Heldensagen en Legenden van de Serviërs
Chapter 26
De koning werd, toen hij dit hoorde, zeer vertoornd en riep uit: "Wat! ik--de koning--zou water schenken over de handen van mijn eigen zoon! Verwijder u onmiddellijk uit mijn paleis en uit mijn koninkrijk! Gij zijt niet langer mijn zoon."
De arme, jonge prins deed al zijn best vrede met zijn vader te sluiten, en zei, dat hij toch werkelijk niet te laken was om hetgeen hij had gedroomd; maar de koning werd steeds woedender, en wierp eindelijk eigenhandig de prins uit het paleis.
Zoo was de prins genoodzaakt verschillende landen door te trekken, totdat hij op zekeren dag in een groot bosch een hol ontdekte, dat hij binnen ging om er in te rusten. Daar vond hij tot zijn groote verbazing en vreugde een grooten ketel vol maïs, die op het vuur stond te koken en daar hij buitengewoon hongerig was, bediende hij zich zelf van de maïs. Hij ging daarmede door, tot hij tot zijn ontsteltenis bemerkte, dat hij bijna al de maïs had opgegeten. Bevreesd, dat er onheil uit zou kunnen voortkomen, keek hij rond naar een plaats, waar hij zich zou kunnen verbergen. Op dat oogenblik ontstond een groot geraas aan den ingang van het hol, en hij had zich nauwelijks in een donkeren hoek teruggetrokken, of een blinde, oude man kwam binnen. Hij zat op een groote geit, terwijl hij een groot aantal geiten voor zich uitdreef.
De oude man reed regelrecht naar den ketel; toen hij bemerkte, dat bijna al de maïs er uit verdwenen was, vermoedde hij, dat er iemand in het hol moest zijn en tastend ging hij het hol rond, totdat hij den prins greep,
"Wie zijt gij?" vroeg hij boos en de prins antwoordde:
"Ik ben een arme zwerver, die de wereld doortrekt, een dak heb ik niet en ik smeek u mij gastvrijheid te verleenen."
"Wel," sprak de oude man, "waarom niet? Ik zal tenminste iemand hebben, die toezicht op mijn maïs houdt, als ik met mijn geiten in het bosch ben."
Zoo leefden zij eenigen tijd te zamen; de prins bleef in het hol, om de maïs te koken, terwijl de oude man zijn geiten elken morgen het woud indreef.
Op zekeren dag zei de oude man echter tot den prins: "Ik vind, dat gij heden met de geiten moest uitgaan; ik zal thuis blijven bij de maïs."
Hierin stemde de prins toe, daar hij er genoeg van had altijd rustig in het hol te blijven. Maar de oude man voegde er aan toe: "Vergeet een ding niet! Er zijn negen verschillende heuvels; gij kunt de geiten vrij op acht er van laten grazen, maar in geen geval moet gij naar den negenden gaan. Daar verblijven de veele en zij zullen u zeker de oogen uitsteken, evenals zij het mij hebben gedaan, indien gij het waagt op haar heuvel te komen."
De prins dankte den ouden man voor zijn waarschuwing, steeg daarna op de groote geit en dreef de andere geiten voor zich uit naar buiten.
Voortdurend achter de geiten aanrijdend, deed hij achtereenvolgens alle acht heuvels aan en toen hij den laatsten bereikte, kon hij den negenden zien. Toen kon hij de verzoeking niet weerstaan dien op te gaan. Daarom zei hij tegen zich zelf: "Ik wil het er op wagen, wat er ook gebeure!"
De Prins en de veele.
Ternauwernood had hij zijn voet op den negenden heuvel gezet, of de veele omringden hem, en maakten zich gereed hem de oogen uit te steken. Op het laatste oogenblik viel hem echter een gelukkige gedachte in en hij riep haastig: "Lieve veele, waarom zoudt gij deze zonde op uw hoofd laden? Ik stel u voor de volgende afspraak te maken. Indien gij over een boom springt, dien ik daar neer zal leggen, moogt gij mij de oogen uitsteken, en ik zal er u niet om laken!"
De veele stemden hierin toe en de prins ging heen en haalde een grooten boom, dien hij bijna tot aan den wortel doormidden hieuw. Toen hij dit gedaan had, dreef hij er een wig in, om de twee helften van elkaar te houden. Nadat hij den stam weer rechtop had geplaatst, sprong hij er eerst over en zei toen tegen de veele: "Nu is het uw beurt. Laat eens zien, of gij over den boom kunt springen!"
