Heldensagen en Legenden van de Serviërs

Chapter 29

Chapter 293,921 wordsPublic domain

"Het is werkelijk een groot ongeluk!" antwoordde de boer. "De menschen zeggen, dat onze voorouders van hun voorvaders gehoord hebben, dat, toen Onze Lieve Heer op deze aarde rondwandelde, de heilige Petrus Hem vergezelde en op zijn rug een zak vol zand droeg. Nu en dan moet Onze Lieve Heer een zandkorrel genomen en neergeworpen hebben om een berg te maken, waarbij hij telkens zei: 'Dat deze korrel zich vermenigvuldige!' Toen zij hier aankwamen, barstte de zak van Petrus en de helft van den inhoud werd om dit dorp uitgestrooid".

Waarom het Servische volk arm is.

De volkeren der wereld ontmoetten elkaar eens op het midden van de aarde, om de goede dingen van het leven onder elkaar te verdeelen. Eerst overlegden zij, hoe zij het zouden aanleggen. Eenigen raadden aan er om te loten, maar de Christenen, die wel wisten, dat zij als de verstandigsten in staat zouden zijn de meest gewenschte gaven te verkrijgen en die dus allerminst verlangden dit door het lot uitgemaakt te zien, sloegen voor (en het denkbeeld werd dadelijk door allen aanvaard) dat ieder om de beurt iets goeds zou wenschen en dit dan ook zou worden gegeven. De mannen van Italië mochten het eerst kiezen en zij verlangden wijsheid. De Britten zeiden: "Wij willen de zee hebben." De Turken: "En wij willen akkers hebben." De Russen: "Wij willen bosschen en mijnen hebben". De Franschen: "En wij willen geld en oorlog hebben". En wat wilt gij Serviërs? "Wachten, totdat wij tot een besluit zijn gekomen!" antwoordden de Serviërs. En zij zijn het nog altijd niet met elkaar eens over het antwoord!

De zigeuners en de edelman.

Een heel rijk en machtig edelman reed eens zijn uitgestrekte bezittingen rond. Van verre zagen vier Tziganen [88] dat hij alleen was. Zij sloegen een begeerig oog op de mooie paarden voor zijn rijtuig en namen zich voor er hem van te berooven. Toen het rijtuig naderde, snelden zij er heen, namen eerbiedig hun muts af, knielden voor hem neer en een hunner begon te spreken: "O hoe gelukkig zijn wij een gelegenheid te hebben U, zeer genadig heer, onze diepe dankbaarheid te betoonen voor de edele daden en de vele giften, waarmede uw gestorven en edelmoedige vader ons overstelpt heeft! Sta ons, daar wij geen geschenken van waarde bij ons hebben, toe, dat wij ons voor uw rijtuig spannen en u naar huis trekken". De hooghartige edelman, trotsch op de goede daden van zijn vader, stemde er gaarne in toe zich dezen ongewonen vorm van hoffelijkheid te laten welgevallen. Twee zigeuners spanden daarop de paarden uit, gingen zelf voor het rijtuig loopen en trokken het een eind. Maar eensklaps sneden zij zich los en liepen hard terug naar de andere schavuiten, die zich al met de paarden uit de voeten hadden gemaakt.

Waarom de priester verdronk.

Eenige boeren en een priester gingen eens een rivier over. Plotseling kwam er storm op en de boot kantelde. Allen waren goede zwemmers behalve de arme priester, en toen de boeren hun boot bereikt en die weer recht in het water hadden geplaatst, wat hun heel spoedig gelukte, zagen zij, dat de priester nog in de golven worstelde. Zij riepen hem toe hun de hand te reiken, opdat zij hem konden redden, maar hij aarzelde en verdronk. De boeren gingen het droevig nieuws aan zijn weduwe vertellen, die, toen zij het hoorde, uitriep: "Hoe jammer! Maar indien gij _uw_ hand hadt uitgestoken, dan zou hij die zeker hebben gegrepen en dan zou zijn kostbaar leven gespaard zijn gebleven--want het was zijn gewoonte altijd te ontvangen en nooit iets te _geven!_"

De Era [89] van de andere wereld.

