Heldensagen en Legenden van de Serviërs

Chapter 9

Chapter 94,042 wordsPublic domain

De komst van Marko.

Toen Marko voor het kasteel van Varadin was aangekomen, sloeg hij zijn tent op, haakte zijn lederen wijnzak los, dronk den inhoud leeg uit een schaal die twaalf oka's (ongeveer acht en veertig pinten) bevatte, en vergat ook nu niet, telkens als hij de schaal vulde, de helft van de hoeveelheid wijn zijn geliefden Sharatz aan te bieden. Deze daad werd opgemerkt door een schoone Magyaarsche dame, de echtgenoote van generaal Voutcha's zoon en daar zij verschrikte op het zien van dezen onbekenden held, werd zij plotseling aangegrepen door een koorts, die haar gedurende drie jaren zou kwellen, en spoedde zich heen om den opperbevelhebber te vertellen, wat zij had gezien; zij beschreef hem elke bijzonderheid van Marko's kleeding.

Maar opperbevelhebber Voutcha wendde onverschilligheid voor, troostte zijn geliefde schoondochter en beloofde haar, dat hij hem even gemakkelijk gevangen zou nemen, als hij het reeds de drie ridders had gedaan, die in zijn kerkers lagen. Voutcha riep zijn zoon en beval hem drie honderd ruiters te roepen, en den overmoedige onmiddellijk te grijpen.

Marko, die zat te genieten van zijn wijn, zag de nadering van Velimir niet, maar de getrouwe Sharatz begon den grond met zijn rechter voorpoot te bewerken, aldus zijn onopmerkzamen meester waarschuwend. Marko begreep hem, wendde zijn hoofd om en zag, dat een geheel eskadron hem omsingeld had. Hij dronk nog een schaal wijn, wierp de kom op het gras, sprong op zijn paard en viel verwoed het leger aan. "Zooals een valk de bedeesde duiven aanvalt." Een deel sneed hij in stukken, het tweede rende hij neer met zijn Sharatz en het derde verdronk hij in de Donau.

Maar Velimir ontsnapte hem bijna, dank zij zijn eigen vlug strijdros. Toen Marko zag, dat Sharatz uitgeput was en onmogelijk het paard van Velimir bij kon houden, herinnerde hij zich zijn knots, welke hij zoo handig slingerde, dat het zware handvat juist met voldoende kracht den jongeman trof om hem ter aarde te werpen. Onmiddellijk was Marko naast hem en bond Velimir stevig, waarop hij zich op het zachte groene gras wierp en weer zijn wijn ging drinken.

De vrouw van Velimir had alles gezien en zij snelde nu vlug naar den generaal, die woedend werd op het hooren van het bericht en beval, dat al het belegeringsgeschut afgeschoten zou worden. Daarna verzamelde hij drieduizend krijgslieden, besteeg zijn merrie en voerde zijn leger aan tegen Marko.

De Magyaren omringden den held volkomen, maar Marko zag er niets van onder het drinken van zijn wijn. Sharatz lette echter beter op en kwam naast zijn meester staan, die, toen hij bemerkte in welk een hachelijke positie hij zich bevond, in het zadel sprong en nog verwoeder en onstuimiger dan te voren op de Magyaren inreed, met zijn sabel in zijn rechterhand, zijn lans in zijn linker en de teugels van Sharatz stevig tusschen zijn tanden. Degenen, die door zijn sabel geraakt werden, sloeg hij in tweeën, die, welke hij raakte met zijn lans, werden over zijn hoofd geworpen.

Marko neemt Voutcha gevangen.

Na drie of vier ontmoetingen had Marko zooveel Magyaren gedood, dat zij, die over waren gebleven, met ontzetting werden vervuld en in wanorde vluchtten. Daarop nam Marko generaal Voutcha op dezelfde wijze gevangen, als hij het zijn zoon had gedaan. Nadat hij zijn handen had gebonden, maakte hij hem aan Sharatz's zadel vast en bracht hem naar de plek, waar Velimir lag te kreunen. Beiden maakte hij vast aan de merrie van den opperbevelhebber en zoo begaf hij zich op weg naar Prilip, waar hij hun in een kerker wierp.