Een veela beproefde er over te springen, maar toen zij tusschen de twee helften zweefde, sloeg de prins de wigge er uit, de stam sloot zich en hield de veela vast. Toen werden al de anderen bang en zij verzochten hem den stam te openen en haar zuster vrij te laten; op haar beurt beloofden zij, dat zij hem alles zouden geven, wat hij mocht vragen. Toen sprak de prins: "Ik verlang niets anders dan dat ik mijn oogen mag behouden en dat gij het gezicht teruggeeft aan den armen, ouden man." De veele gaven hem nu een bosje kruiden, zeiden hem, dat hij dat op de oogen van den ouden man moest leggen, waarna hij het gezicht terug zou krijgen. De prins nam het kruid, opende den boom een weinig, zoodat de veela vrij kwam, en reed toen op de geit terug naar het hol, waarbij hij weer al de andere geiten voor zich uit dreef.
Toen hij thuiskwam, legde hij dadelijk het kruid op de oogen van den ouden man en oogenblikkelijk had deze tot zijn buitengewone verbazing en vreugde zijn gezicht terug.
Den volgenden morgen gaf de oude man, voordat hij op zijn geit uitreed, aan den prins de sleutels van acht kabinetjes, die in het hol waren; hij waarschuwde hem in geen geval het negende kabinet te openen, al hing de sleutel vlak tegenover de deur. Daarna vertrok hij, nadat hij den prins nog had opgedragen er goed voor te zorgen, dat de maïs voor het avondeten gereed kwam.
Toen hij alleen was gelaten in het hol, begon hij er over te peinzen, wat er toch wel in het negende kabinet zou kunnen zijn en eindelijk kon hij geen weerstand bieden aan de verzoeking den sleutel te nemen en de deur te openen om er een blik in te werpen.
Het gouden paard.
Wat was hij verbaasd, toen hij een gouden paard met een gouden hazewind naast zich zag en verder een gouden hen met gouden kuikens, die bezig waren gouden gierstkorrels op te pikken.
De jonge prins staarde er eenigen tijd naar en bewonderde hun schoonheid; toen sprak hij tot het gouden paard:
"Vriend, ik geloof, dat het beter is, dat wij deze plek verlaten, voordat de oude man terugkomt."
"Heel best," antwoordde het gouden paard. "Ik ben volkomen bereid heen te gaan, maar sla den goeden raad, dien ik u geven zal, niet in den wind. Ga zooveel linnen halen, als ge krijgen kunt om over de steenen bij den ingang van het hol te leggen; want als de oude man het gekletter van mijn hoeven hoort, zal hij u zeker dooden. Verder moet gij een kleinen steen meenemen, een druppel water en een schaar en op het oogenblik, dat ik u zeg, dat ge ze neer moet werpen, moet gij mij dadelijk gehoorzamen--anders zijt gij verloren."
De prins deed alles, wat het gouden paard had bevolen, en na de gouden hen met de kuikens in den zak te hebben gedaan, nam hij dien onder zijn arm, steeg te paard en reed snel het hol uit, waarbij de gouden hazewind, dien hij aan een leeren riem meevoerde, hem volgde. Maar zoodra zij in de open lucht waren, hoorde de oude man, ofschoon hij ver weg op een verwijderden berg zijn geiten hoedde, het gekletter van de gouden hoeven en hij riep tegen zijn groote geit: "Zij zijn weggeloopen. Laten we hen dadelijk volgen."
In merkwaardig korten tijd zat de oude man op zijn groote geit den prins dicht op de hielen. Toen zei het paard: "Werp uw kleinen steen neer!"
Op hetzelfde oogenblik, waarop de prins het steentje had neergeworpen, verhief zich een rotsige berg tusschen hem en den ouden man, en voordat de geit er overgeklommen was, had het gouden paard een heel stuk op de vervolgers gewonnen. Maar heel spoedig had de oude man hen weer ingehaald en toen riep het paard: "Werp den druppel water neer!"
De prins gehoorzaamde onmiddellijk en zag toen tot zijn verbazing, dat een breede rivier tusschen hem en zijn vervolger stroomde.
Het kostte den ouden man en zijn geit zooveel tijd om de rivier over te steken, dat de prins op zijn gouden paard hem ver voor kwam; maar desondanks duurde het niet lang, of het paard had de geit weer zoo dicht achter zich, dat het riep: "Werp de schaar neer!" En toen de geit er over liep, bezeerde zij ernstig haar pooten.
