Heleen

Part 3

Chapter 34,089 wordsPublic domain

Ten leste zwol de benauwdheid van hare angsten zoodanig in Heleen’s wezen aan, dat ze elk ander gevoel uit haar verdrongen. Er waren dagen, dat ze niet dorst opzien naar het gelaat van de maan en de vormen der wolken, dat ze, in den schemer, van den weg af kwam aangedraafd, verward in haar adem en zich met sidderend lijf tegen de buitendeur stortte om die te grendelen en zich met voorwendsels en jokkens aan het gevaar, naar boven te moeten, zooveel mogelijk onttrok.

Toen Heleen’s vader van die angsten begon te vermoeden, besloot hij er zijn wil rauwelijks tegen in te zetten tot Heleen’s eigen baat; zijn minachtende woorden knauwden haar wel, maar ze gaf niet altijd toe. Doch eens in het schemeruur, ze zouden juist hun maal beginnen en Heleen zat reeds aan tafel, beval hij haar naar boven te gaan en een mandje te bergen in een kast. Heleen werd grauwbleek, maar ze zweeg en rees op en ging de kamer uit en klom bevend bij de duistere trap omhoog naar boven. Ze kwam de verlaten kamer in, binnen de stoffige ruiten hing het doodsche donker, koud klonk haar stap op den plankenvloer, de kast kierde en sloeg kelderlucht uit. Ze vermeed het naar het grendeldeurtje in den schoorsteen te kijken en beproefde het veilig beeld van de kamer beneden, met lamp en witgedekte tafel, voor haar oogen vast te houden. Ze sloot de kast, rilde in de kilte, en ging naar de trap terug. Doch toen ze voorbij het deurtje kwam, voelde ze zich plotseling beloerd, alsof gretige oogen zich verdrongen achter de reet om haar en het licht te zien. Lam van angst kwam ze bij de trap, zette wankelend haar voet op de bovenste trede, toen hoorde ze duidelijk achter zich den grendel knappen en dat het deurtje opensloeg. Een tocht streek haar langs het gezicht, iemand stiet haar tusschen de schouderbladen aan en in het duistere trapgat neer naar beneden. Ze viel neer op haar gezicht, voelde een krimpen door haar lichaam en dat het bewustzijn haar ontvloeide.

VI.

Heleen had in den val haar been gebroken, ze werd opgenomen en in bed gelegd. De dokter kwam en ondervroeg haar, doch ze liet niets uit van wat haar was overkomen en verzette zich schreiend tegen het onderzoek, snikkend van drift om den smaad van zijn lachende kleinachting en zijn overmacht, die haar deed wijken. Er werd een bed voor haar gespreid in de warme woonkamer, en ze behoefde niet meer naar boven. Ze sluimerde veel tusschen lichte kille koortsen, maar de droomen bleven weg. Haar zuster sloop vaak naar haar bed en vertelde haar vertelsels; eens echter wilde ze het verband van haar been plukken, toen werd ze door vader de kamer uitgebracht en boven opgesloten. Haar schreeuwen en snikken kwelde Heleen zoo ellendig, dat ze meesnikte in haar bed. Tegen de lente ging de zuster het huis uit, er kwam ’s morgens vroeg een rijtuig, vader stapte met haar in en ze reden weg. De broertjes kwamen, verschrokken van ’t gekrijt, met ontstelde gezichten naar beneden; in de kamer bleven vergeten de gordijnen neer en het lamplicht vocht zwak en bleek tegen den zwellenden dag. De broertjes gingen naar school en Heleen bleef met moeder alleen en deze ging aan haar werk in den jachtigen draf en met den ijlen, afwezigen blik, die Heleen kende van haar benauwde avonden. Herhaaldelijk draafde ze haar bed, dat voor het raam stond, wezenloos voorbij. Heleen hoorde het schuifelen van haar adem, dat naar zacht steunen leek en voelde haar rokken langs zich wapperen. Ze wilde er niet aan denken, wendde zich af, keek in de frissche ijlten van blauw en wolken omhoog en verheugde zich, dat de boomen al knoppen zetten. Even brak de zon nog door, en Heleen sluimerde in en werd niet wakker, voor de broertjes weerkeerden van de school.

