Heldensagen en Legenden van de Serviërs
Chapter 7
De Serviërs van Veles noemen nog een groote vlakte bij Demir-Kapi "Markova Livada" (weide van Marko). Sharatz beteekent "gevlekt" en men beweert, dat de huid van Marko's paard meer op de huid van een os dan op die van een gewoon paard geleek.
De Prins gaf hem verschillende lievelingsnamen als Sharin of Sharo en bleef gedurende de honderd en zestig jaren, die zij samen waren, innig aan hem gehecht.
Dit merkwaardige dier was het snelste en sterkste paard, waarvan ooit iemand gehoord heeft en dikwijls slaagde het er in de vliegende veela te achterhalen. Het was zoo goed afgericht, dat het steeds het juiste oogenblik wist te kiezen, waarop het moest knielen, om zijn meester voor een lansstoot van zijn tegenstander te redden. Het wist precies, hoe het 't ros van den tegenstander met zijn voorpooten kon raken. Indien hij er lust in had, kon Sharatz zoo hoog springen als de lengte van drie lansen en over een afstand van vier lansen; onder zijn hoeven sprongen glinsterende vonken en de aarde, waarop hij trad, kraakte en stukken vlogen in alle richtingen; uit zijn neusgaten kwam een trillende, blauwe vlam, ontstellend voor allen, die het zagen. Hij beet vijandelijke paarden vaak de ooren af en in zijn leven verpletterde en vermorselde hij een groot aantal Turksche soldaten. Marko kon gerust dommelen en soms zelfs gaan slapen, indien hij door de bergen reed; al den tijd was hij veilig, want Sharatz hield zorgvuldig de wacht. Daarom voederde de Prins zijn strijdros met brood en wijn uit het vaatwerk, dat hij zelf gebruikte en hij hield meer van hem dan van zijn eigen broer; en Sharatz deelde, zooals hem ook toekwam, den roem van menige overwinning met zijn heer. Marko reed nooit op een ander paard en samen worden zij beschreven als "een draak rijdende op een draak."
Er zijn ongeveer acht en dertig gedichten en misschien tweemaal zooveel legenden in proza, die een uitvoerige beschrijving geven van Marko's indrukwekkende heldenfeiten, en er is nauwelijks een Serviër of een Bulgaar te vinden, die er niet althans eenige van kan voordragen. In den oorlog van Turkije tegen de Balkanstaten, 1912-1913 nam een gouslar, indien hij niet moest vechten, zijn gousle [26] en droeg zijn makkers heldendichten voor, waarvan het grootste deel op Marko betrekking had. De innige vereering, die de Serviërs dezen geliefden Prins toedragen, blijkt een vaste band te zijn tusschen degenen, die nog in Servië zelf wonen en hen, die naar allerlei andere landstreken verhuisd zijn.
Er zijn natuurlijk verschillende verhalen over den dood van Marko. De in eenige legenden vervatte overlevering, die het meest tot zijn landgenooten heeft gesproken en hun dichterlijke verbeelding bijzonder heeft getroffen, is deze, dat hij nooit stierf. Velen gelooven nog, dat hij zich terugtrok in een hol bij zijn kasteel te Prilip, dat nog bestaat, om daar te rusten en dat hij daar nu slaapt. Nu en dan ontwaakt hij, om te zien, of zijn zwaard al uit de rots is gekomen, waar hij het tot het gevest in heeft gestooten. Als het zwaard uit de rots is, zal dit voor Marko het teeken zijn, dat het oogenblik is aangebroken, om weer onder de Serviërs te verschijnen en het Middeleeuwsche keizerrijk te herstellen, dat bij den slag van Kossovo [27] verloren ging.
Wat Sharatz betreft, hij eet nog steeds, maar zijn voorraad hooi is bijna op.
Prins Marko vertelt van wien het Keizerrijk zal zijn.