Eenige dagen later ontving hij een brief van de vrouw van Voutcha, die hem smeekte Velimir en zijn vader niet te dooden en een groote som gelds als losgeld aanbood. Marko zond het volgende antwoord: "Luister, gij getrouwe echtgenoote van generaal Voutcha! Indien gij wenscht, dat ik mijn gevangenen loslaat, dan hebt gij slechts mijn oude vrienden vrij te laten, Milan van Toplitza en Ivan Kosantchitch en aan ieder drie tovars goud te geven als schadeloosstelling voor den tijd, dien zij in gevangenschap hebben doorgebracht en gij moet mij een gelijke som geven, want ik heb van mijn goeden Sharatz te veel moeten eischen. En mijn vriend Milosh van Potzerye is ook nog in uw kasteel, maar ik geef hem volmacht zijn eigen aangelegenheden met u in persoon te regelen, want in wat hij ook eischt, stem ik toe."

De vrouw van den generaal zond onmiddellijk de verlangde hoeveelheid goud. Daarna nam zij de sleutels van de kerkers en liet de helden vrij. Zij liet eenige barbiers roepen, om hun baard te scheren en hun haar en nagels te verzorgen. Daarna bestelde zij een groote hoeveelheid zeer fijne wijnen en dure schotels, om aan de edele Serviërs voor te zetten en na den feestmaaltijd vertelde zij hun Marko's wondervolle daden en smeekte Milosh van Potzerye al zijn invloed te gebruiken om Prins Marko over te halen erbarmen te hebben met haar echtgenoot en haar zoon. Daarop beloofde Milosh, dat aan haar wensch voldaan zou worden en dat zij geen vrees behoefde te hebben. Hij verzocht haar alleen, dat hem zou worden gegeven: ten eerste het beste paard uit de stallen van generaal Voutcha, dat, waarop Voutcha eens per jaar in statie naar de kerk Tekiye reed; ten tweede de vergulde koets, getrokken door twaalf Arabische paarden, die door generaal Voutcha werd gebruikt, als hij naar Weenen reisde voor zijn bezoeken aan den Keizer, want in die koets wilde hij den bejaarden held, Milan van Toplitza naar huis rijden. En ten slotte vroeg hij, of zijn vriend Toplitza het fraaie gewaad zou mogen dragen, dat Voutcha op Paaschdag droeg. In dit alles stemde de vrouw van Voutcha toe, en bovendien gaf zij aan elk der der vrienden duizend ducaten, opdat zij op hun reis naar Prilip geen dorst zouden behoeven te lijden.

Marko begroette de ridders op hartelijke, broederlijke wijze en liet toen generaal Voutcha en zijn Velimir vrij en beval, dat een krachtig escorte hen naar Varadin zou geleiden. Toen de edele voïvodes de gastvrijheid van Marko gedurende verscheidene dagen hadden genoten (en gedurende dien tijd een aanzienlijke hoeveelheid van zijn rooden wijn hadden gebruikt) omhelsden zij elkaar en kusten elkaar op de wang; de vrienden kusten de onbedekte hand van Marko. Toen begaf zich ieder in vrede naar zijn eigen domein.

De huwelijksprocessie van Prins Marko.

