Heldensagen en Legenden van de Serviërs

Chapter 6

Chapter 63,830 wordsPublic domain

De vader maakt weer eerbiedig een kruis, steekt de kaars aan en doet wat wierook op de asch. Intusschen hebben de overige familieleden zich al in een halven kring opgesteld, waarbij de mannen rechts en de vrouwen links staan. Nu gaat de vader overluid gebeden opzeggen en loopt van het eene einde van den halven kring naar het andere; voor ieder staat hij een korte poos stil, opdat de damp van den rookenden wierook in het wierookvat, dat hij in zijn rechterhand houdt, ieder op zijn beurt in het gelaat komt. De gebeden, die zij bij deze gelegenheid opzeggen, duren ongeveer vijftien of twintig minuten en verschillen in bijna elk district. Na vijftien gebeden nemen zij allen plaats voor het avondeten, dat niet neergezet is op een tafel, maar op den grond. Want het wordt als een goede orthodoxe gewoonte beschouwd om op den avond voor Kerstmis zakken over den steenen of leemen vloer te leggen en kussens in plaats van stoelen te gebruiken. Gedurende het avondeten, waarbij geen vleesch wordt gebruikt, drinkt de huisvader met geestdrift heildronken op de Badgnak, daarbij gelijktijdig zijn wenschen uitsprekende voor hun aller voorspoed in het nieuwe jaar. Hij giet ook een glas wijn over de uitstekende einden van het blok. In verscheidene deelen van Servië vasten al de boeren--mannen, vrouwen, zelfs kleine kinderen--de vijf en veertig dagen voor Kerstmis; zij onthouden zich van vleesch, eieren en melkspijs en eten eenvoudig groenten en vruchten.

Als het avondeten voorbij is, gaat de geheele familie naar bed, behalve een der jonge mannen, die bij het vuur blijft, om toe te zien, dat de Badgnak niet geheel verbrandt en het vuur niet uitdooft.

Kerstdag.

Algemeen neemt men aan, dat de plechtigheden en gebruiken bij dit kerkelijke feest, dat wij Serviërs in onze eigen taal Bojitch noemen, wat "de kleine God" beteekent, niets anders zijn dan min of meer gewijzigde vormen van aanbidding van den heidenschen god Dabog (of Daybog), dien wij al genoemd hebben.

Onze heidensche voorouders waren gewoon een varken aan hun zonnegod te offeren en in onzen tijd is er geen enkel huis in geheel Servië, waar met Kerstmis niet als een van zelfsprekend feit, gebraden varkensvleesch wordt opgediend. De mannen en jongens van het gezin staan op dien dag heel vroeg op, om een groot vuur op het erf aan te leggen en een speenvarken aan een spit te braden, waarvoor alle voorbereidselen op Badgni dan gemaakt zijn. Op het oogenblik, dat men het kleine varken boven het vuur houdt, wordt er om het te begroeten, heftig met pistolen of geweren geschoten. Daar schot na schot valt, is het duidelijk, dat het geheele dorp in beweging is. Want bijna al de gezinnen in het dorp houden deze gewoonte in eere en elke jongeman beschouwt het als zijn natuurlijke plicht een pistool af te schieten, zoodat de naburige heuvelen telkens weergalmen, alsof er een aanhoudende schermutseling plaats heeft. Nog vroeg in den morgen gaat een der meisjes naar den gemeenschappelijken put om drinkwater te halen, en als zij den put bereikt, brengt zij hem haar groet, wenscht hem een gelukkigen Kerstmis en werpt er gelijktijdig een handvol koren en een bosje of soms alleen een takje bazielkruid in. Het koren wordt geofferd in de hoop, dat de oogst even overvloedig moge zijn als het water, en van het bazielkruid verwacht men, dat het het water altijd helder en zuiver houdt. De eerste beker water, dien zij ophaalt, wordt gebruikt voor het maken van een koek (_Thesnitza),_ die aan den middagmaaltijd in evenveel stukjes wordt gebroken, als het gezin leden telt. Een zilveren geldstuk wordt in het deeg gedaan en hij of zij, die het vindt, wordt beschouwd als een lieveling van het geluk in het komende jaar.

