Heldensagen en Legenden van de Serviërs
Chapter 27
Vanaf dat oogenblik had de arme, oude man geen gelukkig oogenblik meer. Hij was altijd bedroefd en angstig en telde elk jaar en elke maand, en elke week en zelfs iederen dag, tot het ochtendgrauwen van den laatsten dag verkondigde, dat de drie jaren om waren. Toen nam hij een staf in zijn hand en haastte zich naar den oever van de Ongelukkige rivier. Zoodra hij de rivier bereikte, kwam de zwarte reus hem tegemoet en vroeg hem: "Waarvoor komt gij?"
De oude man antwoordde, dat hij kwam om zijn zoon mee naar huis te nemen, zooals zij overeengekomen waren. Daarop hield de reus hem een blad voor, waarop een musch, een tortelduif en een kwartel zaten en zei tegen den ouden man: "Als gij kunt zeggen, wie uw zoon is, dan kunt gij hem meenemen."
De oude man keek aandachtig naar de drie vogels, en keek telkens weer, maar eindelijk was hij genoodzaakt te bekennen, dat hij niet wist, wie zijn zoon was. Zoo was hij genoodzaakt alleen terug te gaan en hij voelde zich nog veel rampzaliger dan te voren. Nauwelijks was hij echter halverwege zijn huis, of hij bedacht zich en ging terug naar de rivier met het voornemen om een van de vogels aan te wijzen, die hem, gelijk hij zich nu herinnerde strak had aangezien.
Toen hij de Ongelukkige rivier bereikte, kwam de reus hem weer tegemoet en weer hield hij hem een blad voor, waarop dezen keer een patrijs, een mees en een zanglijster zaten en hij sprak: "Nu, oude man, vertel, wie uw zoon is!"
De bezorgde vader keek elken vogel op de rij af oplettend aan, maar hij voelde zich nog onzekerder dan den vorigen keer en daarop ging hij bitter schreiend weer heen.
De oude vrouw.
Juist toen de oude man door een woud ging, dat zich tusschen de rivier de Ongelukkige en zijn huis uitstrekte, kwam een oude vrouw hem tegen en zei: "Wacht een oogenblik! Waar gaat gij zoo haastig heen? En waarom zijt gij zoo bedroefd?" De man was zoo diep in gedachten verzonken, dat hij in het eerst geen acht sloeg op de oude vrouw, maar zij volgde hem, en riep nog eens en herhaalde haar vraag met nog meer aandrang dan den eersten keer. Toen stond hij eindelijk stil en vertelde haar, welk een ontzettend ongeluk hem had getroffen. Toen de oude vrouw het geheele verhaal had gehoord, zei zij opgeruimd: "Wees niet terneergeslagen. Wees niet bang! Ga weer terug naar de rivier en als de reus de drie vogels weer brengt, kijk ze dan scherp in de oogen. Als gij ziet, dat een der vogels een traan in een zijner oogen heeft, grijp hem dan en houd dien vast; want dan heeft hij een menschelijke ziel."
De oude man dankte haar hartelijk voor haar raad en ging voor den derden keer terug naar de Ongelukkige rivier. Weer verscheen de zwarte reus en hij keek heel vroolijk, toen hij een musch, een duif en een specht op zijn blad bracht en zei: "Vooruit, oude man, zeg maar, wie uw zoon is!" Toen keek de vader de vogels scherp in de oogen en hij zag, dat in het rechteroog van de duif een traan biggelde. Oogenblikkelijk greep hij den vogel stevig vast en sprak: "Dit is mijn zoon!" Het volgende oogenblik merkte hij, dat hij zijn oudsten zoon stevig bij den schouder hield en hij nam hem zingende en roepende van vreugde gauw mee naar huis, en gaf hem daar over aan zijn oudste schoondochter, de vrouw van zijn zoon.
Nu leefden zij allen eenigen tijd heel gelukkig met elkaar. Op zekeren dag zei de jonge man echter tegen zijn vader: "Als leerling in de werkplaats van den zwarten reus heb ik een groot aantal tooverkunsten geleerd. Nu ben ik van plan mij in een mooi paard te veranderen, en u moet mij naar de markt brengen en voor een goede som geld verkoopen. Maar denk er aan, dat u den halster niet erbij geeft."
