Het Auteursrecht in het Nederlandsche en internationale recht

Part 39

Chapter 393,562 wordsPublic domain

Doch hoewel men deze interpretatie, afkomstig van den voorzitter der Conferenties, "presque authentique" heeft genoemd, schijnt mij toch de tegenovergestelde meening, volgens welke alle mechanische muziek-instrumenten onder de bepaling vallen, de juiste. Het moge waar zijn, dat men te Bern in 1885 niet voorzag, welke vlucht de techniek zou nemen in zake automatische muziek-instrumenten, en dat men slechts het oog had op de speeldoozen en straat-orgels, dit neemt niet weg, dat men eene bepaling heeft vastgesteld, die zoodanig is geredigeerd, dat er van een te maken onderscheid tusschen de eene en de andere soort instrumenten niets is te bespeuren. In Parijs heeft men bovendien in 1896 gelegenheid gehad de vrijheid van reproductie in te trekken voor de inmiddels op de markt gebrachte nieuwe instrumenten door wijziging van de betreffende bepaling. Een Fransch voorstel van deze strekking werd aldaar echter verworpen. Ik meen dus dat er geen reden is om de bepaling niet woordelijk uit te leggen. Zij is dus toepasselijk op alle "instrumenten, dienende om langs mechanischen weg muziekstukken weer te geven" [645].

Hiertoe behooren echter niet phonografen, voorzoover deze geen muziekstukken, maar voordrachten of tooneelstukken reproduceeren. Zeer juist is in dit opzicht het bovengenoemde vonnis van het Trib. de la paix van Brussel, waarin geoordeeld moest worden over phonograaf-rollen, die fragmenten van Sardou's tooneelstuk Madame Sans-Gêne reproduceerden. Terecht werd overwogen: "... que les termes employés (nl. die van Slotprotocol no. 3 Conventie 1886) marquent l'intention formelle de favoriser uniquement des instruments de musique ...; qu'on ne peut, dès lors, étendre cette disposition aux instruments reproduisant mécaniquement des oeuvres littéraires."

De bepaling spreekt overigens alleen van het "vervaardigen en verkoopen" en heeft geen betrekking op het ten gehoore brengen van muziekstukken door middel van mechanische instrumenten. Of dit, naar omstandigheden, als openbare uitvoering is aan te merken, moet dus in elk Verbondsland naar het inlandsche recht worden uitgemaakt [646].

Tot zoover de oude regeling van 1886. Op de Conferentie van Parijs in 1896, werd, zooals reeds gezegd, eene poging gedaan om haar te herzien, die echter op niets uitliep [647]. Intusschen breidde zich de handel in de bedoelde instrumenten, vooral phonografen en pianola's, elk jaar meer uit, zóó zelfs, dat in enkele landen de reproductie van muziekstukken door middel van deze zingende en spelende instrumenten reeds van meer belang wordt geacht dan die door middel van den gewonen notendruk. Dit had tot gevolg, dat componisten en uitgevers steeds luider begonnen te klagen over de vrijheid, die door de Conventie aan de fabrikanten dier instrumenten werd gelaten om zonder toestemming te vragen, en dus natuurlijk ook zonder ervoor te betalen, van alle muziekstukken gebruik te maken. Van verschillende zijden werd er op aangedrongen, de bepaling geheel te laten vervallen [648], of haar te vervangen door eene regeling, die met de sinds 1886 zoozeer gewijzigde toestanden en verhoudingen beter in overeenstemming was.

Het was daarom te voorzien, dat het vraagstuk op de Berlijner Conferentie weer aan de orde zou worden gebracht, wat dan ook geschiedde. Uit de verschillende voorstellen, die hierover inkwamen (nl. van: Duitschland, Spanje, Frankrijk, Engeland, Italië en Zwitserland) bleek dat men het in beginsel er vrijwel over eens was, dat de tot dusverre bestaande vrijheid voor de mechanische muziek-instrumenten voor de rechten der auteurs behoorde te wijken; alleen het voorstel van Zwitserland strekte, om de bepaling van no. 3 Slotprotocol 1886 ongewijzigd in stand te houden. Wegens de bijzondere moeilijkheden, die het vraagstuk opleverde, werd het onderzoek opgedragen aan eene sub-commissie, die bij het door haar overgeleverd rapport een nieuw voorstel aanbood, waaruit tenslotte, nadat er nog eenige wijzigingen in waren aangebracht, artikel 13 Conventie 1908 is voortgekomen.