Gedurende den morgen verwacht elk huis een bezoeker (polaznik), die gewoonlijk een jonge knaap is uit een naburig huis. Als de polaznik het huis binnen gaat, breekt hij een klein takje van het einde der smeulende Badgnak, terwijl hij het hoofd van het gezin begroet met de woorden: "Christus is geboren!" en al de anderen antwoorden hem met den kreet "waarlijk, Hij is geboren." De moeder werpt een handvol tarwe naar hem toe. Dan nadert hij den haard en slaat herhaaldelijk op de Badgnak met het takje, dat hij afgebroken heeft, zoodat duizenden vonken den schoorsteen in vliegen, daarbij spreekt hij zijn heilwenschen uit: "Moge de Heilige Kerstmis dit huis even veel schapen, even veel koeken, even veel bijenkorven (en zoo voort) geven, als er vonken in dit vuur zijn!" Dan legt hij op de Badgnak, hetzij een zilveren, hetzij een gouden geldstuk, dat het hoofd van het gezin behoudt om den smid te geven teneinde het door het ijzer te smelten als zijn nieuwe ploeg wordt gemaakt, want, naar hij meent, is dit een onfeilbaar middel om den grond vruchtbaarder te maken en van tegenspoed bevrijd te blijven. De polaznik wordt natuurlijk uitgenoodigd te blijven en deel te nemen aan den maaltijd en daarna wordt hem een koek voorgezet, die ook een geldstuk bevat, soms van goud, soms van zilver.

Na den maaltijd gaan al de jongelieden naar buiten om de een of andere sport te beoefenen, meestal sledevaren, terwijl de ouderen zich verzamelen rondom een gooslar (een nationalen zanger) en veel, ja eindeloos vermaak scheppen in het luisteren naar zijn voordracht van hun oude balladen.

De Dodola, een godsdienstige plechtigheid.

De onheilen, die de Servische boeren het meest vreezen, zijn van tweeerlei aard--droogte en zeer hevige stormen. In de heidensche tijden was er een godin, die, naar men geloofde, heerschappij had over de wateren en den regen. Toen de Serviërs tot het christendom bekeerd waren, kenden zij de macht om den oceaan, rivieren en stormen te bedwingen aan St. Nicolaas toe; en de Dalmatiërs, zeevarende lieden, bidden nog altijd alleen tot hem; terwijl men in het hartje van Servië, waar de boeren geen begrip hebben van wat groote schepen, en nog minder van wat zeeën en meren zijn, zijn toevlucht neemt tot de geliefde godin Doda of Dodola, telkens als er een overmatig lange droogte heerscht.

De Dodola is een zeer bijzondere godsdienstige plechtigheid. Gewoonlijk wordt een Zigeunermeisje ontkleed en dan dicht omwikkeld met gras en bloemen, zoodat zij er bijna geheel onder verborgen is. Zij draagt een wijden krans van wilgentakken, doorweven met wilde bloemen om haar middel en heupen en in dit fantastisch gewaad moet zij in het dorp dansende van huis tot huis gaan, terwijl elke huisvrouw een emmer water over haar uitstort en degenen, die haar vergezellen een lied zingen, dat tot refrein heeft: Oy Dodo, oy Dodole.

Val, o regen! en lieflijke dauw! Oy, Dodo! Oy Dodole! Verfrisch onze weiden en akkers! Oy, Dodo! Oy Dodole!

In elken volgenden regel wordt telkens voor een andere graansoort of een andere plant aan Doda gesmeekt er spoedig regen op te doen vallen. Dan geven de vrouwen van de kleine hoeven haar geschenken, hetzij voedsel of geld; en de meisjes zingen andere liederen voor haar, altijd in hetzelfde rhytme, bedanken, bieden haar goede wenschen aan en vertrekken.

De Pinksterdagen.

Gedurende de Pinksterfeesten gaan ongeveer vijftien meisjes, meestal Christen-Zigeunerinnen, van wie een de Banierdraagster, een andere de koning en weer een andere de koningin (kralyitza) voorstelt, gesluierd en begeleid door een groot aantal eerejonkvrouwen van deur tot deur zingende en dansende het geheele dorp door. Haar liederen hebben betrekking op het huwelijk, de keuze van een man of vrouw, het geluk van het huwelijksleven, de zegen van het bezit van kinderen. Op elk vers van haar liederen volgt het refrein, Lado, oy, Lado-leh!, wat waarschijnlijk de naam is van de oude Slavonische God der Liefde.

Palmzondag.

In den winter, juist voor den vastentijd, wordt het groote feest ter eere van den Dood gevierd, waarbij allen plechtig hun gestorven bloedverwanten en vrienden herdenken en zoodra komt niet Palmzondag, of allen vereenigen zich in de viering van het nieuwe leven.

