Het Auteursrecht in het Nederlandsche en internationale recht

Part 2

Chapter 23,582 wordsPublic domain

Ontw. B. K. Gewijzigd ontwerp van wet tot regeling van het auteursrecht op werken van beeldende kunst.

W. A. R. Wet van 28 Juni 1881 (Staatsblad no. 124) tot regeling van het auteursrecht.

HOOFDSTUK I

HISTORISCHE INLEIDING

§ 1 De bescherming tegen den nadruk in ons land tot aan het einde der achttiende eeuw

Den voortbrengers van intellectueele producten (werken van kunst en letterkunde) komt, op grond van hun auteurschap, het vrije genot van de door hen geschapen geesteswerken toe en daarmede het recht, over de exploitatie dezer werken uitsluitend te beschikken. Dit is de thans vrijwel algemeen erkende grondregel, waarvan bij de regeling van het auteursrecht dient te worden uitgegaan en die in dit proefschrift nog herhaaldelijk van verschillende kanten zal worden toegelicht en uitgewerkt.

Dat dit niet van oudsher zoo is ingezien, vindt zijne oorzaak niet in de auteursproducten zelf--het is algemeen bekend, dat reeds in de oudheid literatuur en beeldende kunst bij sommige volken tijdperken van grooten bloei hebben gehad--maar in de wijzen, waarop die producten geëxploiteerd kunnen worden.

De belangrijke gebeurtenis, die in dit opzicht verandering bracht, was de uitvinding der boekdrukkunst. Het staat vast, dat daarvóór van het toekennen van uitsluitende rechten op de exploitatie van intellectueele producten nooit sprake is geweest. Men heeft zich hierover wel verwonderd, omdat ook vóór de boekdrukkunst verveelvoudiging van boeken reeds op groote schaal plaats had.

In het oude Rome b.v. waren reeds "bibliopolae" gevestigd, die honderden slaven als overschrijvers in hun dienst hadden, zoodat het aantal afschriften, dat van eenzelfde boek--soms in zeer korten tijd--verspreid kon worden, zeker niet geringer was dan dat van de gedrukte exemplaren, die een uitgever kort na de uitvinding der boekdrukkunst in denzelfden tijd kon afleveren [1].

Ook in de Middeleeuwen kon aan de steeds toenemende vraag naar boeken door de overschrijvers genoegzaam worden voldaan; in verscheidene steden van Europa, o. a. Venetië, Parijs en Londen, waren huizen gevestigd, waar dit bedrijf, evenals vroeger in Rome, in het groot werd uitgeoefend. In ons land waren het vooral de talrijke Broeders des gemeenen levens, die zich hierop toelegden en daaraan zelfs den naam "Broeders van de penne" te danken hadden [2].

De exploitatie van letterkundige producten was dus ook vóór de toepassing der boekdrukkunst reeds van beteekenis; toch laat het zich wel verklaren, dat men er in die tijden niet toe gekomen is, een uitsluitend recht op kopie te scheppen.

In de eerste plaats zou een dergelijk recht practisch waarschijnlijk van weinig beteekenis zijn geweest, daar het in de meeste gevallen niet mogelijk zou zijn een inbreuk erop te constateeren; bovendien zou het uitsluitend tot bescherming hebben gediend van degenen die een groot aantal overschrijvers in dienst hadden; op zichzelf staande personen, die in het overschrijven een middel van bestaan vonden, zou het onmogelijk hebben gemaakt. Doch de voornaamste reden moet gezocht worden in het feit, dat bij verveelvoudiging door overschrijvers de te behalen winst niet afhangt van het aantal exemplaren, dat van hetzelfde boek verkocht kan worden, zooals dat bij toepassing van den druk het geval is. Er worden niet, zooals bij het drukken, bijzondere kosten vereischt voor de bewerking van nieuwe kopie, zoodat daarvoor ook geene vergelding behoeft te worden gezocht in den verkoop van zooveel mogelijk exemplaren van hetzelfde boek. Het vervaardigen van afschriften kon geleidelijk plaats hebben in overeenstemming met de vraag; zoodra een werk geen koopers meer vond, kon de reproductie zonder schade worden gestaakt en een ander ter hand worden genomen. Werd van dezelfde kopie door anderen gebruik gemaakt om afschriften in den handel te brengen, dan leed de eerste uitgever hierdoor geen meerdere schade dan door elke andere daad van concurrentie.