Op zekeren avond, toen Prins Marko aan den maaltijd zat met zijn bejaarde moeder, verzocht deze hem een meisje naar zijn hart te zoeken, opdat zij het gezelschap en den steun mocht hebben van een schoondochter. Daarop antwoordde Marko: "God is mijn getuige, o lieve moeder. Ik heb door negen koninkrijken en door het geheele Turksche rijk gereisd en telkens, als ik een meisje vond, dat ik tot mijn bruid wenschte te maken, kwam ik tot de ontdekking, dat u van een andere meening waart dan ik. Soms was het, dat u niet vriendelijk gezind waart jegens de familie; en als ik een familie vond, die u wel aanstond, dan telde zij weer geen meisje, dat genade in uw oogen kon vinden! Echter, toen ik door Bulgarije reisde, hield ik mijn Sharatz eens in bij een bron, en zie! daar zag ik een meisje, zoo mooi en zoo lief, dat het mij plotseling toescheen, alsof het gras waarop ik stond om mij heen draaide. Later vernam ik, dat dit meisje de dochter was van koning Shishman van Bulgarije. Dit zou ongetwijfeld een passende bruid voor mij zijn en daarbij behoort zij tot een familie, waarop weinig valt aan te merken! Indien u er dus in toestemt, zal ik dadelijk gaan en haar ten huwelijk vragen."

Marko's moeder, die overgelukkig was met de keus van haar zoon, haastte zich nog dienzelfden avond de gebruikelijke geschenken gereed te maken, want zij vreesde, dat haar zoon nog voor den morgen van inzicht mocht veranderen. Maar den volgenden morgen beval Marko, dat Sharatz gezadeld zou worden en nadat hij den onontbeerlijken leeren wijnzak aan de eene zijde van zijn zadel had gehangen en zijn oorlogsknots aan de andere, nam hij afscheid van zijn moeder en reed recht toe recht aan naar het kasteel van koning Shishman. De Bulgaarsche vorst zag Marko, toen hij nog een heel eind weg was en ging hem tegemoet, om hem te begroeten. Toen hij vlak bij was, stapte Marko van Sharatz, strekte zijn armen uit en de twee omhelsden elkaar en vroegen naar elkaars gezondheid. De koning geleidde Marko binnen het kasteel, terwijl Sharatz door de stalknechts naar de koninklijke stallen werd gebracht.

Even later, onder den schitterenden maaltijd, die onmiddellijk ter eere van den vorstelijken gast was aangericht, sprong Marko op, boog diep voor den koning en vroeg zijn dochter ten huwelijk. De koning was zoo verheugd zulk een edelen en dapperen schoonzoon te krijgen, dat hij zonder aarzelen toestemde. Marko besteedde drie tovars goud voor den ring, dien zijn toekomstige bruid zou dragen en voor de trouwjapon en de andere geschenken. Daarna vroeg hij, of hij terug mocht gaan naar Prilip om zijn bruiloftsgasten en vrienden te verzamelen en toen hij op het punt was het paleis te verlaten, raadde de koningin den prins aan, om als geleider van de bruid niet iemand te kiezen, dien hij niet onvoorwaardelijk zou kunnen vertrouwen, maar liever zijn eigen broer te kiezen of althans een neef. Want, meende zij, een vreemde zou een mededinger kunnen blijken, zoo bekoorlijk en schoon was haar dochter.

Toen Marko Prilip naderde, kwam zijn moeder hem tegemoet, om hem te begroeten en na hem hartelijk op beide wangen gekust en hem haar mooie handen toegestoken te hebben om te kussen, vroeg zij, of hij een voorspoedige reis had gehad en met de prinses verloofd was. Marko vertelde alles, wat er gebeurd was en vergat niet de woorden te herhalen, die de koningin bij het afscheid nemen had gesproken. Hij beklaagde zich erover, dat zijn broeders gestorven waren, en dat hij ook geen neef had. Zijn moeder, die zeer blij was, raadde Marko aan daarover niet te jammeren, maar dadelijk een boodschap te zenden aan den Doge van Venetië, en hem uit te noodigen met een gezelschap van vijfhonderd te komen, en als koom op te treden. Eveneens moest hij een uitnoodiging zenden aan Styepan Zemlyitch om zich met vijfhonderd volgelingen bij den bruiloftsstoet te voegen en de geleider van de bruid te zijn. Deze raad kwam Marko zeer verstandig voor en dadelijk zond hij couriers weg, zooals zijn moeder had bevolen. De Doge verscheen spoedig met zijn vijfhonderd ruiters en Styepan Zemlyitch eveneens. Marko heette hen hartelijk en gastvrij welkom en er was geen gebrek aan goeden wijn.

