recht van den eigendom aan te toonen" [206], hoewel toch de eigendom behoort tot de rechten, wier al of niet handhaving hij niet van hunne nuttigheid wil doen afhangen. Toch weet hij eene motiveering voor den eigendom te vinden buiten de doelmatigheid om:
"Van den materieelen eigendom zie ik niet slechts het algemeen belang in, ik zie niet slechts die overtuiging algemeen gedeeld, maar ik meen een toestand, waarin die eigendom ontbrak, onmogelijk te kunnen heeten. Den eigendom kan ik niet wegdenken, of ik denk de geheele maatschappij weg. En aangezien ik nu geloof aan de harmonie tusschen recht en nuttigheid en daardoor reeds, zoodra iets algemeen en in verschillende tijden als nuttig werd gequalificeerd, een zwaar vermoeden heb, dat het ook werkelijk nuttig en rechtvaardig is,--zoo durf ik hier van de onmogelijkheid van het niet bestaan van den eigendom te concludeeren tot het recht, tot het waarachtig nut van dat instituut. Ik buig mijne knie voor het "fait accompli", dat zich niet "non accompli" laat denken. Het nut is hier, zooals Stuart Mill terecht zegt (Utilitarianism p. 79), zooveel grooter en zooveel tastbaarder, dat het verschil in graad een werkelijk verschil in soort wordt" [207].
Hiermede meende mr. Viëtor een grondslag voor den eigendom te hebben aangewezen, dien het auteursrecht moet missen. Het auteursrecht, meent hij, is niet noodzakelijk, het kan zeer goed weggedacht worden. "Dat niet het gemis van het recht, maar integendeel het recht zelf eene onmogelijkheid is, bewijzen trouwens de voorstanders van dat recht zelf, door onder verschillende pretexten na een zekeren termijn of onder zekere omstandigheden er een eind aan te maken" [208].
Valt nu werkelijk, ook wanneer men alleen met de hier genoemde overwegingen rekening houdt, de vergelijking tusschen eigendom en auteursrecht zoozeer in het nadeel van laatstgenoemd recht uit, dat het mr. Viëtors conclusiën zou rechtvaardigen? Ik meen van niet.
In de eerste plaats heeft het geen zin uit de tijdelijkheid van het auteursrecht af te leiden, dat het niet bestaanbaar is. Dat het recht van den auteur niet ten allen tijde ten bate zijner erfgenamen kan blijven voortbestaan, heeft met de rechtmatigheid van het recht zoolang het wél bestaat niet te maken; er zijn werkelijk geen pretexten noodig om dit te verklaren, zooals ik hieronder nog nader hoop uiteen te zetten. Het auteursrecht is niet alleen niet onbestaanbaar, maar het bestaat in alle beschaafde staten nu al meer dan een eeuw lang, in Engeland zelfs bijna twee eeuwen! En daarvóór had men dan toch de privilegiën, die eene wel gebrekkige, maar toch in strekking vrijwel met het auteursrecht overeenkomende bescherming boden. Bijna met evenveel recht als van den eigendom kan men ook van het auteursrecht zeggen, dat het "algemeen en in verschillende tijden als nuttig werd gequalificeerd". Dat de tijden, waarin men de noodzakelijkheid van het auteursrecht niet inzag, dichterbij liggen dan die waarin men geen eigendom kende, bewijst in dezen niets; het auteursrecht kreeg pas reden van bestaan na de uitvinding der boekdrukkunst, zooals ik dat in mijn historisch overzicht heb trachten aan te toonen; dat men voor dien tijd, toen de nu in zwang zijnde exploitatie-middelen van geschriften en kunstwerken nog niet bekend waren, aan geen auteursrecht dacht, kan nooit als argument gelden tegen de noodzakelijkheid van dat recht in onze tegenwoordige maatschappij.