Vier tabors [28] ontmoetten elkaar op de prachtige vlakte van Kossovo bij de witte kerk van Samodrezja [29]. Een leger werd aangevoerd door koning Voukashin; het tweede door den despoot [30] Ouglesha; het derde door voïvode Goyko en het vierde door tsarevitch Ourosh. De eerste drie betwistten elkaar de erfenis van het rijk en waren gereed elkaar te doorsteken, zoo vurig verlangden zij er allen naar te regeeren. Zij wisten niet, wie aangewezen was als de opvolger van den tsaar en wie dus de rechtmatige erfgenaam van den troon was. Koning Voukashin verklaarde: "Het keizerrijk werd aan mij nagelaten!" Voïvode Goyko riep uit: "Neen! Het keizerrijk behoort mij", en de despoot Ouglesha viel toornig in: "Beiden vergist gij u, want weet, dat het rijk _mij_ toebehoort".
De jeugdige tzarevitch bleef zwijgen, want hij was niet vrijmoedig genoeg om in tegenwoordigheid van zijn hooghartige meerderen in jaren een enkel woord te zeggen.
Koning Voukashin liet door een getrouw dienaar den aartsbisschop Nedelyko van Prizrend naar de vlakte van Kossovo ontbieden om te zeggen, wie de rechtmatige heerscher over het rijk was--want hij moest het weten, daar hij den roemruchten tsaar Doushan den Machtige de laatste biecht had afgenomen en tot zijn laatsten snik bij hem was gebleven. Bovendien wist men, dat de aartsbisschop het archief onder zijn berusting had en dus in staat zou zijn het testament van den keizer te toonen. Ook de despoot liet door zijn vlugsten boodschapper een brief naar den aartsbisschop brengen; een derde werd geschreven door voïvode Goyoko, die de bezorging opdroeg aan zijn specialen koerier en een vierde werd geschreven en verzonden door Ourosh.
Dit geschiedde alles in het geheim, maar de koeriers bereikten gelijktijdig Prizrend en ontmoetten elkaar aan de poorten van Nedelyko's woning. Nedelyko was juist bezig den ochtenddienst in de kathedraal te leiden. De mannen waren woedend over het oponthoud en zonder zelfs van hun paarden te stijgen, stormden zij als razenden het heilige gebouw binnen, hieven hun karwats op en sloegen zelfs den goeden aartsbisschop, terwijl zij hem toevoegden:
"Hoor, o aartsbisschop Nedelyko! Spoed u onmiddellijk naar de vlakte van Kossovo. Gij moet zeggen, wien het rijk toebehoort, want gij hebt de biecht ontvangen van den roemruchten tsaar en hebt hem het laatste sacrament toegediend, en gij zijt het ook, die de registers van den staat onder uw berusting hebt. Haast u, haast u, opdat wij u niet van ongeduld het hoofd van het lichaam scheiden!"
Aartsbisschop Nedelyko weende van smart bij de grievende vernedering en antwoordde aldus: "Scheert u weg, gij dienstknechten van zeer machtige vorsten! Scheert u weg uit het huis Gods! Eerst zal ik den dienst Gods beëindigen, en dan bekend maken in wiens handen het rijk moet komen!"
Daarna gingen de boodschappers naar buiten. Spoedig kwam de aartsbisschop en sprak hen op de volgende wijze toe: "O mijn kinderen, boodschappers van den koning zelf en van de prinsen! Ik ontving de laatste biecht van den doorluchten tsaar en diende hem de sacramenten toe; maar over het keizerrijk of de aangelegenheden van den staat sprak hij geen woord, want wij waren slechts vervuld van de zonden, die hij had bedreven. Gij moet naar de stad Prilip gaan, want daar is het kasteel van den koninklijken Prins Marko--Gij weet, dat Marko van mij lezen en schrijven leerde; later was hij secretaris van den keizer en toen werd hem de zorg toevertrouwd over de registers en hij zal zeker weten, wien de regeering over het keizerrijk is opgedragen. Roept Marko naar de vlakte van Kossovo, opdat hij zegt, wie nu tsaar is. Marko zal de waarheid zeggen, want hij vreest niemand dan God!"