De vader deed gelijk zijn zoon hem had gezegd. Den volgenden marktdag ging hij naar de stad met een mooi paard, dat hij te koop aanbood. Veel koopers kwamen om hem heen staan om het paard te bewonderen en steeds grooter sommen geld boden zij er voor, zoodat de oude man eindelijk in staat was het dier voor twee duizend dukaten te verkoopen.
Toen hij het geld ontving, zorgde hij er goed voor den halster niet te verliezen en hij keerde naar huis terug, veel rijker dan hij ooit gedroomd had te zullen worden.
Eenige dagen later zond de man, die het paard gekocht had, het met een knecht naar de rivier om het te laten baden en terwijl het in het water was, rukte het paard zich los van den knecht en galloppeerde naar een naburig bosch. Daar nam het zijn ware gedaante weer aan en keerde terug naar het huis van zijn vader.
Na eenigen tijd zei de jonge man tot zijn vader: "Nu zal ik mij in een os veranderen; u kunt mij weer naar de markt brengen om mij te verkoopen; zorg er echter voor het koord, waaraan gij mij leidt, niet af te geven."
Den volgenden marktdag ging de oude man dus naar de markt, en voerde een fraaien os aan een touw met zich mee. Spoedig vond hij een kooper, die tienmaal den gewonen prijs voor den os betaalde. De kooper vroeg ook om het touw om den os naar huis te leiden, maar de oude man zei:
"Wat hebt gij aan zoo'n oud ding? Gij deedt beter een nieuw te koopen!" en toen hij heenging, nam hij het touw mee.
Dien avond, toen de knechts van den kooper den os naar de weide dreven, liep hij weg, vluchtte naar het naaste bosch en na weer zijn menschelijke gedaante te hebben aangenomen, keerde hij terug naar het huis zijns vaders.
Aan den vooravond van den volgenden marktdag zei de jongeman tegen zijn vader: "Nu zal ik mij in een koe met gouden horens veranderen, en u kunt mij evenals de vorige keeren verkoopen, maar zorg er voor het koord niet af te geven."
Den volgenden morgen veranderde hij zich in een koe; de oude man bracht ze naar de markt en kreeg er drie honderd kronen voor.
Maar de zwarte reus had gehoord, dat zijn vorige leerling veel geld maakte door het vak te beoefenen, dat hij hem had geleerd, en daar hij naijverig op hem was, maakte hij een einde aan de winsten van den jongeman.
De reus koopt de koe.
Daarom kwam hij den derden keer zelf naar de markt als kooper, en zoodra hij de mooie koe met de gouden horens zag, wist hij, dat dit niemand anders kon zijn dan zijn oud-leerling. Hij naderde dus den ouden man, en na hooger geboden te hebben dan de andere koopers, betaalde hij den prijs, dien hij geboden had. Dadelijk daarop greep hij het koord en trachtte het den verschrikten ouden man te ontrukken, die uitriep: "Ik heb u het touw niet verkocht, maar de koe!" en hij hield het touw met beide handen vast.
"O, neen!" zei de kooper, "volgens de wet en het gewoonterecht is het touw in den koop inbegrepen! Wie een koe koopt, koopt ook het koord, waaraan zij wordt geleid!" Eenige toeschouwers, die zich verbaasden en pret hadden, zeiden, dat dit volkomen juist was; daarom was de oude man wel verplicht het koord te geven.
De zwarte reus, die zeer voldaan was over zijn koop, nam de koe mee naar zijn kasteel, en nadat hij zware ijzers aan haar pooten had bevestigd, maakte hij haar vast in den kelder. Elken morgen gaf de reus wat water en hooi aan de koe, maar de ijzers maakte hij niet los.
Op zekeren avond gelukte het de koe toch zich uit de ijzeren ketenen te bevrijden; ze opende dadelijk de kelderdeur met haar horens en rende weg.
Den volgenden morgen ging de zwarte reus als gewoonlijk met water en hooi voor de koe den kelder in. Toen hij zag, dat de koe was weggeloopen, wierp hij het hooi neer en snelde weg om haar te achtervolgen.
