Heldensagen en Legenden van de Serviërs

Chapter 8

Chapter 84,134 wordsPublic domain

Toen deed het meisje het verhaal van haar aanstaand huwelijk met den Moorschen hoofdman, van de boodschappen, die naar Marko waren gezonden en eindelijk vloekte zij Marko in heftige woorden om de ongevoeligheid van zijn hart.

Daarop sprak Marko: "O vloek mij niet, lieve zuster-in-God! Marko is hier en spreekt nu zelf tegen u!"

Bij het hooren van deze woorden wendde het meisje zich tot den beroemden ridder, omhelsde hem en smeekte ernstig:

"Om Gods wil, o, mijn broeder Marko! Laat niet toe, dat de Moor mij trouwt!"

Marko was zeer getroffen en zei; "O, lieve zuster-in-God. Ik zweer, dat ik, zoolang mijn hoofd op mijn schouders blijft, nooit zal toelaten, dat de Moor u bezit. Vertel niet aan anderen, dat gij mij hier hebt gezien, maar verzoek den Sultan en uw moeder van avond een maal eten gereed te laten maken en naar het logement te brengen, en verzoek hun vooral mij overvloedig wijn te zenden. Intusschen zal ik de komst van den Moor in het logement afwachten. Als de Moor aan het paleis komt, moeten uw ouders hem welwillend ontvangen en zij moeten zoover gaan u aan hem over te geven, teneinde twist te voorkomen. Ik ken het eenige middel om u te verlossen, indien het de ware God moge behagen en indien mijn geluk en mijn kracht mij niet in den steek laten."

De Prins keerde terug naar het logement en het meisje spoedde zich naar het paleis.

Toen de Sultan en de Sultana hoorden, dat Marko gekomen was om hen te helpen, waren zij zeer getroost en lieten onmiddellijk een weelderig maal gereed maken om hem dat te zenden en zij voegden er goeden, rooden wijn in overvloed bij.

Alle winkels waren gesloten in Istamboel en overal heerschte stilte, toen Marko in vrede den heerlijken wijn dronk. De waard van het logement kwam om zijn deuren en vensters te sluiten en toen Marko hem vroeg, waarom al de burgers dien dag zoo vroeg hun woningen sloten, antwoordde hij: "Op mijn woord, gij zijt hier waarlijk wel een vreemdeling! De Moorsche hoofdman heeft de dochter van onzen Sultan ten huwelijk gevraagd, en daar zij, tot onze schande, aan hem zal worden overgegeven, komt hij heden naar het paleis om haar te halen. En bevreesd voor den Moor als wij zijn, sluiten wij allen onze winkels."

Maar Marko stond niet toe, dat de man de deur van het logement sloot, want hij wilde den Moor en zijn schitterenden stoet voorbij zien komen.

De Moor in Istamboel.

Op dat zelfde oogenblik, terwijl zij nog spraken, kon Marko het geraas hooren, waarmee de Moorsche hoofdman en zijn zwarte volgelingen, op zijn minst vijfhonderd in aantal en allen in glinsterende wapenrusting, de stad binnentrokken.

De Moor had zijn Bedevia aangezet en deze draafde zoo vurig, dat de steenen, die zij met haar hoeven opwierp, in alle richtingen door de lucht suisden en ramen en deuren verbrijzelden van al de winkels, die zij voorbijging. Toen de cavalcade voor het logement kwam, dacht de Moor:

"Bij Allah! Ik ben getroffen van verbazing en verwondering! De vensters en deuren van alle winkels in de geheele stad Istamboel zijn gesloten, zoo bevreesd is het volk voor mij, maar als ik goed zie, zijn de deuren van dit logement nog open. Er moet stellig niemand in zijn, anders is hij, die er verblijf houdt, een groote dwaas; het kan ook zijn, dat hij een vreemdeling is, en niet weet, welk een vreeselijk wezen ik ben." De Moor en zijn gevolg brachten dien nacht in tenten voor het paleis door.

