Heldensagen en Legenden van de Serviërs

Chapter 24

Chapter 244,228 wordsPublic domain

Nu was de minister een slecht man, en hij beraamde een plan om den jongen echtgenoot der prinses te dooden, opdat hij haar zou kunnen trouwen en eens tsaar worden. Op een avond, toen de jongeman zich op het dek bevond, voegde hij zich bij hem om met hem te praten. De kapitein had een rein geweten, en dacht aan geen kwaad, zoodat hij geheel onvoorbereid was, toen de minister hem greep en over boord wierp. Het schip zeilde snel; het was onmogelijk het in te halen en hij bleef hoe langer hoe meer achter. Het was nog een geluk, dat het dicht bij het land gebeurde en hij spoedig door de golven op het strand geworpen werd. Maar helaas! Dit land was slechts een kale, onbewoonde rots.

Intusschen was de minister terug geslopen naar zijn hut en toen den volgenden morgen gemerkt werd, dat de kapitein verdwenen was, begonnen allen te weenen en te jammeren, en vermoedden, dat hij in den nacht over boord was gevallen en verdronken. Zijn familie was ontroostbaar, vooral zijn vrouw, die hem zeer lief had. Toen zij aan het paleis van den tsaar kwamen en vertelden, dat de jonge man verdronken was, rouwde het geheele hof met hen.

Gedurende vijftien dagen was de ongelukkige schoonzoon van den tsaar veroordeeld tot hongerlijden; hij kon zich alleen voeden met het schaarsche gras, dat op het rotsige eilandje groeide. Zijn huid werd gebruind door de felle zon, en zijn kleeren werden vuil en kwamen vol scheuren, zoodat niemand hem herkend zou hebben. Op den ochtend van den vijftienden dag had hij het geluk een ouden man op het strand te zien, die op een stok leunde en bezig was met visschen. Hij riep den ouden man dadelijk aan en smeekte hem hulp te verleenen om van de rots af te komen. De oude visscher zei: "Ik zal u helpen, als gij mij wilt betalen!" "Hoe kan ik u betalen; ik heb slechts deze havelooze plunje en niets meer?"

"O, wat dat betreft," antwoordde de oude man, "gij kunt een schuldbekentenis schrijven en onderteekenen, waarbij gij mij belooft de helft te zullen geven van hetgeen gij ooit zult bezitten." Deze belofte deed de jongeman met vreugde. Toen haalde de oude man schrijfgereedschap te voorschijn en de jongeman onderteekende de overeenkomst, waarna zij beiden in de visschersboot van den ouden man wegzeilden naar het vasteland. Daarna trok de jongeman als een bedelaar van huis tot huis en van dorp tot dorp op bloote voeten, verbrand en hongerig.

De terugkomst van den jongeman.

Na een reis van dertig dagen, bracht zijn goed gesternte hem naar de stad van den tsaar en hij zette zich met den staf in de hand bij de poorten van het paleis neer; nog altijd droeg hij zijn trouwring aan zijn vinger, waarop zijn naam en die van zijn vrouw gegraveerd was. De bedienden van den tsaar hadden medelijden met hem; zij boden hem een nachtverblijf in het paleis aan en gaven hem een deel van hun eigen maal. Den volgenden morgen ging hij naar den tuin van het paleis, maar de tuinman kwam en joeg hem weg, waarbij hij hem toevoegde, dat de tsaar en zijn familie spoedig voorbij zouden komen. Hij verwijderde zich en ging in een hoek op het gras zitten, tot hij plotseling de tsaar met zijn eigen vader en moeder zag loopen en zijn geliefde vrouw arm in arm met zijn vijand, den minister. Hij maakte zich niet dadelijk bekend, en de tsaar en zijn gevolg gingen voorbij en gaven hem aalmoezen. Hij strekte zijn hand uit om ze te ontvangen en toen trok de trouwring aan zijn vinger de aandacht der prinses. Zij herkende dien dadelijk, maar het was ongelooflijk, dat de bedelaar haar echtgenoot kon zijn en zij zei tegen hem: "Geef mij uw hand, opdat ik uw ring kan zien!" De minister trachtte dit te verhinderen, maar de prinses sloeg geen acht op hem, en zij bekeek den ring en zag, dat haar eigen naam en dien van haar echtgenoot er in gegraveerd waren. Haar hart was zeer ontroerd, maar zij deed haar best om haar aandoening niet te toonen en zei niets. Bij de terugkomst in het paleis ging zij naar haar vader en vertelde hem, wat zij had gezien. "Laat u hem, alsjeblieft, voor u komen; dan kunnen wij onderzoeken, hoe hij in het bezit van den ring komt!" De tsaar zond onmiddellijk een bediende om den bedelaar te halen. Het bevel werd dadelijk uitgevoerd, en toen de vreemdeling verscheen, vroeg de tsaar hem zijn naam, van waar hij kwam en hoe hij den ring had verkregen. De ongelukkige jonge man kon zijn vermomming niet langer handhaven, hij vertelde dus aan den tsaar, wie hij was en verder al de avonturen, die hij had beleefd, sedert de minister hem verraderlijk in de zee geworpen had! "Zie!" zei hij ten laatste: "de genade van onzen Heer heeft mij terug gebracht bij mijn ouders en mijn vrouw."

