Heleen

Part 8

Chapter 83,639 wordsPublic domain

Naarmate Heleen nu met de jaren de woeste wanordelijkheid gewaar werd, die in het binnenste der afzonderlijke menschen heerschte, leerde ze beseffen, hoezeer het noodzakelijk was dat ze zichzelf en elkaar, althans wat het uiterlijk leven betrof, met ontzegging en bevel tot regelmaat hadden gedwongen. Ze had het kaartspel van levensregelen, dat haar in haar ooms huis met gestrengheid was bijgebracht, willen verachten als nutteloos, omdat haar eenvoud zooveel innerlijke verwildering niet had kunnen voorzien. Regelmaat van zijn bleek echter wel noodig—, doch als ze overal in de wereld, in degene die ze zag en te midden waarvan ze leefde en in de werelden, waar een nieuw soort boeken haar binnenvoerden, de meerderheid zich woedend zag werpen op elken afzonderlijken mensch, die zich een eigen leven naar eigen vormen en met eigen regelmaat trachtte te scheppen en daarin onbedekt te werk ging, dan voelde ze scherp hoe dom en noodeloos wreed en buiten elke redelijke verhouding al die woede en al dat neervellen was.

Menschen hadden macht over anderen om hen te besnoeien en te beperken, ze waren daarmee de handhavers van een ordening, die door den willekeur en de onbewustheid van elk afzonderlijk wel noodig scheen.... wat zij vervulden, scheen derhalve goed, maar ze wisten zelf niet wat ze vervulden en handelden daarom in den wilde en verkeerd. Beperking was heilzaam, maar ze kenden geen onderscheid, ze lieten den een noodlottige vrijheden en legden den ander doodende beperkingen op, daarin gevoelde Heleen al gauw het heillooze. Ze waren als onbekwame tuinlieden, vaag wetend dat een plant besnoeid moet worden, maar niet beseffend hoe en waar, er in hun onkunde de hartstreng aan ontsnijdend; ze waren als kinderen met messen, hun wreedheden niet precies bedoelend, maar toch niet betreurend ook. De voortdurende botsingen tusschen de menschen gezamenlijk en den mensch afzonderlijk konden Heleen niet ontgaan en evenmin ontkwam ze aan het pijnlijke gevoel dat gemeenlijk de besten op die manier geofferd werden. Dit deed haar lijden. Elk ding had immers zijn reden en zijn doel, dááraan hield ze vast met alle macht. Moest dit dan ook zoo wezen.... kon het noodwendig zijn.... moesten de eenen overgeleverd zijn aan het misbruik der velen? Was het voor die eenen dan beter zich te onderwerpen om de ordening niet te verstoren, of was het beter zich te verzetten, om zich te handhaven en vrij te zijn?

Dagen lang en in vele nachtelijke uren overpeinsde Heleen die pijnlijke raadselen, de klare vragen welke de een achter den ander als uit een kolk van verwarring en verblinding opschoten en een rustelooze angst beving haar dan—, ze werd bleek en prevelde half-luid in zichzelve,—„ik kom er niet uit.... ik kom er niet uit.... ik vind er nooit een weg in....”

En in andere uren betrapte ze zich op gevoelens van verachting en onwil en bitterheid jegens de menschen, die elkaar zoo laf en willekeurig het leven bemoeilijkten. Dan vreesde ze den hoogmoed, die haar denkkracht aantasten zou en keerde zich tegen zichzelf en verzon kinderachtige middelen om zich te redden en staande te houden. Ze schreef vermaningen tot zichzelf op strookjes papier... „pas toch op voor den hoogmoed,” „acht jezelf toch niet beter dan anderen, want er is geen enkele reden waarom je beter zou zijn”—, en droeg die bij zich en plakte ze op de binnenzijde van haar boeken.