Den volgenden dag gaf de Sultan zijn dochter aan den Moorschen hoofdman met al de huwelijksgeschenken, die twaalf tovars wogen. Toen de huwelijksstoet het logement voorbijging, waar Marko vertoefde, merkte de Moor weer de geopende deur op, en dezen keer stuurde hij er Bedevia recht op af, om te zien, wie daar toch kon zijn.

Sharatz en Bedevia.

Marko zat op zijn gemak in de meest geriefelijke kamer, die de trots van het logement was; langzaam dronk hij den rooden wijn, waarvan hij zooveel hield. Hij dronk niet uit een gewonen drinkbeker, maar uit een schaal, die twaalf liter inhield. En telkens, als hij de schaal weer gevuld had, dronk hij slechts de helft, en gaf volgens gewoonte de andere helft aan zijn Sharatz. De Moor stond op het punt Marko aan te vallen, toen Sharatz hem den weg versperde en boosaardig naar Bedevia schopte. Toen de Moor zulk een onverwachten tegenstand ontmoette, wendde hij onverwijld zijn paard, om zich weer bij den stoet te voegen.

Toen stond Marko op; keerde zijn mantel en muts binnenste buiten, waardoor hij op den eersten blik het ontstellende schouwspel bood van een wolf; daarna keek hij zijn wapenen en de buikriemen van Sharatz zorgvuldig na, sprong op zijn strijdros en galloppeerde den optocht na. Hij velde rechts en links de ruiters, totdat hij den dever en den tweeden getuige bereikte, welke hij beide doodde.

Den Moorschen hoofdman werd onmiddellijk verteld van den vreemdeling, die zich midden door den stoet een weg had gebaand en wie hij had gedood, en ook, dat hij er niet uitzag als elk ander ridder, maar gekleed was in een wolfsvacht.

Marko en de Moor.

De Moor, die schrijlings op zijn Bedevia zat, zwenkte en sprak Marko aldus aan: "Het ongeluk heeft u dezen dag ingehaald, o vreemdeling! Gij moet door Satan hier heen gedreven zijn, om mijn gasten te verontrusten en zelfs mijn dever en tweeden getuige te dooden; gij moet òf een dwaas zijn, die niets weet van wat heden gebeurt, òf gij moet krankzinnig zijn geworden; maar misschien zijt gij het leven alleen moe! Op mijn woord, ik zal de teugels van mijn Bedevia inhouden, en zevenmaal over uw lichaam springen, daarna zal ik uw hoofd afslaan!"

Daarop antwoordde Marko:

"Houd op met deze leugentaal, o Moor! Indien God en mijn gewoon geluk mij nu slechts getrouw blijven, dan zult gij zelfs niet in staat zijn mij te naderen; dat gij uw voornemen ten uitvoer zoudt brengen en over mijn lichaam springen, kan ik mij zelfs niet voorstellen!"

Maar ziet! De Moor hield zijn Bedevia in, gaf haar toen heftig de sporen, en werkelijk zou hij over Marko zijn gesprongen, indien Sharatz niet de goed getrainde vechter was, die hij was; onmiddellijk steigerde hij, waardoor zijn tegenstander tegen zijn voorpooten stiet en hij in staat was vlug het rechteroor van Bedevia af te bijten, zoodat het bloed over haar nek en borst gutste. Op deze wijze streden Marko en de Moor gedurende vier uur. Geen van beiden wilde toegeven en toen de Moor eindelijk zag, dat Marko hem zou overweldigen, wendde hij zijn paard, Bedevia, om en vluchtte langs de hoofdstraat van Istamboel weg. Marko joeg hem achterna. Maar Bedevia van den Moor was vlug als een veela van het woud en zou Sharatz zeker ontsnapt zijn, indien Marko zich niet plotseling zijn knots had herinnerd, die hij naar zijn tegenstander wierp, en waarmee hij hem tusschen de schouders raakte. De Moor viel van zijn paard en de Prins hieuw hem het hoofd van het lichaam. Daarna greep hij Bedevia, keerde naar de straat terug, waar hij de bruid had gelaten en vond haar tot zijn verbazing met haar twaalf tovars geschenken alleen op hem wachtende, want al de bruiloftsgasten en het gevolg van den Moorschen hoofdman waren in galop weggevlucht. Marko geleidde de Prinses terug naar den Sultan en wierp het hoofd van den Moorschen hoofdman voor zijn voeten.

