Het Auteursrecht in het Nederlandsche en internationale recht

Part 3

Chapter 33,610 wordsPublic domain

Voorwerpen van kunstnijverheid werden ook door octrooien tegen namaak beschermd. Zoo wordt aan Pieter van Everdingen e. soc. in het jaar 1603 octrooi voor 6 jaren verleend om "... alleene etc. te mogen backen ende vertieren seeckere nieuwe manieren v. estricken ofte vloertichelen van diversche couleuren ... mitsgaders om oock op dezelve manieren te maecken seecker gepatroneerde papieren ... etc." [41]. Dergelijke octrooien werden ook gegeven voor beschilderd porcelein, geborduurde zijden en fluweelen stoffen, kunstvoorwerpen van zilver, goud en marmer enz.; het is dikwijls moeilijk uit te maken, of het recht, dat door deze privilegiën wordt toegekend het meeste overeenkomt met de rechten op uitvindingen en modellen (den zoogenaamden "industrieelen eigendom") dan wel met auteursrecht.

De scherpe onderscheiding, die de moderne wetenschap maakt tusschen auteursrecht en recht op uitvindingen, was in de privilegiën-periode onbekend; dit blijkt ook uit het feit, dat soms in eenzelfde privilegie eene uitvinding wordt beschermd tegelijk met het geschrift, waarin die uitvinding wordt uiteengezet. Als voorbeeld hiervan kan dienen de resolutie der Staten-Generaal van 4 Nov. 1615, waarbij octrooi wordt verleend aan Willem Swart "... omme voor den tyt van 8 jaeren naestcommende alleene etc. te moegen doen drucken ende vuytgeven een nyeuwe conste, daerby alle menschen, hoewel in musycque ende snarenspel gansch ongeleert ende onervaren, alderhande musicale stucken sullen kunnen spelen op violoncen ende violen de gambe, daertoe hy tot volcommen leeringe ende instructie heeft gemaeckt zeecker bouck... enz." [42]. Een ander voorbeeld is het octrooi, den 29sten Juli 1617 aan Jan Jansz. Stampioen verleend voor eene uitvinding, waardoor de zeelui in staat worden gesteld zonder instrumenten steeds te zien "hoe hooch den polus boven den horizont verheven is". In het request wordt gevraagd "... octroy, omme alleene met seclusie van alle andere de voors. conste (de conste begerende) te mogen wysen ende leeren, hetsy met eenige onderrichtinge die hy hem doen sal, als met eenige gedruckte exemplaren... etc." [43].

Het recht der privilegiehouders kwam vrijwel overeen met dat bestanddeel van het auteursrecht, dat men thans kopierecht noemt: n.l. het uitsluitend recht om een werk door den druk gemeen te maken. Het was verboden, het geprivilegieerde boek na te drukken, hetzij in zijn geheel, hetzij gedeeltelijk, of elders gedrukte exemplaren in te voeren, te verkoopen of op andere wijze te verspreiden.

Soms omvatte het recht van den privilegiehouder ook de uitsluitende bevoegdheid, vertalingen van het boek uit te geven, doch het kwam ook voor, dat de bescherming uitdrukkelijk tot eene taal beperkt werd, zooals b.v. in het octrooi door de Staten van Holland in 1734 verleend aan de boekverkoopers Scheurleer en de Hondt voor l'Histoire du President J. E. du Thou. Zij hadden aangevraagd het uitsluitend recht om dit boek te mogen drukken "in soodaanige Formaaten en Taalen als sy dienstig souden oordeelen", doch in het verleende octrooi stond de clausule: "... des dat het selve Octroi alleen sal worden bepaalt tot het drukken, uitgeeven en verkoopen van het voorschreeve Werk in de Fransche Taale..." etc. [44].

Merkwaardig in dit opzicht zijn de drie privilegiën, die werden verleend voor "de sententie, gepronuncieert aan de geëxecuteerde in den persoon van Mr. Johan van Oldenbarnevelt". Deze sententie werd in het Latijn, in het Nederlandsch en in het Fransch gedrukt; voor elk dezer talen verleenden de Staten-Generaal een afzonderlijk privilegie aan drie verschillende personen [45].

Een uitsluitend recht van op- of uitvoering van tooneelstukken en werken der toonkunst was in den tijd der privilegiën en octrooien niet bekend. Eerst toen de meening was doorgedrongen, dat den auteur de heerschappij over het door hem voortgebrachte werk toekomt, begon men zich er rekenschap van te geven, dat over de exploitatie door middel van op- of uitvoering evengoed als over de exploitatie door middel van den druk de auteur alleen moet te beschikken hebben.