De inhoud van dit artikel is in het kort deze: Het recht der componisten wordt erkend om uitsluitend toestemming te verleenen, zoowel voor het vervaardigen van instrumenten, die hunne stukken spelen, als tot de openbare uitvoering hunner werken door middel van die instrumenten (lid 1); aan dit recht zullen echter de inlandsche wetten beperkingen en voorwaarden kunnen stellen (lid 2). Het derde lid bevat eene overgangsbepaling; terwijl het vierde en laatste eene bijzondere bepaling bevat over het in beslagnemen van instrumenten, waarmede inbreuk op het auteursrecht is gepleegd.

Over de eerstgenoemde bepaling behoeft weinig te worden gezegd. Zij houdt--en hierover waren alle staten uitgezonderd Zwitserland het terstond eens geweest--de erkenning in van het recht der componisten op dit stuk; juist het tegenovergestelde dus van hetgeen no. 3 Slotprotocol 1886 inhield. Er dient echter op gewezen te worden, dat dit laatste alleen betrekking had op het vervaardigen der bedoelde instrumenten, terwijl het nieuwe artikel ook de openbare uitvoering noemt.

De algemeene regel, die hiermede was gesteld, zouden echter de meeste staten niet onvoorwaardelijk en zonder eenige restrictie in toepassing hebben willen brengen. Behalve met de belangen der auteurs, had men ook met die der fabrikanten van muziek-instrumenten en phonografen rekening te houden. Gewapend met het hun verleende recht zouden de auteurs te hooge prijzen kunnen vragen voor het gebruikmaken hunner werken, waardoor deze nieuwe tak van industrie ernstig getroffen zou kunnen worden. Ook bestond de vrees, dat zich monopolies zouden vormen ten bate van enkele groot-industrieelen met veel kapitaal, zoodat er voor de ondernemingen op kleinere schaal geen kans zou bestaan om over nog beschermde muziekstukken zich de beschikking te verzekeren. Om aan deze bezwaren te ontkomen was in het Duitsche voorstel eene bepaling opgenomen, volgens welke een auteur, die eenmaal zijn werk had laten gebruiken voor mechanische reproductie, gedwongen zou zijn aan ieder derde hetzelfde gebruik toe te staan tegen behoorlijke--ingeval van strijd door de inlandsche wet vast te stellen--vergoeding [649]. Het bleek echter dat vele staten tegen de invoering van dit systeem bezwaren hadden, en daarom besloot men, op voorstel van Engeland, het stellen van voorwaarden of beperkingen, die elke staat noodig mocht achten, liever aan den inlandschen wetgever over te laten. Zoo kwam men tot de bepaling van het tweede lid van artikel 13. Elke Verbondsstaat behoudt dus de vrijheid, om bepalingen vast te stellen, waardoor het auteursrecht der componisten, dat in het eerste lid van art. 13 Conventie 1908 is omschreven, aan voorwaarden wordt gebonden of binnen bepaalde grenzen wordt gehouden.

Hoever men hierin zal mogen gaan, zonder met de Conventie in strijd te komen, is natuurlijk moeilijk te zeggen. Het blijkt echter uit het verslag der beraadslagingen, dat men ook de mogelijkheid heeft voorzien, dat een staat eene regeling maakt, welke de fabrikanten van muziek-instrumenten op voor hen zeer gunstige en voor de auteurs zeer ongunstige voorwaarden in staat stelt van muziekwerken gebruik te maken. Speciaal met het oog hierop heeft men het noodig geacht nog uitdrukkelijk te bepalen, dat de beperkingen en voorwaarden, die een staat zal hebben ingesteld, uitsluitend in dat land zelf van kracht zullen zijn. Andere staten, die het auteursrecht der componisten minder beperkingen in den weg zullen leggen, zullen dus krachtens deze bepaling vrij zijn, om b.v. bij zich den invoer te verbieden van instrumenten, platen of rollen, die op hun grondgebied slechts onder voor de fabrikanten minder gunstige voorwaarden vervaardigd hadden mogen worden [650].