De held nam nu afscheid en begaf zich dadelijk op de terugreis naar Prilip. Den volgenden morgen ontving hij de zeven tovars goud, die hem beloofd waren, de vele kostbare geschenken, die de Prinses had opgesomd en eindelijk nog een dankbetuiging voor zijn bewonderingswaardige daden, waarin gezegd werd dat de rijke schatten aan goud, die zijn vader-in-God, den Sultan toebehoorden, steeds tot zijne beschikking stonden.

Prins Marko maakt een einde aan de huwelijksschatting.

Op zekeren morgen heel vroeg reed de koninklijke Prins Marko over de vlakte van Kossovo. Toen hij de rivier bereikte, kwam hij een meisje van Kossovo tegen en Marko groette haar op de in Servië gebruikelijke wijze: "Dat God u helpe, o meisje van Kossovo!"

Het meisje boog zeer diep en antwoordde: "Heil u, onbekende ridder!"

Marko sprak, nadat hij haar een poos had aangekeken: "Lieve zuster, gij meisje van Kossovo, gij zijt schoon, ofschoon gij wel wat jonger kondt zijn! Gij zijt slank, sterk en bevallig; uw wangen zien gezond, en gij hebt een aangenaam en waardig voorkomen. Maar helaas, lieve zuster, uw haar is grijs en staat u niet goed. Wie heeft u verdriet veroorzaakt? Zeg het mij. Zijt gij zelf de oorzaak of uw moeder of uw bejaarde vader."

Het meisje stortte vele bittere tranen en tusschen haar snikken antwoordde zij Marko aldus: "O, lieve broeder, gij onbekende ridder! Ik zelf ben niet de oorzaak van mijn ongeluk en het is noch mijn moeder noch mijn vader, die zooveel verdriet over mij hebben gebracht; maar ik heb alle geluk verloren door de schuld van een Moor, die aan gene zijde van de zee woont. Hij heeft bezit genomen van de geheele vlakte van Kossovo, en heeft behalve andere afpersingen ook een vreeselijke belasting opgelegd van dertig ducaten, die door alle bruiden betaald moet worden en, vier en dertig door alle bruigoms, die huwen willen. Mijn broeders zijn arm en hebben niet het noodige geld om mijn belasting te betalen. Daardoor ben ik niet in staat mijn minnaar te huwen, en zoo is alle geluk van mij geweken. Barmhartige God, zou ik mij zelf niet van het leven benemen?"

Daarop sprak Prins Marko: "Lieve zuster, gij meisje van Kossovo. Speel niet met uw leven;--laat al zulke gedachten varen, anders zult gij zonde op uw ziel laden! Vertel mij, waar het kasteel is, waar de Moorsche heer kan worden gevonden? Ik geloof, dat ik hem iets heb te zeggen!"

Hierop antwoordde het meisje: "O, mijn broeder, gij onbekende ridder! Waarom vraagt gij naar zijn kasteel? Wat wenschte ik, dat het met den grond gelijk werd gemaakt. Misschien hebt gij een meisje naar uw hart gevonden en gaat gij nu de huwelijksbelasting betalen, of zijt gij de eenige zoon van uw lieve moeder? Ik vrees voor u, o broeder, want het kan zijn, dat gij daar omkomt en wat zou uw bedroefde en eenzame moeder dan doen?"

Marko stak zijn hand in zijn zak, nam er een beurs uit en overhandigde die aan het meisje: "O, zuster, neem deze dertig ducaten, ga naar huis en wacht in vrede, totdat uw geluk u roept [37], maar wees zoo vriendelijk mij het kasteel van den Moor aan te wijzen, want ik ga hem uw huwelijksbelasting betalen!"