Het gezelschap begaf zich nu opweg naar het hof van den Bulgaarschen koning, die hen allerhartelijkst ontving en hen gedurende drie dagen onthaalde. Op den vierden dag maakte het bruiloftsgezelschap zich gereed terug te keeren, want het was duidelijk dat, indien zij nog drie dagen bleven, den koning geen druppel wijn meer over zou blijven.

Shisman gaf allen vorstelijke geschenken: eenigen gaf hij zijden hemden, anderen gouden schalen en borden; aan den geleider van de bruid werd een bijzonder kostbaar, met goud geborduurd hemd geschonken.

Toen de bruid opgestegen was, gaf haar koninklijken vader haar aan den geleider van de bruid over met deze woorden:

"Hiermee vertrouw ik aan uw zorgen de bruid en haar paard toe, totdat gij aan het kasteel van Marko komt; eenmaal daar, moet gij de bruid aan Marko overgeven maar haar rijpaard moogt ge zelf behouden!"

De huwelijksprocessie.

De processie reed verder tot aan de Bulgaarsche boschlanden en weiden en daar er nu eenmaal geen geluk is zonder eenig ongeluk, woei een windvlaag een oogenblik den sluier der bruid terzijde. De Doge van Venetië, die vlak naast haar reed, zag het schoone gelaat van het meisje en was zoo bekoord door haar buitengewone schoonheid, dat hij smoorlijk verliefd op haar werd. Toen de geheele bruiloftsstoet halt hield voor den nacht, begaf hij zich onopgemerkt naar de tent van Styepan Zemlyitch en sprak hem aldus aan: "O, gij geleider van de bruid! Wilt gij mij uw beschermelinge overgeven, opdat wij samen kunnen vluchten: ik zal u een laars vol gouden dukaten geven?"

Styepan Zemlyitch antwoordde verontwaardigd:

"Zwijg, Doge van Venetië! Gij verdiendet in steen te veranderen! Zijt gij uw leven moe?"

Toen zij den tweeden dag de rustplaats bereikten, sloop de Doge weer heimelijk naar de tent van Styepan Zemlyitch en vroeg nog eens om de bruid, maar nu bood hij twee laarzen vol dukaten aan. Weer weigerde de geleider van de bruid, zeggende:

"Scheer u weg, o Doge! opdat uw hoofd niet doormidden worde gekliefd! Heeft iemand ooit gehoord van een koom, die zijn kooma aan haar bruidegom ontneemt?"

De ontrouwe koom.

Toen de derde nacht kwam, bood de Doge den geleider van de bruid drie laarzen vol dukaten van zuiver goud. Deze geweldige som geld was een te grote verzoeking voor den geleider van de bruid en hij gaf de bruid over aan den Doge, die haar naar zijn eigen tent bracht. Daar verklaarde hij zijn liefde aan het meisje en smeekte haar in hartstochtelijke bewoordingen met hem naar Venetië te vluchten, waar hij haar alles kon aanbieden, wat het hart maar begeerde. Maar het Bulgaarsche meisje wendde zich met tegenzin van hem af. "Om Godswil, o Doge van Venetië!" zei zij, "de aarde onder ons zou zeker splijten om ons te verzwelgen en de hemelen boven ons zouden vaneen scheuren, indien een kooma ontrouw zou zijn aan haar bruidegom."

Maar de Doge hield aan: "O, wees niet zoo dwaas, mijn lieftallige kooma. Ik heb vele kooma's gekust en geliefkoosd, maar nooit opende zich de aarde onder ons, of scheurden de hemelen,--kom laat ons elkaar omhelzen!"