Een korten tijd daarna ging zijzelf ook weer naar school terug en kwam er in de hoogste klas. Een paar dagen tevoren was haar oom thuis geweest en had met den vader over haar gesproken. Heleen zou onderwijzeres worden, was gezegd, omdat ze dan op haar achttiende jaar op een fatsoenlijke manier voor zichzelf kon zorgen. Heleen nam alles aan, wat over haar werd besloten. Het begrip: toekomst, gloorde bleek in haar aan. Ze zou voortaan niet langer van den eenen dag in den anderen leven. Dit alleen bleef haar bij.

Het geleek Heleen later, als ze dit alles overdacht, of van toen af het schoolleven vat op haar ging krijgen en haar met bewuste indrukken vervulde. In den teederen, bleek-gouden Mei’schen morgen, dat Heleen voor het eerst weer schoolwaarts ging, speelde een orgel „Les pas des Patineurs,” de dartele blaadjes keerden en wendden zich aan de boomen. Heleen kon er haar blik niet van losmaken, haar zoete zwaarmoedigheid zwol in haar aan en maakte, met klank en wind en kleur te zamen, dit oogenblik onvergetelijk. En als ze het herdacht, dan scheen het haar tevens of ze juist op dienzelfden Maandag de school en de kinderen en de meesters met andere oogen was gaan bezien. Niet langer was schoolgaan de gedachteloos vervulde taak van elken dag, zonder verder verband met het overig leven, en de meesters waren meer dan het natuurlijk toebehooren van klas en school, zij ook waren menschen, die een eigen leven leidden en wenschen koesteren konden buiten de school. Het leek haar nu vreemd, dat ze dit niet eerder had geweten.

Haar eigen bestaan was niet langer, wat het eens was geweest, het verborgen leven van haar verbeelding, veilig binnen de kleine zorgelijkheden van school en huis—, dit scheen wel plotseling gedaan. Als uit een schuilhoek trad Heleen te voorschijn en de werkelijkheid tegemoet. Gestalten wonden zich los uit een omneveling, wonnen in scherpte en beduidenis; de kinderen, die voor en achter en naast haar in de banken zaten, waren afzonderlijke personen, die ieder op zichzelf eigenschappen bezaten en naar die eigenschappen beoordeeld konden worden, ook zijzelf zou door anderen gadegeslagen en beoordeeld worden. Zij voelde de nieuwe begeerte een goed oordeel waardig te zijn en niets scheen haar natuurlijker dan dat de menschen haar zouden vragen, wat menschen in boeken elkander vroegen: eerlijk en trouw en edelmoedig te zijn.

In de klas kon nu haar gebrek aan zakelijke voorstellingen niet langer verborgen blijven en schoon ze wel eens geprezen werd om de wijze, waarop ze verhaalde van dingen die ze in boeken had gelezen en om al de vreemde namen en ongewone woorden, die ze tot haar beschikking had, vaker bulderde er gejuich uit de banken als ze domme antwoorden gaf of onbeholpen was. De handige en slimme volkskinderen waren haar met hun beperkte schranderheid in veel dingen vooruit en hoonden haar zonder deernis, en daar Heleen de dingen, die anderen wisten en konden, altijd moeilijker en bezwaarlijker vond, dan wat zijzelve wist en kon, achtte ze zichzelf onbruikbaar en dom en begon er over te tobben, hoe het op die manier met haar toekomst moest gaan. Pijnlijk gevoelde ze al wel, dat haar een ander leven dan dat in de boeken beschoren zou zijn.

In dit laatste leerjaar op de kinderschool kwam Heleens ontwakend bewustzijn met velerlei nieuwe dingen in aanraking en begon ze vagelijk van zichzelf rekenschap te verlangen van wat ze daaruit innerlijk ervoer—, tot nu toe was ze met de ervaringen-enkel meestal tevreden geweest.

Heleen had allang tot haar teleurstelling begrepen, hoe weinig edelmoedigen er waren onder de kinderen, die ze kende. En toen er nu op een middag een vreemde heer in de klas kwam en hem ter eer de rekenles werd gestaakt en uit een boekje gelezen, waarin een lesje stond van een braaf meisje, dat Jansje heette en zoo maar haar nieuwe verjaringsgulden aan een armen man weggaf, en toen nu die heer met een oolijken glimlach en een knipoog naar den meester den kinderen vroeg, wie er wel met zijn gulden evenals Jansje zou hebben gedaan en toen daarop al de kinderen den vinger opstaken en riepen en het bovenlijf uit de banken hieven om toch vooral maar opgemerkt te worden, toen kon Heleen het niet verdragen. De walging kroop in haar op met een vluchtige drift om den blik en den glimlach, die toch haar persoonlijk niet gold—eenzelfde drift als toen de dokter haar onderzoeken wilde en glimlachte om haar verzet—daar ze al die kinderen kende in hun benepen hebzucht, ze stortte bot en woest het hoofd in de armen op de bank en schreide toomeloos. Rondom haar werd gelachen, de meester maakte zich boos, de vreemde heer overreedde en ondervroeg met een stem waarin belangstelling bleekte tot verveling, maar Heleen antwoordde niet en hield met alle macht hoofd en armen op de bank gedrukt. Ten leste werd de meester ongeduldig en zond haar op de gang, daar stond ze vernederd met oogen en keel heet en gezwollen en rilde van rampzaligheid.