Daar door den regel van het eerste lid van art. 13 rechten worden erkend, die vroeger niet bestonden of hoogstens twijfelachtig waren (cf. wat boven over de uitlegging van no. 3 Slotprotocol 1886 is gezegd), heeft men het wenschelijk geacht voor deze materie een bijzonderen overgangsmaatregel vast te stellen. Deze maatregel bestaat hierin, dat in elk Verbondsland de bepaling van het eerste lid niet toepasselijk is op de werken, die vóór het in werking treden der nieuwe Conventie reeds in dat land op geoorloofde wijze voor mechanische muziekinstrumenten gebruikt zullen zijn (art. 13 lid 3). De vervaardigers van muziek-instrumenten zullen dus door mogen gaan met het zonder toestemming van den componist exploiteeren van die muziekstukken, die onder de vroeger bestaande vrijheid reeds op die wijze door henzelven of door anderen geëxploiteerd werden. Overigens zal de wet van elk land dit meer in bijzonderheden kunnen regelen; de beperkingen en voorwaarden, die krachtens art. 13 lid 2 mogen worden vastgesteld kunnen--zooals nog uitdrukkelijk in het Commissie-rapport wordt opgemerkt--ook de regeling van de terugwerkende kracht van dit artikel betreffen [651].

Krachtens de besproken bepalingen van het tweede en derde lid van art. 13 zal het geval zich kunnen voordoen, dat in het eene Verbondsland het vervaardigen en verspreiden van instrumenten, rollen en platen geoorloofd is, terwijl de verspreiding van diezelfde voorwerpen in een ander land als inbreuk op het auteursrecht van den componist zou moeten worden aangemerkt. Op verzoek van Italië heeft men met het oog op deze mogelijkheid nog een vierde lid aan art. 13 toegevoegd, waarin bepaald is, dat op dergelijke voorwerpen in de landen waar de verspreiding ervan niet geoorloofd is, beslag zal kunnen gelegd worden. Daar de Conventie 1908 in art. 16 tweede lid een regel van volkomen dezelfde strekking inhoudt, die op alle in strijd met het auteursrecht vervaardigde voorwerpen toepasselijk is, was deze laatste bepaling van art. 13 geheel overbodig. Dit werd ook door de Commissie, die haar voorstelde, zeer goed ingezien; zij zwichtte echter voor den aandrang der Italiaansche delegatie, welke er bijzonder op gesteld schijnt te zijn geweest, dat de bepaling werd opgenomen [652].

De verplichtingen, die een staat door de aanvaarding van art. 13 Conventie 1908 op zich neemt, behoeven na het voorgaande weinig toelichting meer. De regel van het eerste lid moet worden erkend; door eene tegenovergestelde bepaling (b.v. zooals die van no. 3 Slotprotocol 1886) in de wetgeving op te nemen, zou men met de Conventie in strijd komen. Het beginsel, dat de auteurs in dit opzicht beschermd zijn, moet dus worden erkend; er mogen echter uitzonderingen (voorwaarden en beperkingen) op worden gemaakt. Wordt dit verzuimd, dan moet de bescherming onvoorwaardelijk en in haar vollen omvang verleend worden, tenzij natuurlijk men zich aan de oude bepaling van no. 3 Slotprotocol 1886 wil houden, die geenerlei verplichting oplegt.

Hoe men in ons land over dit vraagstuk denkt, is mij niet bekend. Wellicht zal door sommigen de erkenning van het recht der componisten op dit punt als een ongewenschte uitbreiding van het auteursrecht worden beschouwd, waaraan zij ons land liever niet zagen meedoen. In elk geval zal er wel eenige oppositie worden gemaakt tegen eene onvoorwaardelijke aanvaarding van art. 13 bij onze toetreding tot de Conventie.

Ik meen, dat hierover niet veel meer behoeft gezegd te worden. Mijne meening over de gegrondheid van dit recht in het algemeen heb ik reeds kenbaar gemaakt (pp. 240 sqq., 249 en 250); door het hier te lande in te voeren zou men, zooals ik poogde aan te toonen, slechts voortbouwen op de beginselen, die aan onze tegenwoordige wet op het auteursrecht ten grondslag hebben gelegen.

