Het Auteursrecht in het Nederlandsche en internationale recht
Part 38
Onze wetgever heeft het dus in zijne macht, de vrijheid die hier nu bestaat, om van de werken van buitenlandsche schrijvers voor schoolboeken gebruik te maken, ook na onze toetreding tot de Conventie, althans binnen redelijke perken, te bestendigen. Dit is wel eens door tegenstanders van onze aansluiting betwijfeld. In Het Vaderland van 17 December 1898 werd hierover b.v. opgemerkt: "Bij toetreding tot de Berner-Conventie--wij herhalen het--zal het mogelijk zijn het bewerken van dergelijke schoolboeken" (boeken nl. waarin stukken van buitenlandsche auteurs zijn opgenomen) "te weren. Dit schijnt de bedoeling der voorstanders. Wij weten wel, dat de Conventie zegt": (volgt de tekst van het artikel). "Maar 't spreekt van zelf, dat het geheel van de interpretatie van de uitdrukking "op geoorloofde wijze" en van "te sluiten overeenkomsten" afhangt, hoever de hier welwillend verleende bevoegdheid gaat. Wee den dwerg, die te contracteeren heeft met den reus!" [634]
Van een contract, en nog wel een dat gesloten wordt tusschen een dwerg en een reus, behoeft hier, zooals uit mijne uiteenzetting volgt, in 't geheel geen sprake te zijn. Het is voldoende, eene bepaling in de wet op te nemen, en uitsluitend naar die bepaling zal de Nederlandsche rechter hebben te beslissen, wat al of niet geoorloofd is. Natuurlijk moet de wet blijven binnen de grenzen die door art. 10 der Conventie worden gesteld (eene bepaling b.v. die het overnemen van geschriften in alle mogelijke verzamelingen vrij liet, zou tegenover auteurs van andere Verbondslanden niet mogen worden toegepast); doch deze grenzen zijn ruim genoeg. De wetgevingen van bijna alle Verbondslanden bevatten bepalingen in den bedoelden zin, waarvan sommige zelfs de vrijheid van ontleeningen nog verder uitstrekken dan de bovengenoemde bepaling van ons tractaat met Frankrijk. In dit opzicht kunnen dus de uitgevers gerust zijn.
IV Op- en uitvoeringsrecht (Conv. 1908 art. 11; Conv. 1886 art. 9)
Evenals voor het vertalingsrecht, heeft men het ook voor op- en uitvoeringsrecht van tooneel- en muziekwerken noodig geacht, eene afzonderlijke bepaling in de Conventie op te nemen. In de Conventie 1886 was het artikel 9, dat deze regeling inhield, welk artikel reeds in 1884 uit een voorstel der Duitsche delegatie was tot stand gekomen en tot 1908 toe ongewijzigd is gebleven. In laatstgenoemd jaar werden deze bepalingen, na eenige veranderingen te hebben ondergaan, in art. 11 van de nieuwe Conventie overgebracht.
Het oude artikel (art. 9 Conventie 1886) maakt onderscheid tusschen het opvoeringsrecht van tooneelstukken en dramatisch-muzikale werken en het uitvoeringsrecht van muziekstukken. Op beide rechten werden de bepalingen van art. 2 der Conventie 1886 toepasselijk verklaard; het uitvoeringsrecht van muziekwerken moest echter, indien zij in druk waren uitgekomen, door den auteur uitdrukkelijk zijn voorbehouden, eene voorwaarde die voor de tooneel- en dramatisch-muzikale werken niet gold.
Deze beperking van het uitsluitend uitvoeringsrecht van muziekwerken was met het oog op sommige wetgevingen, in het bijzonder die van Engeland en Duitschland, in de Conventie opgenomen en in Parijs, ondanks de pogingen van Frankrijk, dat daarbij door België werd ondersteund [635], niet weggenomen. De Parijsche Conferentie bracht het niet verder dan tot het uitspreken van den wensch: "dat de wetgevingen der Verbondslanden de grenzen zullen vaststellen binnen welke de volgende Conferentie het beginsel zou kunnen aanvaarden, dat uitgegeven werken der toonkunst beschermd moeten zijn tegen ongeoorloofde uitvoering, zonder dat de auteur gedwongen zij tot het stellen van een voorbehoud" [636]. Met die door de wetgevingen der Verbondslanden vast te stellen grenzen had men voornamelijk eene regeling op het oog van die gevallen, waarin een onvoorwaardelijk verbod van uitvoering zonder toestemming des auteurs niet algemeen gewenscht schijnt, zooals b.v. bij volksfeesten, weldadigheidsconcerten, uitvoeringen door dilettanten, en dergelijke.