De drukker-uitgever echter wordt door nadruk van een door hem uitgegeven boek veel zwaarder getroffen.

Het in druk uitgeven van een geschrift is--en was vooral te dien tijde, toen de drukkunst nog in haar opkomst was--altijd min of meer een waagstuk. Daar men meestal niet op den verkoop van een vast aantal exemplaren kan rekenen, blijft de kans bestaan, dat met verlies zal worden gewerkt. Vandaar dat het den uitgever er vóór alles om te doen is, kopie machtig te worden, waarmede eene flinke oplage kan worden gewaagd. Doch de moeite en kosten daaraan besteed zullen hem weinig baten, wanneer het ieder vrijstaat, zijn boek na te drukken. De nadrukker kiest natuurlijk juist de werken uit, waarmede winst zou zijn te behalen; door de prijs zijner exemplaren iets lager te stellen dan die der oorspronkelijke uitgave, trekt hij de meeste koopers naar zich toe.

Toen de toepassing der boekdrukkunst meer algemeen begon te worden, zag men dan ook spoedig in, dat het stelsel van vrij gebruik van kopie, waaronder het bedrijf der overschrijvers tot bloei had kunnen komen, aan de ontwikkeling der boekdruk-industrie in den weg stond. Om dit kwaad te keeren, werd toen van overheidswege de meest voor de hand liggende maatregel genomen: iemand die een boek in druk wenschte te doen verschijnen, kon op een daartoe gedaan verzoek octrooi of privilegie krijgen, dat boek gedurende een bepaalden tijd met uitsluiting van ieder ander te mogen drukken en verkoopen.

De privilegiën zijn in de meeste landen tot aan het einde der achttiende eeuw vrijwel het eenige beschermingsmiddel tegen den nadruk gebleven. Het recht--al was het dan een uitzonderingsrecht--der privilegie-houders heeft vele punten van gemeenschap met het auteursrecht en komt in omvang en strekking vrijwel overeen met het kopierecht van de tegenwoordige wetten; het tijdperk der privilegiën en octrooien is dus te beschouwen als de eerste periode in de ontwikkelingsgeschiedenis van het auteursrecht. Om die reden moge er hier, voorzoover ons land betreft, eene bespreking van volgen.

Voor het eerst schijnt in ons land een privilegie te zijn verleend in het jaar 1516 door Karel V voor Die Cronycke van Hollandt, Zeelandt en Vrieslant, beghinnende van Adams tiden tot de jare 1517 [3]. Van dat jaar af zal waarschijnlijk hier steeds de gelegenheid hebben opengestaan voor de boekdrukkers en uitgevers, om zich op deze wijze tegen den nadruk te doen beschermen. Aanvankelijk werden de privilegiën hier verleend door den Vorst over deze landen: door Karel V en na dezen door Philips II. Uit dien eersten tijd heb ik er slechts enkele kunnen ontdekken [4], doch het schijnt toen al niet tot de groote zeldzaamheden te hebben behoord dat zij werden verleend, want reeds in eene keizerlijke verordening van 19 Mei 1570 komt de bepaling voor (art. 13): "dat geen Printer eenig boek zal mogen printen, waarom een ander privilegie verkregen heeft, binnen drie maanden na den dag van expiratie van 't privilegie."

Toen het gezag van Philips II hier niet meer werd erkend, verleenden de Staten de privilegiën zelf.