Den voorafgaanden Zaterdag verzamelen de meisjes zich op een heuvel en dragen verzen voor over de Opstanding van Lazarus en op Zondag, voor zonsopgang, komen zij op de plaats samen, waar zij water putten en dan voeren ze haar landelijke dansen (kollo) uit, terwijl zij daarbij een lied zingen waarin o.a. wordt meegedeeld, dat het water dof wordt door het gewei van een damhert en helder door zijn oog [25].

St. George's Dag.

Met St. George's Dag, 23 April (Dyourdyev Dan), lang voordat de dag aanbreekt, staan al de leden van een Servisch gezin op en nemen een bad in het water, waarin den vorigen dag voor zonsondergang een aantal grassen en bloemen zijn geworpen--waarvan elk zijn bijzondere beteekenis heeft. Van hem, die niet tijdig opstaat en door de zon in bed wordt verrast, wordt gezegd, dat hij in ongenade is gevallen bij St. George en dientengevolge maar weinig of geen geluk zat hebben, bij al wat hij in de eerstvolgende maanden onderneemt.

Men ziet in deze plechtigheid een bewijs, dat de Servische boeren daarmee hun onafhankelijkheid van de verschillende invloeden der opnieuw ontwakende natuur verzinnelijken.

Ieder, die hun volksgewoonten bestudeert, zal opmerken, dat elk jaargetijde op zijn beurt de Serviërs noopt, wat bij een eenvoudig primitief volk ook zeer begrijpelijk is, om ceremoniën in acht te nemen, die wijzen op de geheimzinnige betrekking, waarin de mensch tot de natuur staat.

HOOFDSTUK III. SERVISCHE NATIONALE EPISCHE POËZIE.

De belangrijkheid van de balladen.

Dat het Servische volk--als Slavische en christelijke nationaliteit--niet geheel bezweek onder den Ottomaanschen onderdrukker en dat de zuidelijke Slaven na bijna vijf eeuwen van onderwerping aan den Turk nog een diep besef behouden hadden van hun nationale idealen, is voornamelijk te danken aan de Servische nationale poëzie, die in het hart der Balkan-Christenen een diepen haat tegen den Turk levendig heeft gehouden en onder de onderdrukte Serviërs de herinnering levendig hield aan gemeenschappelijk ondernomen pogingen van verzet, welke de nederlaag van den Turk op de slagvelden van Koumanovo, Monastir, Prilip, Prizrend, Kirk-Kilisse en Scoetari ten gevolge had.

Wie heeft deze gedichten geschreven? Wij zouden even goed kunnen vragen, wie is de schrijver van den Ilias en de Odyssee?

Indien Homerus het collectieve pseudoniem is voor een geheele reeks van Helleensche nationale dichters, dan is "het Servische volk" dat van de nationale dichters, die Servische epische gedichten door de eeuwen heen zongen en voor wie het onverschillig was, of hun naam aan hun schepping verbonden werd. De taak van de geleerde Diascevastes uit de eeuw van Pisistratus, welke zij met zooveel bekwaamheid vervulden in het oude Hellas, is in Servië in het begin der negentiende eeuw ondernomen door een boer, die zich zelf had gevormd, den beroemden Vouk Stephanovitch-Karadgitch.

De eerste verzameling van Servische nationale gedichten, die hij neerschreef, zooals hij ze opving van de lippen der gousslari (Servische nationale barden) werd voor het eerst in 1814 te Weenen uitgegeven en niet alleen gretig gelezen in Servië en in de letterkundige kringen van Oostenrijk en Duitschland, maar ook in andere deelen van Europa. Goethe zelf vertaalde een der balladen en zijn voorbeeld werd weldra gevolgd door anderen.

Deze gedichten--gelijk ook uit de voorbeelden in dit boek blijkt--blijven stilstaan bij den roem van het middeleeuwsche Servische rijk, die verloren ging op het noodlottige slagveld van Kossovo (1389).

Toen de Turken de Servische landen onderwierpen en de bloem der Servische aristocratie verdreef, vonden deze mannen een toevlucht in de kloosters en dorpen, waar de Turksche ruiterij nooit kwam. Daar konden zij gedurende eeuwen ongestoord blijven, bezield door de welsprekendheid der Servische monniken, die het als hun plicht beschouwden voor het volk achter hun oude muren de herinnering te bewaren aan oude koningen en tzaren en aan het roemrijk verleden, waarin zij op het toppunt van hun macht stonden.