Toen de oude man dit zag, riep hij uit: "Nu ik merk, dat ik u niet kan inhalen, moogt gij houden, wat gij genomen hebt. Maar gij zult verstandig doen naar mijn raad te luisteren. De menschen zullen u zeker dooden om uw gouden paard; daarom deedt gij beter dadelijk een ezel te koopen, en met de huid uw paard te overdekken en doe hetzelfde met uw gouden hazewind."
Toen hij dit gezegd had, wendde de oude man zich om en keerde terug naar zijn hol; de prins volgde zijn raad onmiddellijk op en bedekte zijn gouden paard met een ezelhuid en zijn gouden hazewind eveneens.
Na een lange reis kwam de prins onverwacht in het koninkrijk van zijn vader. Daar hoorde hij, dat de koning een gracht had laten graven, die driehonderd meter breed en vierhonderd meter diep was en dat hij had laten bekend maken, dat hij, die zijn paard er over kon laten springen, de prinses, zijn dochter, tot vrouw zou krijgen.
Bijna een geheel jaar was verloopen sedert de bekendmaking, maar tot nu toe had zich niemand aan den sprong gewaagd. Toen de prins dit hoorde, zei hij: "Ik zal er met mijn ezel en mijn hond over springen," en hij sprong er over.
De koning was echter zeer boos, toen hij vernam, dat een armoedig gekleed man op een ezel den sprong over de breede gracht had durven doen, die zijn dapperste ridders had afgeschrikt; daarom liet hij den vermomden prins met zijn ezel en zijn hond in een van zijn diepste kerkers werpen.
Den volgenden morgen stuurde de koning een van zijn bedienden om te zien, of de man nog leefde, doch deze snelde zeer ontsteld naar hem terug en vertelde hem, dat hij in den kerker inplaats van een armen man met een ezel, een jongen, fraai uitgedoschten ridder, een gouden paard, een gouden hazewind en een gouden hen omringd door gouden kuikens, die gouden gierstkorrels van den grond oppikten, had aangetroffen. Toen sprak de koning: "Dat moet een machtig prins zijn." Daarom gaf hij bevel aan de koningin en de prinsen, zijn zoons, om alles voor de ontvangst van den vreemdeling gereed te maken en te zorgen, dat hij zijn handen zou kunnen wasschen. Toen ging hij zelf naar beneden, naar den kerker en bracht den prins met veel plichtplegingen naar boven, waarmee hij de slechte behandeling, die de prins ondergaan had, weer wilde goedmaken. De koning zelf nam een gouden emmer vol water, en schonk het over de handen van den prins, terwijl de beide prinsen de kom vasthielden en de koningin fijne handdoeken ophield, waaraan hij zijn handen kon drogen.
Toen dit gedaan was, riep de jonge prins uit: "Nu is mijn droom vervuld," en op eens herkenden zij hem en zij waren zeer blij hem weer in hun midden te zien.
De bijter gebeten.
Er was eens een oud man, die telkens, als hij hoorde, dat iemand zich er over beklaagde, dat hij zooveel zoons had, lachte en zei: "Ik wilde, dat het God behaagde mij honderd zoons te geven!"
Dit zei hij voor de grap; maar in den loop van den tijd kreeg hij inderdaad honderd zoons.
Hij had moeite genoeg om verschillende ambachten voor zijn zoons te vinden, maar toen zij eenmaal allen gevestigd waren, werkten zij ijverig en verdienden een overvloed van geld. Nu deed zich echter een nieuwe moeielijkheid voor. Op zekeren dag kwam de oudste zoon naar hem toe en zei: "Lieve vader, ik geloof, dat het meer dan tijd is, dat ik trouw."
Ternauwernood had hij dit gezegd, of de tweede zoon kwam, en zei: "Beste vader, ik geloof, dat het hoog tijd is, dat u eens naar een vrouw voor mij uitziet."
Een oogenblik later kwam de derde zoon en vroeg: "Lieve vader, vindt u niet, dat het hoog tijd is, dat u een vrouw voor mij zoekt?" Met dezelfde boodschap kwamen ook de vierde en de vijfde, tot het geheele honderdtal hetzelfde verzoek had gedaan. Allen wenschten te trouwen en verzochten hun vader zoo spoedig mogelijk een vrouw voor hen te zoeken.