Bijna buiten zich zelf van vreugde liet de tsaar de ouders van den jongeman komen en deelde hun het goede nieuws mede. Wie is in staat de vreugde uit te drukken van het bejaarde paar, toen zij hun zoon herkenden. De woorden ontbreken ons de vreugde te beschrijven, die het geheele hof vervulde. De bedienden maakten welriekende baden voor den jongeman gereed en brachten hem prachtige gewaden. De tsaar beval, dat hij als tsaar gekroond zou worden en gedurende verscheidene dagen waren er schitterende feesten, waaraan heel de stad deelnam; ieder zong, danste en richtte feestmalen aan. De oude tsaar beval den slechten minister voor zijn schoonzoon te verschijnen, opdat deze naar eigen goeddunken over hem zou beslissen. Maar de jonge tsaar had een vriendelijk hart; hij vergaf hem dus op voorwaarde, dat hij het rijk onmiddellijk zou verlaten en gedurende zijn regeering nooit meer zou terugkeeren.

De nieuwe tsaar had ternauwernood het bewind aanvaard, of de oude visscher, die hem van het rotsachtig eiland had gered, vroeg bij hem toegelaten te worden. De tsaar ontving zijn bevrijder dadelijk, die daarop zijn geschreven belofte te voorschijn haalde. "Heel goed, oude man," zei de tsaar: "nu ben ik heerscher, maar ik zal even trouw mijn woord houden, alsof ik een bedelaar was, die maar weinig te deelen heeft; laten wij dus mijn bezittingen in twee gelijke deelen verdeelen." De tsaar nam nu de boeken en begon de steden te verdeelen; telkens, als hij een naam noemde, zei hij: "dit is voor u"--en dan "dit is voor mij." Zoo teekende hij alles op een kaart aan, totdat het geheele czarenrijk tusschen hen beiden was verdeeld, van de grootste stad tot de kleinste hut.

Toen de tsaar gereed was, sprak de oude man: "Neem alles terug! Ik ben geen man van deze wereld; ik ben een engel van God, die mij zond om u te redden voor uw goede daden. Regeer nu en wees gelukkig, en dat gij lang moogt leven in volkomen voorspoed!" Na deze woorden verdween hij plotseling, en de jonge tsaar regeerde nog vele jaren gelukkig en voorspoedig.

Hij, wien God helpt, kan niemand kwaad doen.

Er leefden eens een man en een vrouw en zij waren gezegend met drie zoons. De jongste was de knapste en hij had een beter hart dan zijn broers, die hem een dwaas vonden. Toen de drie broers den mannelijken leeftijd hadden bereikt, gingen zij samen naar hun vader en vroegen toestemming om te trouwen. De vader was verlegen met dien plotselingen wensch van zijn zoons en zei, dat hij eerst met zijn vrouw over het antwoord wilde overleggen.

De eerste tocht.

Eenige dagen later riep de man zijn zoons bij zich en zei hun, dat zij naar de naburige stad moesten gaan om werk te zoeken. "Hij, die mij de mooiste reisdeken brengt, krijgt van mij toestemming om het eerst te trouwen," zei hij.

De broeders gingen op weg naar de naburige stad. Onderweg begonnen de twee oudste broers den gek te steken met den jongsten; zij bespotten zijn eenvoud en eindelijk noodzaakten zij hem een anderen weg te nemen.

Verlaten door zijn boosaardige broers, bad de jongeman tot God hem bij te staan. Eindelijk kwam hij aan een meer, aan welks versten oever een prachtig kasteel lag. Het kasteel behoorde aan een tiranniek en wreed prins, die lang geleden was gestorven. De jonge prinses was buitengewoon schoon, en menig aanzoek om haar hand had zij reeds gehad. Zij, die aanzoek deden, werden steeds gastvrij ontvangen, maar als zij naar hun kamers gingen, verscheen onveranderlijk de gestorven heer van het kasteel als een vampier en worgde hen.