Zoodra hij haar in het oog kreeg, veranderde hij zich in een wolf, die onder woedend gehuil op haar toesnelde; maar zijn knappe leerling veranderde zich dadelijk van een koe in een beer, waarop de reus de gedaante van een leeuw aannam; toen veranderde de beer zich in een tijger, en de leeuw veranderde in een krokodil, waarop de tijger zich weer in een musch veranderde. Hierop veranderde de reus zich van een krokodil in een havik en de leerling nam onmiddellijk de gedaante van een haas aan; toen de havik dit zag, veranderde hij in een hazewind. Toen veranderde de leerling van een haas in een valk en de hazewind werd een arend, waarop de leerling in een visch veranderde. Daarop veranderde de reus van een arend in een muis en dadelijk daarna liep de leerling hem als een kat achterna; nu wist de reus niets beters te doen dan zich in een hoop gierst te veranderen, waarop de leerling een hen met kuikens werd, die gretig al de gierst begonnen op te pikken, wat hun gelukte op een korrel na, juist die, waarin de meester zat; deze veranderde zich nu in een eekhoorn, maar onmiddellijk werd de leerling een havik; hij schoot op den eekhoorn neer en doodde hem.
Op deze wijze versloeg de leerling zijn meester, den zwarten reus en wreekte zich voor al het lijden, dat hij van hem had moeten verduren, toen hij het vak van toovenaar leerde.
Nadat hij den eekhoorn had gedood, nam de havik zijn eigen gedaante weer aan en de jonge man keerde vroolijk naar zijn vader terug, dien hij in den loop des tijds onmetelijk rijk maakte.
Het beroep dat niemand kent.
Lang geleden leefde er een arm menschenpaar, dat een zoon had. De oude man en zijn vrouw werkten heel hard om hun kind behoorlijk groot te kunnen brengen, en hoopten, dat hij op zijn beurt voor hen zou zorgen op hun ouden dag.
Maar toen de jongen volwassen was, zei hij tegen zijn ouders: "Nu ben ik een man en ik ben van plan te trouwen, daarom wensch ik, dat u dadelijk naar den koning gaat en hem vraagt mij zijn dochter tot vrouw te geven." De verbaasde ouders berispten hem en zeiden: "Waar denk je aan? Wij hebben niets dan deze armoedige hut om ons te beschutten en ternauwernood genoeg brood om ons te voeden; wij durven niet eens in de nabijheid van den koning komen--noch minder hem te vragen je zijn dochter tot vrouw te geven."
De zoon drong er echter op aan, dat zij zouden doen, wat hij verlangde en dreigde hen te zullen verlaten en de wereld in te gaan, indien zij niet voldeden aan zijn wensch. Daar zij merkten, dat het hem werkelijk ernst was met zijn verzoek, beloofden de ongelukkige ouders, dat zij zouden gaan, en 's konings dochter voor hem als vrouw zouden vragen. Daarop maakte de moeder in tegenwoordigheid van haar zoon een huwelijkskoek en toen hij gereed was, deed zij hem in een zak, nam een staf in haar hand en ging regelrecht naar het paleis, waar de koning woonde. Daar verzochten de bedienden van den koning haar binnen te komen; zij brachten haar in de hal, waar de koning gewoon was arme lieden te ontvangen, die kwamen om aalmoezen te vragen en verzoekschriften aan te bieden.
De arme, oude vrouw stond in de hal verlegen en beschaamd om haar versleten, armoedige kleeren; zij zag er uit, of zij van steen was, totdat de koning vriendelijk tegen haar zei: "Wat verlangt gij van mij, moedertje?"
Maar zij dorst toch niet aan den koning te zeggen, waarom zij was gekomen; daarom stamelde zij in haar verlegenheid: "Niets, Uwe Majesteit."
Daar moest de koning even om glimlachen en hij zei: "Misschien komt gij om een aalmoes te vragen?"
Toen zei de oude vrouw zeer verlegen: "Ja, Uwe Majesteit, alsjeblieft!"
Nu riep de koning zijn bedienden en gaf hun bevel de oude vrouw tien kronen te geven, wat zij deden. Nadat zij dit geld had gekregen, dankte zij Zijne Majesteit en keerde naar huis terug, bij zich zelf zeggende: "Ik wed, dat mijn zoon, als hij dit geld ziet, er niet meer over zal spreken van ons heen te gaan."
Maar hierin had zij zich schromelijk vergist, want nauwelijks was zij de hut binnen gegaan of haar zoon kwam en vroeg ongeduldig: "Wel, moeder, heeft u gedaan, wat ik u heb gevraagd?"