Een Turk en zijn vrouw rustten in de schaduw van een boom. De Turk ging naar de rivier om zijn paard water te geven en zijn vrouw bleef zijn terugkomst afwachten. Juist op dat oogenblik kwam een Era voorbij en groette de Turksche vrouw: "Allah helpe u, edele vrouwe!"

"Dat God u helpe," antwoordde zij; "vanwaar komt gij?" "Ik kom van de Andere Wereld, edele vrouw." "Indien gij in de Andere Wereld zijt geweest, hebt gij dan misschien mijn zoon Mouyo gezien, die eenige maanden geleden is gestorven?" "O, natuurlijk heb ik hem gezien; hij is mijn naaste buurman." "Dat maakt mij werkelijk gelukkig! Hoe maakt hij het?" "Het gaat hem goed, God zij geprezen! Maar hij zou wat meer tabak kunnen gebruiken, en wat meer zakgeld om zwarte koffie te betalen." "Gaat gij weer terug? Ja? Zoudt gij dan zoo goed willen zijn hem deze beurs te overhandigen met de groeten van zijn ouders?" De Era nam het geld, en verzekerde, dat hij zeer verheugd was zulk een aangename verrassing aan den jongeman te kunnen bereiden en hij maakte, dat hij weg kwam. Weldra keerde de Turk terug en zijn vrouw vertelde hem, wat er was gebeurd. Hij begreep dadelijk, dat zij beet genomen was, en zonder zich den tijd te gunnen om haar verwijten te maken, steeg hij te paard en galoppeerde den Era na, die, toen hij bemerkte, dat hij vervolgd werd, dadelijk vermoedde, dat de ruiter de echtgenoot van de lichtgeloovige vrouw moest zijn, en zich zoo veel haastte, als hij maar kon, om weg te komen. Dicht in de buurt stond een molen; de Era stormde er binnen en sprak den molenaar aldus aan: "Om Godswil, broeder, vlucht! Ginds komt een Turksch ruiter met getrokken zwaard aan; hij zal u dooden. Ik heb het hem hooren zeggen en ik kom hard hierheen loopen om u bijtijds te waarschuwen." De molenaar had geen tijd om naar bijzonderheden te vragen; hij wist, hoe wreed de Turken waren, en zonder een woord te verspillen, rende hij den molen uit en vluchtte naar de naburige rotsen.

Intusschen zette de Era den hoed van den molenaar op zijn eigen hoofd en strooide overvloedig meel over zijn kleeren, zoodat hij er als een molenaar uitzag. Nauwelijks was dit gedaan, of de Turk kwam. Hij steeg van zijn paard en haastig vroeg hij den Era, waar hij den dief verborgen had. De Era wees onverschillig naar den vluchtenden molenaar op de rots, waarop de Turk hem verzocht op zijn paard te willen passen, terwijl hij den oplichter zou gaan grijpen. Toen de Turk een goed eind den heuvel op was, borstelde onze Era zijn kleeren af, steeg vlug te paard en galoppeerde weg. De Turk greep den echten molenaar en vroeg: "Waar is het geld, dat gij van mijn vrouw hebt afgenomen, jij oplichter?" De arme molenaar maakte het teeken des kruises [90] en zei: "God beware me! Ik heb uw edele vrouw nooit gezien, nog veel minder heb ik ooit geld aan haar ontnomen."

Na ongeveer een half uur gepraat was de Turk overtuigd van de onschuld van den molenaar en hij keerde terug naar de plaats, waar hij zijn paard had achtergelaten. Maar zie! Er was niets van een paard te bespeuren! Hij wandelde treurig terug naar zijn vrouw en toen zij zag, dat haar echtgenoot geen paard had, vroeg zij verbaasd: "Waar ben je geweest, en wat is er van je paard geworden?" De Turk antwoordde: "Jij hebt geld naar je lieven zoon gezonden, daarom dacht ik, dat het goed was hem het paard er bij te zenden, opdat hij in de andere wereld niet te voet behoeft te gaan!"