Ze trachtte in de verbijsterende veelheid der verschijnselen groepen te vormen en een aantal verschillende uitingen te verklaren uit een gemeenschappelijken grond en nam tot dit onderzoek vaak zichzelf te baat, zoodat ze leerde gevoelen, hoezeer menschenkennis en zelfkennis in wezen zijn verwant, meer dan eens ontdekte ze in wat ze onbewust deed iets als een smaak van gemeenschappelijkheid met andere handelingen en neigingen. Ze zag iemand, zichzelf of een ander spontaan een houding aannemen, een daad verrichten en wilde die begrijpen. Gauw ontwaarde ze, dat die handeling of die houding nimmer iets enkelvoudigs was, maar samengesteld bleek uit een geheel complex van onbewust en snel vermengde beweegredenen. Aldus moest ze die eerst uit elkaar scheiden. Met een volgende handeling of een volgende daad ging ze op dezelfde wijze te werk—, en wat ze dan in beide daden aan gemeenschappelijks ontdekte, hield ze vast. Want daarin lag dan de altijd werkende, de diepere en geen toevallige of bijkomstige beweegreden. Zoo en altijd op eenzelfde wijze te werk gaand vergeleek ze de daden van éénen mensch onderling en die der menschen met elkaar—en was dit iets anders dan wat haar als kind bij het rekenen alreeds had geboeid, het zoeken van den „gemeenen deeler”—, het blij-verrassende, als groote, woeste, schijnbaar geheel verschillende getallen altijd uit dezelfde gekende, vertrouwde deelen samengesteld bleken en bij hun uiterlijk onderscheid een zoo innige overeenkomst toonden? Het was altijd datzelfde gevoel van vrede en innerlijke verzoeting, dat ze toen al ervoer en toen niet begreep—, had ze dan als kind reeds heimelijk en duister beseft, dat voor háár de vrede en het geluk uit het eenheidsgevoel zou moeten komen en dat ze nimmer zou kunnen rusten bij den aanblik van doellooze verwarring, vijandschap, verwildering? Had ze ook niet vaak in haar vrije kwartiertjes met getallen van acht of van tien cijfers op blaadjes papier gewerkt om te zien hoeveel verschillende getallen met die weinige cijfers te vormen waren? Eindeloos voor haar kinderlijk begrip bleek de reeks, maar het verband, de samenhang en de kracht bleef behouden. En uit het beetje wiskunde en het ziertje meetkunde dat haar slechtweg en slordig, vluchtig en onverschillig was geleerd en dat zij onwillig en stug had opgenomen—, waren ze er toch óók geweest, schaarsche uren van vreugde en plotselinge verheldering, het doorschietend licht, de innerlijke verzoeting, die ze niet begrepen, maar om de vreemde aandoening wel onthouden had. Iets gevoelen.... iets begrijpen.... een eeuwige wet in de eindeloosheid der openbaringswijzen. Wat was het toch geweest? Iets gevoelen.... of iets begrijpen? Heleen zag vreemd op.... want plotseling welde er dit nieuwe weten in haar op, dat iets gevoelen en iets begrijpen eigenlijk geen innerlijk onderscheid inhield. Gevoel en begrip.... was er wel onderscheid? Gevoel bracht voor haar geen begrip met zich mee,—maar een echt begrip gaf wel altijd een gevoel,—tot in haar lichaam toe. Had ze iets nieuws begrepen, dan leek het haar, als zonk het ergens neer in een verborgen diepte van haar innerlijkheid en verteerde daar, zooals eten verteert, al het verschillende eten tot een enkel ding: bloed, en voedde haar van daar uit en drong zich in haar gansche doen en laten, zooals het sap uit den wortel dringt tot in de tippen der bloemeblaadjes van een plant,—en verandert de bodem, zoo verandert elk deel van de plant—en deed haar alle dingen weer op een nieuwe wijze zien,—zoo leek het dat haar oog anders gericht stond dan den vorigen dag, en ze ondervond, dat het schijnbaar-kleinste dit kon bewerken en dat dus geen enkel ding gering is. Elk begrip bracht voor haar die aandoening, bracht de aandoening, want ze kende er maar één enkele, het was altijd weer, wat voor zichzelf zij heette: de innerlijke verzoeting, het doorschietend licht, de aandoening, die voor lange jaren her haar nu pas ontwakend begrip als een stille gids was voorgegaan—dat geven van die zelfde aandoening was het gemeenschappelijke in de wijdst-verscheiden dingen, zoodra ze recht begrepen waren, maar toch.... nog altijd niet was er bij elke aandoening een begrip. Doch ze leerde dit zichzelf beseffen: het moest er dan in verborgen zijn. En dien gelukkigen dag, dat geen wereldsch ding haar deren kon, voelde ze zich als had ze een wonder gevonden, een juweel van klaarte uit zichzelve opgedolven.... over de wereld leek een licht opgegaan nu ze wist: de ontroering was de wegbereider van het begrip.... en beiden hadden éénzelfden Oorsprong. Elke aandoening was een vleug, een voorlooper, een waarschuwing uit het Onbekende, dat er ergens iets leefde en bestond achter den zichtbaren schijn en dat naar dat „iets” haar begrip moest streven. Zoo deed ze;—van toewijding en geestdrift gansch en al vervuld, versmaadde en vergat ze geen enkele dier heimelijke boden, en bewaarde die hare aandoeningen, die ze niet onmiddellijk begreep voor later, nu bewust wetend waartoe, zooals ze eenmaal het als kind wijsjes neuriënd met bedauwde oogen, uit onbewustheid had gedaan.