Op de Conferentie van Berlijn heeft men de bepaling overeenkomstig den in Parijs uitgesproken wensch kunnen wijzigen. Alleen door Zweden en Zwitserland werd hiertegen aanvankelijk eenig bezwaar gemaakt, dat echter om de eenheid niet te verstoren, werd opgegeven [637]. De wijziging was voorgesteld door Duitschland, dat vroeger zich tegen een uitvoeringsrecht zonder voorbehoud had verzet, doch dat inmiddels in zijne wetgeving eenige beperkingen als de bovenbedoelde had kunnen opnemen (wet v. 19 Juni 1901 art. 27) waardoor de vroegere bezwaren hun grond hadden verloren.
Artikel 11 Conventie 1908 stelt dus het uitvoeringsrecht van muziekwerken op ééne lijn met het opvoeringsrecht van tooneelstukken en dramatisch-muzikale werken. Op dit ééne punt wijkt het van de oude bepaling der Conventie 1886 af. Wél zijn in Berlijn nog enkele andere wijzigingen aangebracht, doch deze zijn van weinig beteekenis, zooals hieronder zal blijken.
In hoeverre is nu de bescherming tegen ongeoorloofde op- en uitvoering door de bepaling der Conventie verzekerd? Bij de beantwooding dezer vraag stuiten wij al dadelijk op een van de bedoelde verschilpunten van ondergeschikten aard tusschen de Conventie 1886 en die van 1908. Volgens art. 9 Conventie 1886 zijn: "de bepalingen van art. 2" hier van toepassing; op de Berlijnsche Conferentie heeft men hiervan gemaakt: "de bepalingen der tegenwoordige Overeenkomst". Dit maakt in wezen geen verschil uit. De beteekenis van beide artikelen is deze, dat het op- en uitvoeringsrecht in het Verbond erkend moet worden, volgens de algemeene regelen, die de Conventie voor de internationale bescherming stelt (in art. 2 Conventie 1886 en artt. 4, 5, 6 en 7 Conventie 1908). De regeling is dus niet dezelfde als die van het uitsluitend vertalingsrecht. Dit laatste wordt--zooals wij gezien hebben--direct door de Conventie verleend, onafhankelijk van de landswetten; het uit- en opvoeringsrecht daarentegen--al wordt het afzonderlijk genoemd--is niet in de Conventie zelve gecodificeerd, maar valt onder de bepalingen, die de Conventie over de bescherming in het algemeen inhoudt. Na hetgeen over deze bepalingen (nl. die van artt. 4-7 Conventie 1908) reeds is gezegd, behoeft de beteekenis hiervan niet nader te worden toegelicht. Het komt in hoofdzaak hierop neer, dat in elk Verbondsland het op- en uitvoeringsrecht, dat de wet aldaar verleent, kan worden ingeroepen voor de werken die uit een der andere Verbondslanden afkomstig zijn, met vrijstelling van eventueel voorgeschreven voorwaarden of formaliteiten. Wat den duur van het op- en uitvoeringsrecht betreft, deze zal, volgens art. 7 lid 2 Conventie 1908 "den duur, vastgesteld in het land van herkomst niet mogen overschrijden". Hierbij dient echter te worden aangeteekend, dat met den "duur" in het land van herkomst wordt bedoeld de duur van het auteursrecht in het algemeen, de zoogenaamde "hoofdtermijn", en dat dus niet in aanmerking komt de bijzondere termijn van korteren duur, die de wet van het land van herkomst voor het op- of uitvoeringsrecht mocht stellen. Gesteld dus de wet van een land verleent een auteursrecht van vijftig jaar na den dood des auteurs, doch slechts een opvoeringsrecht van tien jaar na de uitgave, dan zal het opvoeringsrecht van uit dat land afkomstige werken in de andere landen van het Verbond niet gebonden zijn aan laatstgenoemden korten termijn; doch het zal alleen niet langer kunnen duren dan vijftig jaar na den dood des auteurs [638].