Toen de jongste broer aan het strand stond, en zich afvroeg, hoe hij het meer zou oversteken, zag de prinses hem vanuit haar venster en zij gaf een knecht dadelijk bevel de boot te nemen en den jongeman bij haar te brengen. Toen hij verscheen, was hij wel wat verlegen, maar het edele meisje stelde hem met eenige vriendelijke woorden gerust--want hij maakte werkelijk een goeden indruk op haar en zij hield van hem op het eerste gezicht. Zij vroeg hem, vanwaar hij kwam en waarheen hij dacht te gaan, en de jonge man vertelde haar, wat zijn vader hem en zijn broers had opgedragen.

Toen de prinses dit hoorde, zei zij tot den jongeman: "Gij zult vannacht hier blijven en morgen zullen wij zien, wat wij kunnen doen om u te helpen."

Nadat zij het avondeten hadden gebruikt, geleidde de prinses haar gast naar een groene kamer en voor zij hem "goeden nacht" wenschte, zei zij: "Dit is uw kamer. Word niet bang, als vannacht iets ongewoons mocht gebeuren; verontrust u er niet over."

Daar hij een eenvoudige jongen was, kon hij niet eens zijn oogen sluiten, zoo was hij onder den indruk van al het moois om hem heen.

Plotseling, tegen middernacht, hoorde hij een groot geraas. Onder het rumoer door hoorde hij duidelijk een geheimzinnige stem fluisteren: "Deze jongeling zal den prinselijken kroon erven; niemand kan hem kwaad doen!" De jongen nam zijn toevlucht tot een ernstig gebed, en toen de dag begon te grauwen, stond hij veilig en gezond op.

Toen de prinses wakker werd, zond zij een bediende om den jongeman in haar tegenwoordigheid te leiden; deze was uiterst verbaasd hem nog levend aan te treffen; dat was de prinses ook en iedereen in het kasteel.

Na het ontbijt gaf de prinses aan haar gast een prachtige reisdeken en zei: "Breng deze deken aan uw vader en indien hij nog wat anders verlangt, hebt ge slechts terug te keeren." De jongeman dankte zijn schoone gastvrouw en nam met een diepe buiging afscheid van haar. Toen hij thuiskwam, vond hij zijn beide broeders daar reeds; zij lieten hun vader de dekens zien, die zij hadden meegebracht. Toen de jongste de zijne uitspreidde, waren zij verbaasd en riepen uit: "Hoe zijt gij in het bezit gekomen van zulk een kostbare deken; die moet ge gestolen hebben!"

De tweede tocht.

Eindelijk zei de vader om hen te kalmeeren: "Gaat nog eens de wereld in en hij, die mij een ketting terug brengt, lang genoeg om er ons huis negen keer mee te omspannen, zal mijn toestemming hebben om het eerst te trouwen!" Aldus slaagde de vader er in zijn zoons tevreden te stellen. De twee oudste broers gingen hun eigen weg en de jongste haastte zich terug naar de prinses. Toen hij aankwam, vroeg zij hem: "Wat heeft uw vader u nu bevolen te doen?" En hij antwoordde: "Ieder onzer moet trachten een ketting mee te brengen, lang genoeg om ons huis negen maal te omspannen." De prinses heette hem weer welkom en na het souper wees zij hem een gele kamer en zei: "Er zal vannacht weer iemand komen om u bang te maken; maar gij moet geen aandacht aan hem schenken en morgen zullen wij zien, wat wij voor u kunnen doen."

En ja, omstreeks middernacht kwamen er een menigte geesten rond zijn bed dansen en maakten een vreeselijk geraas, maar hij volgde den raad der prinses en bleef kalm en rustig. Den volgenden morgen kwam er weer een bediende, om hem voor de prinses te geleiden en na het ontbijt gaf zij hem een mooie doos. Zij zei: "Neem deze doos mee naar uw vader en als hij nog wat anders wenscht, dan hebt gij slechts terug te keeren."