Het kopierecht werd, zooals reeds is opgemerkt, tot bescherming van het boekdrukkersbedrijf in het leven geroepen; een dergelijke grond bestond niet ten aanzien van het op- en uitvoeringsrecht. Vooreerst is de concurrentie tusschen schouwburgen lang niet zoo scherp als tusschen boekdrukkers; maar bovendien wisten theaterdirecteuren dikwijls ook zonder bescherming van overheidswege de uitsluitende opvoering van een stuk aan zich te houden, door n. l. niet toe te laten, dat het stuk in druk uitkwam en er streng op toe te zien, dat de enkele afschriften, die voor de spelers moesten dienen, niet in handen kwamen van derden. Op deze wijze werd reeds van de vroegste tijden af in verschillende landen gehandeld en het was daarbij dikwijls mogelijk om aan de schrijvers, die voor het tooneel werkten, ondanks het ontbreken van opvoeringsrecht, honorarium uit te betalen [46].

Hier te lande hebben de dramatische auteurs tot aan het einde der achttiende eeuw toe waarschijnlijk slechts in zeer enkele gevallen een eenigszins beteekenend honorarium kunnen genieten.

In de "Kamers van rhetorica", die van de 15de eeuw af in grooten getale werden opgericht, was het geen gewoonte de auteurs, wier stukken werden opgevoerd, daarvoor te betalen; een enkele maal kregen zij van het stadsbestuur eene belooning [47].

In het Amsterdamsche Dichtgenootschap "Nil volentibus arduum" werd omstreeks het jaar 1680 een voorstel, om voor het afstaan van stukken ter opvoering iets in rekening te brengen, verworpen [48]. Ook de stemmen, die zich in de 18de eeuw hier en daar verhieven, om eene geldelijke belooning voor tooneel-schrijvers te verkrijgen, hadden geen resultaat [49].

Eene eigenaardige regeling van de voorwaarden, waaronder stukken ter opvoering werden aangenomen, bestond in den in het jaar 1638 ingewijden Amsterdamschen schouwburg. Daar werden geregeld door tooneelspelers van beroep voorstellingen gegeven; het beheer werd, van 1699 af voorgoed, direct gevoerd door de Regenten der beide instellingen van liefdadigheid, waarvoor de opbrengst bestemd was. Er werd jaarlijks eene aanzienlijke winst gemaakt, doch terwijl acteurs en actrices redelijk goed werden betaald en aan de monteering der stukken geen kosten gespaard werden, moesten de auteurs zich met enkele loodjes, d. w. z. vrijplaatsen, als belooning voor hun arbeid tevreden stellen. Wagenaar deelt hieromtrent mede:

"Die voor Poëet bij de Regenten erkend is, heeft voor den tijd van een jaar en zes weken, schoon 't, doorgaands, langer toegelaaten wordt, vrijen toegang tot den schouwburg, en hem worden, wanneer zijn Spel vertoond wordt, zes Loodjes ter hand gesteld, mits het een voorspel van vijf bedrijven zij. Van een na- of klughtspel krijgt de Poëet niet meer dan drie Loodjes" [50].

Hieruit blijkt, dat men tenminste inzag, dat ook de poëet wiens spel vertoond werd, tot de winst van den avond meewerkte, al was de toegekende belooning bespottelijk klein, hetgeen trouwens te dien tijde reeds aan de Regenten werd verweten [51]. Daar kwam nog bij, dat de auteur door zijn stuk af te staan, tevens de exploitatie ervan door middel van den druk uit handen gaf. Hierover vermeldt Wagenaar: "De regenten hebben octrooi, om met uitsluiting van alle andere, de goedgekeurde Tooneelspelen te doen drukken; doch staan het regt daartoe, voor ieder Spel, af aan eenen Drukker naar hun welgevallen, met wien zij, deswege, vooraf eene overeenkomst aangaan" [52]. Wat er dus op deze wijze nog aan het stuk was te verdienen, ontging den auteur ook.