Als maatregel ter bescherming onzer nationale industrie op het gebied van muziek-instrumenten en phonografen, die voorzoover mij bekend tot nu toe niet van groote beteekenis is, zou het niet-aanvaarden van art. 13 Conventie 1908 weinig baten. Weliswaar zou men hierdoor bereiken, dat de vervaardiging van deze artikelen hier onder gunstiger voorwaarden zou kunnen geschieden dan in andere landen, waar voor het gebruikmaken van nog beschermde muziekstukken betaald zou moeten worden; doch het zou moeilijk zijn voor deze artikelen een afzetgebied te vinden buiten ons land. De staten die deel uitmaken van het Verbond zullen tenminste hoogstwaarschijnlijk alle hunne grenzen ervoor gesloten houden.

VII Kinematograaf (Conv. 1908 art. 14)

De kinematograaf wordt het eerst met name genoemd in de Conventie 1908; het is dan ook eerst in de laatste jaren, dat kinematographische voorstellingen tot de gewone publieke vermakelijkheden zijn gaan behooren, zoodat het geen verwondering kan wekken, dat nóch op de Conferenties van Bern, nóch op de Parijzer Conferentie over dit reproductie-middel is gesproken.

De bepalingen van art. 14 zijn van tweeërlei aard. In de eerste plaats betreffen zij den kinematograaf als reproductie-middel van andermans werken (eerste lid); in de tweede plaats hebben zij betrekking op de bescherming, die voor werken wordt verleend, welke met behulp van den kinematograaf tot stand zijn gekomen (lid 2 en 3). Een vierde lid van het artikel houdt nog de bepaling in, dat wat omtrent den kinematograaf is vastgesteld ook geldt voor elk procédé van soortgelijken aard. Deze bepaling ziet voornamelijk op uitvindingen, die de toekomst misschien nog kan brengen; in de eerstvolgende jaren zal zij waarschijnlijk nog wel geen practische toepassing vinden. Ik meen haar hier ook verder buiten beschouwing te kunnen laten.

Wat het eerstgenoemde punt betreft, het uitsluitend recht dus om werken door middel van den kinematograaf te exploiteeren, dit vervalt weer in twee onderdeelen, nl. 1o het recht van reproductie door den kinematograaf, waaronder men te verstaan zal hebben de vervaardiging van kinematographische beelden; en 2o het recht van openbare opvoering met den kinematograaf dus: de vertooning der beelden. Beide rechten worden in het eerste lid van het artikel verleend aan de auteurs van "letterkundige, wetenschappelijke of kunstwerken". Het zijn dus niet alleen tooneelstukken, opera's, balletten enz. waarvan de exploitatie op deze wijze den auteur uitsluitend wordt voorbehouden, doch ook de schrijver van een roman b.v. zal kunnen verbieden, dat tafereelen uit zijn werk op de kinematograaf-films worden gebracht en daarmede vertoond worden. Dit zou--ook al werd het geval niet uitdrukkelijk in het Commissie-verslag genoemd [653]--reeds volgen uit het zoogenaamde dramatiseeringsrecht, dat den schrijvers van romans, novellen en gedichten in art. 12 Conventie wordt toegekend.

Hoe men zich echter een inbreuk op het auteursrecht van wetenschappelijke werken door middel van den kinematograaf heeft kunnen denken, is mij een raadsel. Daar elke toelichting op dit punt in het verslag der Commissie ontbreekt, zou men geneigd zijn hier aan eene vergissing of ondoordachtheid bij het redigeeren der bepaling te denken. In elk geval mag worden aangenomen, dat hier niet bedoeld is den chirurg te beschermen als "auteur" van de door hem verrichte operatie tegen de kinematographische reproductie van het tafereel, dat deze aanbiedt. Voor eene dergelijke bescherming bestaat, zooals reeds is aangetoond (p. 217) niet de minste grond. Er blijft derhalve m. i. niets anders over dan de woorden "wetenschappelijke werken" in art. 14 als niet geschreven te beschouwen.

