Heldensagen en Legenden van de Serviërs

Chapter 25

Chapter 254,112 wordsPublic domain

De oude zigeunervrouw ging terug naar haar hut in het bosch en beproefde alle tooverkunsten om uit te vinden, waar de prinses was. Eindelijk ontdekte zij, dat de prinses in een oud kasteel woonde, in een ver afgelegen land, met een jongen edelman, die haar getrouwd had.

Het toovertapijt.

De zigeunervrouw was zeer verheugd, toen zij dit wist en, nadat zij een zweep in haar hand had genomen, ging zij dadelijk midden op een klein tapijt zitten en sloeg er met haar zweep op. Toen verhief het tapijt zich van den grond en droeg haar snel door de lucht naar het verre land, waar de jonge edelman in een eenzaam, oud kasteel met zijn mooie vrouw en zijn trouw gezelschap van dieren leefde.

Toen de zigeuner vrouw bij het kasteel kwam, liet zij het tapijt neerdalen op het gras onder de boomen; zij liet het daar liggen en ging rond om te zien, of zij de prinses op haar wandeling in het park ook zou kunnen ontmoeten.

Weldra kwam de schoone vrouw uit het kasteel en dadelijk liep de oude, leelijke vrouw op haar toe, begon haar te vleien en allerhande vreemde verhalen te doen. Ja, zij was zoo'n goede vertelster, dat de prinses al lang moe van het wandelen was, voordat zij vermoeid was van het luisteren. Toen zij het zachte tapijt dus op het groene gras zag liggen, zette zij er zich op neer om wat te rusten. Zoodra zij plaats had genomen, ging de sluwe, oude zigeunervrouw naast haar zitten: en nadat zij naar zweep had gegrepen, sloeg zij er verwoed mede op het tapijt. Het volgend oogenblik bemerkte de prinses, dat zij op het tapijt werd weggedragen van het kasteel van haar echtgenoot en na korten tijd liet de vrouw haar neerdalen in den tuin van het koninklijk paleis.

Gij kunt u gemakkelijk indenken, hoe blij de koning was, toen hij zijn geliefde dochter terug zag en hoe edelmoedig hij de oude zigeunervrouw behandelde; hij gaf haar zelfs meer dan zij vroeg. Van nu af aan liet de koning de prinses in een afgezonderden toren wonen. Slechts twee kameniers mochten haar gezelschap houden, zoo bevreesd was hij, dat zij hem weer ontstolen zou worden.

Ondertusschen riep de vos, die zag, hoe rampzalig en neerslachtig zijn jonge meester er uitzag, nadat zijn vrouw op onverklaarbare wijze ontvoerd was en nadat hij gehoord had, welke voorzorgsmaatregelen de koning genomen had, om te voorkomen, dat de prinses weer weggevoerd zou worden, nog eens de dieren samen tot een algemeene beraadslaging.

Toen allen vereenigd waren, sprak de vos hen aldus aan: "Gij allen, mijn vrienden, weet, hoe gelukkig onze vriendelijke heer getrouwd was; maar gij weet ook, dat zijn vrouw hem ontstolen is en dat hij er nu veel erger aan toe is, dan hij was, voordat wij de prinses voor hem vonden.

"_Toen_ was hij eenzaam; _nu_ is hij meer dan eenzaam--hij voelt zich verlaten! Zoo staat de zaak en daarom is het onze plicht, die van zijn getrouwe dienaren, om haar op de een of andere manier naar hem terug te voeren. Maar gemakkelijk zal dat niet gaan, daar de koning zijn dochter voor alle zekerheid in een sterken toren gevangen houdt. Ik wanhoop echter niet; luistert naar mijn plan; ik zal mij in een mooie kat veranderen en gaan spelen in den tuin van het paleis onder de ramen van den toren, die door de prinses wordt bewoond. Ik durf wedden, dat zij zal verlangen mij te bezitten, zoodra zij mij ziet en zij zal haar kameniers naar beneden zenden om mij te vangen en bij haar te brengen. Maar ik zal er wel voor oppassen, dat de kameniers mij niet vangen, zoodat de prinses eindelijk de bevelen van haar vader om den toren niet te verlaten zal vergeten en zelf in den tuin zal komen, om te zien, of zij zelf niet meer succes heeft. Ik zal doen, of ik mij laat vangen, en op dat oogenblik moet onze vriend de Kumrekusha, die in de omgeving van het paleis blijft zweven, snel naar beneden schieten, de prinses grijpen en evenals den vorigen keer wegvoeren. Op deze wijze hoop ik, beste vrienden, dat wij in staat zullen zijn onzen goeden meester zijn vrouw terug te geven. Keurt gij mijn plan goed?"