Nu riep zij uit: "Geef dat dwaze denkbeeld nu eens en voor goed op, mijn zoon. Hoe kon je verwachten, dat ik den koning zijn dochter voor jou ten huwelijk zou vragen? Dat zou voor een rijk edelman nog een stoutmoedige daad zijn; hoe zouden _wij_ dan aan zoo iets kunnen denken? Doch zie eens, wat een massa geld ik heb meegebracht. Nu kunt gij zelf naar een passende vrouw uitzien en zul je de dochter van den koning vergeten."
Toen de jonge man zijn moeder zoo hoorde spreken, werd hij zeer boos en zei tegen haar: "Wat kan mij het geld van den koning schelen? Ik verlang zijn geld niet, maar ik eisch zijn dochter! Ik zie, dat u mij voor den gek houdt; ik ga u dus verlaten, ik zal gaan--waar mijn oogen mij heenleiden."
De arme oude ouders baden en smeekten hem hen op hun ouden dag niet te verlaten, maar hij bezweek eerst voor hun aandrang, toen zij hem oprecht beloofden, dat de moeder den volgenden dag weer naar den koning zou gaan en hem nu werkelijk zou vragen zijn dochter aan hun zoon uit te huwelijken.
Daarop ging de oude vrouw den, volgenden morgen weer naar het paleis en de bedienden lieten haar in dezelfde hal, waar zij den vorigen keer was geweest. Toen de koning haar daar zag staan, vroeg hij: "Wat verlangt gij nu, moedertje?" Maar zij voelde zich zoo beschaamd, dat zij ternauwernood kon stamelen: "Niets, Uwe Majesteit."
De koning, die veronderstelde, dat zij weer kwam bedelen, beval zijn bedienden haar ook dezen keer tien kronen te geven.
Met dit geld keerde de arme vrouw naar haar hut terug; baar zoon kwam haar reeds tegemoet en vroeg: "Wel moeder, _dezen_ keer hoop ik, dat gij gedaan hebt, wat ik heb gevraagd?" Maar zij antwoordde: "Ach, mijn lieve zoon, laat 's konings dochter met rust. Hoe kun je in ernst aan een huwelijk met haar denken? Zelfs al wilde zij je trouwen, waar is het huis, waarheen je haar zoudt brengen? Zwijg er dus over en neem dit geld, dat ik je heb meegebracht."
Op het hooren van deze woorden was de zoon nog boozer dan te voren en hij zei scherp: "Daar ik zie, dat u mij met de dochter van den koning niet wilt laten trouwen, ga ik op staanden voet heen om nooit meer terug te keeren," en hij snelde de hut uit. Zijn ouders liepen hem hard achterna en haalden hem eindelijk over om terug te keeren, door hem te bezweren, dat zijn moeder den volgenden morgen weer naar den koning zou gaan--en waarlijk en oprecht dezen keer Zijne Majesteit om zijn dochter zou vragen.
De jonge man stemde er dus in toe terug te keeren en tot den volgenden dag te wachten.
's Morgens ging de moeder met een bezwaard hart naar het paleis en werd evenals te voren in tegenwoordigheid van den koning gebracht. Nu hij haar hier voor den derden keer zag, vroeg Zijne Majesteit ongeduldig: "Wat verlangt gij nu weer, oude vrouw?" En over het geheele lichaam bevende zei zij: "Om u te dienen, Uwe Majesteit--niets." Toen riep de koning uit:
"Maar dat is onmogelijk. Iets moet gij verlangen. Zeg mij dadelijk de waarheid, indien gij aan uw leven gehecht zijt." Daarop was de oude vrouw wel genoodzaakt het geheele verhaal aan den koning te doen; dat haar zoon den wensch koesterde de prinses te trouwen en haar had gedwongen den koning te gaan vragen hem zijn dochter tot vrouw te geven.
Toen de koning alles had gehoord, zei hij: "Wel, indien mijn dochter haar toestemming geeft, zal ik er niets tegen inbrengen." Hij zei daarop tot zijn bedienden, dat zij de prinses moesten gaan halen. Toen zij kwam, vertelde hij haar alles en vroeg haar: "Zijt gij bereid den zoon van deze oude vrouw te trouwen?"
De voorwaarde.