Ook op dit punt komt de eigenaardige verhouding aan het licht, die tot aan het einde van de Republiek der Vereenigde Nederlanden bestond tusschen de Staten-Generaal en de Provinciale Staten, speciaal die van Holland, doordat elk dezer lichamen het souvereine gezag zooveel mogelijk naar zich wilde trekken. Zoowel door de Provinciale Staten als door de Generaliteit werden privilegiën verleend; de eersten waren natuurlijk slechts in ééne provincie van kracht, de laatsten golden, voorzoover zij niet uitsluitend voor de Generaliteitslanden waren bestemd, in de geheele Republiek. Doch de rechtskracht van de privilegiën der Staten-Generaal werd niet steeds in alle provinciën erkend. Dit bleek o. a. toen de Staten-Generaal in 1632 aan de weduwe van Hillebrant Jacobsz, van Wouw een privilegie hadden verleend voor de Statenvertaling van den bijbel, hetgeen protesten uitlokte van verschillende boekverkoopers in de Hollandsche steden, "... als niet konnende verstaen dat de Staten Generael macht hadden om Octroy te geven aen d'eene, ende verbot te doen aen d'andere..." enz. [5]. Door de Steden van Holland werd tegen dit octrooi aangevoerd, "dat sulcks niet konde prejudiceren aen de Provinciën of Leden van dien, of om korter te spreken, dat haer Ho. Mo. geen macht hadden sulcken octroy te gheven." [6] Wel werd in 1639 door de Staten-Generaal het gegeven octrooi "geconfirmeert," maar dit belette niet, dat de bijbel door verscheidene Hollandsche boekdrukkers werd nagedrukt [7].

Na dit voorval kwam het in gebruik, voor de door de Staten-Generaal verleende privilegiën in de verschillende provinciën attache aan te vragen; in sommige privilegiën vindt men zelfs de verplichting hiertoe uitdrukkelijk door de Staten-Generaal voorgeschreven [8] en van Aitzema meldt, dat sinds dien tijd geen octrooi van de Staten-Generaal in Holland van waarde is geweest zonder attache [9]. Of dit tot aan het einde der Republiek zoo is gebleven, is mij onbekend; in elk geval staat vast, dat de Staten-Generaal doorgingen met het verleenen van privilegiën voor de geheele Republiek, zooals uit het onderstaande herhaaldelijk zal blijken.

Om een privilegie te verkrijgen, was het gebruikelijke middel het inzenden van een request, waarin titel en schrijver van het werk werden vermeld, soms met eene korte aanduiding van den inhoud. Een placcaat van de Staten van Holland van 9 Januari 1686 [10] bepaalde, dat in een dergelijk request de naam van het boek moest worden vermeld; werd voor meerdere boeken tegelijk octrooi aangevraagd, dan kon met één request worden volstaan, zoo het allen werken van eenzelfden auteur waren en zij voor den druk gereed waren; anders moesten er evenveel requesten worden ingestuurd als er auteurs waren.

Van den inhoud van het geschrift namen de Staten dus in den regel vóór het verleenen van het octrooi geen kennis; meestal stond in het octrooi de uitdrukkelijke verklaring, dat er in geenen deele alles mede werd "geapprobeerd" wat in het boek te lezen stond. Bleek later, dat een geprivilegieerd boek aanstootelijke zaken inhield, dan kon het privilegie steeds worden ingetrokken, zooals o. a. in 1677 met de Historie der Reformatie van Brandt geschiedde en in 1762 met den Emile van Rousseau.

In den regel werd een verzoek om octrooi toegestaan, doch niet altijd zóó als de requestrant het had verzocht; soms werd het b.v. verleend voor een korteren termijn dan gevraagd was of werd slechts het recht gegeven voor het drukken van het boek in ééne taal, hoewel het verzocht was voor alle talen [11].

Het gebeurde echter ook, dat het octrooi werd geweigerd [12]; de reden hiervoor is niet altijd na te gaan. Soms was het, omdat voor hetzelfde werk of een van soortgelijken aard reeds octrooi aan een ander was verleend. In de vergadering der Staten van Holland van 13 Maart 1749 werd eene aanvraag om octrooi voor afbeeldingen van verschillende verlichtingen en versieringen in den Haag afgewezen, omdat het gevraagde octrooi was "sonder eenige bepaalinge, maar in tegendeel soo generaal, dat daar soo nu als in het vervolg veele andere Ingezeetenen van deese Provincie souden konnen werden toegebragt nadeel en prejuditie... etc." [13].

Dat voor Hugo de Groots Inleydinge tot de Hollantsche rechtsgeleertheyt in de jaren 1628 en 1629 vergeefs getracht werd zoowel bij de Staten-Generaal als bij de Staten van Holland octrooi te verkrijgen, schijnt uitsluitend te moeten worden toegeschreven aan de vijandige gezindheid der Staten-leden jegens den auteur [14].