Marko wordt geroepen.
De boodschappers begaven zich dadelijk op weg en sloegen, toen zij te Prilip kwamen, tegen de deuren van het kasteel. Het geklop werd gehoord door Yevrossima en zij sprak aldus tegen haar zoon: "O, Marko, mijn liefste zoon, wie kloppen daar beneden tegen de poorten? Het is mogelijk, dat het boodschappers zijn van uw vader!"
Marko beval de poorten te openen en toen de boodschappers binnen traden, bogen zij met grooten eerbied en zeiden: "Dat God steeds met u zij, o, edele heer Marko!"
De Prins legde vriendelijk zijn hand op hun hoofd en sprak: "Weest welkom, mijn kinderen! Zijn de Servische ridders welvarend? En is alles wel met den doorluchten tsaar en koning?"
De koeriers negen weer onderdanig en zeiden: "O, edele heer, zeer koninklijke Prins Marko. Allen zijn welvarend, ofschoon wij vreezen op geen goeden voet met elkaar! De koning, uw vader, en de prinsen twisten ernstig om het keizerrijk op de vlakte van Kossovo, dat uitgestrekte veld bij de kerk Samodrezja; zij staan elk oogenblik op het punt elkaar met hun zwaarden te doorsteken, want zij weten niet aan wien het keizerrijk rechtens toekomt. Gij, o edele Prins, wordt nu opgeroepen om den erfgenaam van de keizerlijke troon aan te wijzen."
De bard vertelt dan verder, hoe Marko naar Yevrossima ging en haar raad vroeg en ofschoon het algemeen bekend was, dat Marko zelf de waarheid liefhad, smeekte zijn goede moeder hem met de volgende woorden: "O, Marko, eenige zoon van je moeder! Dat op het voedsel, waarmede gij werdt gevoed geen vloek ruste! Spreek geen onwaarheid, noch om je vader aangenaam te zijn, noch om aan de eerzucht van je ooms te voldoen; maar zeg, ik smeek het je, de waarheid voor God, opdat ge uw ziel niet verliest. Het zou beter zijn om te komen, dan te zondigen tegen je ziel!"
Marko nam de verzegelde documenten, besteeg Sharatz en reed naar de vlakte van Kossovo. Toen hij de tent van zijn vader naderde, zag koning Voukashin hem en riep uit:
"O, wat ben ik gelukkig! Hier is mijn zoon Marko; hij zal zeggen, dat het rijk mij werd toegewezen, want natuurlijk weet hij, dat het overgaat van vader op zoon!"
Marko hoorde dit, maar zei geen enkel woord, en wilde zelfs zijn hoofd niet naar de tent des konings wenden.
Toen de despoot Ouglesha Marko zag, sprak hij aldus: "O, hoe gelukkig voor mij! hier is mijn neef Marko; hij zal ongetwijfeld zeggen, dat het rijk mij toebehoort. Wij zouden samen regeeren als broeders!" Nog steeds bleef Marko zwijgen en wendde zijn hoofd zelfs niet in de richting van de tent van zijn oom.
Toen voïvode Goyko zijn komst bemerkte, riep hij uit: "O, dat is een geluk voor mij! Daar is mijn lieve neef Marko; hij zal stellig zeggen, dat het rijk mij werd toevertrouwd. Toen Marko een klein kind was, had ik de gewoonte hem hartelijk te liefkoozen, want ik hield van hem als van een gouden appel en hij was mij altijd zeer dierbaar. Als ik te paard uitreed, nam ik Marko altijd mee. O Marko, beste Marko, gij moet zeggen, dat het rijk mij toekomt! In werkelijkheid zult gij het zijn, die als tsaar regeert en ik zal uw rechterhand zijn, steeds gereed u als uw raadsman terzijde te staan!" Marko zei nog steeds geen woord en zich houdende alsof hij voïvode Goyko geheel niet zag ging hij regelrecht naar de tent, waarin de tsarevitch Ourosh zich bevond en daar steeg hij van zijn Sharatz.