Ieder moet een ambacht verstaan.

Een koning ging eens varen in zijn weelderig ingericht pleizierjacht, vergezeld van de koningin en een dochter. Zij hadden zich nog maar even van de kust verwijderd, toen een krachtige wind de galei ver de zee indreef, waar ze eindelijk tegen een kale rots stiet. Gelukkig was er een klein bootje bij het jacht en de koning wist er zijn vrouw en dochter mee te redden. Na geruimen tijd heen en weer geslingerd te zijn, lachte het geluk de schipbreukelingen weer toe; zij begonnen vogels en drijvende bladeren te zien, wat aantoonde dat zij land naderden. En weldra kregen zij de kust in het gezicht; daar de zee nu kalm was, waren zij instaat zonder verdere avonturen te landen. De koning kende, echter geen ambacht, en hij had ook geen geld bij zich. Hij was dus genoodzaakt zijn diensten als schaapherder aan te bieden aan een rijken grondbezitter, die hem een hut gaf en een kudde schapen om voor te zorgen.

In deze idyllische en eenvoudige omstandigheden leefden zij verscheidene jaren tevreden, zonder spijt te gevoelen over het gemis van de pracht en de praal, die hen vroeger omgeven hadden.

Op zekeren dag verdwaalde de eenige zoon van den heerscher over dit vreemde land, toen hij bezig was een vos na te jagen, en bij die gelegenheid zag hij de schoone dochter van onzen herder. Nauwelijks had hij zijn oogen op het meisje geslagen, of hij werd dol verliefd op haar en zij was niet ongenegen de verzekeringen van onvergankelijke genegenheid aan te hooren, die hij in haar ooren stamelde. Zij ontmoetten elkaar telkens weer en het meisje stemde erin toe den prins te trouwen, als haar ouders toestemming gaven tot de verbintenis.

Eerst deelde de prins zijn wensch aan zijn eigen ouders mee, die natuurlijk zeer verbaasd waren over de schijnbaar dwaze keuze van hun zoon en hun toestemming niet wilden geven. Maar de prins verzekerde plechtig, dat zijn besluit onwrikbaar vast stond; hij zou òf het meisje trouwen, dat hij lief had, òf zijn geheele leven ongetrouwd blijven. Eindelijk kreeg zijn koninklijke vader medelijden met hem en zond zijn eersten adjudant in het geheim naar den herder, om dezen de hand van zijn dochter voor den prins te vragen.

De voorwaarde.

Toen de adjudant kwam en de koninklijke boodschap overbracht, vroeg de herder hem: "Kent de koninklijke prins een beroep?" De adjudant was verbaasd over zulk een vraag. "God verhoede het, dwaze man!" riep hij uit, "hoe kunt gij verwachten, dat de troonopvolger een ambacht kent? De menschen leeren een ambacht om in hun levensonderhoud te voorzien, vorsten bezitten landen en steden en behoeven niet te werken".

Maar de herder bleef volhouden en zei: "Indien de prins geen beroep kent, dan zal hij mijn schoonzoon niet worden".

De boodschapper van den koning keerde in het paleis terug en deed den koning verslag van zijn onderhoud met den herder. Iedereen in het geheele paleis was verbaasd, toen het nieuws bekend werd, want allen hadden verwacht, dat de herder zich buitengewoon gevleid zou gevoelen, dat de koning de hand van zijn dochter voor zijn zoon vroeg en haar bevoorrechtte boven de vele koninklijke en keizerlijke prinsessen, die hij maar had behoeven te vragen om ze bereid te vinden den prins te trouwen.