Ik kom nu tot het tweede punt: de bescherming der werken, die door middel van den kinematograaf zijn tot stand gekomen. Er is reeds opgemerkt, dat deze bepalingen eigenlijk niet in dit artikel, maar in artikel 2, dat de werken, waarop de Conventie van toepassing is, opsomt, thuis behooren. Men meende echter, dat het voor belanghebbenden gemak zou opleveren, alles wat op den kinematograaf betrekking heeft in een artikel bijeen te vinden; vandaar deze afwijking van den systematischen weg.

De werken, die in het tweede en derde lid van art. 14 aan de in art. 2 genoemde worden toegevoegd, zijn: 1o de kinematographische voortbrengselen ("productions cinématographiques") voorzoover "de auteur door de schikking der tooneelen of door de combinatie der voorgestelde tafereelen aan het werk een persoonlijk en oorspronkelijk karakter zal hebben verleend"; en 2o "de reproductie door middel van den kinematograaf van een letterkundig, wetenschappelijk of kunst-werk".

Welke werken men tot de eerstgenoemde categorie zal hebben te rekenen zal, na hetgeen over dit onderwerp reeds is gezegd (pp. 216 sqq.), geene toelichting meer behoeven. Het zijn in het algemeen de uit een of meer tafereelen bestaande pantomimes, die speciaal voor kinematographische opneming in elkander worden gezet en onder bereik van het toestel worden afgespeeld. De toevoeging, dat de auteur een oorspronkelijk en persoonlijk karakter aan het werk moet hebben verleend, kan overbodig worden geacht, daar deze regel op alle "werken van kunst en letterkunde" toepasselijk is.

Wat met de in de tweede plaats genoemde omschrijving is bedoeld, is op het eerste gezicht minder gemakkelijk te doorgronden. Doch de korte toelichting in het Commissie-rapport maakt het duidelijk [654]. Men heeft hier het oog gehad op het geval, dat de verschillende tafereelen, welke voor de kinematographische opneming hebben gediend, ontleend waren aan het werk (b.v. den roman) van een ander. Met betrekking tot het oorspronkelijke werk is dus het vervaardigen der kinematographische afbeeldingen eene reproductie, die naar gelang van omstandigheden ongeoorloofd kan zijn. Doch aan den anderen kant is er ook eene nieuwe schepping tot stand gekomen, nl. de bewerking, welke de roman moest ondergaan om in beeld te worden gebracht. Deze bewerking nu, die men als eene bijzondere soort van "dramatiseering" kan beschouwen, wordt door de besproken bepaling onder de beschermde auteursproducten gerangschikt; zij is, "onverminderd de rechten van den auteur van het oorspronkelijke werk ... als een oorspronkelijk werk beschermd." Wij hebben hier dus met eene bepaling te doen, analoog aan die van het tweede lid van art. 2; wat hier erkend wordt is het recht van den bewerker op zijne bewerking.

Uit het bovenstaande volgt, dat het voorwerp van het door deze bepaling verleende recht niet bestaat in de kinematographische afbeeldingen zelf, maar in het uit een roman, novelle, gedicht enz. getrokken, d. w. z. voor kinematographische reproductie pasklaar gemaakte, "stuk". De in het artikel gebezigde uitdrukking "reproductie door middel van den kinematograaf" zou misschien het tegendeel kunnen doen denken en schijnt mij daarom ook minder gelukkig gekozen. Ik meen echter, dat er hier van een recht op de kinematographische afbeelding geen sprake kan zijn; daarvoor was hier geene bijzondere bepaling noodig, daar dit onder de bepalingen over het recht op photographieën valt. Het verschil tusschen het recht op de afbeelding en dat op het afgebeelde komt vooral hierin uit, dat het tweede betrekking heeft op meer exploitatie-middelen. Het hier behandelde recht omvat dus niet alleen de reproductie door middel van kinematograaf of photographie, maar ook b.v. de opvoering in een schouwburg, zelfs door andere acteurs dan die bij de oorspronkelijke vertooning hebben meegewerkt.

