Heleen

Part 7

Chapter 73,918 wordsPublic domain

Doch het gebeurde ook wel eens, dat de mannen haar lachend aankeken, in de handen klapten en „bravo” riepen, terwijl de vrouwen zich dan nijdig en zwijgend afwendden, en Heleen geloofde hierdoor aanvankelijk, dat mannen redelijker, eerlijker, grooter en beter waren dan vrouwen en dat ze eene meening wisten te waardeeren, die ze even te voren bestreden hadden. Hierin werd ze versterkt door de vrouwen zelf, die haar in schimpscheuten verweten, dat het haar om den bijval van de mannen, doch niet om de zaak-zelf, waarbij ze immers geen enkel belang had, was te doen geweest. Heleen verzette zich daartegen, omdat het niet waar was en schreide bitter en boos, zooals ze als kind gedaan had, wanneer de menschen haar niet geloofden, en dit vervreemdde haar meer dan al het andere van de anderen.

Toen Heleen echter bemerkte, wat ze wel bemerken moest, dat ze er inderdaad lichter in slaagde de vriendelijkheid en de genegenheid der mannen dan die der vrouwen te winnen, ging haar dankbare wedergenegenheid als een warme en krachtige stroom naar hen uit. Het duurde niet lang, en toen wist ze al wel, dat een man met een glimlach veroverd en met een vriendelijk woord beloond is. Een verschiet van vreugde bloeide voor haar open, bestond er inderdaad iets blijders in de wereld om elkaar mee rijk te maken dan een glimlach en een vriendelijk woord? Ze gaf in overdaad van haar overdaad en ontving vleierijen als wedergave. Thuis overdacht ze die, proefde peinzend de woorden, die openlijk of bedekt haar lieflijkheid prezen, en ze herinnerde zich het eerste gedichtje van haar eerste vriendje,... haar oogen als zachte, blauwe vlammen, haar glimlach bekoorlijk.... Was dit alles zoo, was dit werkelijk zoo? Was ze niet leelijk en linksch en onaanzienlijk, zooals ze het had gewaand bij haar pronkerige nichtjes? En zouden de menschen en hun liefde dan dáármee te winnen zijn? Had ze misgetast hopend en misgetast wanhopend? Zou ze nog langer naar de menschen opzien met oogen, die edelmoedigheid en trouw beloofden, nu ze wist, wat met bekoorlijkheid te winnen is? Zoo groeide in Heleen het voornemen, zooveel mogelijk te bekoren, ten einde zooveel mogelijk genegenheid te winnen.

Het weinige geld, dat Heleen overhield, besteedde ze in vele kleine gaven aan ouden, armen en gebrekkigen, die ze kende van haar weg naar de school. Maar ze gaf nimmer iets weg, zonder er den glimlach van haar oogen bij weg te schenken. Het ontvangen van het geld was hun aandeel, maar het wegschenken van den glimlach het hare in de gemeenschappelijke vreugde. De schamele grijsaard, die in de schaduw van een kerk stond bij de school en die altijd het hoofd gebukt hield om het licht te weren van zijn tranende, verzwakte oogen, kende alreeds haar hand en hief verblijd en snel het hoofd omhoog, dat hij Heleen’s glimlach zien en met knik en trillenden vreugdelach loonen zou. En Heleen voelde dat in dat oogenblik een band van teedere menschenliefde haar aan dien bedelaar bond en dat hij haar natuurde, omdat haar oogen een lichtspoor van vreugde hadden gelaten in zijn oud en vertreden hart. Zoo mengde zich haar oude deernis met haar ontwakende behaagzucht tot een vol en blij gevoel.