Dat er voor werken der toonkunst geen uitvoeringsrecht bestond, behoeft nog minder te verwonderen, daar concerten, alleen tegen betaling toegankelijk, bijna niet voorkwamen. De plaatsen, waar in het openbaar muziek ten gehoore werd gebracht, waren de kerk (orgelbespelingen) en herbergen, danszalen enz. Ook in den schouwburg werd, vooral in de 18de eeuw, wel muziek uitgevoerd, doch alleen als aanvulling of begeleiding van hetgeen op het tooneel vertoond werd [53].

Evenals het auteursrecht volgens de meeste wetgevingen, was ook het recht der geprivilegieerden in tijdsduur beperkt. De termijnen, waarvoor de privilegiën verleend werden, waren zeer verschillend. Alleen onder degenen, die in de jaren 1601 tot 1619 door de Staten-Generaal werden verleend, vond ik er van: 2 maanden, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 10 en 12 jaar. De Staten van Holland brachten--althans in het begin--hierin niet minder afwisseling [54]; van de latere privilegiën (in 't bijzonder die uit de 18de eeuw), die mij onder de oogen kwamen, was de termijn meerendeels van 15 jaar.

Voor periodieke uitgaven, zooals b.v. het Deventer almanach boexken, werden de octrooien doorgaans niet aan een termijn van een zeker aantal jaren gebonden, maar werden zij verleend aan een drukker "syn leven lanck geduyrende". Na diens overlijden werd dan, dikwijls aan de weduwe of de kinderen, een nieuw octrooi van dien aard verleend [55].

Het octrooi van de Staten van Holland van 12 Dec. 1582 aan Aelbrecht Hendricksz., drukker van de Staten, voor "alle de gemeene Landts Edicten, Mandamenten, opene Brieven... etc.", werd eveneens verleend zonder bepaalden termijn, maar: "tot kennelijck wederseggen van de Staten" [56].

De straffen op overtreding der in de privilegiën vervatte bepalingen gesteld, bestonden uit verbeurd-verklaring van de wederrechtelijk vervaardigde of ingevoerde exemplaren en het betalen eener boete, waarvan het bedrag meestal in het privilegie was genoemd.

Ook hierin werd aanvankelijk eene groote verscheidenheid betracht; ik vond er b.v. van: "25 Goude Realen"; "20 Caroli guldens van elck Boeck"; "50 kronen 't elcken reyse te verbeuren"; "vijf en twintigh ponden van veertigh grooten"; "drie guldens voor elck Exemplaar"; enz. enz. Later kwam hierin meer eenheid; bij de Staten van Holland werd het gebruikelijke bedrag der boete 300 gld.; in de reeds genoemde resolutie van dit college van 1715 werd bepaald, dat de boete voortaan 3000 gld. zou bedragen.

Een der belangrijkste punten van verschil tusschen de privilegiën en het moderne auteursrecht betreft de subjecten van het recht. Het auteursrecht, gebaseerd op auteurschap, komt uit den aard der zaak alleen aan den auteur, den schepper van het product van kunst of letterkunde, en diens rechtverkrijgenden toe. Doch de privilegiën, die niet tot bescherming van het geestelijk werk zelf, maar tot bescherming van de onderneming tot exploitatie van het werk moesten dienen, werden niet aan den auteur, maar aan den exploitant, drukker of uitgever, verleend.

Bij uitzondering kwam het voor, dat de auteur zelf het privilegie aanvroeg en op zijn naam verkreeg. Dit zal wel meestal zijn gebeurd in het, hier te lande dikwijls voorkomende geval, dat de schrijver tevens uitgever was. Doch er werden ook privilegiën verleend aan personen, die zelf geen drukker of uitgever waren. Zoo consenteerden de Staten van Holland in 1587 "den Eersamen ende wel geoeffenden Adriaen Anthonisz." om te mogen drukken en uitgeven "seecker Boecksken, by hem gemaeckt, geïntituleert, Redenen van het verloop des Jaers, &c. met een Nieuwen altijdt geduyrenden Calendrier, noch een Boeksken ... etc." zonder dat deze zullen mogen worden nagedrukt "nochte elders gedruckt zijnde dan by den Boeckdrucker, by den voornoemde Adriaen Anthonisz. te gebruyken, mogen werden gedistribueert, verkocht nochte te koop gestelt.. etc." Hier zal dus waarschijnlijk de schrijver voor eigen rekening zijne werken hebben laten drukken.