Het meisje meende, dat het 't beste zou zijn zich te houden, alsof zij aan zijn wensch gehoor gaf en daarom antwoordde zij: "O mijn koom, Doge van Venetië! Mijn bejaarde moeder heeft mij gezegd, dat zij mij zou vloeken, indien ik ooit een gebaarden held zou kussen en ik heb er een eed op gedaan, slechts een geschoren ridder lief te hebben, zooals de koninklijke Prins Marko er een is."

Hierop riep de Doge twee barbiers, een om zijn baard af te scheren en de ander om zijn gelaat schoon te wasschen. Terwijl zij hiermede bezig waren, bukte het meisje zich en raapte ongemerkt den baard van den Doge op en wikkelde dien in de plooien van haar zijden gewaad.

Nu zond de Doge de barbiers weg en beproefde opnieuw de bruid het hof te maken, die preutschheid voorwendde en voorgaf te vreezen, dat zij beiden zeker zouden omkomen, als Marko hoorde, wat er was gebeurd. De Doge bezwoer haar echter niet zoo dwaas te zijn. "Ik heb vijfhonderd volgelingen bij mij!" zoo sprak hij. "Marko's tent is ver weg. Ziet gij ze niet ginds in de verte? Bovenop is een gouden appel bevestigd. In den appel zijn twee groote diamanten geplaatst, die een licht verspreiden zoo ver in het rond, dat men in de naburige tenten 's avonds geen licht behoeft op te steken."

De vlucht van het meisje.

Het meisje gaf voor dit wonder van nabij te willen aanschouwen, waarop de Doge hoffelijk het gordijn voor den ingang terzijde schoof, opdat zij beter zou kunnen zien. Het volgend oogenblik liep zij snel als een hinde naar het paviljoen van Prins Marko.

Marko sliep en was ten zeerste verbaasd, toen hij plotseling werd gewekt door de binnenkomst van zijn onverwachte bezoekster. Toen hij in het meisje zijn toekomstige vrouw herkende, sprak hij haar toornig toe: "Gij, meisje van lage geboorte! Is het betamelijk, dat gij mij tegen alle christelijke gebruiken in bezoekt?"

Het meisje boog diep en antwoordde: "O, mijn Heer, gij koninklijke Prins Marko! Ik ben geen meisje van lage geboorte, maar uit zeer edel geslacht. Gij hebt gasten medegebracht, die zeer slechte bedoelingen koesteren. Weet dan, dat mijn geleider, Styepan Zemlyitch, mij, uw bruid, verkocht aan den Doge van Venetië, voor drie laarzen vol goud! Indien gij dit niet kunt gelooven, zie dan hier. Hier is de baard van den Doge!" Zij maakte haar gewaad los en haalde daaruit den baard van den Doge te voorschijn en toonde hem dien.

Marko's woede keerde zich nu tegen zijn trouwelooze vrienden en bij het aanbreken van den dag wikkelde hij zich in zijn mantel van wolfshuid en, nadat hij zijn zware knots had genomen, ging hij regelrecht naar den geleider van de bruid en naar den koom en sprak:

"Goeden morgen, o geleider van de bruid en koom! Gij leider, waar is uw schoonzuster? En gij, o koom, waar is uw kooma?" Steypan Zemlyitch bleef zwijgen als een steen, maar de Doge zei: "O, gij koninklijke Prins Marko. We bevinden ons in gezelschap van zeer zonderlinge lieden; men kan niet eens een grap maken, zonder dat men verkeerd wordt begrepen!"

Maar Marko antwoordde: "Uw grap is slecht, o Doge van Venetië! Waar is uw baard?" En nog eer de Doge in de gelegenheid was te antwoorden, had de Prins zijn zwaard uit de scheede gehaald en zijn hoofd in tweeën gespleten.

Styepan Zemlyitch beproefde te ontvluchten, maar Marko snelde hem na en raakte hem met zijn vlijmscherp zwaard zoo, dat hij in twee helften op den grond viel.