Over de draagkracht der besproken bepalingen in verband met de inlandsche wetten nog het volgende. Het artikel legt de verplichting op aan de staten, die het aanvaarden, om de bescherming, welke het omschrijft, bij zich aan de werken uit andere Verbondslanden te verzekeren, voorzoover nl. die werken overigens volgens de algemeene regels der Conventie aldaar voor bescherming in aanmerking komen. Aan de inlandsche wetten wordt niet, zooals in het voorgaande artikel, de vrijheid gelaten voorwaarden en beperkingen aan het recht te verbinden. Dit neemt niet weg, dat toch de bijzondere bepalingen, die zij op dit punt mochten bevatten, toepassing zullen kunnen vinden. Het recht van uitsluitende exploitatie door middel van den kinematograaf zou b.v. in de wet van een Verbondsland tot een zeer korten tijdsduur beperkt kunnen worden; in dat geval zouden ook de auteurs van de volgens de Conventie beschermde werken uit andere landen aldaar met dien korten termijn genoegen moeten nemen. Verder blijven natuurlijk ook bijzonderheden als b.v. de nauwkeurige vaststelling van het begrip "openbare uitvoering door middel van den kinematograaf" aan den inlandschen wetgever overgelaten. Indien echter in de wet voorwaarden aan dit recht zijn gesteld (b.v. dat het bij de uitgave van een roman of tooneelstuk uitdrukkelijk moet zijn voorbehouden), zullen de auteurs van uit andere Verbondslanden afkomstige werken van de vervulling daarvan krachtens de Conventie (art. 4 lid 2) vrijgesteld zijn.

c Rechtsmiddelen tot handhaving van het auteursrecht

In de twee artikelen, die nu volgen (artt. 15 en 16 Conventie 1908) geeft de Conventie eenige bepalingen over de rechtsmiddelen, welke dengeen op wiens auteursrecht is inbreuk gemaakt, ten dienste staan. In de eerste plaats betreft dit de wijze waarop de rechthebbende op het auteursrecht zich voor den rechter als zoodanig kan legitimeeren (art. 15); in de tweede plaats de bevoegdheid om beslag te laten leggen op voorwerpen, waarmede inbreuk op het auteursrecht is gepleegd (art. 16).

I Legitimatie voor den rechter (Conv. 1908 art. 15; Conv. 1886 art. 11)

Artikel 15 Conventie 1908 is volkomen gelijk aan artikel 11 Conventie 1886, met uitzondering hiervan, dat in laatstgenoemd artikel nog eene bepaling voorkomt, die betrekking heeft op het vervullen van voorwaarden en formaliteiten in het land van herkomst. Daar dit door de nieuwe Conventie (art. 4 lid 2) niet meer wordt geëischt, kon deze bepaling in 1908 vervallen. Ik laat haar daarom ook verder onbesproken en bepaal mij dus tot het artikel in zijne nieuwe gedaante.

De regeling, die het artikel geeft, is hoogst eenvoudig. Twee categorieën van werken worden onderscheiden: 1o zij die den naam van den auteur dragen, en 2o de pseudonieme en anonieme werken, die den naam van den uitgever dragen.

Hij wiens naam op de gebruikelijke wijze op het werk als auteur vermeld staat, wordt, zoolang niet het tegendeel is aangetoond, ook als zoodanig door den rechter aangemerkt (lid 1). Eene praesumptio juris dus, die de bewijslast ten gunste van den eischer omkeert. Niet hij zal hebben te bewijzen, dat hij werkelijk de auteur is, maar de tegenpartij, die dit betwist, dat hij het niet is.

Het tweede lid van het artikel betreft de anonieme en pseudonieme werken, voorzoover zij voorzien zijn van den naam des uitgevers. Er worden hier twee gevallen onderscheiden [655]. In de eerste plaats dat de auteur zijn recht nog niet heeft vervreemd, dus zelf rechthebbende is op het auteursrecht. Opdat hij nu niet gedwongen worde zich bekend te maken, wanneer op zijn recht inbreuk is gemaakt, is bepaald, dat de uitgever bevoegd is voor hem op te treden (lid 2 eerste zinsnede). Doch het is ook mogelijk, dat de auteur zijn recht aan den uitgever heeft overgedragen en dat deze dus voor zijn eigen recht opkomt. Voor dat geval schrijft het artikel voor, dat de uitgever zonder nader bewijs als rechtverkrijgende van den anoniemen of pseudoniemen auteur zal worden beschouwd, (lid 2 tweede zinsnede), zoodat ook dán de ware naam van den auteur in het proces niet genoemd behoeft te worden.