XVI.

Heleen leefde eenzaam en leed meer leed dan andere meisjes en jongens van haar jaren, die niet denken, maar genieten, en verder werken om hun leven te banen, doch ze kende ook in de momenten van innerlijke verzoeting een bijna woeste verrukking, die den meesten dier anderen ontgaat, en omdat ze jong was en bij al haar ijver nog maar weinig wist, liet ze zich door die verrukking misleiden tot de hoop dat ze „de waarheid” wel eens vinden zou.

Ze bleef vreedzaam leven in het huis, waaruit ze anderen om kleine grieven en oneenigheid na korter of langer tijd zag vertrekken, ze had daar een kleine kamer voor zich alleen en was zeer gelukkig met die eigen plek. In de avonduren zat ze daar vaak alleen. Ze las en leerde vlijtig om de geringe kennis van haar jonge jaren aan te vullen en wijsheid en verheldering uit geschriften op te doen, die haar tot inzicht en daarna tot rust zouden voeren. En als ze zichzelf zoo ernstig en gedwee zag zitten onder haar lamp, dan kwam het haar voor, alsof ze nu pas tot werkelijk onderricht was gerijpt en dat haar geest zich tegen het dorre schoolsche leeren, waar licht noch rust uit voortkomt had verzet, zooals een beest op het land zich afkeert van schadelijk en onheilbrengend gewas. Het verdroot haar sterk, dat ze zoo weinig wist, want ze was niet hoovaardig en onderschatte geenszins een ding omdat ze het niet bezat en ze bleef rusteloos bezig en greep gretig naar wat onder haar bereik kwam. Gansche avonden bracht ze zoo door in een aangename rusteloosheid, een zachtkoortsig gevoel, als iemand die zich reppen moet, maar dat gaarne doet voor een lokkend doel. Overal lonkten verschieten, overal wachtten haar openbaringen, ongelijk-schijnende dingen gaven voor wie ze te doorgronden wist, plotseling verwantschap te zien—, meer en meer begreep Heleen wat den mensch, die leeren en groeien wilde, vóór alle dingen te doen stond, onderscheiden en samenbinden, niet zich laten misleiden door een verlokkenden en troostenden schijn, doch moedig en koel door-tasten naar het echte wezen van de dingen en hun hoogere eenheid. Ze begeerde voor zichzelve waarheid, maar geen geluk.