Daarop sprak het meisje overweldigd door haar onverwacht geluk aldus: "Het is geen kasteel, maar het zijn tenten; dat zij alle vervloekt worden! Ziet gij daar niet op de vlakte die zijden vlag wapperen? Daar is het paviljoen van den Moor zelf. Daarom heen is een mooie tuin, dien hij heeft durven versieren met de hoofden van zeven en zeventig Christenhelden, en hij heeft veertig dienstknechten, die dag en nacht de wacht houden."

Marko bezoekt den Moor.

Nadat hij dit had vernomen, nam Marko afscheid van het meisje en reed naar de tenten. Hij zette zijn paard zoo krachtig aan, dat onder zijn hoeven levend vuur scheen op te spatten en uit zijn neusgaten blies een helder blauwe vlam. Krankzinnig van toorn reed Marko door het kamp. De tranen stroomden uit zijn oogen, die op de vlakte van Kossovo waren gericht, toen hij uitriep: "Helaas, o vlakte van Kossovo! O, te denken, dat gij dezen dag moest zien! En dat gij na de regeering van onzen grooten Keizer [38] getuige moet zijn van de tirannie van een Moor!

"Kan ik zulke schande en smart langer dragen? O, dat het een Moor vergund werd u te verwoesten. Nu zal ik òf u wreken, òf omkomen!"

De schildwachten bemerkten de komst van Marko en gingen hun heer waarschuwen: "O, heer, gij Moor! Een vreemd en woest held, die een gevlekt paard berijdt, nadert; en het is ongetwijfeld zijn plan ons aan te vallen."

Maar de Moor antwoordde onverschillig: "O, mijn kinderen, gij veertig trouwe dienstknechten van mij, die held zal ons niet aanvallen. Hij brengt waarschijnlijk zijn huwelijksbelasting en daar het hem spijt afstand te doen van de som, die hij moet geven, zet hij zijn ros zoo ongeduldig aan. Gij deedt beter hem tegemoet te gaan en te verwelkomen; neemt hem zijn paard en wapenen af en wijst hem den weg naar mijn tent. Ik geef niet om zijn geld, maar ik heb lust zijn hoofd te klieven en zijn strijdros te behouden, dat mij goed aanstaat."

De dienaren gingen heen om zijn bevel uit te voeren, maar toen zij Marko van nabij zagen, waren zij zoo ontsteld, dat zij hem niet onder de oogen dorsten komen. Zij vluchtten en verborgen zich achter hun hoofdman, terwijl zij hun yataghans bij het zien van Marko onder hun mantels verborgen.

Toen de onstuimige Prins genaderd was, stapte hij voor de opening van de tent van zijn paard en sprak tot zijn getrouw paard: "Loop vrijelijk rond, mijn Sharatz, want ik ga deze tent binnen om den Moor te spreken; ga niet te ver van deze plek, want mogelijk zou ik je noodig kunnen hebben!" Toen ging Marko het paviljoen binnen.

De Moorsche hoofdman zat afgekoelden wijn te drinken, die door een christen vrouw en een meisje ingeschonken werd. De Prins begroette den Moor: "Dat God u bijsta, mijn heer!" De Moorsche hoofdman antwoordde: "Heil u, onbekende ridder! Neem plaats, opdat wij samen wijn kunnen drinken, voordat gij mij vertelt, wat u naar hier heeft geleid!"

Prins Marko antwoordde: "Ik heb geen tijd, om met u te drinken, maar ik ben hier gekomen met de bedoeling u te spreken. Ik heb een meisje naar mijn hart gevonden, mijn gasten wachten met hun paarden op eenigen afstand van hier, terwijl ik u mijn huwelijksbelasting betaal. Ik zal u dadelijk mijn goud geven, opdat niets meer mijn geluk in den weg sta. Zeg mij hoeveel ik moet betalen?"