Toen de jonge Ourosh hem zag, sprong hij op van het zijden kussen, waarop hij rustte en riep uit: "Hoera! Ziedaar mijn peetvader Marko! Hij zal ons nu zeggen, wie de ware tsaar is!" Zij omhelsden elkaar, vroegen naar elkaars gezondheid en namen op de rustbank plaats, waarvan Ourosh juist was opgestaan.
Marko vertelt de waarheid.
Eenige tijd verliep; de zon ging onder; de nacht verstreek; de ochtend daagde en de kerkklokken riepen allen op tot het doen van de ochtendgebeden. Na den dienst gingen de koning, de prinsen en de groote heeren naar het kerkhof, waar zij plaats namen aan tafels, suikerwerken aten en cognac dronken. Eindelijk sloeg Marko de oude documenten open en zei overluid:
"O, mijn beste vader, gij koning Voukashin! Zijt gij ontevreden met uw koninkrijk? Dat het in een woestenij verandere, indien gij het zijt. O, dat gij een ander rijk kunt begeeren! En gij, mijn oom, despoot Ouglesha! Zijt gij niet tevreden binnen uw eigen grondgebied? Is het werkelijk te klein voor u, dat gij een rijk begeert, dat aan een ander toebehoort? Dat het uwe ook in een woestenij verandere! En gij, mijn oom, gij voïvode Goyko! Is uw hertogdom niet uitgestrekt genoeg voor u? Moge het ook een woestenij worden! O, dat ook gij streven durft naar een ander tsarenrijk! Ziet gij allen het niet en begrijpt gij het niet? Indien gij het niet ziet, moge dan, God u evenmin zien kan! Het staat duidelijk geschreven in deze registers, dat het keizerrijk aan Ourosh werd nagelaten. Van vader zal het overgaan op zoon. Aan dezen jongeling behoort nu de keizerlijke kroon van zijn voorouders. Het was Ourosh, die door onzen gestorven tsaar op zijn sterfdag tot zijn opvolger benoemd werd!" Toen koning Voukaskin dit vernam, sprong hij op, trok zijn gouden yatagan en zou zijn zoon er mee doorstoken hebben. De Prins vluchtte, achtervolgd door zijn vader, want het paste Marko niet, te vechten met zijn vader, om dien misschien doodelijk te treffen. Marko liep de kerk van Samodreza om; zijn vader zat hem vlak op de hielen, totdat zij driemaal de kerk waren om geweest en toen, op het oogenblik, dat Voukashin zijn zoon zou bereiken, sprak op eens een geheimzinnige stem van uit de kerk deze woorden:
"Snel de kerk binnen o, gij koninklijke Prins Marko! Ziet ge niet, dat gij anders zult omkomen door de hand uws vaders, omdat gij de waarheid, die God zoo liefheeft, hebt gesproken?" Plotseling gingen de deuren van zelf open en Marko ging binnen; daarna sloten zij zich en plaatsten zich tusschen de beide mannen. Koning Youkashin begon heftig op de deuren te slaan met zijn korte zwaard, totdat hij zag, dat er bloed langs de balk begon te druppelen, waarna hij door berouw werd aangegrepen en zuchtte en berouwvol sprak: "Helaas! Ongelukkige man, die ik ben! O gij oneindige en hemelsche God! Hoor mij aan! Ik heb mijn zoon Marko gedood!" Maar de geheimzinnige stem in de kerk zei: "Hoor! Voukashin, gij machtig koning! Hoor, niet uw zoon Marko hebt gij gewond, maar gij hebt den engel van den waarachtigen God gekwetst." Deze woorden wekten des konings woede weer op en hij vloekte Marko met deze woorden: "O, Marko, mijn eenige zoon, dat God u doode! Dat niet het graf uw laatste rustplaats zij! Dat u geen zoon geboren worde, die na u komt! Dat ons geslacht met u eindige! En meer dan dit alles, dat uw ziel niet van uw lichaam scheide, voordat gij den Turk als vasal hebt gediend!"