Heleen las in die dagen veel boeken, die van de menschen om haar heen in hun in- en uitwendig leven met de grootste nauwkeurigheid verhaalden—, maar ze vervulden haar niet met die zoete weemoedigheid, die de oude romans uit haar kinderjaren als een zacht-benevelende damp op haar afgezonden hadden. Ze geleken haar daarbij arm en schraal. Lag het aan haar of aan die boeken? Ze wist het niet en sloeg er zich door en beet door haar weerzin heen, omdat ze ook het leven zooals het daar aanschouwd was, wilde kennen. Maar tegelijk greep ze gretig naar andere boeken: van lang gestorven schrijvers over lang-gestorven menschen en van menschen in bijzondere levenswijzen, in tijden van kentering en opstand—, om overeenkomst en eenheid te voelen, en te weten wat elkeen van nature was en wat hem werd bijgebracht en of menschen van nature „goed” of „slecht” waren en hoe „helden” ontstonden en hoe „misdadigers.” Ze las en schoof het boek weg en peinsde met de oogen voor zich uit.... kleuren verloren hun scherpte, schrille klanken verzachtten.... het was of bergen werden geslecht en valleien zich vulden.... en het al tezamenvloeide tot een eindelooze, grauwe vlakte. Waarheen was al het geduchte, het ontstellende, het geweldige gevaren? Kon geen enkel ding het licht lijden en van nabij worden bekeken, zonder zichzelf, vorm en omtrek te verliezen, zooals een wolk zichzelf verliest, naar de aarde zinkend en verwordend in mist? Alles viel evenzoo triest uiteen—, wat waren toch menschen? Als water, geurloos en kleurloos en niet warm en niet koud, willig zich vormend naar hun omgeving, licht te kleuren met vreemde stoffen, troebel van slik, gezweept van storm, verhard van koude—, maar in innerlijk wezen zichzelf altijd gelijk en altijd wezen-loos—, waar bleef hun schuld, hun misdaad, hun deugd en hun verhevenheid?

Heleen wist niet langer of al dit vervloeien haar bedroeven of verheugen moest. Ze hief haar hoofd naar de lamp en peinsde en luisterde naar haar inwendige stem. Tusschen den eenen mensch en den anderen geen onverwoestbaar onderscheid... zou het aldus moeten zijn? Een klein boek lag voor haar, een verhaal over Russische revolutionairen. Bijkans alle menschen waren uit hetzelfde dorp afkomstig—, als kinderen hadden ze met elkaar gespeeld en nu—, was de een verdrukker, de ander verdrukte, de een held en de ander verrader. Bestond er wezenlijk verschil? Soms voelde Heleen het sterk van wèl, maar soms deed dit alles haar denken aan een spel dat ze eens als kind tusschen jongens had zien spelen. Het was op een volksfeest, een lange, smalle, zwiepende plank lag tusschen twee hooge balken; aan den eenen kant was een diepte vol wit meel, aan den anderen eenzelfde diepte vol zwart roet. Jongens beklommen een na een den balk, snelden wankelend vooruit over de plank.... dreigden te vallen, hielden zich nog recht op.... en stortten ten leste in het witte meel of in het zwarte roet. ’t Scheen al louter toeval—, doch voor de witten braken er toejuichingen los en voor de zwarten gejouw. Dan slopen die weg, doodelijk beschaamd. Zóó leek Heleen het leven in dat boek—, zoo leek haar het leven van veel menschen in veel boeken en in veel werkelijkheid, een wankelend rennen over een zwiepende plank en ten leste neerkomen in wit of in zwart. Dan werden ze uitgejouwd of toegejuicht—, en elk bleef waar hij was en leerde daar gewennen en kende of begeerde niets anders meer.... hun verschil leek zich bij den dag te verscherpen, en toch bestond het in wezenlijkheid niet.

Vreemd was Heleen’s besef bij het ondergaan van al deze verflauwingen. Zij deelde lijfelijk en geestelijk in die verflauwing mee en een gevoel van onzekerheid besloop haar, als was zij zelf water, geurloos en kleurloos, niet warm en niet koud, vlottend, vliedend en ongrijpbaar. Haar adem verwarde, dauw besloeg haar voorhoofd, klam en kil.... Om daaraan zoo gauw mogelijk te ontkomen, sloot ze haar boek en greep naar andere, waaruit ze feiten leeren kon.