De Moor antwoordde heel vriendelijk: "Wel, dat hadt gij al lang dienen te weten: het zijn dertig ducaten voor bruiden en vier en dertig voor bruidegoms; maar daar gij een aanzienlijk ridder schijnt te zijn, zou het ons geen van beiden schaden, als gij mij rond honderd ducaten gaaft." Prins Marko nam drie ducaten uit zijn zak en legde die voor den hooghartigen Moor neer, zeggende: "Geloof mij, ik heb geen geld meer; ik zou dankbaar zijn, indien gij wildet wachten, totdat ik het huis van mijn bruid bereik, want daar zullen wij zeker veel rijke geschenken ontvangen. Ik zal u al de geschenken geven en alleen de bruid voor mijzelf behouden!"

Marko betaalt voor allen.

Daarop schreeuwde de machtige Moor verwoed: "Ik geef geen crediet, ellendeling! Gij zijt al te stoutmoedig door den gek met mij te steken!" Toen sprong hij op, hief zijn knots op en sloeg Marko drie of vier maal op de schouders.

Marko zei glimlachend: "Heldhaftige Moor, slaat gij in ernst of doet gij het alleen voor de grap?"

De Moor, die voortging met den aanval, siste: "Ik sla in ernst!"

Weer glimlachte Marko en zei: "O, dan beklaag ik u. Indien gij met ernstige bedoeling slaat, weet dan, dat ik een knots heb. Ik zal u even dikwijls raken, als gij mij geslagen hebt, niet meer! Laten wij het tot een eerlijk gevecht maken!" Hiermede hief Marko zijn knots op en sloeg den Moor met zulk een kracht, dat hem het hoofd van de schouders viel!

Hierover barstte Marko in lachen uit: "Barmhartige God, u zij dank!

"Hoe snel was het hoofd van den Moorschen held afgeslagen! Het ligt voor mij, alsof het nooit op zijn schouders was geweest!"

Hij haalde nu zijn zwaard uit de scheede en de lijfwachten van den Moor den een na den ander grijpend, hieuw hij hen het hoofd af, uitgezonderd vier, die hij in leven liet om het verhaal van hun meesters einde te doen aan allen, die de waarheid wenschten te hooren. Daarna nam hij de hoofden van de christenhelden en begroef ze zorgvuldig, opdat geen wolven en gieren hen zouden verslinden. Den vier overgebleven dienaren droeg hij op over de vlakte van Kossovo te gaan, van het noorden naar het zuiden, en van het oosten naar het westen en uit te roepen, dat voortaan alle meisjes en jongelingen vrij waren om te trouwen zonder de gehate belasting te betalen, want dat de koninklijke Prins Marko gekomen was om eens en voor goed voor allen te betalen.

Toen de onderdrukte christenen het nieuws vernamen, vereenigden zich allen, zoowel ouden als jongen in den vreugdekreet: "Dat God den koninklijken Prins Marko een lang leven schenke! Want Marko heeft ons land bevrijd van een monster! Wij bidden God, dat zijn ziel gezuiverd moge worden van alle zonde."

Prins Marko en Bogdan, de Bullebak.

Vroeg in den morgen reden drie Servische ridders Kossovo uit; de een was Prins Marko van Prilip; de tweede was Relya van Bazar en de derde was Milosh van Potzerye. Zij waren op weg naar de zeekust, en hun weg leidde door de wijngaarden van Bogdan, den Bullebak. Relya van Bazar was een vroolijke, jonge ridder en hij joeg zijn paard steigerend door den wijngaard, waarbij hij eenige van de hooge wijnstokken, beladen met heerlijke trossen druiven, brak.