De vergadering was natuurlijk maar al te blij zulk een wijs raadgever te hebben, die hen in staat stelde hun dankbaarheid te toonen aan hun heer. De Kumrekusha nam den vos onder zijn vleugels en vloog met hem weg; beiden waren even verlangend het plan uit te voeren en den ouden, opgeruimden trek weer terug te brengen op het gelaat van hun heer.

Toen de Kumrekusha bij den toren kwam, waarin de prinses woonde, zette hij den vos stilletjes neer onder de boomen, waar deze dadelijk in een mooie kat veranderde, die allerhande bevallige sprongen maakte onder het raam, waarvoor de prinses zat. Het vel van de kat was in de meest verschillende tinten gekleurd en het duurde niet lang, of de prinses merkte haar op en zond haar beide vrouwen naar beneden om haar te vangen en bij zich te brengen in den toren.

De twee kameniers kwamen in den tuin en riepen: "poesje, poesje!" met haar liefste stem; zij hielden haar brood en melk voor, maar boden het tevergeefs aan. De kat sprong vroolijk den tuin rond en wilde zich niet laten vangen.

Eindelijk werd de prinses, die er voor haar raam naar had staan kijken, ongeduldig. Zij ging zelf naar beneden den tuin in en zei bestraffend: "Ge maakt de kat bang; laat mij eens beproeven haar te vangen!" Toen zij de kat naderde, die zich nu gewillig scheen te laten pakken, daalde de Kumrekusha snel neer, greep de prinses bij het middel en droeg haar hoog in de lucht.

De verschrikte kameniers liepen naar den koning om hem te vertellen, wat er met de prinses was gebeurd; waarop de koning onmiddellijk al zijn hazewinden losliet om de kat te grijpen, die de oorzaak was geweest, dat de prinses ten tweede male werd weggevoerd. De honden volgden de kat kort op de hielen en waren op het punt haar te vangen, toen zij nog juist bijtijds een hol zag met een heel nauwe opening, dat een goede schuilplaats bood. Wel beproefden de honden haar te volgen en zij verwijdden de opening met hun pooten, maar alles was vergeefsch; na geruimen tijd verwoed te hebben geblaft, werden zij eindelijk moe en slopen beschaamd terug naar de stallen van den koning.

Toen al de hazewinden uit het gezicht waren, veranderde de kat zich weer in een vos, en rende rechtstreeks naar het kasteel, waar hij zijn jongen meester in de gelukkigste stemming aantrof, want de Kumrekusha had zijn mooie vrouw reeds teruggebracht.

De koning verklaart den oorlog aan de dieren.

De koning was buitengewoon boos, toen hij bemerkte, dat hij zijn dochter weer verloren had en wat vooral zijn woede opwekte, dat was het feit, dat zulke armzalige dieren als een vogel en een kat er ondanks al zijn voorzorgen in geslaagd waren haar weg te voeren. In zijn groote woede besloot hij dus een algemeenen oorlog aan de dieren te verklaren en hen geheel uit te roeien. Voor dit doel verzamelde hij een groot leger, en besloot het zelf aan te voeren. De plannen van den koning waren weldra door het geheele koninkrijk bekend. En 't was naar aanleiding hiervan, dat de vos voor den derden keer al zijn vrienden bijeen riep--den beer, den wolf, den Kumrekusha, de muis, den mol en den haas--voor een groote vergadering.

Toen allen verzameld waren, sprak de vos hen aldus aan: "Mijn vrienden, de koning heeft ons den oorlog verklaard, en is van plan ons geheel uit te roeien. Het is nu onze plicht ons te verdedigen zoo goed als wij kunnen. Laat elk onzer zien, hoeveel dieren hij in staat is aan te monsteren. Hoeveel van uw broeders, beeroom, denkt _gij_ te kunnen aanwerven om ons te helpen?"

De beer ging zoo snel hij kon op zijn achterpooten staan en riep uit: "Ik ben er zeker van er honderd te kunnen verzamelen."

"En hoeveel van _uw_ vrienden kunt gij bijeenbrengen, mijn goede wolf?" vroeg de vos nieuwsgierig.

"Ik kan op zijn minst vijfhonderd wolven meebrengen," zei de wolf met een air van gewicht.