In deze bittere woorden werd Marko door den koning gevloekt, maar de nieuwe tsaar, Ourosh, zegende hem, zeggende: "O, mijn geliefde peetvader Marko! Dat God u steeds steune! Dat uw woord steeds geëerbiedigd en aangenomen worde door alle rechtvaardige mannen in de divan!" [31]
Prins Marko en de Moorsche Hoofdman.
Een groot en machtig Moorsch hoofdman had aan de kust van de zee een prachtig kasteel laten bouwen, dat twintig verdiepingen hoog was. Toen het geheel gereed was, liet hij de prachtigste ruiten in de ramen zetten; hij behing de kamers en hallen met de kostbaarste zijden en fluweelen stoffen en sprak toen bij zichzelf: "O, mijn Koula! [32] Waarom heb ik u opgericht, want er is niemand dan ik om met zachte schreden over deze zachte tapijten te gaan en door deze vensters naar de blauwe glinsterende zee te zien. Ik heb geen moeder, geen zuster en ik heb nog geen vrouw gevonden. Maar ik zal heen gaan en de dochter van den sultan ten huwelijk vragen. De sultan zal òf zijn dochter aan mij geven òf in een tweegevecht tegenover mij staan." En de daad bij het woord voegende schreef hij een brief aan den Sultan te Istamboel [33] van den volgenden inhoud:
"O, Sire, ik heb een schoon kasteel gebouwd aan de kust van de azuren zee, maar tot nu toe heeft het geen meesteres, want ik heb geen vrouw. Daarom vraag ik u mij uw geliefde dochter te geven. Ik eisch dit zelfs, want als gij mij uw dochter niet geeft, weet dan, dat ge u hebt voor te bereiden op een ontmoeting, waarin we met het zwaard in de hand van aangezicht tot aangezicht tegenover elkaar zullen staan. Tot dezen strijd daag ik u bij dezen uit!"
De brief bereikte den Sultan en zoodra deze hem gelezen had, liet hij onmiddellijk naar iemand uitzien, die de uitdaging in zijn plaats zou willen aannemen. Een ontzaglijke som gelds beloofde hij den ridder, die den Moor in het tweegevecht zou willen ontmoeten. Menig moedig man trok uit, om den Moor te bevechten, maar niet een keerde ooit naar Istamboel terug.
Helaas, de Sultan bevond zich weldra in een zeer neteligen toestand, want al zijn beste strijders hadden hun leven gelaten door de hand van den hooghartigen Moor. Het ergste zou echter nog komen.
De Moor doschte zich op zijn prachtigst uit, gespte zijn bewonderingswaardig zwaard om, zadelde zijn ros Bedevia, waarbij hij de zeven buikriemen bijzonder stevig bevestigde en gaf het een gouden trens. Aan een kant van het zadel hing hij zijn tent, die door zijn zwaarsten knots aan de andere zijde in evenwicht gehouden werd. Hij sprong als een bliksemstraal op zijn strijdros en zijn scherpe lans uitdagend voor zich houdend reed hij recht op Istamboel toe.
Zoodra hij de muren van de vesting bereikte, sloeg hij zijn tent op, stak zijn lans stevig in de aarde, bond zijn Bedevia er aan vast en legde den inwoners dagelijks deze zware belasting op: een schaap, een geheel baksel witte brooden, een vaatje zuivere brandewijn, twee vaten roode wijn en een mooi meisje. Elk meisje verkocht hij voor veel geld in Talia, nadat zij zijn slavin was geweest en hem had gediend. Deze afpersing hield hij drie maanden vol, niemand durfde iets tegen hem te ondernemen. En toch had hij hiermee de maat zijner boosheid nog niet volgemeten.
De intocht van den Moor.
