Heleen

Part 2

Chapter 24,090 wordsPublic domain

Dicht bij de school stond de bouwval van een oud, kerksch weeshuis, een ingezakt grauw brok muur met hoopen puin en stof achter de gapende ramen. Twee fijne berkjes met bast als zilveren tijgerhuid aan weerszijden van de toegespijkerde deur. Dagelijks ging Heleen langs dien muur zonder er acht op te slaan of er iets bij te gevoelen. Ze zou de kleur van de steenen en het aantal ramen niet hebben kunnen zeggen. Maar eens in een avond van April, de lucht was porceleinig bleek en blauw met koele, strak gepenseelde vegen, de verre sterren blonken nog maar flauw, ze was met haar moeder uit geweest en keerde zwijgend aan haar hand naar huis terug, zag Heleen het woeste kartelen van dien muur, en in de witte wijdte van de lucht de zilverbleeke teederheid der trillende berkjes. Het bang en zoet bevangende, dat ze kende, maar niet verstond, woei haar plotseling hevig en vol uit dit alles aan. Ze had jaren geleden in een reisverhaal over den grooten Muur van China gelezen, doch er nimmer een voorstelling van gezien. Dit was de groote muur van China en uit de porceleinen wazigheid der lucht en het parelmoer van de kimmen vormden zich beelden en gestalten, vluchtig doch tegelijkertijd sterk, zooals geur vluchtig en sterk is, en bevolkten de ruimte achter den muur, die zich wijkend verbreedde en eindeloos werd. Sedert dien bleef dat zoo, doch niet anders dan wanneer de lucht porceleinig bleek en blauw was en de berkjes trilden in het zilverig licht van de vroege schemering.

Vaak in die jaren had Heleen het gevoel, als vloog haar op het onverwachtst een vogel voorbij, dien ze grijpen wou, maar niet grijpen kon en die in het voorbijwieken een spoor van benauwdheid en bedroefdheid achterliet, hetwelk geest en leden gelijkelijk met machteloosheid sloeg, een gevoel, als vernam ze, temidden van spel en werk, een klank van ver, dien ze kende of herkende, doch wilde ze luisteren dan was het weer stil.

Het was eenmaal geweest op den landweg onder de boomen, in de schemering van een vroeg-winterschen dag, toen het grommen van den wind naar donder klonk. Heleen speelde met haar broertjes en wat vreemde kinderen, hier en daar uit een boerderij voor den dag gekomen, versteken tusschen de boomen en op haar beurt moest ze de oogen sluiten en wachten op hun roep. Ze stond onder een boom, drukte de vingers in de oogen, ademde zacht lachend in de palmen van haar handen, geest en leden op vangen en grijpen gespitst en vaardig, maar niemand riep en niemand kwam. Toen ze de handen liet vallen en verwezen om zich keek, zag ze den weg verlaten en vernam geen gerucht dan den wind in de boomen boven haar hoofd. Daarheen was in willooze bevangenheid haar blik gerezen, ze had de wolken zien trekken op de lokfluit van den wind, het was geweest, als werden haar voeten zacht aan de plek waar ze stond, in de aarde vastgeklonken, zooals wanneer ze voor het boekenhuisje stond, ze ademde stil en snel, haar gedachten verstoven in ijl en zoet-vreemd gepeins, de vogel wiekte aan, en ze wilde hem grijpen en meende dat ze het ditmaal kon; daar sprongen de kinderen achter de stammen vandaan, haar geduldigheid moede, en stieten haar speelsch weg van de plek, waar ze zich meende vastgeklonken. En een woeste drift was als wervelwind in haar opgestoken, ze wilde beuken, ze wilde bijten, ze zette wit en snikkend de lachende kinders na, totdat plotseling haar woede brak en ze ook lachen moest en trillend stilstaand, zich de ijle tranen van de wangen wischte. Wel had ze daarna weer meegedaan in het spel, maar dien ganschen avond bleef het gevoel, als was haar iets van bijzondere waarde juist voor ze ’t grijpen wou, ontrukt. Bij poozen huiverde ze van onbehagen en onverklaarbaren tegenzin, haar kaken verkrompen, alsof ze onpasselijk worden zou.