De koning zond weer een boodschapper naar den herder, maar de man bleef op zijn stuk staan. "Zoolang de prins", zei hij, "geen ambacht kent, zal ik hem de hand mijner dochter niet geven."

Toen de tweede onderhandelaar met hetzelfde antwoord naar het paleis terugkeerde, deelde de koning zijn zoon de voorwaarde van den herder mede en de koninklijke prins besloot dan maar te trachten er aan te voldoen.

Hij begon met de geheele stad van huis tot huis langs te gaan, om een eenvoudig en gemakkelijk ambacht uit te kiezen. Terwijl hij door de straat liep, zag hij verschillende handwerkslieden aan hun werk, maar hij bleef niet staan, voordat hij aan de werkplaats kwam van een tapijt-maker en dit ambacht leek hem even gemakkelijk als winstgevend. Hij bood daarom zijn diensten aan den baas aan, die volgaarne op zich nam hem het ambacht te leeren. Na eenigen tijd ontving de prins een bewijs van bekwaamheid, waarop hij naar den herder ging en het hem met het proefstuk van zijn handenarbeid toonde. De herder bekeek ze en vroeg den prins: "Hoeveel zoudt gij kunnen krijgen voor dit tapijt?" De prins antwoordde: "Indien het van gras gemaakt was, zou ik het voor drie stuivers kunnen verkoopen." "Wel, dat is een prachtig bedrijf!" antwoordde de herder, "drie stuivers vandaag en nog drie stuivers morgen, dat zou zes stuiver maken, en na nog twee dagen zoudt gij een schelling hebben verdiend! Indien ik dit ambacht eenige jaren vroeger had gekend, zou ik nu geen herder zijn."

Daarop deed hij den prins en zijn gevolg het verhaal van zijn vorig leven en van het ongeluk, dat hem getroffen had, waarover allen ten zeerste verbaasd waren. Gij kunt er zeker van zijn, dat het den prins verheugde, dat zijn geliefde van hooge geboorte, en dus een waardig gezellin voor een koningszoon was. En wat zijn vader betrof, die was bijzonder blij, dat zijn zoon niet de dochter van een eenvoudigen herder had liefgekregen, maar een koninklijke prinses. Het huwelijk werd nu met groote pracht gevierd en toen de feestelijkheden waren afgeloopen, gaf de koning aan den herder een mooi schip en een goed bewapend geleide, waarmee hij naar zijn land terugkeerde en er zijn koninklijken troon weer in bezit nam.

Einde.

AANTEEKENINGEN

[1] De Servische nationale barden.

[2] Haïdooks--dolende ridders.

[3] Een primitief instrument met een snaar, dat in elk Servisch huis wordt gevonden.

[4] Mussachi's gedenkschrift in Karl Hopf's Chroniques Graeco-Romaines.

[5] Tchech is een beter synonym voor het onjuiste Bohemer.

[6] In 't Servisch Pepelyouga, waarin pepel, of--met als o uitgesproken l--pepeo, beteekent sintel of asch; ouga, dat het achtervoegsel is, komt in beteekenis overeen met het Engelsche one of het Italiaansche ella.

[7] Zie _Servische conversatie spraakkunst_, door Woislav M. Petrovitch uitg. Julius Groos, Heidelberg, 1914 (Londen: David Nutt, 212 Shaftesbury Avenue, W.C.), Inleiding pp. 1-8.

[8] Dit was een van de vele eerbewijzen, die de boer, welke zich zelf gevormd had, ontving. Hij werd door de universiteit te Jena tot doctor honoris causa benoemd. Later werd hij medewerkend of eerelid van de meeste Academies van Wetenschappen in Europa; de hoogste orden van de in Servië regeerende vorsten werden hem geschonken, en de keizers van Oostenrijk, Rusland en Duitschland vereerden hem met gelijke bewijzen van hun gunst.

[9] Protestanten van de Grieksch orthodoxe kerk, die zich later in Bosnië vestigden.