De jongeman dankte haar en nam afscheid. Weer bemerkte hij, dat zijn broers voor hem waren thuisgekomen met hun kettingen, maar de hunne waren niet lang genoeg, zelfs niet om het huis een keer te omspannen, en zij waren ten zeerste verbaasd, toen hun jongste broer uit de doos, die de prinses hem had gegeven een reusachtigen gouden ketting haalde van de vereischte lengte. Verteerd door jaloezie riepen zij uit: "Gij zult den goeden naam van onze familie te schande maken, want dezen ketting moet gij gestolen hebben!"

De derde tocht.

Eindelijk zond de vader, moe van hun gekrakeel, hen weer weg, zeggende: "Gaat; laat ieder uwer zijn liefste meebrengen en ik zal u toestemming geven te trouwen." Daarop gingen de twee oudste broers vroolijk naar de meisjes, die zij liefhadden en de jongste spoedde zich weer naar de prinses om haar den wensch van zijn vader over te brengen. Toen zij hoorde, wat deze verlangde, zei de prinses: "Gij moet een derden nacht hier doorbrengen en dan zullen wij zien, wat wij doen kunnen."

Na samen het souper gebruikt te hebben, bracht zij hem in een roode kamer. Gedurende den nacht hoorde hij weer een geluid, waarbij het bloed haast stolde van angst en in de duisternis fluisterde een geheimzinnige stem: "Deze jongeman staat op het punt zich mijn bezittingen en mijn kroon toe te eigenen!" Hij werd aangevallen door spoken en vampiers en uit zijn bed gesleept; maar wat er ook gebeurde, hij volhardde in het gebed en God redde hem.

Toen hij den volgenden morgen voor de prinses verscheen, wenschte zij hem geluk met zijn dapperheid en zei hem, dat hij haar liefde had gewonnen. De jongeman was overstelpt van geluk en ofschoon hij het geheim van zijn liefde eigener beweging nooit geopenbaard zou hebben, beminde ook hij de prinses. Een barbier werd geroepen om het uiterlijk van den jongeman te verzorgen en een kleermaker om hem als prins te kleeden. Toen dit gedaan was, ging het paar naar de kapel van het kasteel en zij werden getrouwd.

Eenige dagen later reden zij naar het dorp van den jongeman en toen zij voor zijn woning stil hielden, hoorden zij veel vreugde en muziek, waaruit zij opmaakten, dat de beide broers hun huwelijksfeest vierden. De jongere broer klopte aan de poort en toen de vader kwam, herkende hij zijn zoon niet in den rijk uitgedosten prins, die voor hem stond. Hij was verbaasd, dat zulke aanzienlijke gasten hem een bezoek zouden brengen en nog meer, toen de prins zei: "Goede man, wilt ge ons voor den nacht gastvrijheid verleenen?" De vader antwoordde: "Heel graag, maar wij vieren juist feest in ons huis, en ik ben bang, de deze eenvoudige lieden u met hun gezang en muziek zullen storen." Hierop zei de jonge prins: "O, neen, ik zou het prettig vinden de boeren te zien feestvieren, en mijn vrouw zal het nog prettiger vinden!"

Nu gingen zij het huis binnen en terwijl de gastvrouw diep voor hen neeg, zei de prins tegen haar: "Wat moet u gelukkig zijn, dat ge uw beide zoons op denzelfden dag getrouwd ziet!" De vrouw zuchtte. "Ach," zei zij, "aan den eenen kant beleef ik vreugde, aan den anderen kant verdriet; ik had een derden zoon, die ook de wereld in is gegaan en wie weet, welk onheil hem is overkomen."

Na een poos vond de prins gelegenheid zijn oude kamer binnen te gaan, en een van zijn oude pakken kleeren over zijn prinselijk gewaad aan te trekken. Daarna keerde, hij naar de kamer terug, waar het feestmaal was gereed gezet en bleef achter de deur staan. Heel gauw zagen zijn beide broers hem en zij riepen uit: "Zie eens hier, vader, daar is u veel geprezen zoon, die heenging en stal als een dief!" De vader wendde zich om en toen hij den jongeman zag, riep hij uit: "Waar zijt gij zoo lang geweest en waar is uw liefste?"

Toen sprak de jongste zoon: "Maak mij geen verwijten, het gaat mij even goed als u!" Onder het spreken legde hij zijn oude kleeren af en zijn prinselijk gewaad kwam te voorschijn. Daarna deed hij zijn verhaal en stelde zijn vrouw aan zijn ouders voor.

De broers drukten nu hun spijt uit over hun gedrag en de prins schonk hun grootmoedig vergiffenis, waarna zij elkaar omhelsden; het feestmaal werd voortgezet en gedurende dagen werd er feest gevierd. Ten slotte verdeelde de jonge prins onder zijn vader en broeder groote stukken van zijn nieuwe landen en zij leefden allen lang en gelukkig met elkaar.