Hierna keerde Marko naar zijn tent terug, beval den stoet verder te gaan en kwam zonder verdere ongevallen te Prilip aan.

Prins Marko en de Moorsche Prinses.

Op zekeren dag sprak de moeder van Prins Marko aldus tot haar zoon: "O, mijn geliefde zoon, gij koninklijke Prins Marko! Waarom richt gij zooveel kerken en altaren op? Of gij hebt ernstig tegen God gezondigd en doet boete, òf gij hebt ergens een bovenmatigen rijkdom opgestapeld." Toen antwoordde Marko van Prilip haar: "Mijn geliefde, bejaarde moeder! Ik zal u de waarheid zeggen. Eens, toen ik door het Moorsche land reisde, stond ik vroeg op, om Sharatz aan de bron te verfrisschen. Toen ik daar kwam, vond ik twaalf Mooren, die met hetzelfde doel waren gekomen--en daar ik in mijn trots mijn beurt niet wilde afwachten, stelden de twaalf Mooren zich tegenover mij, omdat zij het eerst waren gekomen. Dadelijk begonnen wij te vechten. Ik hief mijn zware knots op en velde een van de Mooren ter aarde; zijn elf metgezellen vielen mij aan en ik sloeg een tweeden tegen den grond; toen vielen de tien overblijvenden mij aan en ik doodde een derden; nog negen hielden zich met mij bezig en een vierde beet in het stof; de overige acht snelden op mij toe en ik sloeg den vijfden neer; zeven streden met mij en den zesden zond ik naar de eeuwigheid;--maar nu moest ik nog de overige zes het hoofd bieden, die mij overweldigden; zij bonden mijn armen op mijn rug en brachten mij naar hun Sultan, die mij in de gevangenis wierp. Daar vertoefde ik acht jaar, waarin ik van de jaargetijden enkel den winter kon onderscheiden, wanneer de meisjes sneeuwballen door de tralies van mijn kerker wierpen. Een enkelen keer wist ik ook, dat 't lente was, als de meisjes mij thijm toewierpen."

De Moorsche Prinses.

Toen het achtste jaar aanbrak, was het niet zoo zeer mijn kerker, die mij bedroefde, als een Moorsch meisje, de geliefde dochter van den Sultan. Zij verveelde mij door iederen morgen en iederen avond door mijn kerkerraam te roepen: "Waarom zoudt gij omkomen in dezen kerker, o Marko? Geef mij uw woord, dat gij bereid zijt mij te trouwen en ik zal u vrij laten en uw Sharatz ook. Stapels gouden dukaten zal ik meenemen; zooveel, o, Marko, als gij ooit gewenscht hebt te bezitten."

Toen maakte zich een diepe wanhoop van mij meester, o mijn moeder, en daarom nam ik mijn muts af, legde die op mijn knie en sprak daar als volgt tegen: "Bij mijn onwankelbaar geloof. Ik zal u nooit verlaten; noch zal ik u ooit vergeten, daarop geef ik u mijn woord! De zon zelf verandert dikwijls; in den winter is zij niet dezelfde als in den zomer, maar mijn belofte zal ik altijd houden!"

Het meisje verkeerde in de zalige dwaling, dat ik haar trouw had gezworen en opende daarom op zekeren avond, toen de schemering inviel, de deuren van mijn gevangenis en bracht mij naar mijn vurigen Sharatz, terwijl zij voor zich zelf een mooi, edel rasdier had laten optuigen. Beide paarden droegen op hun rug zakken gevuld met dukaten. Het Moorsche meisje bracht mij mijn meest geharde zwaard en wij spoedden ons snel door het Moorsche land.