De oude man was niet weinig in verlegenheid gebracht door deze verzoeken; hij zei evenwel tegen zijn zoons: "Heel goed, mijn zoons, _ik_ heb er niets tegen, dat gij trouwt; ik vrees echter, dat het niet gemakkelijk zal gaan. Gij vraagt alle honderd een vrouw, en ik betwijfel, of er wel honderd huwbare meisjes in de vijftien dorpen van onze omgeving te vinden zijn."
Maar hierop antwoordden de zoons: "Maak u daarover niet ongerust; bestijg uw paard en neem in uw zak een voldoend aantal verlovingskoeken mee. Gij moet ook een stok in uw hand nemen, waarin gij een inkerving maakt, telkens als gij een meisje ziet. Het komt er niet op aan, of zij mooi of leelijk, kreupel of blind is--maak een insnijding voor elk meisje, dat u ontmoet."
De oude man zei: "Dat is heel verstandig gesproken, mijn zoons! Ik zal precies doen, wat gij mij gezegd hebt."
Hij steeg dus te paard, nam een zak vol koeken op zijn schouders en een langen stok in zijn hand en vertrok om de omgeving af te zoeken naar meisjes, die zijn zoons zouden kunnen trouwen.
De oude man reisde van dorp tot dorp, een gansche maand lang en als hij een meisje zag, maakte hij een insnijding in zijn stok. Maar het verveelde hem toch en hij begon te tellen, hoeveel kerfjes hij reeds had. Toen hij ze zorgvuldig had geteld, telkens en telkens weer, om er zeker van te zijn, dat hij er geen had overgeslagen, kon hij het toch niet verder dan vierenzeventig brengen, zoodat er nog zesentwintig ontbraken om het honderdtal vol te maken. Maar hij was zoo afgemat door zijn reis van een maand, dat hij besloot naar huis terug te keeren. Onder het rijden zag hij een priester, die ossen voortdreef, welke voor een ploeg waren gespannen. De priester was, naar het scheen, over het een of ander zeer diep in gedachten verzonken. Nu was de oude man een beetje verbaasd, toen hij zag, dat de priester zijn eigen korenvelden ploegde, zonder dat hij zelfs een jongen had om hem te helpen; daarom riep hij hem toe: "Waarom bestuurt ge zelf uw ossen?" Maar de priester hief zelfs zijn hoofd niet op om te zien, wie hem riep; zoo was zijn aandacht in beslag genomen door zijn werk, het voortdrijven van zijn ossen en het sturen van zijn ploeg.
De oude man dacht, dat hij niet luid genoeg had gesproken, daarom riep hij nog eens zoo hard als hij kon: "Laat uw ossen een oogenblik stilstaan en vertel mij eens, waarom gij zelf bezig zijt met ploegen, en waarom geen jongen u helpt--en dat nog wel op een heiligendag!"
Nu antwoordde de priester--wien het zweet langs het gelaat liep, zoo hard werkte hij--knorrig: "Ik bezweer u bij uw ouden dag, laat mij met rust! Ik kan u mijn ongeluk niet vertellen."
De honderd dochters.
Maar dit antwoord maakte den ouden man nog nieuwsgieriger en nog sterker drong hij er op aan te mogen hooren, waarom de priester op een heiligendag werkte. Eindelijk, toen het hem begon te vervelen, zuchtte de priester diep en zei: "Nu, als gij het _wilt_ weten, ik ben de eenige man in mijn gezin. God heeft mij gezegend met honderd dochters?"
De oude man was overgelukkig, toen hij dit hoorde en riep vroolijk uit: "Dat komt goed uit! Het is precies, wat ik noodig heb, want _ik_ heb honderd zoons, en daar gij honderd dochters hebt, kunnen wij vrienden worden!"
Zoodra de priester dit hoorde, werd hij vriendelijk en spraakzaam en noodigde den ouden man uit den nacht in zijn huis door te brengen. Hij liet zijn ploeg op den akker staan en dreef zijn ossen terug naar het dorp. Juist voor zij het huis bereikten, zei hij tegen den ouden man: "Ga zelf in huis, terwijl ik mijn ossen vastbind."
Maar nauwelijks had de oude man het erf betreden, of de vrouw van den priester liep hard op hem toe met een dikken stok en riep: "Wij nebben geen brood genoeg voor onze honderd dochters en daarom kunnen wij geen bedelaars en ook geen bezoekers ontvangen," en met deze woorden joeg ze hem weg.