Onder de menschen gaan, zich lieflijk tusschen hen bewegen, hen bekoren—, hierin zag Heleen plotseling een uitzicht op onuitputtelijke levensvreugd, en wel zoo zeer, dat ze niet twijfelde, of anderen moesten die begeerte met haar deelen en ook vóór alles bekoren willen, zoodat de beklagenswaardigste wezens de onbekoorlijken waren. Ze zocht dus anderen die fijne vreugde evenzoo te bereiden. Soms glimlachte ze vriendelijk tegen een leelijken, vreemden man, die tegenover haar in een tramwagen zat en dan verward en verblijd zijn oogen neersloeg en verder ging in de meening, dat ook hij eenmaal een meisje had bekoord en misschien toch niet geheel en al leelijk en onaanzienlijk was. Ze gevoelde ook wel den onweerhoudbaren lust, menschen die ze kende, verfijnde vleierijen te zeggen over hun uiterlijk, hun daden en hun werk, zonder die in hun beteekenis geheel en al te willen overzien, louter om de vreugde, voor haar om ze te mogen zeggen, voor hen om ze te mogen hooren. Ze had uit haar kinderjaren de liefde voor schoonklinkende woorden behouden en koos bij voorkeur de mooiste woorden voor de liefste dingen, als schroom haar niet weerhield. Ze ademde gaarne in den glanzend-warmen damp, opstijgend uit vleierijen, gezegd en aangehoord—, doch het grof misverstaan van de menschen, en hun domme ijdelheid, die meende dat ze, anderen vleiend, zichzelf verkleinde en haar kleinachtend zochten te behandelen, of die haar verdachten van vleien om te verkrijgen, joeg somwijlen een schuimenden drift in Heleen op en dwong haar die neiging in zichzelf te keeren. Soms was ze moedwillig heftig en hard jegens wie zich haar meerderen achtten, opdat niemand aan haar moed zou twijfelen, en altijd vriendelijk jegens zoogenaamde minderen, van wie ze derhalve niets te verwachten had dan de dankbaarheid van hun hart, die ze haar zonder achtergedachten konden geven. Doch bij lange na niet steeds handhaafde Heleen kieskeurigheid en zelfbedwang. Daar zijzelf zooveel had geleden onder misverstaan en verstooting, vreesde ze zéér dit anderen aan te doen, ze wees dus nimmer eenig mensch terug, die om vriendschap of hulp bij haar kwam. De liefde van de menschen en hun waardeering, reeds het enkele feit, dat ze haar opmerkten en zochten, dit alles zóó lang ontbeerd, leek haar bovendien zoodanig kostbaar, dat het gretig moest aanvaard en nimmer teruggewezen mocht worden. Te bemerken, dat iemand haar aantrekkelijk vond, bewoog haar dankbaarheid tot tranen toe en de persoonlijke waarde van hen, die aldus vleiend tot haar kwamen, leek haar van gering belang. Daardoor verwierf ze te plotseling, te veel en te losse vriendschap en bijtijden drong het alreeds pijnlijk tot haar door, dat de hare maar weinig werd gewaardeerd, omdat ze zoo licht was te winnen en dat zij-zelf soms werd bejegend met een gemeenzaamheid, die dan meer geringschatting was dan vrije kameraadschap.

XIV.

Heleen leerde meer en meer zich op zichzelf bewust te bezinnen, naarmate zij scherper de verschillen tusschen zichzelf en anderen waarnam. Als kind had ze nooit over zichzelf gedacht, zich nimmer afgevraagd, waarom haar hart klopte en waarom boomen bloeiden en welkten,—daar ieder wezen een kloppend hart bezat en iedere boom een tijd van bloei en van dorheid kende, ze had zich zelfs nimmer afgevraagd, wat toch een klok deed tikken en slaan—, tot ze eens op een middag was thuis gekomen en plotseling had bemerkt, dat de klok zweeg. Ze herinnerde zich dat oogenblik nog zeer goed. Ze was onder de klok gaan staan met de handen op den rug en had naar hem opgezien in een vluchtige en bange verbazing—als wist ze nu pas, dat er voor een klok twee mogelijkheden zijn: tikken of stilstaan—, verbazing, die in vragensmijmerij verliep: ze wilde plotseling weten, waardoor de klok stilstond niet alleen, maar ook waardoor de klok tot nu toe altijd had geloopen. Dit bleef haar bij.

Toen ze kind was en langs den dijk liep en karrevoerders had zien ploeteren met hun wagen tegen de hooge helling op, had ze helpen duwen met de borst, zonder erover na te denken, of er zich rekenschap van te geven dat ze het ook laten kon; ze had nooit een oud mensch of een zwak kind met een te zware vracht voor zich uit zien loopen of ze was gedachteloos toegeschoten en had ze dien last ontnomen, en daar al die dingen rechtstreeks voortkwamen uit haar onbewuste natuur, had ze er even weinig over gedacht als over het tikken van haar hart en het groeien van een boom. Stilzwijgend en zonder gezet overdenken had ze dit alles als het gemeenschappelijke in elk mensch, het tot zijn mensch-zijn van nature behoorende aanvaard, totdat ze plotseling zag, dat het alles anders wezen kon. Dat er menschen waren, die niet meeduwden aan karren, anderen niet hielpen hun lasten te dragen en geen medelijden gevoelden met lijdenden, mensch of beest, het medelijden dat in haar als een immer-bloedende wond was van haar geboorte af.