Beroepsbarden trokken van het eene dorp naar het andere, in eenvoudige, tienlettergrepige verzen de daden bezingend van Servische helden en Haïdooks (roofridders), de eenigen, die nog weerstand boden aan de Turksche wreedheden. De barden brachten nieuws rond van politieke en andere belangrijke gebeurtenissen, dikwijls meer of minder misvormd, en de begaafde Serviërs--want begaafd waren zij en zijn zij nog--vonden het niet moeilijk zich het verhaalde later te herinneren en aan anderen de geschiedenis weer over te brengen, die hun in dichterlijken vorm was meegedeeld. Daar het rhytme van de gedichten gemakkelijk is, en de nationale balladen doortrokken waren van den geest, die elken waren Serviër bezielt, gebeurt het niet zelden, dat een boer, die eens een gedicht heeft gehoord, niet alleen dat kan herhalen, zooals hij het gehoord heeft, maar ook passages improviseert, ja, hij kan soms zelfs geheel oorspronkelijke balladen samenstellen.

In Servisch Hongarije zijn scholen, waar de blinden deze nationale balladen leeren en van de eene jaarmarkt naar de andere trekken, om ze voor te dragen voor de boeren, die daar uit verschillende Servische landen samenkomen. Maar dit is niet de ware methode. In de bergen van Servië, Montenegro, Bosnië en Herzegovina bestaat er geen gelegenheid ze werktuigelijk te leeren; zij zijn aan allen van kindsbeen af bekend. Indien in den winteravond de leden van een Servische familie rondom het vuur zijn verzameld en de vrouwen spinnen, dan worden er gedichten opgezegd door hen, die ze het best kennen.

De Goussle.

De balladen worden onveranderd opgezegd onder begeleiding van een primitief instrument met één snaar, een _goussle_ genaamd, dat in bijna elke woning wordt aangetroffen. De populaire Servische dichter Peter Petrovitch liet ons in zijn meesterwerk _Gorsky Viyenatz_ ("De Bergkrans") de volgende regels na, die een spreekwoordelijke bekendheid hebben gekregen.

Dye se goussle u kutyi ne tchuyu Tu su mrtva i kutya i lyoudi.

(Het huis, waarin de goussle niet wordt gehoord, Is dood, en eveneens de menschen, die er wonen.)

De oude mannen met volwassen zonen, die geen harden arbeid behoeven te doen, zeggen de verzen voor hun kleinkinderen op, welke behagen scheppen in de rhythmische poëzie, waaruit zij kennis putten van het verleden. Zelfs de abten van de kloosters achten het niet beneden zich deze balladen voor te dragen en hun zang te begeleiden met de eentonige klanken van de goussle. Maar de uitvoering draagt meer het karakter van een voordracht dan van een lied. De snaar wordt slechts aan het eind van elk vers even geraakt. In enkele deelen van Servië echter wordt op elke lettergreep den nadruk gelegd door een streek met den strijkstok te doen en de laatste lettergreep wordt wat uitgehaald.

Deze epische tienlettergrepige versregels bestaan altijd uit vijf trochaeën; steeds met een rust na den tweeden voet; en bijna elke regel is op zich zelf een volledige zin.

Er is nauwelijks een herberg of wijnhuis in eenig Servisch dorp, waar boeren te zamen komen zonder een goussle-speler, om wien zij zich vereenigen en naar wiens voordrachten zij met genot luisteren. Bij de feesten in de omgeving der kloosters, waar de boeren in grooten getale samenkomen, dragen beroepsgousslars heldenzangen voor en doen daarbij in sommige passages hun gevoel zoo krachtig spreken, dat er ternauwernood een toehoorder is, wiens wangen niet rijkelijk bedauwd zijn van tranen. De muziek is buitengewoon eenvoudig, maar de eenvoud er van vormt een machtig en indrukwekkend contrast met den overvloed van romantiek, die uit de heldendaden van den een of anderen lievelingsheld spreekt--van den koninklijke Prins Marko bijvoorbeeld.

Er zijn vele stoute overdrijvingen in deze nationale liederen en het is niet te verwonderen, dat zij door Westersche critici onderschat werden, wat vooral het geval was met de balladen, waarin de heldendaden van den geliefden Marko bezongen worden--die "zijn zwaren staf omhoog werpt, zoo hoog, dat hij de wolken raakt, en weer opvangt in zijn rechterhand, zonder van zijn trouw strijdros Sharatz af te stijgen".