Het was een andere dag geweest, dat Heleen in den stillen namiddag in het bosch was gedrongen en met de kin op de opgetrokken knieën tusschen de boomen zat en zonder dat ze wist hoe ze aan die gedachte kwam, starende overdenken ging, wat er nog zou bestaan, als er niets bestond van alles dat ze tastte en zag. Toen was het geweest, alsof binnen in haar en buiten om haar muren weken en geruischloos ineenvallend tot niets, een zwarte ruimte lieten aan allen kant, alsof zijzelf zonder geluid en zonder pijn, maar vredig en zacht van alles dat was werd losgetrokken en in roerloosheid opging en verdween; vormen versmolten, kleuren vervlogen, licht verging, doch er kwam geen duister, de grond verzonk, een dak trok omhoog en liet eindelooze ruimten onder zich. Eén seconde duurde het, dat Heleen wist, dat ze nu voor zichzelf niet bestond, en dat de wereld voor haar niet bestond,—toen knapte een tak en er ruischte een boom, een verschrokken vogel riep en een blad viel neer aan haar voeten. Heleen ontwaakte en haar hart klopte vreemd en vol om wat ze had ervaren. Vaak sloop ze naar dienzelfden boom terug, duwde haar kin tusschen haar knieën en staarde en spande zich in, de keel als gesnoerd van spanning en benauwdheid,—nimmermeer kwam die seconde terug, ze worstelde om los te komen, doch vermocht het niet. Wilde ze of wilde ze niet, haar aandacht hechtte zich aan de boomen, de lucht, stemmen van ver of het schuifelen van haar eigen adem.

Het eerste boek, dat Heleen beetgreep met een heet verlangen naar redden en helpen, zoodat ze haar onmacht leed als een marteling, was het boek „Alleen op de wereld.” Weken achteren leefde ze bevende mede met den zachtaardigen, ouden man en den bleeken, teederen knaap. Ze zag ze met hun wezenloos en trouwhartig dierengebroedje over de barre bergen trekken en barrevoets langs de wegen gaan, waar de avond viel en de barsche hofhonden knarsend blaften uit ongure behuizingen, waar het regende en woei. Daar sjokten ze, zwijgend en gelaten, smeekend maar niet verhoord, waar ze licht zagen vragend, maar in donker verstooten en ten leste snikkend in elkaars armen met de zacht-klagende hondjes, de stille, trillende aapjes om hen heen op den natten weg en naar hen opziend. Doch ziedaar, aan den duisteren kruisweg, die zich eindeloos in het land verloor, achter dien koolzwarten woesten olm, daar stond nog een huis en in dat huis woonde zij, Heleen! Daar klopten ze nu zwak en weifelend, bij voorbaat al in weigering en hardvochtigheid gelaten en zijzelf deed blijde de deur wijd open en liet ze allen in en sloot de deur, dat kilte en donkerte niet meekomen konden. De storm mocht nu vrijelijk woeden in den nacht, die kwam, licht en vuur bleven ontstoken, de dieren werden gekoesterd in zachte mandjes rondom den haard, de oude man en het jonge kind kregen soep en brood en bed. Heleen zorgde voor allen en gunde zich geen rust, doch ze leed het sterkst haar deernis om den ouden man.

Het was winter, overal lag sneeuw, de lucht hing er zwaar van en de wegen waren verlaten. De oude man en het kind zwierven over de aarde en misten wederom brood en bed. O, had zij er ook nu mogen zijn, dat hij niet in de steengroeve had behoeven te sterven, had ze in gindsche donkere stad mogen zijn en de jongetjes waren niet in een ondergrondsch gewelf gemarteld en mishandeld door den boozen padrone, zij immers had alles uitgebracht en hulp gehaald en rechters geroepen en menschen overreed om de jongetjes bij zich op te nemen. De boosaard van een padrone zou zwaar worden gestraft.... Maar stil—, nu is hij alleen in zijn koud en duister kelderhol, zie in zijn oogen, hij wacht trillend zijn vonnis; hoor naar zijn stamelen, hij heeft berouw. Plotseling is ook hij oud en een verkommerde stumper; snijdt de touwen door, waarmee hij is gebonden, laat hem los, laat hem vrij. Hij wil een goed mensch worden en wij kunnen niet vrij-uit juichen, zoolang hij in boeien ligt.

Zoo droomde Heleen over het boek en liet haar tranen vrijelijk stroomen. Hoe knauwde haar dan de kale werkelijkheid, als ze tot bezinning kwam.