Meer en meer drong dit alles tot haar door, maar in het huis van haar oom was het pas goed begonnen, daar viel niet anders dan verschil te zien, verschil tusschen haar en de anderen, verschil in elk woord, in elk gebaar, in elke gedraging. Hoe kwam het toch dat haar nichtjes geen belang stelden in de romans, waarmee zij zich lange jaren van haar leven had gevoed, dat ze het dwaas vonden te schreien bij mooie muziek en bij droefgeestige verhalen, bij alles dat schoon en treurig was, dat ze haar vreemde verlangens niet duldden en niet begrepen en zelf niets verlangden dan tusschen menschen en winkels te drentelen en over haar kleeren en die van anderen te spreken? Er moest voor dat alles een oorzaak zijn.

Ze had goed opgelet en goed overdacht.... ook in de omgeving, in den kring dien ze nu had verlaten waren niet allen hetzelfde.... Een oude dame, die veel boeken bezat en een spinet, dat ze gaarne hoorde bespelen, was, den eenigen keer dat Heleen haar met haar tante had bezocht, zoo zacht-hartelijk en vriendelijk tegen haar geweest als nimmer een der anderen. Meer mijmerend gevoeld dan vermoed had Heleen het toen al.... was dat misschien door de boeken en het spinet? En eens was er een scheepskapitein te gast gekomen, met een vroolijk en gebruind gezicht. Hij ook was anders dan de anderen. Heleen had het onmiddellijk gevoeld, zijn vroolijkheid deed haar goed, maakte haar niet schuw en het dienstmeisje prees hem met een glunderen gloed in haar oogen, niet om de fooi, die elkeen gaf, daar het zoo hoorde, maar omdat hij niet had gewild dat ze hem in zijn jas zou helpen en omdat hij haar had gewaarschuwd voor de kilte in de gang, toen ze verhit kwam uit de keuken. Heleen had dit opzettelijk onthouden, omdat het haar een bijzonderen indruk gaf bij ’t hooren vertellen en ze als altijd daaruit begreep, dat het iets beteekende en dat ze het overdenken moest—toen waren plotseling haar weer de vergeten regels uit het oude liedje te binnen geschoten....

wie zoo vroolijk zingen kan, dat en is geen slechte man.....

Sindsdien was Heleen dit alles blijven overdenken en in uiting en werking gadeslaan.... Vaag begon ze iets te vermoeden van onderling verband tusschen wat in elken mensch schijnbaar los van elkaar bestond.... van verwantschap in het naar het uiterlijk zoo geheel en al onverwante... van een gemeenschappelijke oorzaak.... of beweegreden.... een kern.... de menschen noemden het met vage woorden: aard.... aanleg.... karakter.... en daaruit, zonder dat ze het zelf beheerschten of zelfs wisten.... of hoe was het?.... al hun daden en al hun gedrag.... de een zoo.... de ander weer anders.... haar kern een andere kern....? Hun kern een andere kern....? Maar waarom dan.... en waaruit dan... de één zoo... en de ander anders.... ik zóó.... zij anders.... maar sommigen meer zooals ik.... en anderen gansch en al verschillend? Het kon toch voor wie altijd en ijverig zoekt, niet verborgen blijven.... zou zij het eenmaal leeren kennen?.... het geheim waarom menschen zijn, zooals zij zijn.... en dan ook haar eigen geheim.... haar eigen kern....

Dit tasten boven macht en krachten vermoeide Heleen weliswaar, maar het vervulde ook haar levensdagen met een sinds haar kinderjaren ongekende volheid en warmte. Niets kon haar meer verrukken dan het vooruitzicht, den kerker, die haar geheim verborg, te doen opengaan, haar kern te vinden—en als haar voorgevoel dan waar was, dat uit die kern al haar daden, gevoelens en gedragingen voortkwamen, dan moest er ook in die daden, gevoelens en gedragingen een gemeenschappelijkheid zijn, iets als de familietrek van de kinderen uit één geslacht, als dezelfde smaak der vruchten van eenzelfden boom.... Stond er ook niet geschreven: „Aan de vruchten zult ge ze kennen.” Waar had ze het ooit gelezen? O, het was op school geweest in die leesles van den Gelderschman, die meereed op een boerenkar en telkens wilde raden of de voerman „een fijne” was of niet.... „Aan de vruchten zult ge ze kennen....” Daden van menschen waren als hun vruchten.... daaraan konden hun redenen gekend zijn en zijzelven. Zij ook, door zichzelve....