Spoedig daarna kwam de priester uit de schuur en toen hij den ouden man op den weg voor het hek zag zitten, vroeg hij hem, waarom hij het huis niet was binnen gegaan, gelijk hij hem gezegd had.
Daarop antwoordde de oude man: "Ik ben naar binnen gegaan, maar uw vrouw joeg mij weg!"
Toen sprak de priester: "Wacht een oogenblik, totdat ik u kom halen." Toen ging hij gauw het huis in, en schold zijn vrouw flink uit. Hij riep haar toe: "Wat hebt gij gedaan? Welk een mooie kans hebt gij daar bedorven! De man, die naar binnen kwam, moeten wij te vriend houden, want hij heeft honderd zoons, die onze dochters graag willen trouwen!"
Toen de vrouw dit hoorde, trok zij vlug een ander gewaad aan en maakte snel haar en hoofdtooi op. Daarna glimlachte zij heel lief, en heette met de grootst mogelijke voorkomendheid den ouden man welkom, toen haar man hem binnen bracht. Ja ze deed, alsof zij er zich niets meer van herinnerde, dat er iemand de deur uit was gejaagd. En daar de oude man voor alles verlangde de echtgenooten voor zijn zoons te vinden, deed hij ook, alsof hij niet wist, dat de glimlachende vrouw des huizes dezelfde was, die hem met een stok had weggejaagd. De oude man bracht dus den nacht in het huis door en den volgenden morgen vroeg hij den priester in allen vorm hem zijn honderd dochters voor zijn honderd zoons te geven. Daarop zei de priester, dat hij daartoe gaarne bereid was en er reeds met zijn dochters over gesproken had en dat ook zij bereid waren. Toen haalde de oude man de verlovingskoeken te voorschijn en legde ze naast zich neer op de tafel; en hij gaf elk meisje ook een stuk geld. Daarna gaf elk der verloofde meisjes hem voor dien zoon, met wien zij verloofd was, een klein geschenk mee. Deze geschenken deed de oude man in den zak, waarin de "verlovingskoeken" waren geweest. Daarna steeg hij te paard en reed vroolijk naar huis. Er heerschte groote vreugde in zijn gezin, toen men hoorde, hoe goed hij was geslaagd en dat hij werkelijk honderd meisjes had gevonden, die gereed en bereid waren uitgehuwelijkt te worden en dat deze honderd de dochters van een priester waren.
De zoons drongen er op aan, dat zonder dralen een begin zou worden gemaakt met de voorbereidselen tot het huwelijk en zij begonnen dadelijk de gasten te noodigen, die deel uit zouden maken van de huwelijksprocessie, welke zich naar het huis van den priester begeven en de bruiden thuis zou brengen.
Maar hier deed zich een andere moeielijkheid voor. De oude vader moest twee honderd geleiders voor de bruiden zoeken (voor elke bruid twee); honderd kooms; honderd starisvats; honderd chaious (hardloopende voetknechten, die voor de processie uitgaan) en drie honderd voïvodes (vaandeldragers); en bovendien een behoorlijk aantal andere gasten. Om deze allen te vinden, moest de vader drie jaar de omgeving afjagen; doch eindelijk waren ze gevonden en er werd een dag bepaald, waarop zij bij zijn huis zouden samenkomen om zich vandaar in processie naar het huis van den priester te begeven.
De huwelijksprocessie.
Op den bepaalden dag verzamelden zich al de genoodigde gasten bij het huis van den ouden man. Na veel geraas en verwarring, en na rijkelijk genoten te hebben van het feestmaal, stelde de huwelijksprocessie zich in beweging en begaf zich op weg naar het huis van den priester, waar de honderd bruiden zich al gereed gemaakt hadden voor haar vertrek naar haar nieuw tehuis.
Zoo groot was de verwarring bij het vertrek geweest, dat de oude man niet eens merkte, dat een van de honderd zoons ontbrak en hem in het geheel niet miste bij het groeten en praten en drinken, waartoe hij als vader van de bruidegoms verplicht was. Nu had deze jonge man zoo lang en hard gewerkt om zich gereed te maken voor den trouwdag, dat hij eerst wakker werd lang nadat de processie was vertrokken; iedereen scheen evenals zijn vader zooveel aan zijn hoofd te hebben, dat niemand hem miste.