Het tweede lid van artikel 11 Conventie 1908 en art. 9 Conventie 1886 houdt eene bepaling in van eenigszins andere strekking dan de boven behandelde. Daarin is sprake van het recht, vertalingen van tooneelstukken en dramatisch-muzikale werken op te voeren. Hier valt weer op een klein verschil tusschen de oude en de nieuwe bepaling te wijzen. Art. 9 Conventie 1886 bepaalt, dat zoolang het vertalingsrecht duurt, de auteurs ook beschermd zijn tegen ongeoorloofde opvoering van de vertaling hunner werken, m. a. w. het uitsluitend vertalingsrecht (dat in art. 5 Conventie 1886 was geregeld) omvat ook het opvoeringsrecht. Dit is in art. 11 Conventie 1908 hetzelfde gebleven; doch daar te Berlijn het vertalingsrecht met het recht op het oorspronkelijke werk in duur volkomen is gelijkgesteld (art. 8 Conventie 1908), kon in aansluiting daarmede ook ten aanzien van het opvoeringsrecht van vertalingen worden bepaald, dat het evenlang duurt als het recht op het oorspronkelijke werk. Het verschil is dus uitsluitend het gevolg van de wijziging, die de Conventie ten opzichte van het uitsluitend vertalingsrecht in 1908 heeft ondergaan.
Ook in dit opzicht is dus door de Conventie het opvoeren op ééne lijn gesteld met het "door den druk gemeen maken"; indien het in dezelfde taal geschiedt zijn daarop de algemeene regels van de artt. 4-7 toepasselijk; heeft men echter te doen met de opvoering eener vertaling, dan valt dit onder den bijzonderen regel van art. 8.
Onze wet is op het punt van op- en uitvoeringsrecht nog zeer karig. Op onuitgegeven dramatisch-muzikale en tooneelwerken bestaat op- en uitvoeringsrecht tot dertig jaar na den dood des auteurs (art. 15, 1o); op door den druk gemeen gemaakte werken echter slechts gedurende tien jaren na de uitgave, mits het door den auteur uitdrukkelijk wordt voorbehouden (art. 15, 2o jo art. 12).
Uitvoeringsrecht op muziekwerken bestaat in het geheel niet.
Deze laatste omstandigheid zou op zich zelve al een reden kunnen zijn om ons land krachtens art. 25 Conventie 1908 de toetreding tot het Verbond te ontzeggen. Ongetwijfeld behoort het uitvoeringsrecht van muziekwerken tot "de rechten, die het onderwerp dezer Overeenkomst uitmaken"; het ontbreekt ook in geen der wetgevingen van de tot op heden toegetreden staten; en al wegen de belangen hier niet zoo zwaar als die b.v. bij het auteursrecht op werken van beeldende kunst zijn betrokken, zonder beteekenis zijn zij niet, vooral ten aanzien van een land als het onze, waar veel muziek van buitenlandsche componisten ten gehoore wordt gebracht. De mogelijkheid is dus geenszins uitgesloten, dat de Verbondsstaten op grond van art. 25 als een van de voorwaarden om te mogen toetreden, zouden stellen, dat het bedoelde recht in de wet worde erkend.
Mocht ons land, zonder de wet op dit punt aangevuld te hebben, toch tot het Verbond worden toegelaten, dan zou het gevolg zijn, dat Nederlandsche muziek in de andere Verbondslanden wél tegen uitvoering beschermd zou zijn, terwijl in Nederland deze bescherming nóch voor Nederlandsche, nóch voor buitenlandsche werken zou worden verleend. Het mag echter verwacht worden, dat men, ook van onze zijde, het hiertoe niet zal willen laten komen, en dat dus vóór onze toetreding tot de Conventie het uitvoeringsrecht van muziekwerken in de wet zal geregeld worden. Het is te hopen, dat men daarbij niet te angstvallig te werk zal gaan en dat dit recht dus verschoond zal blijven van beperkingen en voorwaarden, zooals hier nog ten aanzien van opvoerings- en vertalingsrecht bestaan. In het bijzonder is het te wenschen, dat hier geen bezwaar zal worden gemaakt tegen de erkenning van een uitvoeringsrecht, dat niet bij de uitgave van het muziekstuk uitdrukkelijk door den auteur is voorbehouden. Mocht dit wel het geval zijn, dan zal bij de bekrachtiging der Conventie 1908 art. 11 niet onvoorwaardelijk aanvaard kunnen worden, maar zullen wij ons moeten houden aan art. 9 Conventie 1886.