Soms werd het privilegie verleend aan de kinderen of de weduwe van den schrijver; in 1585 kreeg "Alijt Meynaerts, arme desolate weduwe wylen Adriaen Gerritsz. ... met hare kinderkens" octrooi voor de "kaerten, Instrumenten ende Practijcquen" die haar man had achtergelaten [57]. Doch er zijn ook gevallen, waar volstrekt geen reden is te vinden, waarom het privilegie nu juist aan dien bepaalden persoon en niet aan een ander wordt verleend. Aan Johannes Lydius b.v. werd in 1611 door de Staten-Generaal toegestaan "omme alleene by Loys Elsevier te mogen doen drucken ende vuytgeven, Opera Nicolai Clemangii, die voor twee hondert jaren tegen het pausdom geschreven zyn" [58]. Waarschijnlijk was het bezit van het handschrift of, zoo het een reeds vroeger uitgegeven werk was, van een gedrukt exemplaar, alles, wat voor het verkrijgen van het privilegie noodig werd geoordeeld. Eenmaal vond ik een privilegie verleend aan iemand, die het handschrift van het werk niet zelf bezat: aan Johan Janss. voor Johannis Drusii annotationes in Genesin etc. Onder het besluit, waarbij dit privilegie werd verleend, leest men in de Resolutiën der Staten-Generaal: "Is voorts geaccordeert te schrijven aan Abelium Curiandrum, schoonsoone van wylen den wytberoemden hoochgeleerden Johannis Drusii, dat hy Jan Janss. boeckvercooper tot Aernhem, zyns swaegers, in handen stelle het origineel vant voors. bouck om dat te drucken" [59].

Het kon natuurlijk op deze wijze voorkomen, dat een privilegie werd verleend zonder voorkennis of zelfs tegen den wil van den auteur. Dit geschiedde o. a. met de Betoverde Weereld van Balthasar Bekker. In de uitgave van het eerste deel van dit werk van het jaar 1691 (te Amsterdam by Daniel van den Dalen) leest men het volgend "Beright" eigenhandig door den auteur onderteekend:

"Also voor den eersten druk der twee eerste boeken deses werks in 8o by Hero Nauta tot Leeuwarden een acte van Privilegie staat / op den naam van Barend Beek, Boekverkoper in den Hage / ende daar in gemeld word / dat hy besig was met dat Boek te drukken: so verklaart den Auteur: hier met sijne eigene hand / dat hy Barend Beek niet en kent / ende hem directelik noch indirectelik nooit iets te drukken gegeven heeft; maar desen druk van alle de vier boeken in 4o aan niemant anders dan aan Daniel van den Dalen toegestaan. Derhalven kent hy voortaan geen exemplaren voor de sijne / dan die op dese wijse van hem self onderschreven zijn."

Hoewel de privilegiën steeds aan een of meer met name genoemde personen werden verleend, was het mogelijk ze aan anderen over te dragen. Ik vond althans verschillende malen van een dergelijke overdracht melding gemaakt. Daar ik bij alle schrijvers, die de Nederlandsche boekdrukkersprivilegiën hebben behandeld, de tegenovergestelde meening heb aangetroffen, n.l. dat de privilegiën onvatbaar waren voor overdracht, schijnt het mij de moeite waard, hier eenigszins langer bij stil te staan.

In Hugo de Groots Annales et Historiae de Rebus Belgicis, in 1658 in twee formaten door Joan Blaauw uitgegeven, vindt men vóórin drie verschillende privilegiën: een van de Staten van Holland, een van den Duitschen Keizer Ferdinand III en een van de Staten-Generaal. De twee laatstgenoemden waren oorspronkelijk verleend aan Petrus Grotius, den zoon van Hugo de Groot, die blijkens de volgende verklaring, die onder deze privilegiën staat afgedrukt, zijn recht aan Blaauw had overgedragen: "Ex lege quam Caesar & Ordines Belg. Foeder. supra praescribunt, ne quis praeter Ioannem Blaeu privilegiis eorum utatur, fruatur, cupiens ego jus omne in ipsum transcripsi, Hagae Comitis, die 25 Septembris, Anno MDCLVII" [60].

Een ander voorbeeld vond ik in het boekje "Het Godtsaligh overlijden van sijne Doorluchtichste Hoogheyt Frederick Henric, Prince van Orange, Grave van Nassau etc.", waarin een privilegie van de Staten van Holland voorkomt van het jaar 1647, verleend aan den schrijver van het boek, Johannes Goethals. Onder het privilegie staat: "Johannes Goethals heeft dit sijn recht ghecedeert en getransporteert aan Adriaen Wijngaerden, Boeckverkoper tot Leyden."