[10] Zie het gedicht: "Tsaar Ourosh en de Edelen of De Koninklijke Prins Marko vertelt aan wien het keizerrijk zal behooren."

[11] De titel komt overeen met dien van prins.

[12] "Ban" is de oorspronkelijke titel van de regeerders van Bosnië.

[13] Voïvode beteekende oorspronkelijk "leider van een leger" of "generaal". Als adellijke titel komt het overeen met het Engelsche "Duke" dat, afgeleid van het Latijnsche dux, dezelfde wortelbeteekenis bezit.

[14] De mannelijke leden van een Servische familie blijven na hun huwelijk in het ouderlijk huis wonen. Indien het huis te klein is, om het jonge paar te huisvesten, wordt het familiehuis met een bijgebouw vergroot. Op deze manier kan het huis tot in het oneindige uitgebreid worden en het is bekend, dat wel tachtig leden van een familie samen hebben gewoond. Zulke familievereenigingen worden "zadrooga" genoemd.

[15] Een van de hoofdpersonen in het drama van koning Nikita "_De Keizerin van de Balkanstaten_" is een krijgsman, genaamd Peroon.

[16] Zie Prins Marko en de "Veela" bladz. 104.

[17] Zie De dood van "Marko" bladz. 117.

[18] Zie "Het bouwen van Skadar" bladz. 198.

[19] Monnik Marcus van Seres: Zêtêsis peri boulcholachôn, ed. Lambros; Neos Hellênomnêmôn I (1904) 336-352.

[20] Pleiaden zijn ook bekend onder den naam Sedam Vlashitya.

[21] Zie "De Tsarina Militza en de Zmay van Yastrebatz" bladz. 130.

[22] Een Servisch woord van Turkschen oorsprong.

[23] Deze persoon is gewoonlijk een broer of een zeer intieme vriend van den bruigom. Hij komt eenigszins overeen met den bruidsjonker, maar zijn functies zijn gewichtiger, zooals blijken zal.

[24] Bosschen werden tot kort geleden beschouwd als gemeenschappelijk eigendom. Zelfs in onze dagen staat het iederen boer vrij een Badgnak-boom te hakken in welk bosch hij wil, al is het 't eigendom van vreemdelingen.

[25] Aangehaald door den historicus Leopold von Ranke.

[26] Een instrument, dat eentonige, dreunende geluiden voortbrengt en dat in veel opzichten op een lier gelijkt. In den ouden tijd werd dit instrument bespeeld door minstreelen boven de dertig jaar. Jongere mannen speelden fluit, viool of een soort doedelzak.

[27] Ten einde te illustreeren hoe vast dit geloof in geheel Servië wortel heeft geschoten, haalt de schrijver het volgende uit zijn artikel (verkort) aan: "Hoe een Servische Prins uit de veertiende eeuw in den laatsten oorlog op een wonderlijke wijze een overwinning behaalde." _The International Psychic Gazette_ Mei 1913.

"Toen wij verleden jaar den 15den November te Skoplye (Uskub) kwamen, gaven de Servische officieren een betrekkelijk kostbaar feestmaal in hun kazerne ter eere van den generaal-chirurgijn Bourke en de twee Britsche afdeelingen van het Roode Kruis, bij welke gelegenheid de bejaarde generaal Mishitch ons het volgende voorval vertelde uit den slag van Prilip, die een paar dagen te voren was geleverd.

"Onze infanterie had voor dien slag, welke eenig is in de geschiedenis der veldslagen, het bevel gekregen een geforceerden marsch te maken. Zij moest aan den voet van den berg Prilip, waarop eens het kasteel van Marko stond, wachten op de uitwerking van onze artillerie, die zoowel in aantal als in hoedanigheid, die der Turken overtrof. Zij was gewaarschuwd het fort vooral niet te bestormen, voordat het bevel daartoe door den opperbevelhebber gegeven was. Dit was volstrekt niet overbodig, want onze soldaten hadden kort te voren verscheidene slagen met de punt van de bajonet gewonnen en waren er van overtuigd, dat niets de Turken zoo kon verschrikken als het gezicht van de glinsterende bajonetten der Servische troepen. Ook wisten zij, dat enkel het geroep _Na noge!_ van de Bulgaren, voldoende was geweest om de Turken bij Kirk-Klissé en Lülé Bourgass op de vlucht te jagen.