Ze had sinds kort, meende ze, een middel voor zichzelf ontdekt om de menschen te leeren kennen. Daar ze zich verborgen en vrijwillig zich niet in oprechtheid gaven, nauwelijks aan zichzelf, moesten ze bespied en beslopen worden. Wie ze wilde kennen, moest zwakke plekken opsporen in hunne bolwerken en ze daar doorheen beloeren. Eens, dat Heleen gedachteloos in een boek had zitten bladeren, had ze daarin de woorden „slecht” en „gemeen” zien staan en plotseling was het haar opgevallen, hoe die woorden hun oorspronkelijken zin van „armoe” en „eenvoud” verloren hadden en nu iets verachtelijks beduidden. Zoo stonden ze daar in hun verwrongen zin als het vonnis dat de wereld over armoe en eenvoud had geveld. Daarmee dus hadden ze elkaar tot roof en moord om buit en luister verlokt, dat ze in elkanders oog niet „slecht” en „gemeen” zouden wezen. Een scherp besef greep haar beet—, maar ook een verheuging—, was het misschien in hun taal dat menschen zich argeloos en gedachteloos blootgaven en verrieden, wat ze wel graag hadden willen ontkennen en verbergen?

Heleen had reeds als schoolmeisje behagen gehad in het uitspinnen van oude woorden en hun beteekenissen, in het opsporen van spreekwijzen en hun verklaringen; zonder te weten, dat ook deze onbewuste voorliefde haar eens zou dienen als een bewust middel tot wat zij zocht. Nu wilde ze naarstig leeren haar taal te kennen en te begrijpen als voermiddel en bewaarster van menschelijke gedachten en waardeeringen. Ze wilde ook vreemde talen kennen, om te beter tot onderlinge vergelijkingen te geraken. En schoon de ontzaglijkheid en de bezwaarlijkheid van wat ze te doorworstelen aanschouwde, haar wel bang en gedrukt kon maken—, zette ze zich vol moed aan den arbeid, zich verblijdend in wat ze vond, zooals een goudzoeker zich verheugt in elke glinsterende korrel, die zijn dagtaak verzoet, en méér is dan de schadeloosstelling van zijn arbeid.

Vele waren de avonden dat ze slapen ging met een klaar en kalm licht binnen in zich, een gevoel van gedragenheid en zachte kracht, dat zoo teeder was en haar zelf ontroerde, en ook altijd weer bevreemdde, omdat ze er een ander, oud gevoel in terugvond—, dat van den morgen dat ze was ontwaakt na den eersten avond met Fred. Somtijds dacht ze nog wel aan dien tijd en aan die ontgoocheling, doch zonder smart en zonder wrok; het was herinnering, en herinnering kon niet anders dan weemoedig en zoet in een blinkend waas van tranen gezien en herdacht zijn.... zóó was alle herinnering in haar, aan wat blij was geweest, aan wat droef was geweest.... gelijkelijk nu, niet meer blij, en niet meer droef, maar meer en dieper dan die beide te zamen.... herinnering.

Wanneer Heleen haar geheelen avond door gewerkt en gepeinsd had, kon ze niet dadelijk slapen, maar bleef klaar wakker en stil met haar oogen open in donker. Dan tikte de klok en ze wist wel dat ze geheel eenzaam was en ze voelde ook al wel haar geluk uit zich wegvloeien voor een zachten weemoed, die verlangen geleek. Ze ondervroeg zichzelf.... Wat wilde ze? Ze wist het niet.... het leek wel.... als drong er iets in haar, haar te zeggen, dat ze zichzelf wegschenken moest, tot haar eigen geluk, maar ze wist niet, wie of wat haar opvorderen zou. De bedoeling van haar nachtelijk gevoel ontging haar, ze nam slechts waar dat het er was en dat vreemde tranen haar oogen ontliepen, zonder dat ze leed had. De ontroering van haar geest deelde zich als altijd mede aan haar lichaam—, een trillende pijn trok door haar leden heen, die ze den volgenden dag bij ’t ontwaken daar nog bevond en die soms door loopen of werken aanzwol tot een echte lijfelijke smart.