Dieren als vrienden en als vijanden. [87]

Eens, heel lang geleden, leefde er in een ver verwijderd land een jong edelman, die zoo buitengewoon arm was, dat zijn geheele bezitting bestond in een oud kasteel, een fraai paard, een trouwen hond en een goed geweer.

Deze edelman besteedde al zijn tijd met jagen en schieten en leefde uitsluitend van de opbrengst van de jacht.

Op zekeren dag besteeg hij zijn welverzorgd paard en reed naar het naburige woud, als gewoonlijk vergezeld van zijn trouwen hond. Toen hij in het bosch kwam, steeg hij af, maakte zijn paard stevig vast aan een jongen boom en ging toen diep het struikgewas in om het wild op te sporen. De hond rende een eind voor zijn meester uit, en het paard bleef geheel alleen rustig staan grazen. Nu gebeurde het, dat een hongerige vos voorbij kwam, en toen hij zag, hoe goed gevoed en verzorgd het paard er uit zag, bleef hij staan om hem te bewonderen. Langzamerhand kwam hij zoo onder de bekoring van het prachtige paard, dat hij zich in het gras neerlegde om het gezelschap te houden.

Eenigen tijd daarna kwam de jongeman uit het bosch terug en droeg een hert, dat hij gedood had. Hij was buitengewoon verbaasd een vos naast zijn paard te zien liggen. Hij hief dus zijn geweer op met het plan hem te dooden; maar de vos rende recht op hem toe en zei: "Dood mij niet! Neem mij mee; ik zal u trouw dienen. Ik zal op uw mooi paard passen, als gij in het bosch zijt."

De vos zag er zoo deerniswaardig uit, dat de edelman medelijden met hem kreeg en op zijn voorstel inging. Daarop steeg hij te paard, legde het hert, dat hij geschoten had, voor zich en reed naar zijn oude kasteel, op de hielen gevolgd door zijn hond en zijn nieuwen dienstknecht, den vos.

Toen de jonge edelman zijn avondeten gereed maakte vergat hij niet den vos een behoorlijk aandeel te geven en deze wenschte zich zelf geluk, wijl hij waarschijnlijk nooit meer hongerig zou zijn, tenminste niet, zoolang hij zulk een ervaren jager diende.

Den volgenden morgen ging de edelman weer op de jacht; de vos vergezelde hem ook nu. Toen de jongeman afsteeg en als gewoonlijk zijn paard aan een boom vastbond, legde de vos zich dicht bij het paard neer om het gezelschap te houden.

Nu kwam er, terwijl de jager diep het bosch in was om naar wild te zoeken, een hongerige beer naar de plaats, waar het paard was vastgebonden en ziende hoe heerlijk vet het was, rende hij er heen om het te dooden. Daarop sprong de vos op en verzocht den beer het paard geen kwaad te doen. Hij voegde er aan toe, dat hij, als hij honger had, slechts behoefde te wachten, totdat zijn meester terugkwam uit het bosch en dan, hij was er zeker van, zou zijn heer hem ook meenemen naar zijn kasteel en voedsel geven en voor hem zorgen, zooals hij voor zijn paard, zijn hond en voor hemzelf zorgde.

De beer dacht er eenigen tijd over na, heel wijs en diep, en besloot eindelijk den raad van den vos op te volgen. Hij ging daarom rustig naast het paard liggen en wachtte op den terugkeer van den jager. Toen de jonge edelman uit het bosch kwam, was hij ten zeerste verbaasd een grooten beer bij zijn paard te zien en na het hert, dat hij geschoten had, van zijn schouders te hebben laten vallen, hief hij zijn geweer op en was op het punt het beest te schieten. Maar de vos liep hard naar den jager toe en smeekte hem het leven van den beer te sparen en hem ook in zijn dienst te nemen. Daartoe besloot de edelman; en nadat hij zijn paard had bestegen, reed hij terug naar zijn kasteel, gevolgd door den hond, den vos en den beer.