"Gedurende den vroegen morgen hield de infanterie zich rustig, maar reeds bij de eerste kanonschoten merkten wij een ongewone beweging onder onze troepen en spoedig daarna hoorden wij een woest geschreeuw en zagen wij hen als wolven regelrecht op het kasteel van den koninklijken Prins Marko aansnellen. Ik kon hooren, hoe kapitein Agatonovitch hen beval te blijven staan en het sein tot den aanval van den generaal af te wachten.

"Toen de troepencommandanten zagen, dat discipline machteloos bleek, beproefden zij te vergeefs een beroep te doen op het gezond verstand van de soldaten. Zij voorspelden hen een zekeren dood, indien zij tenminste de uitwerking der artillerie niet afwachtten, maar hun woorden werden overstemd door het gebulder van het Turksche belegeringsgeschut en de mitrailleuses, en onze soldaten liepen regelrecht het vuur in, waar zij bij dozijnen schenen te vallen! Het was een afschuwelijk gezicht. Ik was niet in staat mijn manschappen tot staan te brengen. Mijn bloed stolde, ik sloot mijn oogen. Een rampzalige nederlaag! Demoraliseering van de andere troepen! Mijn eigen degradatie was zeker!

"Na een poosje hield onze artillerie op met vuren, daar zij anders de eigen troepen gedood zou hebben, die nu de bajonetten kruisten met de Turksche infanterie. Eenige oogenblikken later zagen wij de Servische nationale kleuren van den slottoren van het kasteel van Kralyevitch Marko wapperen. De Turken vluchtten in de grootste wanorde. De overwinning onzer troepen was even volkomen als snel geweest!

"Toen wij iets later op het tooneel van den strijd kwamen, werd er een parade bevolen. Na het appel merkten wij, dat ons verlies betrekkelijk onbeteekend was. Ik prees mijn helden voor hun dapper gedrag, maar berispte hen scherp over hun ongehoorzaamheid. Bij mijn laatste vermanende woorden riepen die duizenden soldaten als uit een mond: '_Kralyevitch Marko beval: Voorwaarts! Heeft u hem niet gezien op zijn Sharatz?_'

"Het was mij duidelijk, dat de overlevering van Kralyevitch zoo diep in het hart van deze eerlijke en heldhaftige mannen was gegrift, dat zij in hun levendig enthousiasme de incarnatie van hun held hadden gezien.

"Ik zond de troepen weg en beval hun de geheele week een dubbel rantsoen voedsel en wijn te geven. Elke tiende man ontving een '_Medalya za Hrabrost_' (medaille voor moed)."

[28] Tabor is een Turksch woord en beteekent leger of kamp.

[29] Andere barden zeggen "Gratchanitza".

[30] Despoot was een eeretitel van de Byzantijnsche keizers, daarna van de leden van hun familie, die naderhand als ambtstitel overging op hun vazallen en gouverneurs. In rang volgde de despoot onmiddellijk op den koning.

[31] Divan is een Turksch woord voor "Senaat".

[32] Koula is het Servische woord voor "Kasteel".

[33] Istamboel is de Turksche naam voor Konstantinopel.

[34] Firman is een Turksch woord voor keizerlijken "brief" of "decreet".

[35] Met tovar, een Servische maat, werd een hoeveelheid bedoeld, die een normaal paard op zijn rug kan dragen. Het is nu een verouderde term.

[36] Dervish is een kerkelijk ambtenaar bij de Mohamedanen. Voor den ongeloovige is het een scheldwoord.