In de vergadering der Staten-Generaal van 13 September 1610 [61] wordt voorgelezen eene "acte van verclaringhe ende bekentenisse, gedaen voor notaris ende getuigen" waarin de weduwe van Lucas Jansz. Wagenaer verklaart, dat haar man "... in syn leven ende sekere jaren voor syn overlyden, vercoft, opgedragen, quytgescholden ende gecedeert heeft gehadt aen Cornelis Claesz., in syn leven bouckvercoper tot Amsterdam, alle die platen, caerten, toebehoerten ende andere gereetschappen mette gerechticheden, privilegiën ende octroyen, daerby synde, van alle ende ieghelyke sodanige wercken ende boucken, als die voorn. haer man saliger in syn leven in 't licht gebracht ende uitgegeven laten heeft, etc." Na den dood van den voornoemden Cornelis Claesz. verkocht diens weduwe het geheele fonds weer aan eenen derde, Jacob Leonartsz. Meyen. In hoeverre de Staten-Generaal deze beide overdrachten van privilegiën geldig oordeelden, is moeilijk uit de resolutie op te maken. Zij verleenden een nieuw octrooi aan Meyen voor "alle de wercken van wylen Lucas Jansz. Wagenaer," zonder het oude octrooi in te trekken; dit laatste had m.i. wel moeten geschieden, indien de Staten de overdracht van onwaarde hadden gehouden, terwijl aan den anderen kant het verleenen van een nieuw octrooi onnoodig schijnt, indien de geldigheid der overdracht buiten bedenking stond.

Ook wordt van privilegie-overdracht gesproken in een request van den boekdrukker Scheurleer aan de Staten van Holland in 1749: "... te kennen gevende dat hy suppliant voor eenige jaaren tot een merkelijke somme Gelds hebbende gekogt het regt en privilegie tot het drukken en uitgeeven van het maandelijksche Boekje, geintituleert Mercure Historique & Politique... etc." [62]. Voorts in een privilegie van 21 Juli 1702 voor het boek "Manier van Procederen enz." van Paulus Merula ten name van Adriaan Beman, waarin gezegd wordt dat vroeger aan een ander uitgever privilegie was verleend, "wiens Regt hy Suppliant in de maand April deses Jaars 1702 met den eygendom der Copie, ende Privilegie aan sig gekogt hadde;" en in de Resolutie van de Staten van Holland, waarbij het octrooi op den Emile van Rousseau wordt ingetrokken: "... welk werk door de voornoemde Jean Neaulme, met het zoogenaamde regt van Copie weeder is verkogt aan Marc Michel Rey... etc." Eindelijk wil ik hier nog vermelden een privilegie van de Staten van Holland van het jaar 1716, verleend aan David Mortier voor de werken van Boileau. De Staten verklaren hierin: "... Alsoo Ons vertoont is by David Mortier, Burger en Boekverkooper binnen Amsterdam, dat hy Suppliant, op den 19 Juny 1714 van Susanne Pelt, weduwe van Hendrik Schelte, hadde gekogt, alle de Exemplaeren en Copie Regt, ende Privilegie van seecker Boek, genaemt Les Oeuvres de Nicolas Boileau Despréaux, avec des Eclaircissemens Historiques donnez par lui-même, blyckende by de verklaring aan Ons geëxhibeert, en hy Suppliant van voornemens was, het selve te herdrucken... etc." Mortier verzocht daarom een nieuw octrooi, niet omdat het oude in zijne handen niet meer geldig zou zijn, maar omdat dit slechts 300 gulden boete voorschreef, terwijl hij de boete op 3000 gulden gesteld wilde zien. Dit verzoek werd ingewilligd [63].

Dat alle octrooien voor overdracht vatbaar waren is hiermede niet bewezen, en was blijkbaar ook te dien tijde geen uitgemaakte zaak. In een rechtskundig advies van Hugo de Groot van het jaar 1632 wordt de vraag behandeld ten aanzien van een octrooi van uitvinding; m. i. kan deze uitspraak naar analogie ook op boekdrukkersprivilegiën toepasselijk worden verklaard. Het advies luidde: "Dunkt (onder correctie) dat alsoo 't voorsz. Octroy is verleent niet ten aansien van den persoon, maar ten aansien van de inventie, dat daarom het recht, daar bij verkregen, aan andere personen, die deselve inventie in 't werk sullen stellen, wel ende rechtelijk is getransporteerd..." etc. [64].