De vos knikte zeer voldaan, en vervolgde: "En wat kunt _gij_ voor ons doen, beste meester haas?"

"Wel ik denk er ongeveer achthonderd te kunnen brengen," zei de haas voorzichtig.

"En wat kunt _gij_ doen, mijn lieve kleine muis?"

"O, ik breng zeker drieduizend muizen mee."

"Dat is werkelijk heel goed!--En _gij_ mijnheer mol?"

"Ik ben er zeker van er achtduizend te kunnen verzamelen."

"En hoe groot is het aantal dat _gij_ denkt te kunnen brengen, mijn groote vriend Kumrekusha?"

"Ik vrees niet meer dan twee of driehonderd op zijn hoogst," zei de Kumrekusha treurig.

"Heel goed; gaat nu allen dadelijk uw vrienden verzamelen; indien gij er zooveel hebt bijeengebracht, als maar mogelijk is, zullen wij kunnen besluiten, hoe wij moeten handelen," zei de vos; waarna de vergadering werd gesloten en de dieren zich in verschillende richtingen door het woud verspreidden.

Niet lang daarna werden ongewone geluiden gehoord in de nabijheid van het kasteel. De boomen schudden geweldig, en het gebrom der beren, en het korte, scherpe geblaf der wolven verbrak de gewone rust van het bosch. Het leger der dieren trok van alle kanten op de aangegeven plaats samen. Toen allen verzameld waren, gaf de vos in de volgende woorden een uiteenzetting van de plannen: "Als het leger van den koning den eersten nacht na den grooten opmarsch halt houdt om te rusten, dan moet gij, beren en wolven, u gereed houden om de paarden te dooden. Indien het leger desondanks toch verder gaat, dan moet gij, muizen, gereed zijn al de zadelriemen en gordels door te bijten, als de soldaten den tweeden nacht rusten, en gij, hazen, moet de koorden doorknagen waaraan de mannen het kanon voorttrekken. Indien de koning den tocht toch voortzet, moet gij, mollen, gedurende den derden nacht de aarde uitgraven onder den weg, dien zij den volgenden dag zullen nemen--en een greppel maken volle vijftien meter breed en twintig meter diep, rondom het kamp. Als het leger den volgenden morgen over den grond marcheert, die ondergraven is, moet gij, Kumrekusha's zware steenen neer werpen, terwijl de aarde onder hun voeten bezwijkt."

Het plan werd goedgekeurd en alle dieren gingen vlug heen, om de hun aangewezen taak uit te voeren.

Toen het leger van den koning ontwaakte na den eersten nacht van rust op den grooten marsch, merkten de soldaten tot hun groote ontsteltenis, dat al de paarden gedood waren. Dit treurige nieuws werd dadelijk aan den koning gemeld; maar hij zond eenvoudig om nieuwe paarden--en toen deze laat op den dag kwamen, vervolgden zij hun weg.

Den tweeden nacht kropen de muizen stilletjes het kamp binnen en knabbelden ijverig aan de zadels en aan de gordels der soldaten, terwijl de hazen even vlijtig knaagden aan de koorden, waaraan de manschappen het kanon voorttrokken.

Den volgenden morgen waren de soldaten hevig verschrikt, toen zij zagen, welk onheil de dieren hadden aangericht. Maar de koning kalmeerde hen en zond een boodschap naar de stad om nieuwe zadels en gordels. Toen die eindelijk gebracht waren, vervolgde hij vastbesloten zijn marsch, bezield met nog meer haat tegen deze aanmatigende en verachtelijke vijanden.

Den derden nacht, terwijl de soldaten sliepen, groeven de mollen onafgebroken door, teneinde een onderaardsche gracht te graven. Omstreeks middernacht liet de vos de beren aanrukken om de mollen te helpen en de ladingen zand weg te dragen.

Den volgenden morgen waren de soldaten opgetogen, toen zij merkten, dat er dien nacht geen nieuwe onheilen gesticht schenen en zij begaven zich met nieuwen moed op reis. Maar aan hun marsch kwam spoedig een einde, want weldra zakten de ruiters en de artillerie door den hollen bodem en toen de koning dit merkte, zei hij: "Laat ons terugkeeren. Ik zie, dat God zelf tegen ons is in dezen oorlog, die wij aan de dieren hebben verklaard. Ik geef alle pogingen op om mij over mijn dochter te wreken."