Marko vermaande zijn vriend aldus: "Gij deedt beter dezen wijngaard met rust te laten, Relya! Indien gij slechts wist aan wien hij toebehoort, dan zoudt ge uw paard wel in bedwang houden: want deze bezittingen zijn van Bogdan, den Bullebak. Zelf heb ik eens door deze wijngaarden gereden; ik was toen jong, ook ik deed mijn Sharatz steigeren, zooals gij doet. Maar helaas! Ik werd door Bogdan opgemerkt, die op zijn slanke merrie Bedevia reed. Ik wist, dat ik verkeerd deed en daar de ware God geen schuldige mannen bijstaat, dorst ik hem niet te ontmoeten, maar vluchtte de rotsachtige kust op. Hij vervolgde mij, en indien ik mijn trouwe Sharatz niet had gehad, zou hij mij zeker hebben gegrepen. Dank zij Sharatz kon ik mij ten laatste echter steeds verder van hem verwijderen. Toen Bogdan zag, dat hij mij bij de snelheid waarmede ik voortjoeg, nooit zou kunnen inhalen, wierp hij mij zijn knots achterna en raakte mij precies met het handvat zoodat ik voorover op de ooren van mijn Sharatz viel en slechts met de grootste inspanning mijn plaats weer kon innemen. Hoe het zij, ik ontsnapte hem. Dit gebeurde ongeveer zeven jaar geleden, sinds dien ben ik dezen weg niet meer gegaan."

Toen Marko dit zei, bemerkten de drie ridders in de verte een stofwolk, te midden waarvan zij Bogdan herkenden met twaalf bedienden te paard. Marko riep uit: "Luistert, mijn beide broeders-in-God! Hier is hij! En zeker zal hij ons alle drie dooden, indien wij niet zorgen te ontkomen."

Hierop antwoordde Milosh van Potzerye: "O, mijn broeder-in-God, gij koninklijke Prins Marko! Het geheele volk gelooft, dat er geen grooter helden zijn dan wij, drie Servische ridders; het zou veel beter voor ons drieën zijn om te komen dan smadelijk te vluchten!"

Toen Marko dit hoorde, zei hij: "Luistert naar mij, mijn broeders-in-God! Indien dit zoo is, laat ons dan den vijand verdeelen. Wilt gij Bogdan alleen te gemoet treden of zijn twaalf ridders?"

Milosh en Relya gaven er de voorkeur aan Bogdan alleen te bestrijden en lieten het aan Marko over zijn twaalf volgelingen tegen te houden. Deze verdeeling was Marko zeer aangenaam en nauwelijks waren zij overeen gekomen, welk aandeel ieder zou hebben in den strijd, of Bogdan naderde aan het hoofd van zijn troep. Hij werd onmiddellijk bezig gehouden door Milosh en Relya, terwijl Marko zijn aandacht schonk aan de twaalf geleiders. Zijn zware knots zwaaiend dreef hij Sharatz op zijn vijanden toe; in zeer korten tijd werden allen op den grond geslingerd. Toen steeg Marko van zijn paard, bond hen de handen op den rug en dreef hen door de wijngaarden.

Hij was nog slechts een klein eind gegaan, toen hij zag, hoe Bogdan zijn twee vrienden voor zich uitdreef, hun armen op gelijke wijze gebonden als die van Bogdans volgelingen. Toen hij dit zag, werd Marko door vrees bevangen en keek rond naar een middel om te ontkomen. Echter herinnerde hij zich op hetzelfde oogenblik, dat de drie broeders-in-God elkaar trouw hadden gezworen en dat zij zich plechtig verbonden hadden elkaar ten alle tijde te helpen. Hij nam de teugels van Sharatz dus steviger in de handen, sloeg het vizier van zijn helm over zijn voorhoofd, trok woedend zijn zwaard uit de scheede en wierp een woesten, donkeren blik op Bogdan.

De Bullebak is bevreesd Marko tegemoet te komen.

Toen de Bullebak de ontzettende woede en beslistheid in Marko's oogen las, trilden zijn beenen onder hem en hij wendde zijn merrie om, daar hij niet van aangezicht tot aangezicht tegenover Marko dorst te treden. Hij kon echter niet hopen aan de wraak van den Prins te ontkomen en daarom riep hij na eene korte wijle:

"Kom, o Marko, laten wij ons met elkaar verzoenen. Wilt gij mijn twaalf volgelingen vrij laten? Indien gij daartoe bereid zijt, dan zal ik op mijn beurt uw 'broeders-in-God' vrij laten."