Het kan zijn, dat de lezer nu en dan op een passage stuit, die hem wat ruw toeschijnt, maar hij moet bedenken, dat de balladen gewoonlijk door eenvoudige, ongeletterde boeren van geslacht tot geslacht werden overgedragen. De meeste van die, welke de daden van den koninklijken Prins Marko tot onderwerp hebben, dateeren uit het begin der veertiende eeuw, toen de gewoonten, zelfs in Westelijk Europa nog al afweken van die, welke nu heerschen. Mijn vertalingen zijn echter zorgvuldig herzien door mevrouw C. H. Farnam, die groote belangstelling voor het werk koesterde en beproefd heeft het oorspronkelijke tot zijn recht te laten komen, ook daar, waar het ons wat ruw voorkomt. Nadat zij eenigen tijd in Servië had doorgebracht--zooals vele edele Engelsche vrouwen gedaan hebben--de gewonde helden van den Balkan-oorlog verplegende en hun pijnen met onuitsprekelijke teederheid en toewijding verzachtende, voelde zij zich aangetrokken tot het natuurlijke, aangeboren gevoel van eerlijkheid en tot den moed, die haar beschaafden geest in deze eenvoudige Serviërs opviel en sedert strekte zich haar belangstelling ook uit tot hun geschiedenis en letterkunde. Het is opmerkenswaard, dat de geschiedenis van de Servische en andere Zuid-slavische volken, ontwikkeld als ze is door hun poëzie--zoo al niet er geheel door vervangen--daardoor nationaal eigendom is geworden, en zóó in de herinnering van het geheele volk voortleeft, dat een reiziger uit het Westen verbaasd moet zijn, als hij zelfs den meest onwetenden Servische boer hoort vertellen van de oude koningen en tsaren, van de roemrijke dynastie van Nemagnitch en van de daden der nationale helden uit alle tijdperken.

HOOFDSTUK IV. KRALYEVITCH MARKO; OF DE KONINKLIJKE PRINS MARKO.

De Marko Legenden.

Marko was, zooals wij reeds gezien hebben, de zoon van koning Voukashin; zijn moeder was koningin Helene, die de Servische troubadours in hun liederen en gedichten den liefelijken, dichterlijken naam Yevrossima (Euphrosyne) gaven.

Volgens de overlevering was de prins geboren in het kasteel van Skadar (Scoetari) en zijn moeder, die de zuster was van den meest roemruchten en vermetelen aller ridders, Momtchilo, droeg op haar zoon gelukkig veel van diens heldenmoed en veel van zijn andere deugden over.

Maar er is ook een andere legende, die even populair is, en daarin wordt beweerd, dat Marko het kind was van een veela (feeën-koningin) en van een Zmay (een draak). Zij, die hem deze laatstgenoemde afkomst toeschrijven, verklaren daaruit Marko's geweldige kracht, die hij dan van zijn vader, den draak, geërfd moet hebben; eveneens wordt daarmee zijn fabelachtig uithoudingsvermogen aannemelijk gemaakt.

In elk geval moet Prins Marko een buitengewoon aantrekkelijke persoonlijkheid geweest zijn; hij maakte zulk een levendigen indruk op het gemoed van het Servische volk van allen rang en stand, dat hij altijd geweest is, tot heden kon blijven en vermoedelijk ook in de toekomst wel blijven zal onze meest geliefde held. Ja, er is geen Serviër te vinden, zelfs niet in de verst verwijderde districten, die geen groote liefde koestert voor Kralyevitch Marko en die u zijn geschiedenis niet kan vertellen.

De heldendaden van dezen dapperen prins zijn gelukkig vereeuwigd door de nationale barden, die zich allen beijveren hem in hun balladen en legenden te beschrijven als een, die het recht lief had en alle onderdrukking haatte en de wreker was van alle onrecht. Hij wordt zonder uitzondering voorgesteld als iemand van groote lichamelijke kracht; zijn voornaamste wapen was zijn zware oorlogsknuppel, die honderd pond woog, zestig pond staal en dertig pond zilver, het overige was zuiver goud. Hierbij heeft men te bedenken, dat de zwaarden en knuppels, die slechts door de menschelijke handen van zijn tegenstanders worden gezwaaid, hem nooit kunnen dooden, zij kwetsen hem evenmin, en kunnen dezen held ternauwernood raken. Hij is in haast alle legenden een bovennatuurlijke persoonlijkheid.