Toen keerde het leger terug onder het gejuich der soldaten, maar de manschappen bemerkten tot hun groote verbazing en vrees, dat zij, onverschillig welke richting zij ook insloegen, steeds door den grond zakten. Om hun ontsteltenis nog grooter te maken lieten de kumrekusha's nu zware steenen op hen neervallen, die hen geheel verpletterden. Op deze manier kwam de koning met zijn heele leger om.

Heel spoedig daarna ging de jonge edelman, die de dochter van den koning had getrouwd, naar de hoofdstad van den vijand, en nam bezit van het paleis van den koning; hij nam al zijn dieren mee; en daar leefden zij allen lang en gelukkig met elkaar.

De drie vrijers.

In een ver verwijderd land leefde lang geleden een koning, die maar een kind had--een buitengewoon mooie dochter. Velen dongen naar de hand van de prinses en onder hen waren drie jonge edellieden, van wie de koning veel hield. Daar de koning echter van alle drie evenveel hield, kon hij niet besluiten aan wien hij zijn dochter tot vrouw zou geven.--Op zekeren dag riep hij de drie jonge edellieden bij zich en sprak als volgt: "Gaat alle drie een reis door de wereld maken. Hij, die mij het merkwaardigste van zijn reis mee terugbrengt, zal mijn schoonzoon worden."

De drie begaven zich dadelijk op weg, waarbij elk hunner een verschillende richting insloeg; elk der drie koos een ander land om merkwaardige dingen te zoeken.

Niet lang duurde het, of een der jonge edelen vond een prachtig tapijt, dat, wie er ook op ging zitten, snel door de lucht droeg.

Een der anderen vond een bewonderingswaardigen verrekijker, waardoor hij iedereen en alles op de wereld kon zien en zelfs het veelkleurige zand op den bodem van de groote, diepe zee.

De derde vond een wonderdadige zalf, die elke ziekte in de wereld kon genezen, en zelfs dooden tot het leven kon terugroepen.

Nu waren de edele reizigers ver van elkaar af, toen zij deze wonderlijke dingen vonden. Maar toen de jongeman, die den verrekijker had gevonden, er door keek, zag hij een van zijn vroegere vrienden en tegenwoordige medeminnaars met een tapijt op zijn schouder loopen en daarom begaf hij zich op weg om zich bij hem te voegen. Daar hij door zijn wonderlijken verrekijker altijd kon zien, waar de andere edelman was, kostte het hem niet veel moeite den ander te vinden en toen de twee elkaar hadden getroffen, gingen zij naast elkaar op het tapijt zitten en het droeg hen door de lucht, totdat ook de derde reiziger zich bij hen voegde. Op zekeren dag, toen ieder had verteld, welke merkwaardige dingen hij op reis had ontmoet, riep een hunner plotseling: "Laat ons nu eens zien, wat de mooie prinses doet en waar zij is." Toen keek de edelman, die den verrekijker had gevonden, er doorheen, en zag tot zijn groote ontsteltenis en verslagenheid, dat de dochter des konings heel ziek lag en op het punt was te sterven.

Hij vertelde dit aan zijn twee vrienden en medeminnaars en ook zij stonden als van den donder getroffen door het slechte nieuws--totdat hij, die de zalf had gevonden, zich eensklaps de wonderdadige kracht van zijn middel herinnerde en uitriep: "Ik ben er zeker van, dat ik haar zou kunnen genezen, als ik het paleis maar spoedig genoeg bereikte!" Toen de edelman, die het merkwaardige tapijt had gevonden, dit hoorde, riep hij uit: "Laten we op mijn tapijt gaan zitten, en het zal ons snel naar het paleis van den koning brengen!"

Daarop gingen de drie edellieden op het tapijt zitten, dat zich onmiddellijk in de lucht verhief, en hen regelrecht naar het paleis droeg.

De koning ontving hen dadelijk, maar zei treurig: "Het spijt mij voor u, want uw reizen zijn vergeefsch geweest. De prinses is helaas stervende; zij kan dus geen uwer trouwen!"

Maar de edelman, die de wonderdadige zalf bezat, zei eerbiedig: "Vrees niet, sire, de prinses zal niet sterven!" En na toestemming te hebben gekregen om het vertrek binnen te gaan, waar zij ziek lag, legde hij de zalf zoo, dat zij ze kon ruiken. Na enkele oogenblikken leefde de prinses weer op en toen haar kamenier een weinig van de zalf in haar hand had gewreven, herstelde zij zoo snel, dat zij zich na enkele dagen reeds beter voelde, dan voor haar ziekte.