Schoon Heleen bij voorkeur vredige en zachtaardige boeken las, was ze geenszins afkeerig van die verhalen, waarin van dapperheid en heldenfeiten werd gewaagd. Boven moed en dapperheid echter bekoorde haar onbewust de edelmoedigheid als een deugd van edeler gehalte en voornamer natuur.

Leed de edelmoedige door zijn edelmoedigheid, dan voelde ze ook niets voor hem van haar gewone snel opgewekte deernis, daar ze hem rijkelijk beloond achtte door het blijde besef van wat hij had verricht. Hij had macht om te dooden en schonk leven, macht om te wreken en vergaf, de hulde en de bewondering der anderen en de voldaanheid over zichzelf vooral maakten hem in Heleen’s oog wel zoo rijk dat elk beklag overbodig was.

De verhalen, die haar zoodanig in verzet en in beroering brachten, dat zij ze soms niet ten einde toe lezen kon en in den telkens hernomen kamp tusschen weerzin en benieuwdheid de laatste het toch afleggen moest—, waren die, waarin plomp onrecht en redelooze onderdrukking zegevierden. Ze werd dan bleek en knarste haar tanden, balde haar vuisten tegen de beulen, die onschuldigen lieten zuchten in een donker hol, tusschen padden en geraamten, en rilde van een onbehagen, dat sterker nog was dan haar drift.

Dat onbehagen zwol tot walging, een gruwel, haar lijf en ziel te zamen aangedaan, wanneer er van smaad, mishandeling en foltering sprake was, en ze ondervond datzelfde later, als een jongen op straat haar en andere meisjes leelijke woorden naschreeuwde, doch veel erger dien keer, toen een vreemde man in een oploop haar aanraken wilde, en het allerergst toen ze zag hoe een heer, zwijgend en met opeengeklemde lippen, zijn jammerlijk-jankenden hond, een gladden, zwarten hond, afranselde met zware, rake zweepslagen, terwijl hij hem met de knie op den nek tegen de straat hield gedrukt. Ze vloog op den man aan en balde trillend de vuisten, met een gevoel of deze ondraaglijke smaad haarzelf was aangedaan, doch week geslagen voor zijn smalenden lach en schreide van onlust en van afschuw, die niet wijken wilden uit haar lijf, nog uren daarna, en haar met schok en plotse rilling verontrustten.

Sinds Heleen had gelezen, dat Zigeuners kinderen rooven en wegvoeren en opbrengen tot een jammerlijk leven, ging ze niet uit huis en tuin vandaan, als er in het stadje of in de naburige dorpen kermis werd gevierd. Ze bewaakte dan haar kleine broertjes, dat niemand ze rooven en wegvoeren zou. Mannen met orgels en jongens met apen kwamen afgedwaald tot voorbij haar huis; ze keek ze onbevreesd in de donkere oogen; zoolang zij maar in huis was, konden ze loeren, zooveel ze wilden. Doch hadden ze geen boosheid in den zin, dan mochten ze ook binnenkomen en haar gasten zijn, om te verhalen van de landen, waaruit ze afkomstig waren.

Aldus leefde Heleen haar eerste levensjaren en schiep zich in haar eenzaamheid uit klanken, geur en kleur een eigen wereld en niemand voerde haar daaruit weg. Want in en uit huis ging en kwam ze ongestoord, ze zwierf uren ver weg, verlaten en frank als een Zigeuner en geen mensch ondervroeg haar naar wat ze had ervaren. Het schoolgaan had evenmin vat op haar; in een klas van bijna vijftig kinderen ging ze verloren en droomde vaak uren ongestoord, terwijl de meester sloofde met de dommen. De zon scheen, en de wind woei, slanke takken zwierden groen en goud de ramen langs, van ver klonk het fluiten van de stoomboot op de rivier, een dubbele stoot van ongelijke hoogte, als wit en geel tegen elkaar. De rivier was blauw en breed tusschen heuvelen en glooiende groene dalen: de Garonne. Lichtspikkels dansten fel tusschen flarden schuim, kleurige meisjes spoelden goed en leien het naast zich te bleeken in de lucht. Over den grintweg, in de verte, waar de huizen lagen in de trillende wazen hunner gaarden gevat, kwam Vitalis aan op zijn staf geleund en het kind ging klein en vlug aan zijn hand. Nog weer toeterde de boot, de gladde golven richtten zich op, rondden zich glanzende om en braken neer, spikkels dansten tusschen schuim, ze kwamen aan, ze gingen voorbij, ze trokken verder....