Maar in die rampzaligheid sloop langzaam-aan een bevreemding voor zichzelf. Wat had ze toch gedaan, wat had ze toch gewild? Waarom was haar walging geweest? Om het liegen dat zijzelf vaak genoeg zonder blozen deed, als ze van straf of dwang vrij wilde komen? Neen, ze voelde het onderscheid zonder eenigen twijfel fel, maar tastte vergeefs naar woorden om het zichzelf duidelijk te maken. Doch dit oogenblik vol innerlijke zekerheid en onzekerheid tezamen zonk naar den bodem van haar gevoel en bleef er bewaard.

Wanneer in dien tijd van haar leven Heleen las of luisterde, kwam vaak dat vermoeden, alsof de dingen, die ze vernam, een dieperen, misschien bangeren zin hadden, dan hun schijn deed vermoeden. Ze onderging dat als beklemming, een benauwing, die even in haar opliep en in vage, nare mijmering vervloeide. Toen eens op een keer de meester van Indië vertelde, en hoe de bewoners er leven, zich tooien en eten, dat de Maleiers hun huizen beleggen met het loof van den nipah en de Boegineezen zich kleeden met schors, en toen hij plotseling opmerkte, dat dit alles niets te beduiden had en dat het volmaakt hetzelfde was een jas van wol of een jas van schors te dragen, naakt of gekleed te gaan, riet of nipah op daken te leggen, en dat alleen overdreven menschen van die dingen ophef maakten—, toen voelde Heleen plotseling die beklemming, alsof wat de meester daar zoo hupsch en nuchter vertelde, een dieperen en bangeren zin had. Ze werd bleek en onrustig. Had de meester gelijk en leek dat allemaal alleen maar zoo vreemd en ontroerend? En als de meester gelijk had, waarom moest dat dan zoo vreeselijk wezen, waarom voelde ze zich daarom plotseling zoo verlaten en ongetroost? Heleen wist het niet, draaide ongedurig in haar bank en zuchtte.

In dienzelfden tijd las Heleen buiten de school in een boek een versje, dat ongeveer aldus eindigde:

Wie die vogel kweekt en voedt, Wie die bloem verzorgt en hoedt, Wie zoo vroolijk zingen kan Dat en is geen slechte man.

Dit ving haar en liet haar niet los en bracht haar aan het mijmeren over het verband tusschen de vroolijkheid en de goedheid. Ze begon te verlangen, dit verband te zien en te begrijpen, niet omdat ze er aan twijfelde, of het wel bestond—want het tegendeel was waar en ze had deze en andere samenvoegingen, als drift en zachtmoedigheid, gestrengheid en rechtvaardigheid, geleerdheid en onhandigheid, bescheidenheid en „ware verdienste” al reeds meer hooren noemen en ook wel zelf opgemerkt, doch nu begeerde ze het waarom te vinden in een gezamenlijke oorzaak voor de beide dingen en tastte daar gestadig naar. Ze wilde ook weten, wat het grappige is in grappige dingen en het mooi in mooie, ze was niet meer tevreden met de zakelijke mededeelingen in de boekjes omtrent den gemoedsaard der verschillende volkeren en stammen en zou graag hebben willen weten, waarom juist een Gasconjer meer dan andere menschen liegt, zooals in het aardrijkskunde-boekje stond. Ook dingen van andere natuur verontrustten haar vluchtig met de verborgen raadselachtigheid van hun binnenste achter schijnbaren eenvoud. Ze zag het zaailand in de lente klaar voor nieuw gewas—het was haar geleerd, dat de boer niets vermocht zonder God en het geleek haar dat evenmin God iets vermocht zonder den zaaienden boer....; ze zag het overrijpe loof aan de boomen in de late herfst, bereid om af te waaien in den eersten storm,—het loof wachtte den storm, maar de storm kwam altijd als het tijd was. Ze mijmerde over die vragen, welke soms in drommen op haar losstormden,—de wereld was van deze raadselen vervuld, elk moment ving zij ze op uit gesprekken.... overdacht ze op haar zwerftochten, maar vond hun verlossend antwoord niet.