Smartelijker waren de nachten als de avond geen rust had geschonken, maar haar opgejaagd met vragen en raadsels, haar getergd en verontrust met het vertoon van het eindeloos vele onoplosbare in de wereld rondom en in haar eigen hart. Het in vorige avonden verkregene beduidde niets, had geen zweem van eenheid, droeg nog niet de flauwe belofte van een oplossing....

Dan gloeide de oude angst, het oude heimwee naar haar eigen geheim, dat tegelijk het geheim van alle dingen te zamen moest zijn—tot een stekende pijn, een felle wanhoop, haar hart bonsde zwaar en bang, haar keel leek omsnoerd, heftig golfde het bloed naar haar polsen en het smartelijk verlangensgevoel dat uit diepten in haar aanzwol leek haar nu te zijn een begeerte, dat de kerker binnen-in haar, die ze niet langer meer meedragen kon, van waar uit ze te vaak en te zwaar werd verontrust en benauwd—, nu maar openbarsten zou en openbarstend haar gansche wezen uiteenslaan en vernielen. Uitgestegen boven de gelukkige duisternis van het onbewuste zijn, zichzelf niet kennend, maar vermoedend als een heelal vol raadselen en pijn, zwaar te doorgronden, zwaarder te dragen, haakte ze in den nacht naar zelf-vernietiging tot zelf-verlossing. Lokkend ruischte in duister een Bron, het was de Oorsprong, daaruit was ze Afzonderlijk geworden, daarheen smachtte ze terug, daarin wilde ze die al te zware, die al te duistere afzonderlijkheid prijsgeven en verliezen. Vreemd, zooals heel haar lichaam meedeelde in dien heftigen vervloeiingsdrang, als wilde een middelpunt-vliedende kracht haar het bloed uit hart en aderen naar alle zijden wegstuwen de ruimte in—, alles aan haar, in haar reikte trillend naar de verlossing. Het schuimde op tot doodsverlangen, maar schoon haar ziel den Dood voorvoelde als vervloeiing, vernieling niet, het was haar niet geleerd zóó in hem te gelooven: doods-vrees, even sterk als doodsverlangen, zette zich op, verweerde zich—, tot afmatting en slaap een eind maakte aan dien strijd. Dan rustte ze zwaar en werd met hoofdpijn wakker.

Andere avonden, vredig ingezet met boeken op tafel onder de zachte lamp, verging het haar weer geheel en al anders. Want plotseling schrok ze op en luisterde.... de wind klopte aan haar raam, hijgde langs de muren, sloop en stommelde in den schoorsteen.... de regen ruischte en zijn kreunen en klagen had een weemoedig-zoeten, bekenden klank....

Een wonderlijke weekheid greep haar aan.... haar stemming sloeg om zoo plotseling, zoo geheel en al, als het weer op een Maartschen dag, ze zat niet langer stil als een gedweeë leerling, doch sprong op en liep heen en weer met de handen op den rug, zooals ze het als kind had gedaan en peinsde vaag en onvast en neuriede en rilde vluchtig en luisterde onrustig en kon niet meer tot stilte geraken. Ze dacht aan het oude leven in het oude huis, aan de zwerftochten door rietland en bosch, aan de schemerstonden onder de boomen in de verlaten laan, aan haar sterke, benauwde droomen, door de jaren heen onverflauwd gebleven, aan de gedaanten, die ze in boeken had gekend en die in huis om haar hadden heengewaard. Indien dan nu waarlijk dit alles niet bestond, al datgene, waaraan ze een krachtiger geloof dan aan geschreven waarheden had geslagen, indien er nu niets anders was dan een wereld vol kwaadwillige menschen, die elkaar benijdden, beroofden en deernisloos knauwden, wat beduidden dan al de ontroeringen, alles wat niet te noemen, maar te gevoelen is, dat haar aanwoei uit wind en regen, uit de vormen der wolken, uit het gelaat van de maan, uit het kreunen der boomen en uit het suizen van het riet in het stervensuur van elken dag, maar ook uit een sombere aschvaalt, een sintelpad en een grauwe fabriek? Bestond het of bestond het niet, had het echte beduidenis of was het alles bedrog?