Heleen had in haar jeugd haar eenzaamheid geleden, ze was in weinig dingen onderricht en altijd op zichzelf aangewezen geweest. Ze had in haar herinnering een aantal momenten opgegaard en vastgehouden naar hunne indrukken—zooals dat van het plotseling stilstaan der klok—, dat waren de momenten, waarin haar angstig hart, dat leed en niet begreep, was beslopen door de voorgevoelens van wat het later bestormen en verontrusten zou, waarin ze doolde vol wensch en verlangen, zonder te weten, wat ze wenschte en waarnaar ze verlangde, of vol benauwdheid en vrees, zonder te weten, waarvoor ze benauwd en bevreesd was. Dan sloop ze sidderend om den kerker binnen in zich en betastte de wanden met bevende vingers en kon hem niet doen opengaan. En nu ze ouder werd, hervond ze diezelfde gevoelens van begeerte en wensch, deernis, angst en benauwdheid, die oorsprong noch doel schenen te hebben, in nieuwe ondervindingen en gebeurtenissen. Dan hief ze het hoofd op, als iemand, die uit de verte een gerucht hoort en plotseling een oude wijs herkent. Doch voordat hij zich proevend daarop bezonnen heeft, vloeien de geruischen des levens er weer overheen. Zooals ze haar moeders Fransche liedjes had onthouden op den klank en pas later losgerafeld uit haar geheugen en naar vorm en zin verstaan, zoo wilde ze nu al die ontroeringen en verschrikkingen, die ze door hun vreemdheid en hun scherpte had behouden, doch niet begrepen, losrafelen, onderzoeken en begrijpen in wat het beduiden moest. Het drong nog vaag, maar al dringender tot Heleen door als een vaste wet, waarin ze van nature leek te moeten gelooven, dat elk ding zijn eigen beteekenis had en dus zijn eigen noodzakelijkheid en op een geheimzinnige wijze aan elk ander ding vasthing en dat die dingen dan alle te zamen weer een andere, verdere gemeenschappelijke beteekenis hadden. Wat was er geweest, dien middag in het bosch, dien avond onder de boomen, toen de vogel voorbijvloog en een spoor van benauwdheid en bedroefdheid liet, dien middag op school, daar de meester vertelde, dat er aan vreemde zeden van vreemde landen niets wonderbaarlijks is? Waarom was ze in onrust en verwarring weggeslopen, toen ze met haar vader langs het water was gegaan en naar het diepe spiegelbeeld van de maan had gestaard en hij haar had verteld, dat het licht van de maan niet bestaat, daar de maan koud en duister is en evenwel de aarde bestraalt? En waarom had ze, jaren later, eenzelfde onrust en verwarring, trillend door geest en door leden gevoeld, toen ze onder een prentje las: foto van een spiegelbeeld?

Heleen haalde het verleden naar zich toe door veelvuldige herinnering en snoerde het aan het heden met gelijksoortige ervaring—zoodat de band tusschen het voorbije en het huidige nimmer verbroken werd en alles dat vervlogen leek, telkenmale in verwisselde gedaanten herleefde en opnieuw verscheen.

Zichzelve kennen.... weten, wat ze had gehoopt en tegen alle ervaring in, nog immer hoopte, weten waarop ze had gewacht en nog wachtte, weten wat haar het hart bevloog en de borst beklemde, weten wat haar van anderen scheidde en of die scheiding blijven en duren moest, en daartoe ook anderen kennen.... en daarvoor ook hen gadeslaan, doorgronden in daad en reden.... wellicht in een verborgen gemeenschappelijkheid een weg vinden om hen te naderen....