En nu is het zeker waar, dat de eigendom veel meer dan het auteursrecht met de bestaande maatschappij is samengeweven, zoodat men zich deze moeilijk zonder eigendom denken kan. Ik wil dan ook gaarne toegeven, dat aan het behoud van den eigendom oneindig veel zwaardere belangen zijn verbonden. Doch dit vindt zijn reden ook grootendeels hierin, dat iedereen zonder uitzondering er elk oogenblik persoonlijk mee in aanraking komt. Het auteursrecht daarentegen heeft betrekking op verhoudingen, waarin slechts enkele klassen van personen (in het algemeen de auteurs en zij die hunne werken exploiteeren: uitgevers, tooneel- en orkest-directeuren enz.) worden betrokken. De meeste menschen hebben niet alleen zelf nooit auteursrecht gehad, maar ook het gebod om het auteursrecht van anderen te eerbiedigen is voor hen persoonlijk van geen belang, daar zij zelfs de middelen missen om, gesteld dat zij dit wilden, op zulk een recht inbreuk te maken. De immaterieele goederen vormen slechts een uiterst kleine groep van rechtsobjecten in vergelijking met alles wat voorwerp is van eigendom, d. i. ongeveer de geheele stoffelijke wereld. Maar is dit nu een reden om de erkenning van het mijn en dijn op geestelijk gebied in beginsel van minder belang te achten?
Waar het bij het vergelijken van twee rechten, zooals hier gedaan wordt, op aankomt is niet, hoe groot de som is van de daarbij betrokken belangen, maar hoeveel ons aan de al of niet handhaving van het recht in elk bijzonder geval gelegen is. Niet naar de breedte, maar naar de diepte moeten zij tegen elkander worden afgemeten.
En dan geloof ik, dat het verschil tusschen eigendom en auteursrecht niet zoo groot is, als mr. Viëtor het wilde doen voorkomen. Inbreuk op auteursrecht wordt--misschien niet door de groote menigte, die zich nooit zeer over deze zaken bekommerd heeft--maar wel door de belanghebbenden en degenen die van de verhoudingen waar het hier om gaat eenig begrip hebben, evenzeer als een onrecht gevoeld als inbreuk op eigendom. En zoo opheffing van allen eigendom--gesteld dat dit mogelijk ware--de geheele maatschappij in wanorde zou brengen, omdat ieder daarvan terstond de gevolgen zou ondervinden, afschaffing van het auteursrecht zou, naar evenredigheid van het aantal belanghebbenden, en binnen den kleinen kring, dien deze in de maatschappij vormen, niet tot minder ernstige gevolgen leiden.
Ik meen met het voorgaande te hebben aangetoond, dat ook als men zich op het utilistisch standpunt van Mr. Viëtor stelt, op diens conclusiën in zake het auteursrecht wel iets valt af te dingen.
Doch het is nu noodig over die nuttigheidsleer zelve nog het een en ander te zeggen. De aanleiding om in dezen zijn standpunt uiteen te zetten was voor Mr. Viëtor geweest een geschrift van Jhr. Mr. A. F. de Savornin Lohman: Over de rechten der uitvinders [209]. De schrijver had hierin vooropgesteld, dat voor hem de vraag, of een of ander rechts-instituut al dan niet gehandhaafd diende te blijven, niet beslist was, wanneer hem was aangetoond dat de instandhouding van zulk een instituut niet bevorderlijk was voor het algemeen belang. Allereerst moest gevraagd worden: wat brengt het Recht mee? Het antwoord op deze laatste vraag wordt niet beheerscht door motieven van nuttigheid of doelmatigheid; hier heeft het in het volk levende rechtsbewustzijn te beslissen; wat dit op een gegeven tijd voor recht houdt, moet gehandhaafd worden, omdat het recht is.
Tegenover deze opvatting stelde Mr. Viëtor, toen hij hetzelfde onderwerp ging behandelen, de zijne, waarbij hij weliswaar de scherpe tegenstelling tusschen recht en doelmatigheid, zooals die door de Savornin Lohman was afgeschilderd, verklaarde niet te aanvaarden, maar waarbij hij toch zeer beslist het volks-rechtsbewustzijn als maatstaf verwierp. Vandaar dat in zijn onderzoek naar de al of niet rechtmatigheid van het auteursrecht het rechtsbewustzijn geheel buiten beschouwing wordt gelaten. M. i. is daardoor het betoog onvolledig gebleven en in elk geval weinig overtuigend voor degenen, die des schrijvers uitgangspunt niet met hem gemeen hebben.
Daar ik mijzelf ook tot deze laatsten moet rekenen, is eene korte verklaring op dit punt noodzakelijk.