Buiten was het donker en in de schemering van de klas gonsde het gedempte rumoer, dat beter dan stilte de broosheid van droomen behoedt. De vlagen rukten en sloegen den fijnen regen te pletter tot zilverloovers tegen de ruiten. Nu stonden ginder in het veld de rietlanden rondom den molen blank onder water. De molen klepperde, de plassen rimpelden rillend in den wind, dorre pluimen wuifden, riemen plasten en sopten met het zoet, droefgeestig geluid, dat tot verlangen en mijmeren drijft, booten schuurden langs den dijk, mannen, zwaar gewapend, zwijgend, rezen hoog op, klommen naar boven, en bestormden den molen. Het waren de Watergeuzen. Het werd avond, het blanke daglicht ging te loor, de plassen verzonken in grauw en zwart—, nu roeiden ze weer naar hun dorpen terug. Heleen was in die dorpen achter bosch en plassen nimmer geweest en verlangde er niet heen te gaan. Ze kende de spitsen der kerkjes, de omtrekken van het geboomte, somwijlen den rooden schijn der daken in avondzon en ze wist het voor zichzelf goed en wel, daar hadden de geweldige Watergeuzen gewoond, en daar bleef voor eeuwig alles van hun geest vervuld.

Heleen luisterde graag naar draaiorgels en onthield gemakkelijk hun vleiende of droevige wijsjes. Neuriede ze die later op haar weg naar school, dan vloog er plotseling een vlucht van herinneringen in haar op, aan dingen gezien—en soms onbewust gezien—woorden gehoord en geruischen in de lucht vernomen op het oogenblik, dat ze voor de eerste maal door dat wijsje was getroffen geworden, doch alles blonk dan in een waas als van gedempte feestelijkheid. Ze bemerkte ook al gauw, dat melodieën haar hielpen in wat meer was dan onthouden en herinneren: het vastklinken, proevend bezinnen en daarin opnieuw en bijkans sterker beleven van het eens genotene of geledene.

Zoo ging ze welbewust melodieën verbinden aan wat haar in verhalen en op haar zwerverijen blijde of droevig had ontroerd, zonder dat ze wist waarom, opdat ze het door zijn eigen wijsje als door een tooverwoord zoo vaak ze wilde zou kunnen oproepen en trachten te raden, wat het wel had beduid; zij vermoedde toen al vagelijk, dat achter elke aandoening een beduiden schuilt. Op deze wijze hield ze de kleinste gebeurtenissen en stemmingen jaren lang ongedeerd in zich bewaard en bracht ze in het licht, wanneer het haar behaagde of noodzakelijk scheen.

V.

Heleen werd twaalf jaar oud en kende van het woord vertrouwelijkheid het wezen niet, slechts den klank; er was nog nimmer vertrouwelijkheid naar haar toe gekomen of van haar uitgegaan.

Op school had ze nog altijd geen vaste vriendinnetjes, ze hechtte aan bezit van moois of lekkers weinig waarde, en kon er vooral dan licht van scheiden als maar haar deernis was opgewekt. Ze bezat noch den wil, noch het vermogen iets te weigeren, dat haar werd afgevleid en gevoelde zich edelmoedig gelijk de helden in haar romans, wanneer ze alles verdeeld, en niets voor zichzelf behouden had, doch de kinderen in de klas hielden haar voor suf, beroofden haar meedoogenloos, lachten haar daarna uit en lieten haar staan.

De begeerte naar kennis uit de tastbare werkelijkheid bleef Heleen ook in die jaren ontbreken; ze wist van geen enkel voorwerp, hoe het in elkaar zat, had nog nooit iets uiteengenomen om er de werking van na te speuren en liep de ambachtsprenten tegen den muur achteloos voorbij, terwijl de tafereelen uit het menschelijk leven of uit de natuur, hoe innig ook bekend, haar altijd weer opnieuw boeien konden en haar altijd opnieuw wat nieuws vertelden. Daardoor bleef het aantal zakelijke voorstellingen ver beneden het aantal dat men bij kinderen uit het volk aantreft op hun twaalfde jaar, terwijl tegelijkertijd haar ervaringen uit boeken en vooral die uit eigen gevoel en eigen verbeelding zoodanig uitgroeiden en zich verdiepten, dat ze daaraan meer bezat dan veel kinderen en dan de meeste menschen.