Niet altijd werd terstond op het request eene beslissing genomen; zoo bij eene aanvraag om octrooi voor eene vertaling van Hugo de Groots De vrye seevaert, etc.: "Is goetgevonden, alvoeren hierop te disponeren, dat men de voorsz. translatie sal stellen in handen D. Grotii, omme te verstaen off deselve translatie hem gevalt" [15]. Een andere maal werd het octrooi voorwaardelijk toegestaan b.v. door de Staten-Generaal in 1609 voor eene vertaling van de werken van Will. Perkinsy: "... indien den predicant Mensevoet hiertoe vorens egeen privilegie en is geaccordeert" [16].

Men behoefde voor het verkrijgen van een privilegie niet te betalen, doch de Staten van Holland eischten voor elk door hen geprivilegieerd werk een exemplaar voor de Leidsche Universiteits-bibliotheek. Verzuim hiervan werd gestraft met eene boete van 600 gld en intrekking van het octrooi [17]. Evenzoo bepaalden de Staten van Gelderland in eene resolutie van 2 October 1738, dat van elk boek dat door de Geldersche Staten was geprivilegieerd, een exemplaar aan de bibliotheek van de provinciale academie te Harderwijk moest worden afgestaan [18].

De privilegiën werden vooral verleend voor geschriften van allerlei soort; niet alleen voor wetenschappelijke werken, gedichten, reisbeschrijvingen, enz., maar ook voor almanakken, "schrijfkonstboucken", officieele stukken, zooals placcaten, resolutiën, ordonnantiën, enz. enz.; oorspronkelijkheid of nieuwheid was geen vereischte: voor boeken van lang gestorven schrijvers, o. a. de klassieke Romeinen werden dikwijls privilegiën verleend, evenzoo voor vertalingen en bewerkingen; zelfs verleenden de Staten-Generaal in 1654 een privilegie voor de Correcture van de Druck-fouten, by in-advertentie in den jongst getranslateerden Bijbel ingesloopen [19].

Voor den bijbel, waarvan in ons land honderden verschillende uitgaven het licht zagen [20], werden--althans tot aan de uitgave der Staten-vertaling in 1637--herhaaldelijk privilegiën verleend, door de Staten van Holland zelfs in één jaar aan twee verschillende personen [21].

Dit was volkomen in overeenstemming met het doel, waarvoor de privilegiën moesten dienen, nl. bescherming van de drukkers en uitgevers, niet van de schrijvers. Indirect werden deze laatsten ook wel gebaat door het verbod van nadruk; hierdoor toch kreeg hun kopie grootere waarde voor de uitgevers, zoodat zij voor het afstaan van hun manuscript eenig honorarium konden bedingen. Doch slechts langzaam won de meening veld, dat de intellectueele arbeid der auteurs in de eerste plaats op bescherming tegen exploitatie door anderen aanspraak heeft, en dat het feit dat iemand een boek in druk laat verschijnen, op zichzelf nog geen reden is, om ieder ander het drukken van hetzelfde boek te verbieden. Hadden de Staten dit beginsel bij het verleenen der privilegiën voor oogen gehad, dan zouden zij ze hebben moeten weigeren in de gevallen waar van een auteur geen sprake kan zijn (zooals b.v. bij staatsstukken) of waar de auteur al honderden jaren dood is.

Een begin van wijziging in deze richting bracht de Resolutie der Staten van Holland en Westvriesland van 28 Juni 1715, waarbij o. a. werd bepaald, dat voor school- en kerkboeken, alsmede voor de autores classici geen octrooien meer zouden worden verleend, behalve voor de annotatiën, commentaren enz., die er op nieuw bij zouden zijn gemaakt. [22] Uit analoge bepalingen in andere landen blijkt, dat men elders reeds veel vroeger tot deze juiste onderscheiding was gekomen [23].

Voor den bijbel schijnt voor het laatst een privilegie te zijn verleend in 1632 door de Staten Generaal aan de weduwe van Hillebrant Jacobsz. van Wouw. Dit privilegie, waarvan hierboven reeds sprake was, gold voor 15 jaar, ingaande op het tijdstip van de eerste uitgave der Statenvertaling (1637) [24]. Na dien tijd was voor wie den bijbel wilde drukken alleen noodig het aanvragen van consent, opdat de Staten konden controleeren, dat de drukkers zich aan den officieel vastgestelden tekst der vertaling hielden [25].