De inwoners van Istamboel stonden op zekeren dag verlamd van schrik, toen de hooghartige Moor, gezeten op zijn vurig ros, de stad binnenkwam. Hij ging naar het paleis en riep luid: "Hoor, Sultan! Voor het laatst vraag ik u: wilt gij mij uw dochter tot vrouw geven?" Toen hij geen antwoord kreeg, beukte hij zoo hevig met zijn knots tegen het paleis, dat het gebroken glas uit de ramen als regen naar beneden stroomde. Toen de Sultan zag, dat de Moor gemakkelijk op deze wijze het paleis zou kunnen verwoesten en zelfs de geheele stad, voelde hij zich diep ongelukkig, want hij wist, dat hem ten slotte geen andere keus zou overblijven dan den Moor zijn eenige dochter te geven. Ofschoon overweldigd van schaamte stemde hij er eindelijk in toe. Voldaan over dit succes vroeg de Moor vijftien dagen uitstel, voordat het huwelijk zou plaats hebben, opdat hij terug zou kunnen gaan naar zijn kasteel en de noodige voorbereidselen treffen.
Toen de dochter van den Sultan van het in wanhoop genomen besluit van haar vader hoorde, gilde zij het uit en diep rampzalig riep zij:
"Helaas! Aanschouw mijn verdriet, o Almachtige Allah! Is dit het gevolg er van, dat men allerwege mijn schoonheid prees? Voor een Moor? Zou het dan mogelijk zijn, dat een Moor een kus zal drukken op mijn gelaat?"
De Droom van de Sultana.
Dien nacht had de Sultana een vreemden droom, waarin haar een man verscheen, zeggende: "In het Servische rijk ligt een uitgestrekte vlakte, Kossovo; in die vlakte ligt een stad Prilip; en in die stad woont de koninklijke Prins Marko, welke overal bekend staat als een oprecht en groot held."
De man sprak verder en gaf de Sultana den raad onverwijld een bode te zenden naar Prins Marko, om hem te verzoeken haar Zoon-in-God te worden, en hem tevens ontzaglijke rijkdommen te beloven. Want hij was zonder twijfel het eenige levende wezen, dat kans had den vreeselijken Moor te overwinnen en haar dochter te redden van haar schandelijk lot. Den volgenden morgen spoedde zij zich naar de vertrekken van den Sultan en vertelde hem haar droom. De Sultan schreef onmiddellijk een firman [34] en zond dien naar Prins Marko te Prilip. Hij smeekte hem zoo spoedig mogelijk naar Istamboel te reizen en de uitdaging van den Moor aan te nemen.
Indien hij er inderdaad in slagen zou de prinses te redden, dan zou de Sultan hem drie tovars [35] ducaten van zuiver goud geven.
Toen Marko de firman gelezen had, zei hij tegen den jeugdigen koerier van den Sultan, welke geboortig was uit Tartarije: "In naam van God, ga terug, gij boodschapper van den Sultan, en groet uw meester--mijn Vader-in-God--zeg hem, dat ik den Moor niet tegemoet durf treden. Wij weten immers allen, dat hij onoverwinnelijk is. Indien hij mijn hoofd doormidden kliefde, wat nut zouden mij dan drie tovars goud, of drie duizend tovars goud doen?"
De jeugdige Tartaar bracht het antwoord van Marko over, dat de Sultana veel verdriet gaf, zoodat zij besloot hem zelf een brief te schrijven, waarin zij hem nog eens smeekte de uitdaging aan te nemen en de belooning verhoogde tot vijf tovars zuiver goud. Maar Marko, die gewoonlijk zoo ridderlijk en hoffelijk tegenover vrouwen was, bleef onverzettelijk en antwoordde, dat hij den strijd tegen den Moor niet aan zou binden, al werden hem al de schatten van den Sultan geschonken; want hij dorst niet.
De Prinses doet een beroep op Marko.