De huwelijksprocessie kwam in goede orde aan het huis van den priester, waar reeds een feestmaal voor hen was aangericht. Na de noodige eer bewezen te hebben aan de vele goede dingen en nadat al de ceremonies vervuld waren, die bij zoo'n gelegenheid in acht genomen moeten worden, werden de honderd bruiden aan haar geleiders gegeven en de processie begaf zich op den terugweg naar het huis van den ouden man. Maar daar zij eerst vertrokken, toen het al vrij laat in den middag was, werd er besloten dat men den nacht ergens onderweg zou doorbrengen. Toen zij daarom aan een rivier kwamen, "de Ongelukkige" genaamd, stelden eenigen, daar het al donker was, voor aan den oever te overnachten en niet eerst de rivier over te steken. Anderen, die deel uitmaakten van de partij, bevalen echter met groote warmte aan de rivier over te steken en te kampeeren aan den anderen kant. Daartoe werd eindelijk na veel heen en weer praten besloten; de processie ging dus de brug over.
Maar juist toen de trouwpartij halverwege de brug was, bogen de beide leuningen naar elkaar toe en daardoor werden de menschen zoo dicht op elkaar gedrukt, dat zij nauwelijks ruimte hadden om adem te halen--laat staan om zich voor- of achteruit te bewegen.
De zwarte reus.
Gedurende eenigen tijd bleven zij zoo op elkaar gepakt staan; eenigen schreeuwden en scholden, anderen waren stil, omdat zij bang waren. Eindelijk verscheen een zwarte reus, die hen met vreeselijke stem toeschreeuwde:
"Wie zijt gij allen? Vanwaar komt gij? Waar gaat gij heen?"
De stoutmoedigsten onder hen antwoordden: "Wij gaan naar het huis van onzen vriend en brengen de honderd bruiden thuis van zijn honderd zoons; maar, helaas, wij hebben ons op deze brug gewaagd na het vallen van den avond en nu worden wij zoo tegen elkaar gedrukt, dat wij noch voor- noch achteruit kunnen."
"En waar is uw oude vriend?" vroeg de zwarte reus.
Nu richtten aller oogen zich op den ouden man. Deze keek den reus aan, die onmiddellijk tegen hem zei: "Luister, oude man! Wilt gij mij geven, wat gij thuis vergeten hebt, als ik uw vrienden over de brug laat?"
De oude man dacht een oogenblik na, wat hij thuis vergeten kon hebben, maar hij kon zich niet voorstellen, dat dit iets bijzonders zou kunnen zijn, en daarbij hoorde hij van alle kanten het gekreun en gekerm van zijn gasten. Daarom antwoordde hij: "Nu, ik zal het u geven, als gij den stoet maar laat doorgaan."
Toen zei de zwarte reus tot het gezelschap: "Gij hoort allen, wat hij heeft beloofd en gij zijt allen mijn getuigen bij de overeenkomst. Over drie dagen zal ik mijn prijs komen halen."
Nadat hij dit gezegd had, maakte de reus de brug ruimer en de geheele processie ging er veilig over naar den anderen kant. De lust om den nacht in de open lucht te vertoeven, was den menschen echter ontgaan en zij gingen daarom zoo snel zij konden verder en vroeg in den morgen bereikten zij het huis van den ouden man.
Toen hij van het vreemde avontuur hoorde, dat hen was overkomen, begreep de oudste zoon, die thuis was gelaten, spoedig, hoe de zaak stond en hij ging naar zijn vader en zei: "O, vader, u heeft _mij_ aan den zwarten reus verkocht!"
Toen was de oude man zeer bedroefd en verontrust; maar zijn vrienden troostten hem en zeiden: "Wees niet bang! Er zal niets van komen."
De huwelijksplechtigheden zouden met grooten luister gevierd worden. Maar juist, toen het feest zijn hoogtepunt had bereikt, op den derden dag, verscheen de zwarte reus voor de deur en riep: "Nu, geef mij dadelijk, wat gij mij beloofd hebt."
De oude man trad bevend naar voren en vroeg: "Wat verlangt gij?"
"Niets anders, dan wat gij mij hebt beloofd!" antwoordde de zwarte reus.
Daar hij zijn belofte niet mocht breken, was de oude man, hoezeer 't hem ook smartte, genoodzaakt zijn oudsten zoon aan den reus over te geven, die daarop sprak: "Nu neem ik uw zoon mee, maar over drie jaren kunt gij naar de Ongelukkige rivier komen en hem weer meenemen."
Na dit gezegd te hebben, verdween de zwarte reus, en voerde den jongeman met zich mee. Deze werd zijn leerjongen in zijn werkplaats, waar de reus het beroep van toovenaar uitoefende.