Toen de duisternis inviel, wierp ik mijzelf op den grond om te slapen, de Moorsche prinses deed eveneens, en zie: zij sloeg haar armen om mij heen. En ik keek naar haar, moeder, en ik zag hoe zwart haar gelaat was en hoe wit haar tanden! Ik huiverde van afschuw en nauwelijks wetende wat ik deed, sprong ik op, besteeg mijn Sharatz en galoppeerde als een krankzinnige weg, haar alleen achterlatende. Het meisje riep mij in doodsangst na: "O, mijn broeder-in-God, gij koninklijke Prins Marko! Verlaat mij niet zoo!" Maar ik wilde mijn vlucht niet onderbreken. "Toen en daar, o moeder heb ik tegen God gezondigd! Toen was het, dat ik goud in overvloed bezat en daarvan heb ik talloos veel kerken en altaren gebouwd om mijn zonde te boeten!"

Prins Marko en de veela.

Prins Marko en Milosh van Potzerye reden vroeg in den morgen over den schoonen berg Mirotch. Zij droegen hun lansen en lieten hun paarden draven. Zij hadden elkaar zoo hartelijk lief, dat zij elkaar nu en dan omhelsden. Plotseling begon Marko slaperig te worden op zijn Sharatz en beproefde zijn makker over te halen wat te zingen, teneinde hem wakker te houden. Daarop antwoordde Milosh: "O, lieve broeder-in-God, gij koninklijke Prins Marko! Ik zou graag voor u zingen, maar verleden nacht, toen ik met veela Raviyoyla was, dronk ik veel te veel wijn, en toen dreigde zij mij, dat zij mijn hart en mijn keel zou doorboren met pijlen, als zij mij weer hoorde zingen."

Maar Marko drong aan: "O zing, lieve broeder! Vrees de veela niet, zoolang ik, Prins Marko, leef; en zoolang ik mijn Sharatz en mijn zeshoekigen knuppel heb!"

Zoo begon Milosh om zijn pobratim genoegen te doen een schoon lied te zingen, waarin verhaald werd van hun dappere en deugdzame voorouders; hoe zij koninkrijken hadden gesticht en geregeerd over het aanzienlijke Macedonische rijk; en hoe elk van deze goede vorsten een altaar of een kerk had opgericht.

Het lied beviel Marko zoo zeer, dat hij onder invloed van Milosh welluidende stem in slaap viel. Maar de veela hoorde het lied eveneens, en met haar zangen wisselde zij die van Milosh telkens af, waarbij zij haar best deed, om hem te toonen, dat zij beter zong dan hij. In werkelijkheid echter zong Milosh beter, want hij had een prachtige stem en dit maakte de veela zeer boos; zij nam twee dunne pijlen, spande haar boog en doorboorde eerst zijn keel en daarna zijn hart.

Milosh slaakte een doordringenden kreet: "Helaas, o, mijn moeder! Helaas, Marko, mijn broeder-in-God! De veela heeft mij met haar boog geschoten! Heb ik u niet gezegd, o pobratim, dat ik niet moest zingen op den berg Mirotch?"

De vervolging van de veela.

Deze jammerklacht deed Marko dadelijk ontwaken. Hij sprong luchtig uit het zadel, gordde stevig de buikriemen van zijn Sharatz vast, omhelsde hem, en fluisterde hem dit in het oor: "Zie, Sharo, gij, op wiens snelheid ik vertrouw, gij moet de veela Raviyoyla inhalen; ik zal uw hoeven beslaan met zuiver zilver en ze vergulden met het mooiste goud; ik zal u bedekken met een zijden mantel, die tot uw knieën zal reiken en daarop zal ik mooie zijden kwasten bevestigen, die van uw knieën tot aan uw hoeven zullen hangen; uw manen zal ik doorvlechten met gouden draden en ze met zeldzame parelen versieren. Maar wee u, als gij de veela niet bereikt! Ik zal uw beide oogen uitrukken; uw vier pooten zal ik breken; en ik zal u hier verlaten en gij zult voor altijd kruipen van de eenen pijnboom naar den anderen; zoo zal ik doen als ik mijn lieven broeder Milosh verliezen moet!"

Daarna sprong Marko vlug op Sharatz en reed snel de veela achterna.