De koning was zoo blij, dat zijn dochter hem uit den dood was teruggegeven, dat hij verzekerde, dat niemand haar zou trouwen dan de jonge edelman, wiens wonderdadige zalf haar had genezen.

De twist.

Maar nu ontstond er een groote twist tusschen de drie jonge edelen; hij, die de zalf had gevonden, verzekerde, dat de prinses gestorven zou zijn, als hij haar niet genezen had, en dat zij dan niemand zou hebben kunnen trouwen; de edelman, die den wonderbaren verrekijker had gevonden, verzekerde, dat zij zonder hem nooit zouden hebben geweten, dat de prinses stervende was en zijn vriend dan ook niet de zalf zou hebben gebracht om haar te genezen, terwijl de derde edelman hun bewees, dat zonder medewerking van zijn tapijt noch de zalf noch de verrekijker de prinses iets zou hebben geholpen, daar zij zulk een afstand op andere wijze niet intijds zouden hebben afgelegd om haar te redden.

Toen de koning van dezen twist hoorde, sprak hij tot hen: "Mijne heeren, uit hetgeen gij gezegd hebt, merk ik, dat het niet billijk zou zijn mijn dochter aan een uwer te geven; daarom verzoek ik u het denkbeeld om haar te trouwen geheel op te geven en weer vrienden te worden, zooals gij waart, voordat gij medeminnaars werdt."

De drie jonge edelen zagen in, dat de koning geen beter besluit had kunnen nemen; daarom verlieten zij allen hun vaderland en begaven zich naar een verwijderde woestijn, waar zij als kluizenaars gingen leven. En de koning gaf de prinses aan een ander edelman.

Vele, vele jaren waren voorbij gegaan, sinds het huwelijk van de prinses, toen haar echtgenoot door haar vader naar een ver verwijderd land werd gezonden, waarmede hij in oorlog was gewikkeld. De edelman nam zijn vrouw, de prinses, met zich mee, daar het mogelijk was, dat hij genoodzaakt zou zijn heel lang weg te blijven. Nu gebeurde het, dat een hevige storm opstak, juist toen het schip, waarop de prinses en haar echtgenoot zich bevonden, een vreemde kust naderde, en toen de orkaan op zijn hevigst was, sloeg het schip tegen rotsen, en ging dadelijk onder. Allen aan boord kwamen in de golven om, uitgenomen de prinses, die zich stevig vasthield aan een boot en door wind en getij naar de kust werd gedreven. Dit was, naar het scheen, een onbewoond land, en toen zij een klein hol in een rots ontdekte, bleef zij daar en leefde er gedurende drie jaren; zij voedde zich met wilde grassen en vruchten. Elken dag zocht zij naar een weg om door het bosch, dat het hol omgaf, te ontkomen, maar zij kon er geen vinden. Op zekeren dag echter, toen zij zich verder dan gewoonlijk van het hol had verwijderd, kwam zij eensklaps bij een ander hol, dat tot haar groote verbazing door een kleine deur was afgesloten. Zij beproefde herhaaldelijk de deur te openen, want zij was voornemens daar den nacht door te brengen; maar al haar pogingen waren vruchteloos, zoo stevig was de deur gesloten.

Eindelijk echter riep een diepe stem van uit het hol: "Wie is daar aan de deur?"

Op het hooren van een menschelijke stem was de prinses zoo ontsteld, dat zij gedurende enkele oogenblikken niet kon antwoorden; toen zij zich hersteld had, zei zij: "Ik smeek u de deur voor mij te openen!" Onmiddellijk werd de deur van binnen geopend en zij zag tot haar schrik een ouden man met een dikken, grijzen baard, die tot aan zijn middel reikte en lange witte haren, die over zijn schouders golfden.

Wat de prinses het meest beangst maakte, was, dat zij hier, in dezelfde woestijn, waar zij drie jaar had gewoond zonder een levende ziel te ontmoeten, nu een man aantrof.

De kluizenaar en de prinses keken elkaar lang en ernstig aan zonder een woord te spreken. Eindelijk echter zei de oude man: "Zeg mij: zijt gij een engel of een dochter van deze wereld?"

Toen antwoordde de prinses: "Oude man, laat mij een oogenblik uitrusten en dan zal ik u mijn geheele geschiedenis vertellen, ook wat de oorzaak is, dat ik hier ben."