Wat het opvoeringsrecht van tooneelwerken en dramatisch-muzikale werken betreft, dit ontbreekt wel niet geheel in onze wet, maar in tijdsduur staat het toch--tenminste voor de door den druk gemeen gemaakte werken--verre bij dat van alle wetgevingen der Verbondslanden ten achter. Slechts twee landen hebben voor het opvoeringsrecht een bijzonderen termijn, nl. Zweden (dertig jaar na den dood des auteurs art. 14 gewijzigd door de wet van 29 April 1904) en Italië (tachtig jaar na de eerste uitgave of opvoering art. 10; volgens het Ontwerp voor eene nieuwe wet duurt het evenals het overige auteursrecht, vijftig jaar na den dood des auteurs). Men ziet dat deze termijn nog niet eens bijzonder kort is. In alle andere Verbondslanden staat het opvoeren met het door den druk gemeen maken volkomen gelijk. Zooals uit de voorgaande bespreking volgt, zou onze kortere termijn, zoo deze bij onze aansluiting gehandhaafd bleef, geen invloed hebben op den duur van het opvoeringsrecht van Nederlandsche werken in de andere Verbondslanden. Zoolang volgens onze wet nog kopierecht bestaat op deze werken, zouden zij van den langeren beschermingstermijn voor het opvoeringsrecht in het buitenland kunnen genieten. Hetzelfde geldt voor het voorbehoud, dat art. 12 W. A. R. eischt. Een in Nederland uitgekomen tooneelstuk zou in alle Verbondslanden opvoeringsrecht genieten, ook al was dit niet bij de uitgave uitdrukkelijk voorbehouden.
Ook hier te lande zou voor werken uit andere Verbondslanden geen voorbehoud kunnen worden geëischt; de duur van het opvoeringsrecht zou echter ook voor deze werken naar Nederlandsch recht moeten worden berekend (dus slechts tien jaar na de uitgave bedragen). In dit opzicht zouden wij dus, indien de tegenwoordige bepalingen op het opvoeringsrecht in onze wet gehandhaafd blijven, door onze toetreding tot de Conventie meer ontvangen dan geven. Het behoeft nauwelijks te worden gezegd dat dit allerminst een reden mag zijn, om de gebrekkige bescherming tegen opvoeringen in onze wet maar te laten, zooals zij is.
Van meer practisch belang dan het recht van opvoeren in dezelfde taal (waarop het voorgaande alleen betrekking heeft) is het uitsluitend recht van opvoeren in andere talen. Op dit laatste zijn, zooals wij gezien hebben, zoowel volgens de Conventie 1886 als de Conventie 1908, de bijzondere bepalingen omtrent het uitsluitend vertalingsrecht van toepassing. Op dit punt worden dus de speciale bepalingen over opvoeringsrecht van alle landswetten door de Conventie buiten toepassing gesteld. Hoe lang het opvoeringsrecht van vertalingen van Nederlandsche stukken in de andere landen en van die uit andere landen in Nederland na onze aansluiting zal duren, hangt derhalve uitsluitend af van de houding, die ons land bij de bekrachtiging der Conventie op het stuk van het vertalingsrecht zal aannemen.
V Bewerkingsrecht (Conv. 1908 art. 12; Conv. 1886 art. 10; Verklaring van Parijs 3o)
De moeilijkheid, om een juisten regel te formuleeren op het stuk van het bewerkingsrecht, doet zich natuurlijk vooral bij het samenstellen van eene internationale regeling gevoelen, waarbij met wetsbepalingen en opvattingen van meerdere staten rekening moet worden gehouden. Het valt daarom niet te verwonderen, dat men het op de Berner Conferenties niet dan na lange beraadslagingen over dit vraagstuk eens is geworden. De redactie van art. 10 Conventie 1886, dat in Parijs niet, in Berlijn slechts op ondergeschikte punten gewijzigd is, is te danken aan de Commissie van 1885, die uit niet minder dan vier verschillende voorstellen te kiezen had gehad [639].