Den volgenden morgen, toen de jongeman weer met zijn hond naar het bosch was gegaan, en de vos en de beer rustig bij het paard lagen, sprong een hongerige wolf, die het paard zag, uit het kreupelhout om het te dooden. Maar de vos en de beer snelden op hem toe en verzochten hem het dier geen kwaad te doen. Zij vertelden hem aan welk een goeden meester het behoorde en dat hij er zeker van kon zijn, als hij maar wilde wachten, dat ook hij in dienst genomen en goed verzorgd zou worden. De wolf, hoe hongerig hij ook was, meende, dat 't het best was hun raad op te volgen en hij ging bij hen in het gras liggen, totdat hun meester uit het bosch kwam.

Gij kunt u voorstellen, hoe verbaasd de jonge edelman was, toen hij een afschuwelijken, grooten wolf bij zijn paard zag liggen!

Maar toen de vos hem het geval had verklaard, stemde hij er in toe den wolf ook in zijn dienst te nemen. Zoo gebeurde het, dat hij dien dag naar huis reed, gevolgd door den hond, den vos, den beer en den wolf. Daar zij allen hongerig waren, was het hert, dat hij geschoten had, niet te veel voor het avondeten van dien avond en het ontbijt voor den volgenden morgen. Niet veel dagen later voegde zich een muis bij het gezelschap en daarna verzocht een mol zoo nederig om opgenomen te worden, dat de goede edelman het niet over zijn hart kon verkrijgen zijn verzoek af te slaan. Eindelijk kwam ook de groote vogel, de Kumrekusha--een vogel, die zoo sterk is, dat hij in zijn klauwen een paard met zijn ruiter kan dragen! Spoedig daarop voegde een haas zich bij het gezelschap. De edelman droeg groote zorg voor zijn dieren en voedde ze geregeld en goed, zoodat zij allen buitengewoon veel van hem hielden.

De raad der dieren.

Op zekeren dag zei de vos tegen den beer: "Mijn beste Bruintje, ga alsjeblieft naar het bosch en haal mij een mooi groot blok, waarop ik plaats kan nemen, terwijl ik de zeer gewichtige vergadering presideer, die wij zullen houden."

Bruin, die een grooten eerbied koesterde voor het scherpe vernuft en het goede beleid van den vos, ging er dadelijk op uit om een blok te zoeken en kwam spoedig met een heel zwaar terug, waarmede de vos zich zeer ingenomen betoonde. Daarna riep hij al de dieren om zich heen en na op het blok hout te zijn geklommen, sprak hij hen aldus aan:

"Gij allen, mijn vrienden, weet welk een goeden, vriendelijken meester wij hebben. Maar hij is niet alleen heel vriendelijk, hij is ook zeer eenzaam. Ik stel dus voor, dat wij een geschikte vrouw voor hem gaan zoeken."

De vergadering was blijkbaar zeer ingenomen met dit denkbeeld en antwoordde eenstemmig: "Dit zou werkelijk heel goed zijn, indien wij slechts een meisje kenden, waardig de vrouw van onzen heer te zijn; maar dat is niet het geval."

Toen sprak de vos: "Ik weet, dat de koning een zeer mooie dochter heeft, en ik vind haar zoo geschikt voor onzen heer, dat ik voorstel haar te nemen. Verder stel ik voor, dat onze vriend de Kumrekusha dadelijk naar het paleis van den koning vliegt, en daarboven blijft zweven, totdat de prinses naar buiten komt om te wandelen." Daar de Kumrekusha blij was iets voor zijn goeden meester te kunnen doen, vloog hij onmiddellijk weg zonder zelfs de beslissing af te wachten, die de vergadering over het voorstel zou nemen.

Juist voordat de avond inviel, kwam de prinses naar buiten om voor het paleis van haar vader te wandelen, waarop de groote vogel haar greep en zacht op zijn groote, uitgespreide vleugels zette en zoo bracht hij haar vlug naar het kasteel van den jongen edelman.

De koning was buitengewoon bedroefd, toen hij hoorde, dat zijn dochter was weggevoerd; hij liet overal proclamaties voorlezen, waarin groote belooningen werden beloofd aan ieder, die haar terug zou brengen of zelfs maar de mededeeling deed, waar men haar zou kunnen vinden. Langen tijd waren al zijn beloften vergeefsch; want niemand in het geheele rijk wist iets van het verblijf van de prinses.

Maar eindelijk, toen de koning er reeds aan wanhoopte, of hij haar ooit terug zou zien, kwam een oude zigeunervrouw naar het paleis en vroeg aan den koning: "Wat zult u mij geven, als ik uw dochter, de prinses, terugbreng?"

De koning antwoordde snel: "Ik zal u graag alles geven, wat gij vraagt, indien gij mijn dochter maar terugbrengt!"