Toen de diepbedroefde bruid hoorde, welk antwoord Marko had gegeven, sprong zij op, nam een pen en een stuk papier, stak de pen in haar blozende wang en schreef met haar eigen bloed het volgende: "Heil u, mijn dierbare broeder-in-God, koninklijke Prins Marko! Wees een waar broeder voor mij! Dat God en de heilige Johannes onze getuigen zijn! Ik smeek u, laat niet toe, dat ik de vrouw van den Moor word! Ik beloof u zeven tovars van zuiver goud, zeven bochtchaluks, die noch geweven, noch gesponnen zijn, maar geborduurd met zuiver goud. Bovendien zal ik u een gouden schotel geven, versierd met een gouden slang, welker opgeheven kop een juweel van onschatbare waarde in den bek heeft, waarvan zulk een schitterend licht uitgaat, dat gij daarbij in het donkerst uur van den nacht even goed zult kunnen zien als op den middag. Hierbij zal ik u ten geschenke geven een schitterend bewerkte sabel; deze sabel heeft drie gevesten, alle van zuiver goud en in elk is een kostbare steen gezet. De sabel alleen is drie steden waard. Ik zal aan dit wapen het zegel van den Sultan hechten, zoodat de Groot-Vizier u nooit ter dood zal kunnen veroordeelen, zonder daartoe eerst het bevel van Zijne Majesteit te hebben ontvangen."
Toen hij dezen brief had gelezen, dacht Marko lang na en schreef: "Helaas! o, mijn geliefde zuster-in-God! Het zou slechts tot mijn ongeluk zijn, als ik kwam om voor u te vechten en tot mijn nog grooter ongeluk, als ik wegbleef. Want ofschoon ik noch den Sultan, noch de Sultana vrees, vrees ik zeer zeker God en den heiligen Johannes, in wier naam gij mij hebt aangeroepen. Daarom besloot ik te komen, al weet ik, dat ik een zekeren dood te gemoet ga."
Marko maakt zich gereed de Prinses te hulp te komen.
Nadat hij den boodschapper van de prinses had weggezonden, zonder hem te zeggen, wat hij besloten was te doen, ging Marko zijn kasteel binnen, sloeg zijn mantel om en zette een muts van wolfsvacht op; daarna gordde hij zijn zwaard om, koos zijn scherpste lans, en ging naar de stallen. Tot meerder zekerheid maakte hij eigenhandig de zeven buikriemen onder het zadel van zijn Sharatz vast; daarna bevestigde hij een lederen flesch aan een zijde van zijn zadel en hing zijn zwaarste strijdknots aan den anderen kant. Nu was hij gereed; hij wierp zich op Sharatz en reed naar Istamboel.
Toen hij de plaats van zijn bestemming bereikt had, ging hij niet zijn opwachting maken, noch bij den Sultan, noch bij den Groot-Vizier, maar nam kalm zijn intrek in een nieuw logement. Dienzelfden avond, kort na zonsondergang, leidde hij zijn paard naar een meer om het te drenken. Tot verbazing van zijn meester wilde Sharatz echter zelfs niets van het water proeven, maar hield zijn kop eerst naar rechts dan naar links, totdat Marko de nadering bemerkte van een Turksch meisje, bedekt met een langen, met goud geborduurden sluier.
Toen zij den rand van het water bereikte, boog zij diep naar het meer, en zei overluid: "God zegene u, o schoon, groen meer! God zegene u, want gij zult voor altijd mijn tehuis zijn! In uw boezem zal ik voortaan wonen; nu moet ik sterven, o schoon meer; liever kies ik zulk een lot dan de bruid te worden van den wreeden Moor!"
Marko groet de Prinses.
Marko trad op het meisje toe en sprak haar aldus aan: "O gij ongelukkig Turksch meisje! In welke moeilijkheden bevindt ge u? Wat is het, dat u besluiten deed u zelf te verdrinken?"
Zij antwoordde: "Laat mij met vrede, leelijke dervish, [36] waarom vraagt gij mij, als gij mij toch niet kunt helpen?"