Intusschen bewijst natuurlijk het enkele feit, dat voor den bijbel geen privilegiën meer verleend werden, niet, dat de privilegie-verleeners tot een juister inzicht waren gekomen omtrent den grond der bescherming; evenmin moet de beteekenis der resolutie van 1715 in dit opzicht worden overschat. Reeds in 1724 schijnt door de Staten van Holland de deugdelijkheid van de bepaling op de auctores classici in twijfel te zijn getrokken. Er kwamen dat jaar een tweetal requesten in, waarin octrooi werd gevraagd voor werken van Cicero, Cato en andere Latijnsche schrijvers; op deze requesten werd niet afwijzend beschikt, doch zij werden in handen gesteld eener afzonderlijke commissie, "om de selve te examineeren, en daar beneevens te overweegen, of de Resolutie van 28 Junii 1715 soude kunnen of behooren te werden geëlucedeert of geamplieert... etc." [26]. Wat de kerkboeken betreft schijnen de Staten zich aan de Resolutie van 1715 niet strikt te hebben gehouden, althans in 1752 moesten zij nog eens het besluit nemen--op request van de "Leeraaren en ouderlingen van de Luthersche gemeente te Amsterdam"--dat geen privilegiën meer zouden worden verleend voor de Psalmen en geestelijke liederen bij die gemeente in gebruik [27].

Behalve de eigenlijke geschriften konden ook andere werken van de bescherming der privilegiën genieten: muziekwerken, kaarten en ook werken van beeldende kunst.

De muziekdruk werd in ons land, vooral einde zeventiende en begin achttiende eeuw, op uitgebreide schaal beoefend, zoodat zelfs Amsterdam een centrum van den wereld-muziekhandel was [28].

Wat van den nadruk van boeken is gezegd, geldt natuurlijk evenzoo voor muziek; het is daarom niet te verwonderen, dat ook hiervoor privilegiën konden worden aangevraagd. Meestal was het voor lied- en psalmboeken, die hier in groote getale uitkwamen, soms met begeleiding voor meerdere instrumenten. In 1746 verleenden de Staten van Holland een octrooi voor verschillende muziekwerken, waartoe onder meer behoorden "tagtig a honderd Italiaansche Ariën met Instrumenten" en twee geheele Italiaansche opera's [29]. Ook voor muziek- en leerboeken werden privilegiën verleend. [30]

Een niet minder belangrijke tak van het drukkers- en uitgeversbedrijf vormde de kaarten- en atlassendruk. Op dit gebied werden hier uitgaven ondernomen, die wereldberoemd zijn geworden, zooals de atlassen van de Blaeu. Ook van deze werken kwam nadruk, of liever "nasnijden" meermalen voor, hoewel herhaaldelijk voor deze, dikwijls kostbare uitgaven, privilegiën werden verleend.

Merkwaardig is de volgende resolutie der Staten-Generaal van 27 Jan. 1618: "Is Hessel Gerritsz. caertmaker tot Amstelredam, geaccordeert een open brieff van octroy, daerby verboden wert des suppliants caerten, beschrijvingen van landen ende modellen van caerten, soo geschreven als gedruct op eenigerley wyse na te maken, te copieren ofte divulgeren,..." etc. [31]. Dit is het eenige octrooi dat ik heb kunnen vinden, waarvan de bescherming zich ook uitstrekt op ongedrukte stukken en waarin behalve het nadrukken ook het namaken op alle mogelijke andere wijzen is verboden. Het geeft in waarheid de meest volledige bescherming, die zich--ook onder de modernste auteursrecht-wetgeving--denken laat.

Een ander soort producten, die met de kaarten vele punten van overeenkomst hebben, daar zij evenals deze noch tot de geschriften, noch tot de werken van beeldende kunst gerekend kunnen worden, zijn de voorbeelden van schoonschrift, krul- en sierletters, waarvoor ook meermalen privilegiën werden verleend. Aan Mr. Aert van Meldert, Fransche Schoolmeester te Rotterdam, verleenden de Staten van Holland in 1585 octrooi voor door hem vervaardigde "Capitale Letteren" [32] en in 1616 werd door de Staten-Generaal aan Davidt Roelandts van Antwerpen "francoyschen schoolmeyster binnen Vlissingen" een octrooi verleend voor: "'t magasyn oft packhuys der loffelycker penneconst, vol subtile ende lustige trecken, percken, beelden ende fiegueren van menschen, van beesten, vogelen ende visschen, ende noch meer dan hondert onderscheyden geschriften, verciert met diversche capitalen oraculen ende gulden sententiën..." etc. [33].