Marko, die zich dikwijls ruw en overijld gedroeg, in het bijzonder tegenover de Turken, wiens sultan hij zelfs geweldig ontstelde met de verhalen, die hij hem deed van zijn vele bloeddorstige en oorlogzuchtige daden, is toch overal, waar daar melding van gemaakt wordt, een zeer gehoorzame, liefhebbende en teergevoelige zoon voor zijn moeder; en er waren gelegenheden, waarbij hij haar raadpleegde en haar raad opvolgde.

Prins Marko was onbevreesd.

Er werd gezegd, dat hij niemand vreesde dan God; en van nature was hij een hoffelijk man jegens vrouwen. In Servië is het de gewoonte veel wijn te drinken, dien rooden wijn, waarvan wij zoo dikwijls hooren; en deze gewoonte hield ook Marko in eere; maar er wordt altijd gezegd, en algemeen geloofd, dat hij nooit dronken werd.

De balladen bezingen ook koning Voukashin; Voukashin was gedurende de regeering van Doushan den Machtige Staatsraad geweest. De hoofdstad van het rijk was Prizrend en Marko werd toen door zijn vader aan het hof grootgebracht. Algemeen wordt verondersteld, dat Marko eenigen tijd later den Keizer als secretaris en staatsraad bijstond en door Doushan, toen deze zijn einde voelde naderen, met de zorg over zijn jongen zoon Ourosh werd belast.

De trouweloosheid van Voukashin.

Een ballade verhaalt, dat keizer Doushan de kroon had vermaakt aan Voukashin en bij zijn laatsten wil had bepaald, dat die vorst gedurende zeven jaar zou regeeren, doch dat hij na verloop van dien tijd de regeering zou overdragen aan den tsarevitsch Ourosh. Niet alleen verlengde koning Voukashin eigenmachtig zijn regeering tot zestien jaar, maar ook toen weigerde hij beslist den schepter neer te leggen en wat meer zegt: hij riep zich zelf tot Tsaar uit. De ballade beschrijft verder de onophoudelijke binnenlandsche beroeringen, die den val van den Servischen Middeleeuwschen Staat verhaastten. En zoo komt zelfs in de legende de rechtmatige toorn van het volk tegen de rebellen tot uiting en een jammerklacht over den ondergang van het tsarenrijk, wanneer door de overlevering op Voukashin de blaam en den vloek geworpen wordt van een overweldiger en verrader; hij wordt verfoeid om zijn listigheid en trouweloosheid, terwijl zijn zoon Marko als de getrouwe verdediger van Prins Ourosh, verheerlijkt wordt. Deze is de groote wreker van het onrecht, waaronder de geheele natie gebukt gaat en men prijst hem steeds om zijn goed hart, zijn verdraagzaamheid in politieke en particuliere aangelegenheden, zijn menschelijkheid en bovenal, omdat hij steeds bereid was den strijd aan te binden voor de zaak van het recht.

Het paard Sharatz.

Aan de geschiedenis van Marko dient vooraf te gaan een beschrijving van Sharatz, zijn zeer geliefd, gevlekt strijdros, waarvan hij nooit scheidde.

Sharatz is zonder twijfel ongeëvenaard. Er zijn verschillende lezingen van de gebeurtenis, waarbij Marko in het bezit van hem kwam. Eenige barden verzekeren, dat Sharatz aan Marko werd gegeven door dezelfde veela, die hem van het begin af begiftigd had met zijn wonderbaarlijke kracht; maar er zijn anderen, die beweren, dat Marko eens een veulen kocht, dat aan melaatschheid leed, en dat door den Prins zelf verpleegd werd, zoodat het geheel genas. Hij leerde het wijn drinken en kweekte het op tot het prachtige dier, dat het werd.

Weer anderen zeggen, dat Marko in zijn jeugd drie jaar lang een heer diende en dat hij als eenige belooning verzocht een keus te mogen doen uit de paarden, die toen in de weide graasden. Zijn heer stemde er volgaarne in toe en Marko onderzocht, zooals zijn gewoonte was, elk paard op zijn beurt door het bij den staart te nemen en rond te draaien.

Eindelijk, toen hij bij een bont veulen kwam, greep hij het bij den staart; maar dit dier was niet in beweging te brengen en Marko kon het ondanks zijn grenzelooze kracht geen stap van zijn plaats krijgen. Marko koos dat veulen en het groeide op tot zijn geliefde Sharatz.