In sommige privilegiën wordt het recht toegekend aan een bepaald persoon "en syne Regt verkrygende" of: "en sijne Erven, of Regt verkrygende" [65]. Van dezen is de geldigheid der overdracht dus aan geen twijfel onderhevig.

Uit het bovenstaande blijkt de onjuistheid van de bewering van Mr. van den Velden [66], dat de "privilegiën persoonlijk waren, dat is: dat zij slechts aan eenen bepaalden persoon of eene bepaalde vereeniging toegestaan werden, zoodat zij niet door koop of anderszins, konden worden overgedragen en met den dood van den bevooregten persoon, of de ontbinding van de vereeniging, te niet gingen." Ik meen, dat na de genoemde voorbeelden eerder het tegendeel als regel kan worden aangenomen en dat slechts bij hooge uitzondering persoonlijke, onvervreemdbare privilegiën werden verleend. Tot deze laatsten zal men dan wellicht hebben te rekenen die, welke zelf de bepaling inhielden, dat zij met den dood van den geprivilegieerden persoon of na opzegging door de Staten een einde namen [67].

Het verdient nog opmerking, dat in de aangehaalde mededeelingen van privilegie-overdrachten reeds enkele malen het woord kopierecht wordt gebruikt. Dit kopierecht was natuurlijk niet anders dan het uitsluitend recht tot drukken, zooals het in het privilegie stond omschreven. Buiten het privilegie bestond geen kopierecht. Men zou geneigd zijn het tegendeel op te maken uit uitdrukkingen als: "... alle de Exemplaeren en Copie Regt, ende Privilegie..." of: "... met den eygendom der Copie, ende Privilegie...", alsof er dus behalve het privilegie nog een afzonderlijk recht van kopie bestond. Ik vond zelfs een voorbeeld van "kopie-recht"-overdracht in een geval waar geen privilegie, dus ook geen kopierecht bestond. Op 17 Februari 1718 kocht nl. Joannes Oosterwijk, boekverkooper te Amsterdam, van Johannes de Wees "alle de Exemplaaren, van de Treurspeelen van Joost van Vondel.... nevens de overleveringe, als mede het volle recht van Copyen", terwijl hij eerst een jaar later (5 Jan. 1719) voor deze werken een privilegie (dus een werkelijk kopierecht) verkreeg [68].

"Waarschijnlijk bedoelden de uitgevers en boekverkoopers, wanneer zij verklaarden aan anderen het "kopierecht" af te staan, daarmede alleen, dat zij van hun kant van verdere exploitatie der bedoelde kopie afzagen; het was dus niet de overdracht van een absoluut recht, doch slechts het aangaan van eene persoonlijke verbintenis, volgens welke de eene partij aan de andere ten aanzien der kopie vrij spel liet. Misschien werden dergelijke overeenkomsten ook door derden geëerbiedigd; in elk geval zullen de leden van eenzelfde gildevereeniging onderling dit wel hebben gedaan. Maar een uitsluitend recht, dat door ieder geëerbiedigd moest worden, kon natuurlijk door zulk eene overeenkomst niet tot stand komen.

De privilegiën voor prenten en gravures werden, in tegenstelling met de boekdrukkersprivilegiën, bijna altijd aan den auteur zelf, den schilder of "plaetsnyder", verleend. Dit is ook zeer verklaarbaar, want wie een afbeelding in koper of hout had gesneden kon zonder behulp van anderen naar het door hem vervaardigde cliché exemplaren afdrukken en zal dus in de meeste gevallen wel zelf voor de uitgave van zijn werk hebben gezorgd. Doch het kwam ook voor, dat graveurs voor anderen werkten, die dan op hun naam het privilegie aanvroegen [69].

Wie de auteur van een werk was ging den privilegie-verleeners in het algemeen niet aan, vandaar dat, zooals reeds is opgemerkt, ook privilegiën werden verleend voor werken, die eigenlijk niet als auteursproducten zijn te beschouwen of waarvan de auteurs al voor meerdere eeuwen overleden waren. Wel bracht de resolutie van 28 Juni 1715 hierin eenige wijziging, maar van veel beteekenis was dit niet. In hoofdzaak bleef alles bij het oude; van de erkenning van een recht der schrijvers op hunne werken als grondslag der privilegiën blijkt in de resolutie niets.