Tegelijkertijd begon ze een behagen, dat haar zelf bevreemdde, in rekenen en meetkunde te vinden. Cijferen had altijd haar tegengestaan en evenzoo het omslachtig beredeneeren van willekeurig-gestelde gevallen,—maar het leeren kennen van vaste en altijd-geldende wetten, die dan ook uit elke vermomming vast en geldend te voorschijn traden, vervulden haar bijwijlen met iets van datzelfde gevoel van innerlijke verzoeting, dat haar een stille, zomersche avond schonk. Sommige kinderen lachten of morden, als klaar-blijkende eigenschappen van vlakken en getallen nog bewezen moesten worden,—Heleen kon hun bezwaren niet deelen, hun houding niet begrijpen: dit vaststellen en bewijzen schonk haar genot, dat ze weliswaar niet doorgronden kon, maar waaraan ze zich met vreugde overgaf.

VII.

Bloemen en dieren had Heleen niet, noch verlangde ze die te bezitten, knutselen en handwerken verstond ze niet en beproefde ze niet en haar bijzondere onbeholpenheid was een van de dingen, waarom ze uitgelachen werd. Het tekort aan ervaring en begrip omtrent werkelijke zaken en haar volslagen gebrek aan zelfvertrouwen bleken immer pijnlijker en belemmerden haar omgang met anderen op de nieuwe school, waar ze het volgend jaar werd heengezonden. Hier was alles ijl en licht en ordelijk, geen rumoerigheid meer van een volle klas, waarbinnen elk kind zijn echte leven veilig kon bewaren. Deernisloos werd Heleen uit dit laatste bolwerk weggerukt en zat nu dagelijks in het zedig avondlicht van een blinkend en frisch lokaal met nog geen twintig andere meisjes, die al kleine juffertjes waren. Heleen kende ze geen van allen, maar velen van de anderen kenden elkaar onderling en waren te zamen van een andere, een voornamere school of uit de omliggende dorpen afkomstig. De dagen had Heleen nu vrij voor haar werk en haar lessen en ze moest tegen vijf uur naar school. Die lag achter een klein plein met poort en boomen, waar de meisjes in paren of groepjes drentelden, tot de meester voor het raam wenkte en de les begon. Het was April, toen ze er heen ging en de lente in aantocht. Ze beproefde niet, zich bij de andere meisjes aan te sluiten, want ze vreesde opdringerig te lijken en wachtte tot iemand om haar zou komen, maar niemand kwam en ze bleef alleen.

Met de handen op den rug tegen den muur geleund, stond ze stil, neuriede, peinsde, en liet den avondwind langs haar oogen gaan. Ze hield van den hemel in dat uur tusschen dag en avond; het blauw is nog blauw en tooit zich verbleekend met het zilver van vroege sterren; ze hield van het klapperend wieken en piepen, het snel en lustig heen en weder zwenken der vogels in de ijle boomen, dat ze door louter te luisteren en zonder opzien zag, en ze dacht aan de nieuwe dingen thuis, die haar vader voor enkele dagen op een verkooping had aangeschaft, een dof bruin kastje met grillig koperbeslag, borden met poppetjes er op, een verweerde kleine spiegel en een gekleurde prent in een zwarte lijst. „De Ridder en zijn Bruid” stond er onder in de slanke, dunne letters, die ze kende van de oude boeken. Sedert enkele dagen was die prent in huis en voortdurend weer liep Heleen er naar toe, stond er voor, keek er naar op. Nimmer te voren had ze van zoo iets liefelijks gedroomd als van dit stille, witte kasteel. Nevel als ijle rook hing er om heen, lag zacht-wollig uit over de boomen, met kronen zwaar van rood en goud, om kolommen, koel en kloek in de kleurige festoenen, over vijvers blank en blauw tot ver naar achter, waar een witte brug vlak lag over water met zwanen. Nu Heleen alleen stond en dacht aan die prent, moest ze schreien als van deernis.... en waarom toch? De zoete zwaarmoedigheid scherpte tot wanhoop aan.... en waarom toch? Het was alles zoo rijk en zoo fijn en zoo blijde, de bruid in wit met goud van lokken, rozerood blozend en een glimlach op het gezicht; de bruidegom goud, blauw en kastanjebruin, stralend in zijn fier geluk.