Heleen’s vader en moeder hadden geen vrienden en kwamen nooit bij vreemden aan huis, noch kwamen die bij hen. Een enkele maal zag ze haar oom en tante, stijve, koele menschen, mooi gekleed en in goeden doen. Heleen wist van hen alleen, dat ze hen hielpen om te leven en ze bemerkte, dat haar moeder schuw en gedrukt als een kind zonder zelfvertrouwen in hun bijzijn was.

Het groote leed van deze jaren kwam voor Heleen uit haar jammerlijke angsten en haar ellendige droomen. Er waren wel dagen, donkere dagen vol storm en regen in den herfst, als het heele huis kraakte en er overal getik van lekkende droppen viel te hooren, dat Heleen in geen enkele kamer en zelfs in den tuin bijkans niet alleen dorst zijn, huiverend voor valluiken en geheime deuren. Bevend en bang, zich overal tusschen scherpgeklauwde spookselen verstooten wanend, zwierf ze af en aan, vermeed de gelige vochtplek op den muur achter de deur, vermeed het bovenal naar boven te gaan. Daar was een gemetselde schoorsteen van kantig ingebrokkelde roode steenen, met een klein, grijs, toegegrendeld deurtje erin, waarachter de gevangen wind soms gruwelijk te keer ging en het nooit geheel en al stil en richtig was. Als het kwam, datgene, waarvoor ze bevreesd was, moest het daaruit komen, en haar vrees was volmaakte zekerheid: éénmaal zou het komen. Eenmaal zou het onverwacht voor haar oogen staan, voordat ze die toeknijpen of afwenden kon. Wanneer Heleen in boekjes las van „spoken, kind’ren, zijn er niet,” dan geloofde ze dat geen seconde. Zonder overwegen stelde ze een zekerheid tegenover de bewering. Spoken waren er, eenmaal zou zij ze zien, hooren en voelen; het stond zoo vast, als dat ze dood zou gaan, en het kon elken dag op een plotseling uur gebeuren. Ze vreesde vooral ineens te worden aangeraakt en wel in de holte tusschen haar schouders. Daar zetelde haar angst als kilte en huiver voelbaar.

Heleen verborg in haar diepste wezen dit klein, gruwelijk geheim, dat ze bijwijlen bang was voor haar eigen moeder. Ze wilde in de avonden, dat er storm en wolken waaiden om het huis, niet met haar alleen gelaten wezen, maar ze had niet de macht en den moed om dat alleenzijn te weerhouden. Als ze dan tegen den avondschemer haar vader zag uitgaan, voelde ze al reeds haar onrust in aantocht als een koude damp, die van alle kanten op haar aftrok—er behoefde maar het geringste te geschieden en het zou zich verdichten en overal op haar vastzetten. Ze zette zich stijf van angst in haar stoel, nam een boek en wilde lezen, doch spiedde stil en schichtig boven de bladen uit met drogen mond naar moeder, die zacht-ademend staarde in de lamp. Hoe bleek leek ze, hoe fel en vast haar mond, de oogen leeg en ver; ze was heengegaan en had Heleen alleen gelaten, ze voelde het vast en bang, moeder was heen, zij was nu alleen, soms voelde ze het ook, alsof moeder dood was en ze haar hadden gelaten met haar lijk. Plotseling verkromp ze—, alles in de kamer begon stil en sidderend te leven, de vale grootouders aan den wand bewogen de oogen en staarden haar aan, er waaiden schaduwen achter den haard, en onder de tafel het dwalend iets, dat zweeg en greep en beet, zij zelf ging op tot een damp van kouden angst, waarin haar razend hart bleef bonzen, elk oogenblik een knauw of killen beet aan haar lichaam verwachtend en machteloos tot vlucht of verweer, zooals in droomen. Haar voorhoofd was ijzig bezweet, in haar borst scheen haar hart te sterven en stervend te smeeken, dat het zoo niet blijven moest. Dan scheurde zich haar stem los uit haar keel en vroeg en drong, dat haar moeder hooren en weerkeeren zou en met haar bijzijn den rampzaligen angst verdrijven. En als moeder antwoordde, eerst schor en hokkend, dan opkeek en bekwam met herlevende oogen, dan zonk Heleen trillend in haar stoel terug. Al haar spieren ontspanden zich, haar hart bedaarde, wat onder tafel waarde week en verdween, damp trok op, aan den wand doofden oogen en gelaten, angst ging in ijlte heen, maar bleef, veraf loerend, om haar opnieuw te bezetten. Niet voordat vader inkwam en Heleen hem vleiend tegemoet vloog, was het huis opnieuw van hen alleen en veilig.