De prinses antwoordde: "Waarom niet? Indien hij alleen maar eerst het beroep leert, dat niemand kent!" Daarop beval de koning aan zijn bedienden de arme vrouw geld te geven, die nu met een verlicht hart naar haar hut terugkeerde.
Zoodra zij binnen kwam, vroeg haar zoon: "Hebt u de toestemming?" En zij antwoordde: "Laat mij eerst wat op adem komen. _Nu_ heb ik het werkelijk aan den koning gevraagd: maar het heeft je niet veel verder gebracht, want de prinses verzekert, dat zij je niet wil trouwen, tenzij je het beroep hebt geleerd, dat niemand kent!"
"O, dat doet er niets toe!" riep de zoon uit. "Nu ik de voorwaarde ken, komt alles in orde!" Den volgenden dag begaf de jongeman zich op reis. Hij trok de wereld in om den man te zoeken, die hem het beroep zou kunnen leeren, dat niemand kende. Op zekeren dag, toen hij heel moe was van het loopen en heel terneergeslagen ging hij op een gevallen boomstronk aan den kant van den weg zitten. Nadat hij zoo een poosje had gezeten, kwam er een vrouw naar hem toe, die vroeg: "waarom zijt gij zoo treurig, mijn vriend?" En hij antwoordde: "Waarom vraagt gij mij dat, als gij mij niet kunt helpen?" Maar zij vervolgde: "Vertel mij maar, wat er aan scheelt en misschien kan ik u helpen." Daarop zei hij: "Nu, als gij het dan bepaald weten wilt, ik reis al geruimen tijd de wereld door om den meester te vinden, die mij het ambacht kan leeren, dat niemand kent."
"O, is het anders niet," riep de oude vrouw, "luister dan maar naar mij! Wees niet bang, ga recht het bosch in, dat voor u ligt en daar zult gij vinden, wat gij noodig hebt."
De jonge man was heel blij, toen hij dit hoorde, stond dadelijk op en ging naar het bosch. Toen hij vrij ver het bosch in was gegaan, zag hij een groot kasteel en terwijl hij er naar stond te kijken en zich afvroeg, wie daar wel kon wonen, kwamen er vier reuzen uit naar buiten rennen, die hem met donderende stem vroegen: "Wenscht gij het ambacht te leeren, dat niemand kent?" Hij antwoordde: "Ja, dat is precies de reden, waarom ik hier kom." Daarop namen zij hem mee in het kasteel.
Den volgenden morgen maakten de reuzen zich gereed om op de jacht te gaan en voordat zij vertrokken, zeiden zij tot hem: "Gij moogt in geen geval de eerste kamer bij de eetzaal binnengaan." Nauwelijks echter waren de reuzen goed en wel uit het gezicht, of de jonge man begon aldus bij zich zelf te overleggen: "Ik zie heel goed in, dat ik ergens terecht ben gekomen, waar ik nooit levend vandaan raak; daarom kan ik even goed in de kamer gaan; voor mij blijft het hetzelfde, wat er ook van komt." Daarom ging hij er heen, deed de deur een eindje open en gluurde naar binnen. Daar stond een gouden ezel, gebonden aan een gouden voederbak. Hij keek er een poosje naar en was juist op het punt de deur te sluiten, toen de ezel zei: "Kom binnen, neem den halster van mijn hoofd en steek hem stilletjes bij je. Hij zal je goede diensten kunnen bewijzen, als je hem maar weet te gebruiken." Hij nam den halster dus en na de deur gesloten te hebben, verborg hij hem vlug onder zijn kleeren. Hij zat nog niet heel lang, of de reuzen kwamen terug. Zij vroegen hem dadelijk, of hij in de eerste kamer was geweest en hij antwoordde allesbehalve op zijn gemak: "Neen, ik ben er niet in geweest." "Maar wij weten, dat gij er wel in zijt geweest," zeiden de reuzen zeer vertoornd en zij namen groote stokken en sloegen hem zoo geweldig, dat hij ternauwernood op zijn voeten kon staan. Het was zijn geluk, dat hij den halster onder zijn kleeren om zijn middel had gewonden, anders zouden zij hem zeker doodgeslagen hebben.
Den volgenden dag maakten de reuzen zich weer gereed om op de jacht te gaan, maar voordat zij vertrokken, gaven zij hem opnieuw bevel in geen geval de tweede kamer binnen te gaan.