De kluizenaar haalde eenige wilde peren te voorschijn, en toen de prinses er een paar van gebruikt had, begon zij hem te vertellen, wie zij was en hoe zij in deze woestijn kwam. Zij zei: "Ik ben de dochter van een koning, en eens, vele jaren geleden, hebben drie jonge edellieden van mijns vaders hof mij aan den koning ten huwelijk gevraagd. Nu was de koning dezen drie jongen mannen allen even genegen, zoodat hij niet graag een hunner leed deed; daarom zond hij ze heen om verre landen te doorreizen en beloofde hun, dat hij bij hun terugkomst een beslissing zou nemen.

"De drie edellieden bleven langen tijd weg; en terwijl zij nog ergens buitenslands waren, werd ik gevaarlijk ziek. Ik was op het punt te sterven, toen zij alle drie plotseling terugkeerden; een hunner bracht een wonderdadige zalf mee, die mij onmiddellijk genas; de twee anderen brachten even merkwaardige dingen mede--een tapijt, dat elk, die er zich op neerzette, door de lucht kon dragen, een verrekijker, waarmede men iedereen en alles in de wereld tot zelfs het zand op den bodem van de zee kon zien."

De herkenning.

Zoover was de prinses met haar verhaal gekomen, toen de kluizenaar haar plotseling in de rede viel met de woorden: "Alles, wat daarna gebeurde, weet ik even goed als gij. Zie mij aan, dochter! Ik was een dier edellieden, die dongen naar uw hand en hier is de wonderbare verrekijker." En de kluizenaar haalde, voordat hij verder ging, het instrument uit een nis in den wand van het hol te voorschijn.

"Mijn twee vrienden en medeminnaars kwamen met mij naar deze woestijn. Wij gingen echter dadelijk van elkaar en hebben elkaar nooit meer ontmoet. Ik weet niet, of zij nog leven of dood zijn, maar ik wil naar hen uitzien."

De kluizenaar keek toen door zijn verrekijker en zag, dat de beide andere edellieden evenals hij leefden in holen in verschillende deelen van de woestijn. Nadat hij dit had ontdekt, nam hij de prinses bij de hand en voerde haar naar de andere kluizenaars. Toen allen hereend waren, vertelde de prinses haar avonturen, die zij had beleefd, sinds het vergaan van het schip, waarin haar echtgenoot omgekomen was en waarvan zij alleen werd gered.

Het deed de drie edele kluizenaars genoegen haar nog eens levend te zien; maar zij waren het er dadelijk over eens, dat zij haar naar den koning, haar vader, moesten terugzenden.

Zij gaven de prinses toen den wonderbaren verrekijker en de wonderdoende zalf en zetten haar op het wonderdadige tapijt, dat haar en haar schatten snel en veilig naar het paleis van haar vader bracht. En wat de drie edellieden betrof, zij bleven, steeds als kluizenaars levende, in de woestijn, met dit verschil echter, dat zij elkaar nu en dan bezochten, zoodat de jaren hen niet zoo lang en eentonig leken. Want zij hadden elkaar nog vele avonturen te vertellen.

De koning was buitengewoon blij, dat hij zijn eenig kind weer veilig terugzag en de prinses leefde vele jaren met haar vader; maar noch de koning noch de prinses konden de drie edelen geheel vergeten, die terwille van haar als kluizenaars leefden in de woestijn van een ver verwijderd land.

De droom van den koningszoon.

Er was eens een koning, die drie zoons had. Op zekeren avond, toen de jonge prinsen zich te slapen legden, zeide de koning tot hen, dat zij goed acht moesten geven op 't geen zij droomden en dat zij hem den volgenden morgen hun droom moesten vertellen. Den volgenden morgen gingen de prinsen, zoodra zij ontwaakten, naar hun vader en toen de koning hen zag, vroeg hij den oudste:

"Nu, wat hebt gij gedroomd?"

De prins antwoordde: "Ik heb gedroomd, dat ik de erfgenaam van den troon was."

En de tweede zei: "Ik droomde, dat ik de eerste onderdaan in het koninkrijk zou zijn."

Toen sprak de jongste: "Ik droomde, dat ik mijn handen waschte en dat de prinsen, mijn broeders, de kom vasthielden, terwijl de koningin, mijn moeder, fijne handdoeken ophield, waaraan ik mijn handen zou kunnen afdrogen en Uwe Majesteit zelf schonk er water over heen uit een gouden emmer."