Doch gruwbaarder dan haar angsten waren nog de droomen, waartegen ze weerloos en van hulp verstoken alleen stond. Er waren dagen, dat ze uren vooraf tegen dat van slapen gaan opzag, en bij voorbaat beefde voor de benauwde martelingen, die haar van den komenden nacht te wachten konden staan. Menigmaal nam ze zich voor, zoo lang mogelijk wakker te blijven, lei zich bevend in bed en zoog gretig haar aandacht vast op het kleinste gerucht in huis. Zoolang ze haar vader nog hoorde en al haar gedachten samendrong op wat hij beneden deed, klok-opwinden, deurgrendelen, waterhalen, behield ze een betrekkelijke rust, waarachter toch al reeds de angst voelbaar gereed lei, om haar te bespringen. Doch werd het dan stil, en verslapte de spanning van luisteren en wachten, dan viel ze bevend in haar kussen terug en woelde bleek en zwak zuchtend, schreiend met een bitter verwrongen mond en niet wetend wat ze beproeven moest, slapen gaan of wakker blijven. Want sloeg ze de oogen open en keek ze op in het duister onder de binten, dan benauwden haar dolende vormen, deed zij ze toe, dan spookten uit de diepte rosse en fel witte schijnselen op haar af, vormloos, maar die vormen aannemen konden en ze wentelde zich om en om en stortte eindelijk heftig schreiend haar angst uit mond en oogen in haar hoofdkussen neer, tot ze uitgeput insliep en droomde.

Wanneer kinderen op school met vroolijken ophef vertelden van wat ze in den nacht hadden gedroomd, grappige of ijselijke verhalen, keek Heleen ze zwijgend en weifelend in de oogen, en geloofde ze niet in wat ze zeiden, want wie kon lachend over zijn droomen spreken? Haar droomen waren meestal onzegbaar gruwelijk en tot in de gewoonste dingen ontstellend vreemd. Zij kende gedroomde landschappen, die jaren lang bij poozen weerkeerden voor haar gezicht en haar verontrustten, zonder dat er in dien droom iets ergs of bijzonders was voorgevallen. Ook droomde ze wel van varen in de boot, van loopen door het land—, en zelfs dan schenen land en boot dat ontstellende als uit te zweeten, ze wilde dikwijls weten wat het was en ontwierp daarom bij het ontwaken naast het wijkend droombeeld snel het werkelijk beeld van die bekende dingen, doch bevond hun onderscheid wel sterk en beslist te gevoelen, doch niet te benoemen. Het ergste, dat haar overkomen kon, was eenzelfden droom twee keer achtereen te droomen, dan was ze den volgenden dag wild van onrust en vrees dat het wederom komen zou. Dat was geschied met den droom van de drie mannen, de droom, waarin de kamer beneden wijd werd tusschen de wijkende wanden, het licht in de lamp bleeker en geler en tienvoudig verspreid en elk ding in de kamer stond te trillen van een benauwd voorgevoel. Vader en moeder, de broertjes, de zuster en zijzelf, keken allen in éénzelfde seconde op en elkaar aan, sloegen één seconde later allen de oogen neer met sidderende lippen. De drie mannen zaten weer in hun midden, spraken niet, bewogen niet en keken toe. Ze zaten er avond aan avond, niemand wist van waar en hoe ze binnen kwamen. Doch erger dan hun bijzijn was het gruwelijk oogenspel, dat nu aanving. Heleen’s oogen trachtten die van haar vader te naderen, om hem te smeeken, dat hij op zou staan en van buitenshuis hulp gaan halen, ze zag haar blik als een trillende zilverdraad naar haar vader uitgaan, doch halfweg werd die blik ondervangen en weggevoerd door de sterkere blikken der mannen. Niemand van hen kon de anderen met de oogen naderen en beduiden, over de tafel trilden de blikken als zilveren draden, werden gevangen en weggevoerd.... de spanning steeg ondraaglijk, een suizen werd hoorbaar en alles stond op barsten—, tot Heleen wakker sloeg en zich heet zweetend alleen bevond in den nacht, met een roode hel van angst in haar hoofd. Dan dorst ze geen lid van haar lijf verroeren, in de stilte niet opstaan en niet krijten en leed haar marteling tot de dag door raam en reten drong, sprong het bed uit, stortte zich op den grond en strekte haar armen naar het licht.