Was haar lijden dan benijding? Neen, ze leed een eigen pijn. Wat was het? Ze had den vorigen avond alleen in donker gezeten in het gras langs de rivier, in het water gestaard, zich niet verroerd en nagedacht. Binnen in haar was een deur gesloten, daarachter lagen de geheimen, die zijzelf niet verstond, het geheim van haar zwaarmoedigheid, van haar schreien om blijde dingen, van haar verlangen, haar vrees en haar bevangenheid,—zij had er den sleutel niet van.

Ze beproefde een voor een al haar kinderlijke wenschen, de stoutste mogelijkheden als sleutels,—maar het slot antwoordde niet, zij moest dien gesloten kerker in haar binnenste mededragen.

Heleen sloeg de oogen op, zuchtte en zag, dat zij alleen was. De donkerte dreef aan, hoe wonderbaarlijk zoet was nog dit laatste licht. Ze zag de meisjes in paartjes en bij drieën heen en weder langs zich gaan, het grint kraakte licht, er beet iets in haar keel, er rezen tranen, was ze nu echt bedroefd? Ze wreef in een onvaste smartelijkheid haar achterhoofd tegen den muur, kreunde even, sloot de oogen en ving haar tranen in haar open mond. Toen tikte de sleutel een kort bevel tegen de ruit, gordijnen ritsten neer, binnen ploften de lampen op; avond. En Heleen ging naar binnen.

Er gingen eenige weken voorbij en Heleen ervoer allerlei dingen, die ze nooit geweten of opgemerkt of gemist had. Onder de andere dit dat ze geen armbandjes, broche en horlogetje bezat of begeerde, dat ze niet dansen en niet schaatsenrijden kon, nooit bij avond te kermis en binnen in een tent of op een partijtje was geweest.

En wat later vond Heleen op haar bank een blaadje papier uit een zakboekje getrokken met een potloodkrabbel erop, waarin ze met pijnlijke schaamte zichzelf moest herkennen.

Want er onder stond: „dit is het rare kind met de rare jurk uit het rare huis” en op den witten rand nog een kort, plomp lijf op stakebeenen en met onooglijk kopje. Een dartel potlood had daar snel met dansende letters door heen geschreven „en dit is haar gekke zuster.”

VIII.

Heleen kreeg haar onderricht van meesters, die onder het bijbrengen van kennis het bijbrengen van reeksen aparte feiten verstonden, omdat ze voor zichzelf daarvan geen ander begrip en geen andere behoefte hadden. Weinig van wat zij op die school dus leerde, hechtte zich blijvend in haar vast, want het sloot niet aan bij wat haar innerlijk vervulde, die duistere en verwarde wereld van vragen en zuchten en vermoeden bleef van iedere verbinding met de uitwendige wereld verstoken.

Ze leerde en begreep echter vlug en dit herstelde haar zelfvertrouwen, doch daar haar geest weigerde te vertoeven bij wat hij eenmaal begrepen had of bij wat geen dieper belang scheen te hebben, steeg haar afkeer tegen het eentonig huiswerk tot een onoverkomelijken weerzin, soortgelijk aan dien van haar lichaam tegen sommige spijzen. Vaak genoeg nam ze zich voor haar taak naar behooren te vervullen, om den meester tevreden te stellen, straf en onrust te ontgaan, maar kon niet, want plotseling stortte haar hart als barstend al zijn walging in haar uit, haar handen werden machteloos, haar bloed drong prikkelend naar haar huid en maakte haar heet en benauwd, ze balde de vuisten en wilde wegloopen, om dit ellendig leven te ontgaan, dat anderen haar opdrongen en waartegen zij machteloos was. Geen enkele les echter haalde in afgrijselijkheid bij de Woensdagsche les in breien en naaien. Die haatte ze zoodanig, dat ze er den vorigen avond alreeds in onrust en ongedurigheid onder leed. Rook ze op andere dagen de lucht van lijm en linnen en zag ze de doozen en mandjes in de open kast, dan keerde ze zich af met een rilling van weerzin, en op den dag-zelf, op het oogenblik, dat ze die doodsche, slecht-verwarmde kamer met de glazig-glimmende tafels waarlangs lange, groene kussens, binnentrad, vereenigden zich haar geest en haar leden in een onverwinbaren onwil.