Bijna onmiddellijk na hun vertrek, werd hij zoo vreeselijk nieuwsgierig, wat er wel in de tweede kamer zou zijn, dat hij geen weerstand kon bieden aan de verzoeking om de deur te openen. Hij stond nog een oogenblik aarzelend voor de deur stil, maar bedacht toen: "Ik ben toch al meer dood dan levend; veel erger kan het toch niet worden!" Daarop opende hij de deur en keek naar binnen. Hij was zeer verbaasd, toen hij daar een heel mooi meisje zag, in louter goud en zilver gekleed, dat bezig was haar haar te kammen; in elke vlecht hechtte zij een grooten diamant. Hij bleef haar eenige oogenblikken bewonderen en stond juist op het punt de deur weer te sluiten, toen zij sprak: "Wacht even, jonge man. Neem dezen sleutel en zorg er voor hem goed te bewaren. Hij zal u eens te pas komen, als gij slechts weet, hoe gij hem gebruiken moet." Toen kwam hij binnen om den sleutel van het meisje aan te nemen, waarna hij het vertrek verliet, de deur achter zich sloot en ging zitten op de plaats, waar hij gezeten had.
Hij had daar niet lang gezeten, of de reuzen kwamen terug van de jacht. Zoodra zij het huis binnen kwamen, namen zij groote stokken om hem te slaan, terwijl zij vroegen, of hij in de tweede kamer was geweest. Bevend van angst antwoordde hij: "Neen, dat ben ik niet!"
"Maar wij weten, dat het wel zoo is," schreeuwden de reuzen hevig vertoornd en sloegen hem nog erger dan den eersten keer.
De derde kamer.
Den volgenden morgen, toen de reuzen als gewoonlijk ter jacht gingen, zeiden zij tegen hem: "Ga niet in de derde kamer, voor niets ter wereld; want als gij dat doet, dan zullen wij niet als de vorige keeren barmhartigheid met je betrachten! Dan kunt gij er op rekenen, dat wij je doodslaan!" Maar ternauwernood waren de reuzen uit het gezicht, of de jongeman zei tot zich zelf: "Het is waarschijnlijk, dat zij mij zullen dooden, of ik er binnenga of niet. Bovendien, al dooden zij mij niet, zij hebben mij toch al zoo erg geslagen, dat ik meer dood dan levend ben; ik zal dus in elk geval de derde kamer binnengaan." Hij stond op en opende de derde kamer. Maar hoe ontstelde hij, toen hij zag, dat de kamer vol menschenhoofden was! Deze hoofden behoorden aan jonge mannen, die evenals hij gekomen waren om het beroep te leeren, dat niemand kent en die, na zich stipt aan de bevelen van de reuzen te hebben gehouden, toch door hen gedood waren.
De jongeman wendde zich snel om, teneinde zich te verwijderen, toen een der hoofden riep: "Wees niet bang, maar kom binnen!" Daarop ging hij de kamer in. Toen gaf het hoofd hem een ijzeren ketting en zei: "Pas goed op dezen ketting, want hij zal u van dienst zijn, indien gij er een goed gebruik van weet te maken!" Hij nam den ketting dus en toen hij de kamer verlaten had, sloot hij de deur.
Hij ging op zijn gewone plaats zitten om de komst der reuzen af te wachten. Onderwijl werd hij zeer bevreesd, want hij was er volkomen op voorbereid, dat zij hem zouden dooden.
Zoodra de reuzen thuis kwamen, namen zij hun stokken op en begonnen zij hem te slaan zonder zich zelfs een oogenblik den tijd te gunnen om hem een vraag te stellen. Zij sloegen hem zoo heftig, dat hij zoo goed als dood liggen bleef, daarna wierpen zij hem het huis uit en zeiden: "Ga nu heen, nu gij het beroep geleerd hebt, dat niemand kent."
Nadat hij geruimen tijd gelegen had op de plek, waar zij hem hadden neergeworpen, en zich zeer pijnlijk en ellendig gevoelde, beproefde hij eindelijk zich te bewegen, waarbij hij tot zich zelf zei: "Nu, als zij mij werkelijk het ambacht geleerd hebben, dat niemand kent, dan kan ik terwille van 's konings dochter met vreugde alle pijnen lijden--als ik haar maar win."