Het hoofdbeginsel, waarover alle staten het eens waren, is dat de min of meer vermomde reproductie, waarbij b.v. de naam van het werk veranderd is, kleine wijzigingen in het werk zijn gemaakt, stukken zijn weggelaten of wel nieuwe erbij gevoegd, als inbreuk op het auteursrecht zou gelden en dus verboden zou zijn. Daar de bedoelde practijken niet met één woord waren aan te duiden en in het bijzonder het Fransche woord adaptation (dat eigenlijk beteekent: "pasklaarmaking" dus: omwerking voor een ander doel of eene andere smaak) tot verschillende uitleggingen en verwarring aanleiding zou geven, nam men zijne toevlucht tot eene omschrijving, waarbij "omwerkingen" (adaptations) en "muziek-arrangementen" slechts als voorbeelden zijn genoemd, zonder dus andere wijzen van nabootsing in veranderden vorm uit te sluiten.
Vóór 1896 bestond er nog twijfel over de vraag, of ook het zoogenaamde "dramatiseeren" (omwerking van roman in tooneelstuk) onder de bepaling van dit artikel viel. In de Parijsche Verklaring werd deze vraag bevestigend beantwoord (3o); op de Conferentie van Berlijn heeft men eene uitdrukkelijke bepaling in dezen zin in den tekst van het artikel ingelascht. Het artikel luidt nu als volgt:
Tot de ongeoorloofde reproducties, waarop de tegenwoordige Overeenkomst van toepassing is, behooren in het bijzonder de indirecte, niet toegestane toeëigeningen van een werk van letterkunde of kunst, die met verschillende namen worden aangeduid als: omwerkingen, muziek-arrangementen; vervorming van een roman, novelle of gedicht tot tooneelstuk en omgekeerd, enz., wanneer zij niets anders zijn dan de reproductie van een dergelijk werk in denzelfden of in anderen vorm, met wijzigingen, toevoegsels of afkortingen, die tot het wezen van het werk niets afdoen, zonder overigens het karakter te hebben van een nieuw, oorspronkelijk werk.
In art. 10 Conventie 1886 volgde hierna nog een tweede lid van dezen inhoud:
Bij de toepassing van dit artikel zullen de rechtbanken der verschillende Verbondslanden casu quo rekening houden met de bijzondere bepalingen hunner respectieve wetten.
Reeds in 1896 was er op aangedrongen deze laatste bepaling te schrappen, doch zonder succes, daar Engeland er zich tegen verzette [640]. Op de Conferentie van Berlijn werd echter hetzelfde voorstel zonder bestrijding te ontmoeten aangenomen. De beteekenis van het artikel is naar mijne meening door het weglaten van het laatste lid niet eene andere geworden. Ook nu zullen de rechters nog met de bijzondere bepalingen van de wet van hun land rekening moeten houden bij de toepassing van dit artikel, voorzoover nl. in die wetten punten zijn geregeld, waarover het Conventie-artikel zich niet stellig uitspreekt [641]. Evenals ten aanzien van het op- en uitvoeringsrecht blijft de wet van het land, waar de bescherming wordt ingeroepen, ook in dit opzicht al hare kracht behouden. Dit volgt uit de redactie, die aan art. 12 is gegeven. Er staat niet: "de auteurs hebben het recht enz." zooals in art. 8 ten aanzien van het vertalingsrecht, maar: "Tot de ongeoorloofde reproducties, waarop de tegenwoordige Overeenkomst van toepassing is, behooren .. enz." De Conventie schept hier dus geen zelfstandig recht tot exploitatie van bewerkingen, arrangementen enz. buiten de landswetten om; doch het artikel geeft, evenals het vorige, slechts enkele nadere bepalingen van den omvang der bescherming, die krachtens de artt. 4-7 der Conventie in de verschillende landen van het Verbond genoten wordt. Door de weglating van het tweede lid van art. 10 Conventie 1886 uit het nieuwe art. 12 Conventie 1908 zijn dus niet de bepalingen der inlandsche wetten op dit stuk geheel buiten werking gesteld. Men had er alleen de bedoeling mede te verhinderen, dat de rechter, steunende op de wet van zijn land, tegen de uitdrukkelijke bepalingen van het eerste lid van het artikel in, in sommige gevallen bescherming zou kunnen weigeren [642].