Het geheele leven kennen. Het was vol raadselen, bij drommen stormden ze op haar aan. Elk ding beduidde iets, elk ding was tot elk ander ding benoodigd.... zóó had ze het aan planten en aan dieren leeren zien en bewonderen.... elk ding had daar bestemming, elk ding had daar zin.... en daarom recht. Maar dit kon toch niet alleen voor het tastbare zoo zijn, voor ledematen en voor onderdeelen, ook in het onzienlijke moesten deze zelfde wetten gelden, dat elk ding zin en elk ding recht en reden had. Maar wat, maar welke? Waartoe dienden den mensch zijn lust en zijn leed, hoogmoed en deemoed, vrees en trots, en al dat eindeloos vele ’t welk zijn geest nog verder herbergen mocht, ook angst en waan en vroolijkheid? Wat beduidde het lachen, wat het schreien? Het was ondenkbaar dat een dezer dingen op zichzelf kon staan, alles had zijn doel en verbond het ééne geheel, en ze alle te zamen te kennen, was het geheel te kennen, in middel en in bestemming. Heleen wilde dit vurig en dan daarna weten.... waaruit, waarom en waartoe menschen zijn zooals zij zijn.... de een zoo.... en de ander weer anders....

In de weken, dat Heleen zich met deze overdenkingen bezig hield, gevoelde ze zich, naar dat het weer of haar eigen stemming was, nu eens neerslachtig en als bij voorbaat gebukt onder zoo zwaar een taak,—dan weer dapper en blij in een plotseling doorschietend gevoel, dat het alles maar zoo ingewikkeld geleek, maar dat het wel heel eenvoudig wezen kon en dat ze er wel komen zou! Ze zag dan zichzelf als toen ze een kind was en in school zat tegenover het zwarte bord. Daar stond een eindeloos-lange rekensom, van de soort, die de meesters een vorm noemden, een warreling van cijfers en teekens, kruisen, halen, accoladen. Achter het teeken der gelijkheid moest de oplossing komen. Hoe duister en vervaarlijk leek dit alles! Doch Heleen wist het en elk der anderen evenzoo, het zag er erger uit dan het was;—wie geduld genoeg had en richtig werkte met de cijfers, geen schijnbare kleinigheid een kleinigheid heette en niets verwaarloosde, die vond de uitkomst wel. Elke waarde vond een tegenwaarde, waardoor ze verdween,—het een viel tegen het ander weg en het eind was een klaar, enkelvoudig getal, en somwijlen een nul. Zoo zag Heleen de taak, die haar door het drijven en dringen van haar eigen hart in de onrust van een verward en tegenstrijdig leven, dat in niets overeenkwam met hare verwachtingen en droomen, doch daarom nog niet die droomen en verwachtingen afdoend logenstrafte,—werd opgelegd: zichzelf doorgronden, anderen doorgronden, klaarheid zoeken in het onklare, eenheid in het onsamenhangende, een weg banen door donker kreupelbosch, elk ding kennen in echten samenhang en echte gesteldheid. En ook hierin golden dezelfde eischen: geduld hebben en richtig werken met de cijfers. Eerlijk zoeken, eerlijk oplossen, eerlijk becijferen. Aldus leerde Heleen de oprechtheid begeeren, niet als een willekeurig-gestelde deugd, maar als de redelijke voorwaarde om het leven en het eigen hart te leeren kennen. Ze begreep nu ook haar weerzin tegen de onoprechtheid, dien middag in school met den vreemden heer: ze had zich uit haar instinct afgewend, niet van de bewuste, erkende leugen, die het eigen leven beveiligen kan, en derhalve moet, tegen brutalen dwang en drang van buiten, en die in zichzelf oprecht is, maar van het vervalschende, vleiende zelfbedrog, het verwarrende, het belemmerende. Ze wilde oprecht zijn jegens elkeen en vooral jegens zichzelf, om zich eerlijk te doen kennen en zich eerlijk te kennen, en noch zichzelf, noch anderen in het onderzoek naar den aard van menschen en hun daden te bemoeilijken.

Heleen was, toen ze zich deze dingen voornam, naar aard en jaren nog een kind. Een enkele plek in haar was door overgroei tot ouderdom gerijpt. Dit werd de tweeledigheid van haar wezen.

XV.

Jaren lang worstelde Heleen als een verdwaasde ridder om een ideaal, waarmee ze zichzelf niet helpen en anderen niet dienen kon. En al die jaren was ze in waarheid eenzaam tusschen de menschen en leed in eenzaamheid de smarten en ontgoochelingen van het zelfonderzoek. Het had haar beet en liet haar niet meer los.