Het gebeurde wel, dat haar vingers en lippen plotseling kil en wit werden, haar oogen dof, zoodat het werk haar uit de handen viel. Haar lijf sloeg in een stuip van rauwe wanhoop achteruit tegen de bank, ze keek radeloos naar de zoldering op. Al haar bloed raasde tegen dat peuteren op lapjes, ze klampte de handen, zette star de tanden opeen en weende kwaadaardig met heete keel, omdat iedereen baas was over haar en besliste wat zij doen en laten moest. Riep haar de juffrouw, die schimpte en schold, terwijl ze de fouten verbeterde en spottend haar werk de anderen liet zien, die in eigen ijdelheid en vermaak om anders vernedering gestreeld, grif medelachten, tot de harde stem ook hen bedwong, dan stond Heleen achter den stoel, de oogen half-toe, in de kortstondige verlossing als in luwte verademend, liet de woorden over zich heen gaan en dacht aan wat anders. Eens was ze zoozeer afwezig, dat ze neuriën bleef, terwijl de juffrouw tot haar sprak; ze werd weggezonden en mocht zich drie dagen lang niet in school vertoonen.

Breien en naaien leerde Heleen dus van die juffrouw niet, doch wel kreeg ze van haar eenig inzicht in de voorwaarden, welke menschen en kinderen aan hunne waardeering en genegenheid verbinden. Het was op een dag, dat ze weer achter haar stoel stond en half luisterend door het open raam tuurde, maar plotseling opschrok en het gelaat naar de juffrouw keerde, om wat die zei van haar slordigheid en onverschilligheid en nalatigheid en hoe het haar om al die dingen niemendal verbaasde, dat geen der andere meisjes met Heleen wou zijn. Heleen keek de klas rond, alsof ze eenig weerwoord en verweer verwachtte, doch dat bleef uit. En eerlijkheid dan, en edelmoedigheid dan? Ze nam zich voor na de les te vragen of de juffrouw werkelijk gelijk had, doch toen dacht ze aan het prentje, zag dat alles plotseling in een nieuw licht, vond geen woorden en geen moed en ging alleen naar huis.

Korten tijd nadat Heleen zestien jaar was geworden, kwam er een nieuw meisje in de klas, een boerenkind uit een andere streek van het land. Ze had een scherp, driekantig gezicht en droeg een bril met groote ronde glazen. Ze kreeg haar plaats naast Heleen in de bank, maar Heleen voelde zich niet tot Dieuwertje aangetrokken. Haar leergeld trok ze als belooning voor vlijt en uitmuntend gedrag uit een fondsje in haar oude woonplaats, op het omslag van haar boeken stond een blauw stempel gedrukt. Dieuwertje was schuchter en schuw, want ze was ook op haar vorige school om het blauwe stempel veracht, maar ze was tegelijk wel geniepig, keek niet af, liet niet afkijken, hielp niemand en leende niets van het hare uit. Om al die dingen kon ze al even weinig als Heleen in de klasse aarden, maar er was dit verschil, dat de meesters Dieuwertje overmatig prezen om haar ijver en de goede orde van haar dingen met de bedoeling, dat de kinderen haar tot de hunnen zouden rekenen. Doch de anderen bemerkten dat, wilden niet gedwongen wezen, en de gunst van de meesters deed Dieuwertje meer kwaad dan goed, zoodat ook zij afzonderlijk naar haar huis liep.

Enkele weken was ze op school, toen schoof ze Heleen op een keer een briefje toe over de bank: „Ik ben Zaterdag jarig, kom je Zondagavond?” Heleen nam het briefje, aarzelde, schreef eronder „wie nog meer?” Dieuwertje greep op haar beurt toe en krabbelde een enkel woord: „niemand.” Heleen verzonk in overleg met zichzelf en keek peinzend voor zich uit, totdat Dieuwertje haar aanstiet, zij keek opzij, hun oogen ontmoetten elkaar in een blik zonder genegenheid. Dieuwertje’s oogen vroegen haar, dat ze niet weigeren zou, en Heleen, schoon vernederd in het scherp besef, dat zij enkel gevraagd werd, omdat zij ook een verschoppeling was en dat Dieuwertje eerder en liever anderen had gevraagd, had ze maar gedurfd, overwon haren weerzin, want ze wilde edelmoedig wezen en knikte dat ze komen zou.