In ons land komen bijzondere wetsbepalingen als de bovenbedoelde niet voor. Men zou daarom de vraag, die ons zoo juist bezighield, over de al of niet toepasselijkheid der inlandsche wetten op dit punt, ten aanzien van ons land zonder practisch belang kunnen achten, ware het niet, dat aan het stilzwijgen onzer wet door sommigen eene uitlegging wordt gegeven, die lijnrecht in strijd is met de bepalingen der Conventie. Volgens deze uitlegging zou nl. een uitsluitend bewerkingsrecht in ons land in het geheel niet bestaan; het auteursrecht van onze wet zou alleen betrekking hebben op het reproduceeren in denzelfden vorm. In een vorig hoofdstuk heb ik over deze uitlegging, die aan onze wet wordt gegeven, gesproken en de redenen opgegeven, waarom ik mij er niet mede kan vereenigen (pp. 189 sqq.). Het gaat hier echter niet over hare juistheid of onjuistheid; met terzijdestelling van deze vraag wenschte ik er hier slechts aan te herinneren, dat deze opvatting bestaat en ook door den rechter bij voorkomende gevallen zou kunnen worden in toepassing gebracht [643]. In verband met het vorige zal het duidelijk zijn, dat dit na onze toetreding tot de Conventie tot moeilijkheden aanleiding zou kunnen geven. Door aanvaarding van art. 12 Conventie 1908 zou ons land zich verbinden, aan de werken uit andere Verbondslanden bescherming te verleenen tegen de exploitatie van bewerkingen (o. a. arrangementen van muziekstukken en dramatiseeringen van romans, novellen en dichtstukken); blijft onze wet echter op dit stuk zooals zij is, dan kan het geval zich voordoen, dat door den Nederlandschen rechter eene dergelijke bescherming wordt geweigerd. Ik meen daarom, dat het lid worden van het Verbond voor ons land de verplichting meebrengt, eene uitdrukkelijke bepaling in de wet op te nemen, die de bovengenoemde interpretatie te niet doet en waardoor de bescherming, die art. 2 Conventie 1908 eischt, in ons land buiten twijfel wordt gesteld.
VI Mechanische muziek-instrumenten (Conv. 1908 art. 13; Conv. 1886 Slotpr. no. 3)
In de jaren, dat de Berner Conventie tot stand kwam (1884-1886) had de industrie der mechanische muziek-instrumenten nog niet den graad van volmaaktheid bereikt, die haar later voor het auteursrecht der componisten zoo gevaarlijk zou maken. Men kende toen nog maar hoofdzakelijk de muziek- of speeldoozen, die vooral in Zwitserland veel worden vervaardigd en verder draaiorgels: instrumenten dus, die slechts een zeer beperkt aantal muziekstukjes kunnen ten gehoore brengen en die als exploitatiemiddel van muziekwerken een hoogst bescheiden rol vervullen. Hierdoor laat zich de weinige belangstelling verklaren, die aan dit vraagstuk op de Berner Conferenties werd gewijd. In het verslag der handelingen van geen der drie Conferenties is er iets over te vinden; men kan dus aannemen, dat de bepaling, die erover in de Conventie 1886 werd opgenomen, geene bestrijding had ontmoet. De bepaling, te vinden in het Slotprotocol (no. 3) luidt als volgt:
Men is overeengekomen, dat de vervaardiging en de verkoop van instrumenten, dienende om langs mechanischen weg muziekstukken weer te geven, die tot de beschermde producten behooren, niet wordt beschouwd als nadruk van muziekwerken.
Bij deze bepaling, die tot 1908 ongewijzigd in stand is gebleven, wensch ik eerst een oogenblik stil te staan, om daarna de regeling, welke in 1908 te Berlijn daarvoor in de plaats kwam, afzonderlijk te bespreken.
Over de uitlegging, die aan Slotprotocol no. 3 Conventie 1886 moet worden gegeven, loopen de meeningen uiteen. Door velen wordt aangenomen, dat het alleen toepasselijk is op speeldoozen en draaiorgels, omdat deze de eenige instrumenten zijn, die men bij het vaststellen der bepaling kan hebben bedoeld. De vrijheid van reproductie, die het artikel verleent, zou dus niet gelden voor de later in exploitatie gebrachte instrumenten als pianola, pianista, phonograaf, grammophoon, herophoon, symphonion enz. enz., waarmede wél inbreuk op het auteursrecht der componisten kan worden gepleegd. Zij, die deze interpretatie huldigen, kunnen zich op de autoriteit van Numa Droz beroepen, den voorzitter der drie Berner Conferenties, die zich op eene letterkundige en artistieke Conferentie te Bern in 1889 in dezen zin uitliet [644].