Hierin stemde Marko toe en sprong van Sharatz af. Hij maakte van zijn zadel een lederen zak met wijn los en allen gingen zitten om zich te verfrisschen met den koelen wijn en zich te goed te doen aan versch geplukte druiven. Toen zij uitgerust waren, stegen de drie vrienden te paard en maakten zich gereed om te vertrekken. Toen zij op het punt stonden weg te rijden, sprak Marko aldus Bogdan aan: "Dat het u met Gods hulp voorspoedig ga, o Bogdan! En dat wij elkaar eens in goede gezondheid weer ontmoeten en weer samen wijn drinken mogen!" Hierop antwoordde Bogdan: "Vaarwel! en dat God u steeds helpe, o, koninklijke Prins Marko! Maar dat mijn oogen u nooit meer aanschouwen! Gij hebt mij heden zoo verschrikt, dat ik niet geloof ooit weer te wenschen u te ontmoeten!"

Prins Marko en opperbevelhebber Voutcha.

Luistert! Is het de donder of is het een aardbeving? Geen van beide, maar kanonnen bulderen van het fort Varadin: de generaal viert een overwinningsfeest, want hij heeft drie Servische helden gevangen genomen; de eerste is Milosh van Potzerye, de tweede is Milan van Toplitza, en de derde is Ivan Kosantchitch. De opperbevelhebber heeft hen in de diepste kerkers van zijn kasteel geworpen, ongezonde holen, waar het stilstaande water tot aan de knieën reikt en de beenderen van krijgslieden zoo hoog opgestapeld liggen, dat zij tot de schouders van een held reiken.

Milosh van Potzerye is van adellijke geboorte; hij is niet gewoon aan ontbering en lijden en hij bejammert en betreurt bitter zijn lot, terwijl hij verlangend door het traliewerk van de massieve deur in de donkere gang naar buiten ziet, vanwaar alleen hulp kan komen. En werkelijk na drie dagen ziet hij een boodschapper, tot wien hij roept: "O, mijn broeder-in-God! Breng mij iets, waarop ik een bericht kan schrijven!"

De man voelde zich gevleid, broeder-in-God genoemd te worden door zulk een beroemd held en bracht Milosh snel een rol, waarop hij de volgende woorden schreef: "Aan den koninklijken Prins Marko van Prilip: o broeder-in-God, gij vorstelijke Marko! Of gij verlangt niet meer van mij te hooren, of gij hebt opgehouden mij genegen te zijn! Het lot is hard geweest en ik ben gevallen; uw broeder is in de handen van een vijand. De Magyaar Voutcha heeft mij gevangen genomen, mij en mijn twee wapenbroeders. Wij zijn gedurende drie geheele dagen opgesloten in dezen afschuwelijken kerker en het is onmogelijk dat wij er over drie dagen nog levend zouden uitkomen. Daarom, indien gij ons wilt terug zien, red ons dan, o broeder, hetzij door een heldhaftige daad of door een losgeld!" Milosh krabde zijn wang open en zegelde het bericht met zijn bloed; daarna overhandigde hij het aan den man met twaalf ducaten en smeekte hem er zich mede naar Prilip te spoeden. De boodschapper reed zoo snel als hij kon en bereikte de stad Prilip op Zondagmorgen. Prins Marko kwam juist uit de kerk, toen de koerier op hem toe snelde. Toen de Prins las in welk een ontzettenden toestand zijn vrienden zich bevonden, stroomden de tranen langs zijn wangen en hij deed er een eed op, dat hij zijn edele broeders-in-God zou redden.

Hier somt de bard op, welke toebereidselen Marko trof, bijna dezelfde als in de ballade: "Prins Marko en de Moorsche hoofdman." Daarna beschrijft hij de reis van Prilip naar Varadin, maar zonder, dat spreekt van zelf, de wonderbaarlijke vlugheid van Sharatz te overdrijven, die bij deze gelegenheid over de Donau zwom.