[37] Wat in 't Servisch beteekent "totdat gij trouwt".

[38] Dit doelt op Lazarus, die in den slag van Kossovo viel.

[39] _Kessedjiya_ beteekent "vechtersbaas", "bullebak", en is de bijnaam van den Albaneeschen roofridder Moussa, die gedurende jaren des sultans macht tartte. De gebeurtenis beschreven in het gedicht, waarop hier volgens sommige Servische historici wordt gedoeld--, verhaalt een voorval, dat werkelijk plaats had in het begin van de veertiende eeuw. Er is nauwelijks een herberg of wijnhuis in de dorpen der zuidelijke Slaven te vinden, waar niet op den voorgevel de ruwe fresco prijkt, die het tweegevecht van Marko en Moussa voorstelt.

[40] Arbanass is een andere naam voor Albanees

[41] Dyugoom, een koperen watervat, van binnen geëmailleerd.

[42] Adrianopel.

[43] Deze regels worden beschouwd als de schoonste, welke ooit door eenig Servisch bard zijn geschreven; vrij vertaald beteekenen zij: "O heer Strahinya, gij roemrijke Servische valk! Gij die steeds op uw trouw paard Dyogo, en op uw eigen moed vertrouwt, zult, waar gij ook gaat, een weg vinden, waar geen gevaar u bedreigt."

[44] Hier wijst de bard in de naïeve beschouwingen, waarmede hij zijn verhaal onderbreekt, op het verschijnsel, dat het schoone geslacht altijd op slechten voet staat met trouwe honden.

[45] Zmay is het Servische woord voor "draak", maar in dit gedicht wordt het figuurlijk gebruikt, om de bovenmenschelijke eigenschappen aan te duiden, die naar men aanneemt de helden bezitten.

[46] Tchardack is een Turksch woord en beteekent een toren, voorzien van balkons.

[47] Vorst over Zetta en Montenegro, in het begin van de vijftiende eeuw afzonderlijke staten.

[48] Deze uitdrukking komt in veel van de gedichten voor en duidt op de diepste neerslachtigheid en teleurstelling.

[49] In dit vers drukt de troubadour de meening uit--volstrekt niet complimenteus tegenover vrouwen, doch in de Balkanstaten wordt dat oordeel algemeen onderschreven--dat vrouwen lange haren hebben en korte hersenen. (Dooge kosse a pameti kratke).

[50] Een andere lezing van deze ballade meldt, dat Maximus Milosh uitdaagde tot een duel, waarin de Prins overwinnaar bleef.

[51] Anderen beweren, dat Maximus niet vluchtte, maar bleef en streed tot hij uitgeput was door zijn ontelbare wonden en dat hij toen een bovenmenschelijke poging deed en er in slaagde zijn bruid te bevrijden.

[52] Dit is de volksnaam voor Serviërs, die in Batchka en Banat wonen, provincies die nu onder Oostenrijksch-Hongaarsch bestuur zijn.

[53] De liefde van een zuster voor haar broer is spreekwoordelijk in Servië. Geheele balladen zijn gewijd aan schoone voorbeelden van zulk een liefde. In Servië kan geen zuster een plechtiger eed zweren, dan die welke zij aflegt bij den naam van haar broer.

[54] Kroushavatz was onder de regeering van tsaar Lazarus Hrebélianovitch en dus tijdens den vermaarden slag van Kossovo (A.D. 1389) de hoofdstad van het uitgestrekte Servische keizerrijk.

[55] Laboud beteekent witte zwaan.

[56] De Turksche Sultan Amourath I kwam om door de hand van voïvode Milosh. Die groote Servische held doorstak hem met zijn verborgen ponjaard, toen hij, beschuldigd van verraad, in de tegenwoordigheid van den sultan werd geleid.

[57] Verkorting van Amourad of Amourath.

[58] Een ballade uit Montenegro, uit het district Byelopavlitch.