Ze kon in het leven der menschen niet deelen, want het voerde af van den rechten weg der waarheid, dien zij zocht. Wilde ze ooit iets van zichzelf, van anderen, van het leven en zijn raadselen leeren begrijpen, dan moest zij anders zijn. Lang en gezet nadenken over het verblijf in het huis van haar oom had haar de overtuiging gegeven, dat dien menschen daar alles ontging, omdat ze te veel van hun eigenliefde vervuld, voortdurend door zichzelf belemmerd waren. Dat was de oplossing. Ze woonden daar als in een huis, dat nergens een ruim uitzicht biedt, want overal rondom staat een hooge muur: eigenbaat en eigenwilligheid. Waar zij keken, ze zagen zichzelf. Hun beeld van de wereld was als een foto, waar één enkele figuur buitenmatig op den voorgrond is geschoven; tienvoudig vergroot, breekt het de zuiverheid der verhoudingen, vernietigt het elke harmonie,—dat waren zij zelf. Heleen begreep dat ze moest zien om te kunnen leeren, dat ze vrij en onbelemmerd moest zijn om te kunnen zien, dat ze van zichzelf afstand moest doen, zichzelf moest verliezen, dat ze zichzelf maar in zooverre mocht behouden, als noodig was om zichzelf te zijn en zichzelf te zien. Ze wilde dit,—ze nam zich dit voor, waarachtig en dapper. En hoe meer menschen ze leerde kennen, hoe meer ze begreep wat ze op die menschen voorhad, haar sobere, eenzame jeugd, vrij gebleven van dat kunstmatig inprenten van nooden en deugden en inzichten, dat men opvoeding heet. Ze gevoelde daarover een klare, gave verheuging: ze was gewis vrijer dan de anderen en onbevangener tegenover wat ze zag, enkel en alleen omdat ze er niet zelf in betrokken was. En zoodra ze dat bemerkte, nam ze zich voor, er nu ook zoo weinig mogelijk in betrokken te geraken. Vóór alles wilde ze haar denkkracht ongerept behouden—en daar een der eerste en duidelijkste waarheden die ze voor zichzelve vond, deze was, dat menschen de dingen, waaraan hun belang of hun ijdelheid verbonden is, niet langer richtig en zuiver overdenken kunnen, nam zij zich voor, haar eigen belang en haar eigen ijdelheid aan zoo weinig mogelijk dingen te verbinden, ten einde veilig te zijn. Want waarom zou ze van nature beter dan anderen wezen? Ze wist alreeds te goed dat ze het niet was. Ze wist dat ze vrijer was, omdat ze haar juk in haar jeugd had gedragen, omdat haar toen alreeds was geleerd, nederig te zijn en te ontberen. Ze had haar geheele jeugd met haar meerderen verkeerd; met helden en heldinnen in boeken, ze bewonderd om hun dapperheid en hun zuivere deugd, hun edelmoedigheid bovenal, en zichzelve daarbij klein geacht; ze had haar heele jeugd alles ontbeerd, waar andere kinderen gretig naar zijn, omdat de ouderen hen gretig maken—, ze kende niet het genot van bezit, niet van onderscheiding, niet van aanzien in kleinen kring en begeerde het daarom niet. Ze begeerde slechts één ding te winnen: liefde—, en als ze dacht aan wat ze had gedaan jegens den ouden zangmeester en in den juweelenwinkel, dan wist ze dat daar dan ook haar zwakheid lag en dat van dáár gevaren dreigden—, en velerlei verderf. En ze achtte zich niet beter dan anderen, niet onomkoopbaar, omdat háár prijs een andere was dan die der meesten.

Van overal kwam dezelfde waarschuwing af op Heleen, als zag ze het overal in woorden geschreven: dat ze niet begeeren zou. Ze begreep plotseling ten volle als in een openbaring den zin van ontbering en zelfvergetelheid, zooals heiligen en vromen die gepredikt hebben. Tot nu toe was dit alles willekeur en woord voor haar geweest. Begeerten alleen waren het groote kwaad, het groote gevaar, ze maakten den mensch afhankelijk van zichzelf en van anderen, voor elke waarheid blind, klonken hem vast in de aarde, roofden hem zijn vrijheid en zijn innerlijke kracht. Daarom wilde ze sober leven.