De werken van beeldende kunst, waarvoor privilegiën verleend werden, waren vooral prenten, gravures en etsen, zoowel origineele als naar schilderijen gemaakte.

Soms kreeg de schilder het uitsluitend recht, om naar zijn schilderij gravures te mogen uitgeven, zooals in het octrooi aan den portretschilder Mierevelt verleend in 1607 voor "...het contrefeytsel, by hem gemaeckt van syn Exctie, hetwelk hy van meeninge is te doen nasnyden in een copere plate... etc." [34]. In dit geval is dus het schilderij als object der bescherming te beschouwen.

Een andere maal werd het privilegie direct aan den "plaetsnyder" verleend. Een voorbeeld hiervan is het octrooi van 21 Jan. 1610 aan Jac. Matham verleend voor "het contrefeytsel van den Hooch geb. grave Hendrik van Nassauw, by Mr. Michiel van Mierevelt naer het leven gedaen ende by den suppleant in coper gesneden" [35].

Welk bestanddeel van het werk van beeldende kunst men door het verbod van namaak voornamelijk wilde beschermen, is dus moeilijk te zeggen; het ligt trouwens voor de hand dat men, ook bij het verleenen van deze privilegiën, niet volgens een vast systeem te werk ging, maar in elk bijzonder geval naar omstandigheden besliste.

Soms werd--wat met de beginselen van het auteursrecht niet te rijmen zou zijn--aan één persoon de uitsluitende bevoegdheid verleend, een bepaald onderwerp in beeld te mogen brengen en te verspreiden, zooals in het den 28sten Juni 1603 aan Balthasar Florisz. verleende octrooi, om "voor 4 jaren alleen te mogen drucken de intogt vanden leger van de heren staten generael der vereen. Nederlanden in Vlaenderen" en in een denzelfden dag aan Herm. Rem verleend "voor 4 jaren alleen in 't coper te mogen snyden ende uytgeven de victorie, die Godt den lande gelieft heeft te verlenen thegen des vijants galleyen voor het Gat vander Sluys." [36] Een privilegie van dezen aard werd blijkbaar ook verlangd door den schildergraveur P. Holsteyn, die van de afgevaardigden van verschillende landen, die in 1646 te Munster voor het voorbereiden van den vrede waren bijeengekomen, portretten in den handel wenschte te brengen. In zijn Request aan de Staten-Generaal wordt o. a. aangevoerd, dat hij "...sijn voornemen bijnae ten eynde gebracht heeft en weynich resteert, omme Uwe Ho: Mo: de perfeckste gelijckenisse van alle de voorsz. Heeren Plempen in een boeck te vertoonen... waerin wellicht andere, dien het (: sonder mij te beroemen:) daerinne niet soo wel geluckt is, mij bij Uwe Ho: Mo: souden soecken te prevenieren ende Octroy te obtineren... enz." [37].

Daarentegen werd bij gelegenheid van de Synode van Dordrecht een octrooi op de afbeeldingen dezer vergadering in dezer voege gesteld: "Is den suppliant geaccordeert octroy voor syn werk, met interdictie dat tselve niemant en sal mogen naemaecken, maer nyet privative dat anderen nyet sullen haer eygen werck mogen drucken ende vuytgeven" [38].

Een enkele maal werden ook werken, die niet tot de graphische, maar tot de plastische beeldende kunst behoorden, geprivilegieerd. Bij resolutie van 30 Aug. 1617 verleenden de Staten-Generaal aan Caspar Planten, beeltsnyder, een octrooi voor 3 jaren, om "alleene te mogen maecken ende gieten, het werck ende patronen by hem daerentusschen te inventeren en te boutseren" [39] en in 1619 werd aan Willem van Byler, ysersnyder, octrooi verleend om "... voor den tyt van drye jaeren naestcommende, alleene in dese vereenichde provinciën te mogen maecken, snyden, gieten ende vercoopen den nieuwen penninck dien haere Ho. Mo. hem hebben doen maecken van het Synode nationael..." [40].